Koning Mise had een groot feestmaal doen aanrichten. Alle voorname
Velagers waren uitgenoodigd en ook waren voorname Bedekauwers tot het
feest toegelaten, hoewel zij arm waren, daar zij gedurende den winter
dure leeftocht hadden moeten koopen voor de schatten, die op hun eiland
waren opgekoopt. Het graan was tegen goud opgewogen en honig of kaas
was bijna niet te krijgen geweest.
Maar Mise had gewild, dat ook de Bedekauwers zouden hooren hoe
heldhaftig hij, de eens gesmade, zich op den tocht naar Renigo gedragen
had.
Sedert den dood van hun heer waren Hall, Hamm en Hann in droevige
stemming. Mager als geesten, in lompen gehuld, zwierven ze bedelend
rond op ’t eiland, altoos sprekend over hun goeden koning Gise, die zoo
ongelukkig aan zijn eind was gekomen.
Soms werden zij door Mise naar Veloog geroepen en voor een goed maal
lieten de drie hongerhalzen zich vinden om een wedstrijd in ’t
sprokespreken aan te gaan met Pill, Pimm en Pinn. Maar het was een
onbegonnen werk, want koning Mise keurde al te voren hun sproken af en
prees de sproken van Pill, Pimm en Pinn, hoewel de drie door ’t goede
leven en de eer opgeblazen fluizen waren geworden, niet meer in staat
een hartig woord te zeggen. Ze waren nu lafhartige en laaghartige
vleiers en hun sproken bevatten niets anders dan de verheerlijking van
koning Mise.
Tot diens geringste daden werden door de drie, hooggeroemd met
overdreven woorden. Maar Mise was daarmede nog altijd niet tevreden en
zoover gingen toen Pill, Pimm en Pinn, dat toen koning Mise eens, na
een drinkgelag zichzelf en de gasten bekotst had, Pill sprak:
De kots van den koning,
Smaakt zoet als honing.
Pimm zeide:
’t Volk in óvervloeden leeft,
Als zijn koning overgeeft.
Pinn sprak:
Toen Mise véél gedronken had,
Gaf hij den gasten elk nog wat.
Maar eindelijk vonden Hall, Hamm en Hann een middel om hun gedachten te
uiten zonder gevaar te loopen getuchtigd te worden. In de bitterheid
huns harten zeiden zij in hun sproken en boerden wat zij van Koning
Mise meenden, maar zij deden alsof zij niet koning Mise maar koning
Gise bedoelden.
Dan lachte koning Mise en alle Velagers lachten, tevreden dat de doode
koning nog in zijn graf bespot werd en dat wèl door zijn eigen
sproke-sprekers.
Hall, Hamm en Hann lachten dan ook met een bitteren grim en zoo
dikwijls grimden zij, dat hun gezicht gram ging staan en om hun monden
altoos een grijnslach speelde, die hun magere gelaten afschrikwekkend
maakten.
Ook op het groote feest, waar de „Misère,” zoo was de titel van het
heldendicht op de reis van den dapperen koning Mise naar ’t land van
Renigo, zou worden voorgedragen door Pill, waren Hall, Hamm en Hann
aanwezig. En zij stonden in zwarte pijen met de hoofden dicht bij
elkaar, achter in de hal toe te luisteren en onder hun donkere pijen
balden zij de vuisten, en hun mondhoeken trokken ze zoo ver naar achter
van verbeten woede, dat hun lange, blauwe tanden te voorschijn kwamen.
Koning Mise, in een purper gewaad met breede, hermelijnen boorden en
een groote kroon op ’t hoofd, zat op een gouden zetel, op een troon
hoog boven de gasten uit, opdat tijdens de voordracht, de lieden den
held van het heldendicht goed zouden kunnen zien. Want koning Mise
wilde breken met het gebruik van den tijd, om helden eerst na hun dood
te bezingen en ze als goden te verheerlijken. Hij wilde van zijn
heldhaftigheid nog tijdens zijn leven genieten, en den indruk te zien,
die het verhaal van zijn daden op het menschdom maakte.
Zoo zat hij dan hoog op den troon, goed voor allen zichtbaar en in zijn
rechterhand hield hij een zwaard om bij de zinnen, waar dat te pas
kwam, aan te toonen op welke wijze hij van het wapen gebruik had
gemaakt om de gruwelijke monsters, draken en roovers te vellen.
Naast den troon was een stellage gemaakt met groene doeken behangen en
in ’t midden daarop stond Pill, in een lang gewaad van fijngeweven,
witte lamswol. Ter zijde stonden Pimm en Pinn, eveneens in blanke
lamswollen gewaden.
Toen het dan stil was geworden, verhief Pill zijn stem en riep: