HOOFDSTUK XV.

In Nervigo wachtte koning Solbert vol spanning op de komst van

Harimona. Toen hij hoorde, dat de edelen hun vrouwen en dochters

gewapend hadden om mede te vechten, voelde hij zich weder vol hoop op

de toekomst. Zoo zwak was dus hun bent en zoo gering hun aantal, dat

zij de hulp der wijven moesten inroepen!

De vrijgelatenen echter werden met den dag veeleischender. Zij hadden

uit hun midden een raad van oudsten benoemd en zij eischten, dat

Solbert zich aan de besluiten van dezen raad zou onderwerpen. De raad

van oudsten wilde een nieuw Ding instellen, waartoe elke vrijgelatene

toegang zou hebben. De Nervigo zou opnieuw verdeeld worden en elke

sippe zou een stuk grond toegewezen krijgen. De edelen, voor zoover zij

niet in den slag zouden worden geveld, zouden tot hoorigen vernederd

worden en voortaan aan de overwinnaars ondergeschikt zijn en

heerediensten verrichten.

Toen de zeven oudste vrijgelatenen koning Solbert dit voorstel deden,

zeide hij niets en beheerschte ook de uitdrukking van zijn gelaat. Maar

in zijn hart zwol een diepe verachting voor het hondsche volk, dat

nauwelijks zelf de vrijheid had verworven of het poogde anderen tot

slaven te maken. Zijn verachting werd afschuw, toen vrouwen van

vrijgelatenen van Solbert de belofte wilden afdwingen, dat de

edelvrouwen en jonkvrouwen, die zoo moedig haar mans in den strijd

wilden bijstaan, na de overwinning haar tot dienstmaagden zouden worden

gegeven.

„Na de overwinning, zeker, na de overwinning!” beloofde koning Solbert.

In zichzelf vloekte hij op de laaghartige wijven en toen hij ze,

tevreden met zijn belofte, zag heengaan, op den hof van zijn paleis arm

in arm loopend, de schunnige oproerliedjes zingend, lachte hij

smadelijk.

Na de overwinning! Maar het zou niet overwinnen, dat slaventuig. In hun

verderf zou hij ze voeren, mannen en vrouwen, ze laten neerhakken met

kortzwaard en aakst, vertrappen laten onder de hoeven der paarden,

zooals ze verdienden.

Hoe had hij hun best gewild. Rechten en vrijheid had hij hun gegeven en

tot dank wilden zij zijn recht, zijn hoog koningsrecht verkorten en

zijn wil tot het goede en deugdzame buigen, opnieuw slavernij en

hoorigheid invoerend in de Nervigo, dat hij tot een vrij land had

willen maken, zooals de Batouw vrij was, waar geen edelen en geen

hoorigen waren maar alleen saksaanvoerders voor oorlogstijd en een

volksding voor de zaken van recht en rede.

Zoo ging het den koningen, die, met het volk heulden. Indien hij er in

slaagde, zijn macht opnieuw te bevestigen, zou zijn hand zwaar drukken

op de hoorigen. Dicht zou hij zich aansluiten bij de edelen en zich

herinneren, hoe het volk der hoorigen hem beloond had voor zijn

rechtvaardigheid en deugd.

De edelen, die door kondschappers hoorden, hoe de hoorigen koning

Solbert behandelden, wel wetend dat een leger van grauw zonder

gehoorzaamheid en ontzag door een kloeke, vastberaden bent, ook al was

ze klein, kon worden neergeslagen als dor hout, voelden zich zeker van

de overwinning.

De winter begon zich te doen gevoelen. Stormen staken op en daarna ving

het aan te sneeuwen.

De heele Nervigo werd bedekt door een dichte, witte wâ en in de

verlaten dorpen der hoorigen heerschte doodsche stilte.

De edelen huisden in hun groote hutten, waarvan er sommigen zelfs

geheel van steen waren gebouwd.

Daar, in de groote hallen, brandden den heelen dag knapperende

houtvuren. De mannen zaten voor ’t vuur, sprekend over de kansen van

den slag, of oefenden zich in het trekken op ’t kortzwaard om lenig en

behendig te blijven. De vrouwen bakten brood, melkten de koeien,

sleepten het hout aan voor de haardvuren en ook zij, in de weinige uren

die haar restten, oefenden zich in het trekken op het kortzwaard, het

zwaaien van de aakst en het steken met de speer, bijgestaan door de

mannen, die haar de grepen en de trekken en de verweren toonden.

Op een helderen winterdag zagen de edelen, die ’t dichtst aan de grens

van het groote Nervische woud woonden, dat op een der grenstorens een

vuur was ontstoken. Dadelijk togen zij, hoewel de wegen dikbesneeuwd

waren en slecht te herkennen aan de boomen langs den weg van het

omringende land, naar de grens. Aan elke groote woning werd

stilgehouden en het heuchelijk bericht gemeld, dat prins Sogol in

aantocht was. Kondschappers snelden te paard door het gebied, ontstaken

vuren in de meld-torens en spoedig waren vele edelen, welgewapend en

goed bereden op weg naar den grenstoren, om te vragen van welke zijde

prins Sogol naderde.

De eerste edelen, die den grenstoren bereikten en van daar den woudweg

langs reden waren teleurgesteld, toen zij het kleine troepje zagen

naderen. Want Sogol was half naakt en zijn lange haren en verwaarloosde

baard, die nadat zij geheel verzengd was geweest, slecht was

aangegroeid, gaven hem meer het woeste uiterlijk van een hoorige, dan

van een toekomstigen koning. Harimona, de heilige vrouw, in lompen

gehuld, barrevoets over de sneeuw loopend, maakte ook geen

eerbiedwekkenden indruk.

Sogol naderde twee ernstige, breedgebouwde edellieden, die van hun

paarden gestegen waren, maar weifelden hem te begroeten.

„Kunt di dijn heer niet begroeten, wanneer hij zijn rijk binnentreedt?”

vroeg Sogol toornig.

De twee zagen elkaar aan en dan de jongste, met zichtbare minachting

naar de lompen van Harimona schouwend, antwoordde:

„Wie zegt ons, dat du onze heer zijt?”

Meteen had Sogol zijn kortzwaard getrokken en sloeg met één slag den

man neer.

„Ik, Sogol, prins der Nerviërs!” zei hij, met vuur in de oogen.

„Breng de paarden voor!” gebood hij den tweeden edelman.

Deze, die even de hand aan de greep van zijn zwaard had gebracht, toen

zijn reisgenoot met gekloofden schedel neerviel, was doodsbleek

geworden maar waagde niet het zwaard te trekken.

„Leid de paarden hier!” beval Sogol nogmaals met een dreigend licht in

zijn oogen. „Of zoowaar, ’t is met di ook gedaan.”

De edelman boog nu het hoofd en naar de twee paarden gaande, leidde hij

ze tot voor Sogol en Harimona.

Sogol hielp Harimona bij ’t opstijgen en besteeg daarna zelf het tweede

paard. Toen nu de edelman de twee te paard zag zitten, ondanks hun

lompen, fier, rijzig, rechtop en met waardigheid in de opgeheven

hoofden, voelde hij zijn ongelijk en knielend bij het paard van Sogol,

zeide hij:

„Heer, vergeef mi!”

Maar Sogol verwaardigde hem met geen blik, doch reed den weg verder

langs, ziende de vuren op de meld-torens branden en van verre, grauw op

het wit der sneeuw, de menschen naderen.

De edelman was opgestaan en bukte zich tot zijn neergevelden kameraad.

Maar deze was levenloos.

De vijf Norigeners waren op eenigen afstand gevolgd. Toen zij nu den

edelman geknield vonden bij den neergeslagen makker, wiens bleek hoofd

op een purperen kussen scheen te liggen, daar de sneeuw het bloed snel

had ingezogen en vroegen wie den man had vermoord, antwoordde de

edelman:

„Hij is niet vermoord maar gericht, omdat hij den prins niet geëerd

heeft.”

