HOOFDSTUK XVI.

Koning Mise had een groot feestmaal doen aanrichten. Alle voorname

Velagers waren uitgenoodigd en ook waren voorname Bedekauwers tot het

feest toegelaten, hoewel zij arm waren, daar zij gedurende den winter

dure leeftocht hadden moeten koopen voor de schatten, die op hun eiland

waren opgekoopt. Het graan was tegen goud opgewogen en honig of kaas

was bijna niet te krijgen geweest.

Maar Mise had gewild, dat ook de Bedekauwers zouden hooren hoe

heldhaftig hij, de eens gesmade, zich op den tocht naar Renigo gedragen

had.

Sedert den dood van hun heer waren Hall, Hamm en Hann in droevige

stemming. Mager als geesten, in lompen gehuld, zwierven ze bedelend

rond op ’t eiland, altoos sprekend over hun goeden koning Gise, die zoo

ongelukkig aan zijn eind was gekomen.

Soms werden zij door Mise naar Veloog geroepen en voor een goed maal

lieten de drie hongerhalzen zich vinden om een wedstrijd in ’t

sprokespreken aan te gaan met Pill, Pimm en Pinn. Maar het was een

onbegonnen werk, want koning Mise keurde al te voren hun sproken af en

prees de sproken van Pill, Pimm en Pinn, hoewel de drie door ’t goede

leven en de eer opgeblazen fluizen waren geworden, niet meer in staat

een hartig woord te zeggen. Ze waren nu lafhartige en laaghartige

vleiers en hun sproken bevatten niets anders dan de verheerlijking van

koning Mise.

Tot diens geringste daden werden door de drie, hooggeroemd met

overdreven woorden. Maar Mise was daarmede nog altijd niet tevreden en

zoover gingen toen Pill, Pimm en Pinn, dat toen koning Mise eens, na

een drinkgelag zichzelf en de gasten bekotst had, Pill sprak:

De kots van den koning,

Smaakt zoet als honing.

Pimm zeide:

’t Volk in óvervloeden leeft,

Als zijn koning overgeeft.

Pinn sprak:

Toen Mise véél gedronken had,

Gaf hij den gasten elk nog wat.

Maar eindelijk vonden Hall, Hamm en Hann een middel om hun gedachten te

uiten zonder gevaar te loopen getuchtigd te worden. In de bitterheid

huns harten zeiden zij in hun sproken en boerden wat zij van Koning

Mise meenden, maar zij deden alsof zij niet koning Mise maar koning

Gise bedoelden.

Dan lachte koning Mise en alle Velagers lachten, tevreden dat de doode

koning nog in zijn graf bespot werd en dat wèl door zijn eigen

sproke-sprekers.

Hall, Hamm en Hann lachten dan ook met een bitteren grim en zoo

dikwijls grimden zij, dat hun gezicht gram ging staan en om hun monden

altoos een grijnslach speelde, die hun magere gelaten afschrikwekkend

maakten.

Ook op het groote feest, waar de „Misère,” zoo was de titel van het

heldendicht op de reis van den dapperen koning Mise naar ’t land van

Renigo, zou worden voorgedragen door Pill, waren Hall, Hamm en Hann

aanwezig. En zij stonden in zwarte pijen met de hoofden dicht bij

elkaar, achter in de hal toe te luisteren en onder hun donkere pijen

balden zij de vuisten, en hun mondhoeken trokken ze zoo ver naar achter

van verbeten woede, dat hun lange, blauwe tanden te voorschijn kwamen.

Koning Mise, in een purper gewaad met breede, hermelijnen boorden en

een groote kroon op ’t hoofd, zat op een gouden zetel, op een troon

hoog boven de gasten uit, opdat tijdens de voordracht, de lieden den

held van het heldendicht goed zouden kunnen zien. Want koning Mise

wilde breken met het gebruik van den tijd, om helden eerst na hun dood

te bezingen en ze als goden te verheerlijken. Hij wilde van zijn

heldhaftigheid nog tijdens zijn leven genieten, en den indruk te zien,

die het verhaal van zijn daden op het menschdom maakte.

Zoo zat hij dan hoog op den troon, goed voor allen zichtbaar en in zijn

rechterhand hield hij een zwaard om bij de zinnen, waar dat te pas

kwam, aan te toonen op welke wijze hij van het wapen gebruik had

gemaakt om de gruwelijke monsters, draken en roovers te vellen.

Naast den troon was een stellage gemaakt met groene doeken behangen en

in ’t midden daarop stond Pill, in een lang gewaad van fijngeweven,

witte lamswol. Ter zijde stonden Pimm en Pinn, eveneens in blanke

lamswollen gewaden.

Toen het dan stil was geworden, verhief Pill zijn stem en riep:

Germania(#73888) · 第 38 / 44 题