In Nervigo wachtte koning Solbert vol spanning op de komst van
Harimona. Toen hij hoorde, dat de edelen hun vrouwen en dochters
gewapend hadden om mede te vechten, voelde hij zich weder vol hoop op
de toekomst. Zoo zwak was dus hun bent en zoo gering hun aantal, dat
zij de hulp der wijven moesten inroepen!
De vrijgelatenen echter werden met den dag veeleischender. Zij hadden
uit hun midden een raad van oudsten benoemd en zij eischten, dat
Solbert zich aan de besluiten van dezen raad zou onderwerpen. De raad
van oudsten wilde een nieuw Ding instellen, waartoe elke vrijgelatene
toegang zou hebben. De Nervigo zou opnieuw verdeeld worden en elke
sippe zou een stuk grond toegewezen krijgen. De edelen, voor zoover zij
niet in den slag zouden worden geveld, zouden tot hoorigen vernederd
worden en voortaan aan de overwinnaars ondergeschikt zijn en
heerediensten verrichten.
Toen de zeven oudste vrijgelatenen koning Solbert dit voorstel deden,
zeide hij niets en beheerschte ook de uitdrukking van zijn gelaat. Maar
in zijn hart zwol een diepe verachting voor het hondsche volk, dat
nauwelijks zelf de vrijheid had verworven of het poogde anderen tot
slaven te maken. Zijn verachting werd afschuw, toen vrouwen van
vrijgelatenen van Solbert de belofte wilden afdwingen, dat de
edelvrouwen en jonkvrouwen, die zoo moedig haar mans in den strijd
wilden bijstaan, na de overwinning haar tot dienstmaagden zouden worden
gegeven.
„Na de overwinning, zeker, na de overwinning!” beloofde koning Solbert.
In zichzelf vloekte hij op de laaghartige wijven en toen hij ze,
tevreden met zijn belofte, zag heengaan, op den hof van zijn paleis arm
in arm loopend, de schunnige oproerliedjes zingend, lachte hij
smadelijk.
Na de overwinning! Maar het zou niet overwinnen, dat slaventuig. In hun
verderf zou hij ze voeren, mannen en vrouwen, ze laten neerhakken met
kortzwaard en aakst, vertrappen laten onder de hoeven der paarden,
zooals ze verdienden.
Hoe had hij hun best gewild. Rechten en vrijheid had hij hun gegeven en
tot dank wilden zij zijn recht, zijn hoog koningsrecht verkorten en
zijn wil tot het goede en deugdzame buigen, opnieuw slavernij en
hoorigheid invoerend in de Nervigo, dat hij tot een vrij land had
willen maken, zooals de Batouw vrij was, waar geen edelen en geen
hoorigen waren maar alleen saksaanvoerders voor oorlogstijd en een
volksding voor de zaken van recht en rede.
Zoo ging het den koningen, die, met het volk heulden. Indien hij er in
slaagde, zijn macht opnieuw te bevestigen, zou zijn hand zwaar drukken
op de hoorigen. Dicht zou hij zich aansluiten bij de edelen en zich
herinneren, hoe het volk der hoorigen hem beloond had voor zijn
rechtvaardigheid en deugd.
De edelen, die door kondschappers hoorden, hoe de hoorigen koning
Solbert behandelden, wel wetend dat een leger van grauw zonder
gehoorzaamheid en ontzag door een kloeke, vastberaden bent, ook al was
ze klein, kon worden neergeslagen als dor hout, voelden zich zeker van
de overwinning.
De winter begon zich te doen gevoelen. Stormen staken op en daarna ving
het aan te sneeuwen.
De heele Nervigo werd bedekt door een dichte, witte wâ en in de
verlaten dorpen der hoorigen heerschte doodsche stilte.
De edelen huisden in hun groote hutten, waarvan er sommigen zelfs
geheel van steen waren gebouwd.