De Norigeners vertelden den edelman van den moed en de kracht van

Sogol. Hoe hij den stuurman had bevrijd, de wijven uit haar krocht had

gehaald en tot spreken gedwongen en hoe hij op den verderen tocht

vreezeloos was geweest in velerlei omstandigheden. Ook spraken zij over

Harimona. Ja, zij was een heilige vrouw en leefde in strenge

kuischheid. De prins en de heilige jonkvrouw verkeerden met elkaar als

geliefden, maar niet als gehuwden.

De zeelieden hielpen den edelman zijn gedooden makker naar de naaste

woning dragen, waar het lijk werd neergelegd, tot de vader en moeder

hun zoon een afscheidsgroet hadden kunnen brengen en voor de

verbranding zorg konden dragen. Toen trokken de zeelieden en de edelman

achter Sogol en Harimona aan.

Deze waren al een eind weegs gevorderd en de andere edellieden, die hun

toekomstigen koning tegemoet reden, Sogol en Harimona fier en rijzig

ziende op de zware, hooge paarden, staken hun zwaarden met de punt ver

in de hoogte, ten teeken van eerbiedigen groet.

Ernstig, met zijn nog bebloed kortzwaard met edelen zwier terug

groetend, reed Sogol en Harimona nevens hem, voort, zonder te spreken,

recht voor zich uitstarend over het verre, blauwblanke vlak der

Nervische landen.

De edelen vormden een lijfwacht achter hem en bij elke woning, die zij

voorbij reden, werd de stoet grooter. Er traden nu ook vrouwen en

maagden uit de hutten en huizen, velen met een zwaard of een spiets in

de hand, die met heldere stemmen hun juichend een: „Wotan were!”

toeriepen.

Andere vrouwen kwamen met kannen warme bloesemmelk, schotels geboterde

mikjes en konfijt van roode boschbessen en boden die den hoogen prins

en de heilige jonkvrouw aan met hoofsch en onderdanig gebaar.

Een rijke weduwe, wier man onder Sogols vader had gestreden op ’t

Paarden-eiland, ziende dat de prins een schamele pels en de heilige

jonkvrouw een door de lange reis verscheurd gewaad droeg, zond heur

zoon en heur dochter naar den jongen vorst om hun eigen gewaden aan te

bieden. De zoon droeg een pels van blauw dassenbont, gevoerd met witte

lamswol en de dochter een lange huifmantel van purperlaken met gouden

boorden en kwasten.

Sogol wierp Harimona eerst den rooden mantel om de schouders en heur

witte haren, beschenen door de zon, stroomden als gebleekte zijde over

het purper van schouders en rug. Toen sloeg Sogol met waardigen zwaai

zichzelf den blauwen pels om de schouders en stak haar vast met den

bronzen sluitspeld voor den linkerschouder.

„Heer,” zeide de zoon, „mijn vader streed en stierf in uw vaders

dienst.”

„Volg mi. Du zult mi dienen.”

„Heer,” vroeg de dochter, „sta mij toe, uw bruid te dienen.”

„Volg haar!” zeide Sogol.

En beiden, op schoone rossen stijgend, volgden achter Sogol en

Harimona.

Voor een tempel aan den weg stonden de priesters blootshoofd, in witte

gewaden, met lange grijze baarden en zongen een plechtigen lofzang,

toen Sogol naderde.

Maar hij, met de punt van zijn bebloed zwaard naar hen duidend, gebood

hen met luider stemmen te zwijgen.

Een der priesters, een groot, breedgeschouderd man met een rustigen

tred, trad op Sogol toe en tot hem opziende vroeg hij:

„Heer, is di onze zang niet aangenaam?”

„Noch dijn zang, noch dijn wezen!” antwoordde Sogol en reed verder, de

priesters niet meer met een blik verwaardigend.