Daar, in de groote hallen, brandden den heelen dag knapperende
houtvuren. De mannen zaten voor ’t vuur, sprekend over de kansen van
den slag, of oefenden zich in het trekken op ’t kortzwaard om lenig en
behendig te blijven. De vrouwen bakten brood, melkten de koeien,
sleepten het hout aan voor de haardvuren en ook zij, in de weinige uren
die haar restten, oefenden zich in het trekken op het kortzwaard, het
zwaaien van de aakst en het steken met de speer, bijgestaan door de
mannen, die haar de grepen en de trekken en de verweren toonden.
Op een helderen winterdag zagen de edelen, die ’t dichtst aan de grens
van het groote Nervische woud woonden, dat op een der grenstorens een
vuur was ontstoken. Dadelijk togen zij, hoewel de wegen dikbesneeuwd
waren en slecht te herkennen aan de boomen langs den weg van het
omringende land, naar de grens. Aan elke groote woning werd
stilgehouden en het heuchelijk bericht gemeld, dat prins Sogol in
aantocht was. Kondschappers snelden te paard door het gebied, ontstaken
vuren in de meld-torens en spoedig waren vele edelen, welgewapend en
goed bereden op weg naar den grenstoren, om te vragen van welke zijde
prins Sogol naderde.
De eerste edelen, die den grenstoren bereikten en van daar den woudweg
langs reden waren teleurgesteld, toen zij het kleine troepje zagen
naderen. Want Sogol was half naakt en zijn lange haren en verwaarloosde
baard, die nadat zij geheel verzengd was geweest, slecht was
aangegroeid, gaven hem meer het woeste uiterlijk van een hoorige, dan
van een toekomstigen koning. Harimona, de heilige vrouw, in lompen
gehuld, barrevoets over de sneeuw loopend, maakte ook geen
eerbiedwekkenden indruk.
Sogol naderde twee ernstige, breedgebouwde edellieden, die van hun
paarden gestegen waren, maar weifelden hem te begroeten.
„Kunt di dijn heer niet begroeten, wanneer hij zijn rijk binnentreedt?”
vroeg Sogol toornig.
De twee zagen elkaar aan en dan de jongste, met zichtbare minachting
naar de lompen van Harimona schouwend, antwoordde:
„Wie zegt ons, dat du onze heer zijt?”
Meteen had Sogol zijn kortzwaard getrokken en sloeg met één slag den
man neer.
„Ik, Sogol, prins der Nerviërs!” zei hij, met vuur in de oogen.
„Breng de paarden voor!” gebood hij den tweeden edelman.
Deze, die even de hand aan de greep van zijn zwaard had gebracht, toen
zijn reisgenoot met gekloofden schedel neerviel, was doodsbleek
geworden maar waagde niet het zwaard te trekken.
„Leid de paarden hier!” beval Sogol nogmaals met een dreigend licht in
zijn oogen. „Of zoowaar, ’t is met di ook gedaan.”
De edelman boog nu het hoofd en naar de twee paarden gaande, leidde hij
ze tot voor Sogol en Harimona.
Sogol hielp Harimona bij ’t opstijgen en besteeg daarna zelf het tweede
paard. Toen nu de edelman de twee te paard zag zitten, ondanks hun
lompen, fier, rijzig, rechtop en met waardigheid in de opgeheven
hoofden, voelde hij zijn ongelijk en knielend bij het paard van Sogol,
zeide hij:
„Heer, vergeef mi!”
Maar Sogol verwaardigde hem met geen blik, doch reed den weg verder
langs, ziende de vuren op de meld-torens branden en van verre, grauw op
het wit der sneeuw, de menschen naderen.
De edelman was opgestaan en bukte zich tot zijn neergevelden kameraad.
Maar deze was levenloos.
De vijf Norigeners waren op eenigen afstand gevolgd. Toen zij nu den
edelman geknield vonden bij den neergeslagen makker, wiens bleek hoofd
op een purperen kussen scheen te liggen, daar de sneeuw het bloed snel
had ingezogen en vroegen wie den man had vermoord, antwoordde de
edelman:
„Hij is niet vermoord maar gericht, omdat hij den prins niet geëerd
heeft.”
De Norigeners vertelden den edelman van den moed en de kracht van
Sogol. Hoe hij den stuurman had bevrijd, de wijven uit haar krocht had
gehaald en tot spreken gedwongen en hoe hij op den verderen tocht
vreezeloos was geweest in velerlei omstandigheden. Ook spraken zij over
Harimona. Ja, zij was een heilige vrouw en leefde in strenge
kuischheid. De prins en de heilige jonkvrouw verkeerden met elkaar als
geliefden, maar niet als gehuwden.
De zeelieden hielpen den edelman zijn gedooden makker naar de naaste
woning dragen, waar het lijk werd neergelegd, tot de vader en moeder
hun zoon een afscheidsgroet hadden kunnen brengen en voor de
verbranding zorg konden dragen. Toen trokken de zeelieden en de edelman
achter Sogol en Harimona aan.
Deze waren al een eind weegs gevorderd en de andere edellieden, die hun
toekomstigen koning tegemoet reden, Sogol en Harimona fier en rijzig
ziende op de zware, hooge paarden, staken hun zwaarden met de punt ver
in de hoogte, ten teeken van eerbiedigen groet.
Ernstig, met zijn nog bebloed kortzwaard met edelen zwier terug
groetend, reed Sogol en Harimona nevens hem, voort, zonder te spreken,
recht voor zich uitstarend over het verre, blauwblanke vlak der
Nervische landen.
De edelen vormden een lijfwacht achter hem en bij elke woning, die zij
voorbij reden, werd de stoet grooter. Er traden nu ook vrouwen en
maagden uit de hutten en huizen, velen met een zwaard of een spiets in
de hand, die met heldere stemmen hun juichend een: „Wotan were!”
toeriepen.
Andere vrouwen kwamen met kannen warme bloesemmelk, schotels geboterde
mikjes en konfijt van roode boschbessen en boden die den hoogen prins
en de heilige jonkvrouw aan met hoofsch en onderdanig gebaar.
Een rijke weduwe, wier man onder Sogols vader had gestreden op ’t
Paarden-eiland, ziende dat de prins een schamele pels en de heilige
jonkvrouw een door de lange reis verscheurd gewaad droeg, zond heur
zoon en heur dochter naar den jongen vorst om hun eigen gewaden aan te
bieden. De zoon droeg een pels van blauw dassenbont, gevoerd met witte
lamswol en de dochter een lange huifmantel van purperlaken met gouden
boorden en kwasten.
Sogol wierp Harimona eerst den rooden mantel om de schouders en heur
witte haren, beschenen door de zon, stroomden als gebleekte zijde over
het purper van schouders en rug. Toen sloeg Sogol met waardigen zwaai
zichzelf den blauwen pels om de schouders en stak haar vast met den
bronzen sluitspeld voor den linkerschouder.
„Heer,” zeide de zoon, „mijn vader streed en stierf in uw vaders
dienst.”
„Volg mi. Du zult mi dienen.”
„Heer,” vroeg de dochter, „sta mij toe, uw bruid te dienen.”
„Volg haar!” zeide Sogol.
En beiden, op schoone rossen stijgend, volgden achter Sogol en
Harimona.
Voor een tempel aan den weg stonden de priesters blootshoofd, in witte
gewaden, met lange grijze baarden en zongen een plechtigen lofzang,
toen Sogol naderde.
Maar hij, met de punt van zijn bebloed zwaard naar hen duidend, gebood
hen met luider stemmen te zwijgen.
Een der priesters, een groot, breedgeschouderd man met een rustigen
tred, trad op Sogol toe en tot hem opziende vroeg hij:
„Heer, is di onze zang niet aangenaam?”
„Noch dijn zang, noch dijn wezen!” antwoordde Sogol en reed verder, de
priesters niet meer met een blik verwaardigend.