Onderwijl hadden de zeelieden aan de velen, die hun om inlichtingen

vroegen, van den moed en kracht van prins Sogol verteld. De manke

stuurman, meestrompelend in den stoet, heette hem luidde zijn

levensredder. De rijzige, kloeke Rytzell, met zijn blauwe, onvervaarde

oogen, liep tusschen een drom edelen en verhaalde van de wonderdaden

van prins Sogol. Ook had de prins met hem gesproken over de groote

goden en hem afvallig gemaakt van Odin. De prins zou in Nervigo den

nieuwen godsdienst invoeren, die den menschen moedig maakt en sterker

dan al de kleine geesten van woud en stroom en de groote van de zeeën.

Voor een groot huis stond een schreiende vrouw.

Sogol hield zijn paard in.

„Wat deert di?” vroeg hij.

„Heer, mijn zoon u tegemoet rijdend, is van zijn ros gestort en ligt

binnen met gebroken been!”

„Draag hem hier!” beval Sogol.

Hij steeg af van ’t paard en nu eerst zagen de Nervische edelen de

hooge, waardige gestalte van hun nieuwen vorst.

Op een baar werd de zieke naar buiten gedragen. Sogol bevoelde de beide

beenen van den jongen man. Het rechterbeen was bij den voet verstuikt,

het linker had slechts een vleeschwond.

Sogol vroeg olie, wreef de voet met olie en rukte hem weder in ’t lid.

Toen gebood hij de vleeschwonde met gekookt water schoon te wasschen,

deed geplozen lijnwaad op de wonde leggen, verbond de wonde en beval

den jongen man rust.

„Zal hij genezen?” vroeg de moeder.

„De volgende week verwacht ik hem op ’t kroningsfeest te Beldun!”

antwoordde Sogol.

De moeder trad op Harimona toe en een tip van heur kleed grijpend,

kuste zij de slip.

„Wotan were!” riep de zieke op de baar. En van alle zijden klonk een

juichend „Wotan were! Wotan were!”

Het paard van Sogol, verschrikt door ’t geroep, begon te steigeren,

stelde zich op de achterpooten met de voorpooten graaiend in de lucht.

De edelen zagen met bewondering, hoe Sogol het paard bedwong door de

kracht zijner klemmende beenen.

Toen zij het dorp Waldsend bereikt hadden, waar de edelen, door

kondschappers gewaarschuwd, in slagorde geschaard, mannen, vrouwen en

jonkvrouwen, hem opwachten en het vorstelijk paar met een luid en

herhaald: Wotan were! begroetten, traden zeven der oudste edellieden

tot voor Sogol.

„Heer!” zei de woordvoerder, „de reis van Waldsend naar Frigsbeek, het

naaste dorp op den weg naar Beldûn, is ver. Vóór den nacht is het niet

te bereiken. Daarom smeeken wij di om de eer in onze stede te willen

overnachten.”

„Wij zullen blijven,” antwoordde Sogol.

De zeven edellieden voerden hem door het dorp naar het groote Dinghus.

Sogol en Harimona stegen af en traden het groote houten huis binnen.

Binnen in de hal brandde een groot houtvuur en terzijde waren zware

eiken zetels met lederen kussens neergezet.

Links en rechts waren groote zijzalen. Daar ook waren groote houtvuren

aangelegd en breede rustbedden met zachte pelzen belegd, stonden

daarbij.

Sogol en Harimona zetten zich op de zetels voor den haard en rustten

een wijle. Een edelvrouw met hare dochters naderde en vroeg wanneer de

vorst en zijn bruid het maal wenschten te zien opgediend.

„Zoodra,” beval Sogol. „Buiten staan vijf Scandiërs. Laat ze

binnentreden en disch voor hen op. Zij zijn vrienden van de Nerviërs.”

De vrouwen droegen groote kommen met warme wildbraadsoep, gebraden

kippen, eierkoeken, rollen geperste hazelnoten en rood

boschbessenkonfijt op. Zij zetten groote kommen met honingbier

daarnevens.

Sogol en Harimona zaten aan en voor ’t eerst na vele weken, konden zij

zich sterken aan een rustigen, welvoorzienen disch.

De vijf zeelieden traden beschroomd binnen, maar Sogol noodde ze aan

zijn vorstelijke tafel en als gul gastheer gebood hij zijn nieuwen

knaap, den zeelieden rijkelijk bier te schenken.

Maar hijzelf dronk matig. Nog steeds was hij er niet in geslaagd, een

der vijf er toe te brengen, hem den weg naar het vreemde land te

wijzen. Wel hadden Rytzell en de stuurman hem onderweg verhalen gedaan

van ’t geen zij in ’t vreemde land, dat zij in hun taal Masar noemden,

hadden beleefd en welke waren zij er heen brachten, barnsteen,

gepolijste horens, bronzen knoopen en sluitspelden. Maar ’t meest toch

verkregen zij door wapengeweld. Zij landden ’s nachts aan de kusten,

sloegen hun mantels van stierhuid om met de horens boven op ’t hoofd en

dan, onder gejoel en geschreeuw, stormden zij de dorpen binnen. De

menschen, verschrikt door ’t geweld, meenden dat de duivels losgebroken

waren en vluchtten uit hun huizen. Dan namen de lieden al wat hun

behaagde en met hun buit snelden zij terug naar hun skig en zeilden

snel weg of wanneer de wind niet gunstig was, werden de roeiriemen

uitgestoken en de skig werd weggeroeid. Maar welke schatten in de

Norigeensche skigge geborgen waren, had geen der zeelieden willen

zeggen. Nu deed Sogol hun kroes na kroes volschenken.

Harimona, niet begrijpend maar ziende, dat de mannen beschonken

raakten, stond op van tafel en door haar maagd gevolgd, ging zij naar

het linksche zijvertrek om zich af te zonderen en rust te nemen. Zij

liet de twee voorhangen van het toegangspoortje neervallen en legde

zich op een der rustbedden neder, na heur maagd geboden te hebben, bij

de edelvrouwen lijnwaad voor heur te halen en onderkleederen en voor

een warm bad te zorgen.

Sogol zond alle aanwezigen uit het vertrek, behalve de vijf Norigenen.

Hij moedigde hen steeds maar tot drinken aan, zelf de kannen en kroezen

vullend, hun zeggend, dat zij nu met den prins der Nerviërs dronken,

maar dat zij zeker binnenkort met den koning der Nerviërs zouden

drinken. Doch dan moesten zij niet zooals nu, kleine teugjes nemen

gelijk kinderen, maar meer eer aan het brouwsel van ’t Nervische land

schenken. Hij had altijd gehoord, dat de Nerigonen de beste drinkers

waren van heel Germanje en hij hoopte dat hij zich niet vergist zou

hebben.

De vijf zeelieden, hoewel ze al veel gedronken hadden, wilden niet de

schande lijden, door den toekomstigen koning der Nerviërs geminacht te

worden wegens hun gebrek aan dorst.

Sogol, ziende dat Rytzell een groote kan in een teug opdronk, knikte

goedkeurend.

„Opperschipper,” zeide hij, „wie is thans koning van de Scandiërs?”

„Hallánder, heer!” [21]

„Zoudt di dijn koning mijn vriendschap willen gaan aanbieden?”

„De eer is groot, heer.”

„Zeg hem, dat Sogol, koning der Nerviërs, di zendt. Ik zal di een

schoon zwaard medegeven om dijn koning te schenken en twaalf Nervische

paarden met twaalf knechten.”

„Heer, du bent te goed voor mi...”

„Drink met mi, op het heil van koning Hallánder. Wotan were!”

Sogol hief zijn kroes op. De Scandiërs hieven hun kroezen eveneens op

en ledigden ze tot op den bodem.

„Nu een lied, een Norigeensch lied!” riep Sogol.

Rytzell stond op en begon te zingen:

Een zeeman ging het zeegat uit,

Al om ver weg te varen,

En achter liet hij toen zijn bruid,

Een meid met blonde haren.

Zijn liefje wachtte aan de heg,

Alwaar de koetjes grazen.

De skiggen voeren heel ver weg,

De winden bleven blazen.