Onderwijl hadden de zeelieden aan de velen, die hun om inlichtingen
vroegen, van den moed en kracht van prins Sogol verteld. De manke
stuurman, meestrompelend in den stoet, heette hem luidde zijn
levensredder. De rijzige, kloeke Rytzell, met zijn blauwe, onvervaarde
oogen, liep tusschen een drom edelen en verhaalde van de wonderdaden
van prins Sogol. Ook had de prins met hem gesproken over de groote
goden en hem afvallig gemaakt van Odin. De prins zou in Nervigo den
nieuwen godsdienst invoeren, die den menschen moedig maakt en sterker
dan al de kleine geesten van woud en stroom en de groote van de zeeën.
Voor een groot huis stond een schreiende vrouw.
Sogol hield zijn paard in.
„Wat deert di?” vroeg hij.
„Heer, mijn zoon u tegemoet rijdend, is van zijn ros gestort en ligt
binnen met gebroken been!”
„Draag hem hier!” beval Sogol.
Hij steeg af van ’t paard en nu eerst zagen de Nervische edelen de
hooge, waardige gestalte van hun nieuwen vorst.
Op een baar werd de zieke naar buiten gedragen. Sogol bevoelde de beide
beenen van den jongen man. Het rechterbeen was bij den voet verstuikt,
het linker had slechts een vleeschwond.
Sogol vroeg olie, wreef de voet met olie en rukte hem weder in ’t lid.
Toen gebood hij de vleeschwonde met gekookt water schoon te wasschen,
deed geplozen lijnwaad op de wonde leggen, verbond de wonde en beval
den jongen man rust.
„Zal hij genezen?” vroeg de moeder.
„De volgende week verwacht ik hem op ’t kroningsfeest te Beldun!”
antwoordde Sogol.
De moeder trad op Harimona toe en een tip van heur kleed grijpend,
kuste zij de slip.
„Wotan were!” riep de zieke op de baar. En van alle zijden klonk een
juichend „Wotan were! Wotan were!”
Het paard van Sogol, verschrikt door ’t geroep, begon te steigeren,
stelde zich op de achterpooten met de voorpooten graaiend in de lucht.
De edelen zagen met bewondering, hoe Sogol het paard bedwong door de
kracht zijner klemmende beenen.
Toen zij het dorp Waldsend bereikt hadden, waar de edelen, door
kondschappers gewaarschuwd, in slagorde geschaard, mannen, vrouwen en
jonkvrouwen, hem opwachten en het vorstelijk paar met een luid en
herhaald: Wotan were! begroetten, traden zeven der oudste edellieden
tot voor Sogol.
„Heer!” zei de woordvoerder, „de reis van Waldsend naar Frigsbeek, het
naaste dorp op den weg naar Beldûn, is ver. Vóór den nacht is het niet
te bereiken. Daarom smeeken wij di om de eer in onze stede te willen
overnachten.”
„Wij zullen blijven,” antwoordde Sogol.
De zeven edellieden voerden hem door het dorp naar het groote Dinghus.
Sogol en Harimona stegen af en traden het groote houten huis binnen.
Binnen in de hal brandde een groot houtvuur en terzijde waren zware
eiken zetels met lederen kussens neergezet.
Links en rechts waren groote zijzalen. Daar ook waren groote houtvuren
aangelegd en breede rustbedden met zachte pelzen belegd, stonden
daarbij.
Sogol en Harimona zetten zich op de zetels voor den haard en rustten
een wijle. Een edelvrouw met hare dochters naderde en vroeg wanneer de
vorst en zijn bruid het maal wenschten te zien opgediend.
„Zoodra,” beval Sogol. „Buiten staan vijf Scandiërs. Laat ze
binnentreden en disch voor hen op. Zij zijn vrienden van de Nerviërs.”
De vrouwen droegen groote kommen met warme wildbraadsoep, gebraden
kippen, eierkoeken, rollen geperste hazelnoten en rood
boschbessenkonfijt op. Zij zetten groote kommen met honingbier
daarnevens.
Sogol en Harimona zaten aan en voor ’t eerst na vele weken, konden zij
zich sterken aan een rustigen, welvoorzienen disch.