Toen ’s nachts de bruigom wachtstond had,

Zwom voor hem op de baren,

Een meeremin in ’t pekelbad,

Met lange, blonde haren.

De meermin sprak toen: „Schippersmaat,

Ik kom di niet vervelen,

De morgen rijst, het wordt al laat,

Laat ons een beetje spelen.”

De zeeman zei: „Dou valsche kol,

Ik ga met di niet mede,

Speel di alleen dijn rolde bol,

Mijn bruid wacht op de reede.”

De meermin sprak: „Dou domme maat,

Dijn meid vrijt met een ander,

Waarvan ze zich braaf kussen laat,

Bij Wotan, ’t is een schande.”

Het meerwijf lonkte hem zoo zoet,

Hij is haar gaan gelooven,

De maat sprong bij haar in den vloed,

Nooit kwam hij weer naar boven.

En aan het strand op verre ree,

Stond toen de bruid te schreien,

Zij stortte zich op ’t lest in zee,

Daar rusten ze nu beien.

De andere zeelieden, goed beschonken, begonnen nu ook liedjes te zingen

en Sogol, steeds zorgend dat de kroezen gevuld bleven, begon hen te

roemen en voorzichtig uit te vragen naar den weg naar ’t vreemde land.

Rytzell, hoewel smoordronken, behield zijn geslotenheid. Maar de roes

beving hem en hij stortte van de bank en bleef onder de tafel liggen

ronken.

De manke stuurman, los van tong, begon nu van het vreemde land te

vertellen. Het was een verward dronkemans verhaal, vol leugens en

verdichtsels en hij vertelde de geschiedenis van zijn gevangenzetting

en verlossing door de boschniksen alsof zij in ’t land Masar was

voorgevallen. Maar tusschen het dronkenmansgelol door hoorde Sogol, dat

de schepen altoos gericht werden links van de ster Raíts, zoodat met

deze steeds recht achter de nôta van de skig moest zien. Op den

terugtocht moest men weder op Raíts aanvaren, zoodat de ster nu recht

voor den boeg stond.

Ook vernam hij, dat in ’t vreemde land niet aan Odin geloofd werd en

niet aan Wotan, noch aan Thor of Freya. Zij hadden daar een vreemden

god, die onzichtbaar was en de deugdzamen gingen stervend op in het

niet. Maar de slechten werden na den dood in dieren veranderd, tot zij

door leed gereinigd waren.

Meer dan dat kon hij niet te weten komen, want de zeelieden begonnen

liedjes te lollen en vielen daarna één voor één terzij van hun zetels

en begonnen te ronken.

Toen was Sogol tevreden. Hij riep edelen naar binnen en beval, dat men

de dronken lieden naar hun rustbedden zou leiden.

De edellieden, ziende dat allen dronken waren behalve Sogol, voelden

grooten eerbied voor den jongen vorst, die blijkbaar zoo goed drinken

kon.

Nu ook legde Sogol zich ter ruste. Maar tegen den avond stond hij op,

riep de oudsten der edelen bijeen en liet hen in de groote hal, zittend

rondom het houtvuur, dat het vertrek met zachten rossen gloed

verlichtte, verhalen wat in ’t land gebeurd was, sedert hij het had

verlaten.

En vol verwondering hoorde hij van koning Kundric en zijn

strijdvrouwen. Van de twisten tusschen de mannen en de vrouwen en van

de regeering van koning Solbert, die de edelen had geknecht en de

knechten geadeld en nu met de vrijgelatenen wachtte op den beslissenden

slag, die de edelen hoopten onder Sogols aanvoering te zullen winnen.

In den nacht was Sogol weder alleen. Maar zijn gedachten waren niet bij

de staatszaken.

Hij peinsde over het vreemde land, het wondere Masar, dat lag tegenover

de ster Raíts en waar een god was, wiens zaligheid in vernietiging

bestond.

En in zijn nachtdroom voer hij op een groote skig, over verre groene

zeeën naar een heilig wit land, dat aan den einder oprees.

Germania(#73888) · 第 37 / 44 题