De vijf zeelieden traden beschroomd binnen, maar Sogol noodde ze aan
zijn vorstelijke tafel en als gul gastheer gebood hij zijn nieuwen
knaap, den zeelieden rijkelijk bier te schenken.
Maar hijzelf dronk matig. Nog steeds was hij er niet in geslaagd, een
der vijf er toe te brengen, hem den weg naar het vreemde land te
wijzen. Wel hadden Rytzell en de stuurman hem onderweg verhalen gedaan
van ’t geen zij in ’t vreemde land, dat zij in hun taal Masar noemden,
hadden beleefd en welke waren zij er heen brachten, barnsteen,
gepolijste horens, bronzen knoopen en sluitspelden. Maar ’t meest toch
verkregen zij door wapengeweld. Zij landden ’s nachts aan de kusten,
sloegen hun mantels van stierhuid om met de horens boven op ’t hoofd en
dan, onder gejoel en geschreeuw, stormden zij de dorpen binnen. De
menschen, verschrikt door ’t geweld, meenden dat de duivels losgebroken
waren en vluchtten uit hun huizen. Dan namen de lieden al wat hun
behaagde en met hun buit snelden zij terug naar hun skig en zeilden
snel weg of wanneer de wind niet gunstig was, werden de roeiriemen
uitgestoken en de skig werd weggeroeid. Maar welke schatten in de
Norigeensche skigge geborgen waren, had geen der zeelieden willen
zeggen. Nu deed Sogol hun kroes na kroes volschenken.
Harimona, niet begrijpend maar ziende, dat de mannen beschonken
raakten, stond op van tafel en door haar maagd gevolgd, ging zij naar
het linksche zijvertrek om zich af te zonderen en rust te nemen. Zij
liet de twee voorhangen van het toegangspoortje neervallen en legde
zich op een der rustbedden neder, na heur maagd geboden te hebben, bij
de edelvrouwen lijnwaad voor heur te halen en onderkleederen en voor
een warm bad te zorgen.
Sogol zond alle aanwezigen uit het vertrek, behalve de vijf Norigenen.
Hij moedigde hen steeds maar tot drinken aan, zelf de kannen en kroezen
vullend, hun zeggend, dat zij nu met den prins der Nerviërs dronken,
maar dat zij zeker binnenkort met den koning der Nerviërs zouden
drinken. Doch dan moesten zij niet zooals nu, kleine teugjes nemen
gelijk kinderen, maar meer eer aan het brouwsel van ’t Nervische land
schenken. Hij had altijd gehoord, dat de Nerigonen de beste drinkers
waren van heel Germanje en hij hoopte dat hij zich niet vergist zou
hebben.
De vijf zeelieden, hoewel ze al veel gedronken hadden, wilden niet de
schande lijden, door den toekomstigen koning der Nerviërs geminacht te
worden wegens hun gebrek aan dorst.
Sogol, ziende dat Rytzell een groote kan in een teug opdronk, knikte
goedkeurend.
„Opperschipper,” zeide hij, „wie is thans koning van de Scandiërs?”
„Hallánder, heer!” [21]
„Zoudt di dijn koning mijn vriendschap willen gaan aanbieden?”
„De eer is groot, heer.”
„Zeg hem, dat Sogol, koning der Nerviërs, di zendt. Ik zal di een
schoon zwaard medegeven om dijn koning te schenken en twaalf Nervische
paarden met twaalf knechten.”
„Heer, du bent te goed voor mi...”
„Drink met mi, op het heil van koning Hallánder. Wotan were!”
Sogol hief zijn kroes op. De Scandiërs hieven hun kroezen eveneens op
en ledigden ze tot op den bodem.
„Nu een lied, een Norigeensch lied!” riep Sogol.
Rytzell stond op en begon te zingen:
Een zeeman ging het zeegat uit,
Al om ver weg te varen,
En achter liet hij toen zijn bruid,
Een meid met blonde haren.
Zijn liefje wachtte aan de heg,
Alwaar de koetjes grazen.
De skiggen voeren heel ver weg,
De winden bleven blazen.
Toen ’s nachts de bruigom wachtstond had,
Zwom voor hem op de baren,
Een meeremin in ’t pekelbad,
Met lange, blonde haren.
De meermin sprak toen: „Schippersmaat,
Ik kom di niet vervelen,
De morgen rijst, het wordt al laat,
Laat ons een beetje spelen.”
De zeeman zei: „Dou valsche kol,
Ik ga met di niet mede,
Speel di alleen dijn rolde bol,
Mijn bruid wacht op de reede.”
De meermin sprak: „Dou domme maat,
Dijn meid vrijt met een ander,
Waarvan ze zich braaf kussen laat,
Bij Wotan, ’t is een schande.”
Het meerwijf lonkte hem zoo zoet,
Hij is haar gaan gelooven,
De maat sprong bij haar in den vloed,
Nooit kwam hij weer naar boven.
En aan het strand op verre ree,
Stond toen de bruid te schreien,
Zij stortte zich op ’t lest in zee,
Daar rusten ze nu beien.
De andere zeelieden, goed beschonken, begonnen nu ook liedjes te zingen
en Sogol, steeds zorgend dat de kroezen gevuld bleven, begon hen te
roemen en voorzichtig uit te vragen naar den weg naar ’t vreemde land.
Rytzell, hoewel smoordronken, behield zijn geslotenheid. Maar de roes
beving hem en hij stortte van de bank en bleef onder de tafel liggen
ronken.
De manke stuurman, los van tong, begon nu van het vreemde land te
vertellen. Het was een verward dronkemans verhaal, vol leugens en
verdichtsels en hij vertelde de geschiedenis van zijn gevangenzetting
en verlossing door de boschniksen alsof zij in ’t land Masar was
voorgevallen. Maar tusschen het dronkenmansgelol door hoorde Sogol, dat
de schepen altoos gericht werden links van de ster Raíts, zoodat met
deze steeds recht achter de nôta van de skig moest zien. Op den
terugtocht moest men weder op Raíts aanvaren, zoodat de ster nu recht
voor den boeg stond.
Ook vernam hij, dat in ’t vreemde land niet aan Odin geloofd werd en
niet aan Wotan, noch aan Thor of Freya. Zij hadden daar een vreemden
god, die onzichtbaar was en de deugdzamen gingen stervend op in het
niet. Maar de slechten werden na den dood in dieren veranderd, tot zij
door leed gereinigd waren.
Meer dan dat kon hij niet te weten komen, want de zeelieden begonnen
liedjes te lollen en vielen daarna één voor één terzij van hun zetels
en begonnen te ronken.
Toen was Sogol tevreden. Hij riep edelen naar binnen en beval, dat men
de dronken lieden naar hun rustbedden zou leiden.
De edellieden, ziende dat allen dronken waren behalve Sogol, voelden
grooten eerbied voor den jongen vorst, die blijkbaar zoo goed drinken
kon.
Nu ook legde Sogol zich ter ruste. Maar tegen den avond stond hij op,
riep de oudsten der edelen bijeen en liet hen in de groote hal, zittend
rondom het houtvuur, dat het vertrek met zachten rossen gloed
verlichtte, verhalen wat in ’t land gebeurd was, sedert hij het had
verlaten.
En vol verwondering hoorde hij van koning Kundric en zijn
strijdvrouwen. Van de twisten tusschen de mannen en de vrouwen en van
de regeering van koning Solbert, die de edelen had geknecht en de
knechten geadeld en nu met de vrijgelatenen wachtte op den beslissenden
slag, die de edelen hoopten onder Sogols aanvoering te zullen winnen.
In den nacht was Sogol weder alleen. Maar zijn gedachten waren niet bij
de staatszaken.
Hij peinsde over het vreemde land, het wondere Masar, dat lag tegenover
de ster Raíts en waar een god was, wiens zaligheid in vernietiging
bestond.
En in zijn nachtdroom voer hij op een groote skig, over verre groene
zeeën naar een heilig wit land, dat aan den einder oprees.