HOOFDSTUK XIV.

Midden in het bosch, aan de grens van het Nervische gebied, was Sogol

’s morgens ontwaakt, door een snijdende pijn in de polsen. Hij had

gedroomd, dat een kobold hem met een zwaard de handen afsloeg.

Toen hij ontwaakte bemerkte hij, dat hij in een donker vertrek was en

dat zijn polsen en enkels gebonden waren met dunne, snijdende riemen.

„Harimona!” riep hij.

Zijn stem klonk hol en daaruit leidde hij af, dat hij zich in een

gewelf bevond.

„Haun!” riep hij, „Haun! Haun!”

Maar hij kreeg geen antwoord. Hij trachtte zich nu op te richten, maar

hij ervoer, dat hij ook met een riem, die om de bovenarmen liep,

ruggelings aan den grond was bevestigd.

Hij rukte even met zacht geweld om de kracht zijner boeien te meten. Ze

waren zoo sterk, dat hij er niet aan behoefde te denken, ze stuk te

trekken.

Het was zwart duister om hem heen, zonder zelfs een schemer licht.

Sogol begreep, dat hij gevangen genomen moest zijn tijdens zijn slaap;

dat men hem geboeid had en dat Harimona en Haun eveneens òf gevangen òf

verjaagd waren. Meer kon hij niet te weten komen. Het beste was zich

kalm te houden en af te wachten. Voorloopig overtuigde hij zich ervan

of hij nog ’t gebruik van al zijn ledematen had. Ja, zijn knieën kon

hij nog buigen, zijn vingers bewegen en behalve het schrijnen van de

striemen der riemen om zijn polsen, voelde hij geen pijn. Maar wel was

zijn keel droog en had hij een grooten dorst. Doch zijn eigen

lichamelijke kwalen telde hij weinig. Waar was Harimona? Lag ze ook zoo

als hij, vastgebonden en versmachtend in een donker hol? Hij wilde weer

roepen maar bedacht zich. Waarom zijn bewakers te wekken? De wijze,

waarop zij hem gevangen hadden genomen en hier gevangen gezet bewees

voldoende, dat zij hem kwaad wilden. Wie waren zijn gevangennemers? En

hoe hadden ze hem zoo kunnen binden, zonder dat hij ontwaakt was?

Het zware, doezelige gevoel in zijn hoofd, de dorst gaven hem een

aanwijzing. Hij moest zeker te voren door kruidendamp bedwelmd zijn

geworden.

Sogol bracht zijn hoofd wat naar voren en berook zijn naakte, harige

borst. En hij herkende den geur van ’t ginneblad, dat ook op feestdagen

gebrand wordt in de heilige hagen, waar de priesters en priesteressen

zich er door laten verhitten en dan tot zinneloozen lust worden

geprikkeld. Maar wie te veel van den rook van ’t geroosterde ginneblad

opsnuift, verliest het bewustzijn en valt in een diepen slaap, waaruit

men niet altoos ontwaakt.

Hij was dus gevangen genomen òf door priesters of door vrouwen. Want

mannen, zelfs de meest schunnige roover, zou een vijand niet op deze

wijze onschadelijk maken.

Maar hoe lang had hij geslapen? En waren zijn gevangennemers wellicht

overtuigd geweest, dat hij den doodslaap wel slapen zou en hadden zij

hem hier zoo gebonden, levend in een graf gelegd?

Weer wilde hij schreeuwen, maar zijn instinct hield hem ervan terug.

Neen, hij moest voorloopig zwijgen en stil onderzoeken. Hij was nu al

zoo ver, dat hij wist, waardoor hij bedwelmd was en iets kon vermoeden

van de persoonlijkheid zijner vijanden. Een poosje lag hij stil om tot

rust te komen. Zoo hier te blijven liggen en te sterven ... was dat wel

zoo vreeselijk? Die korte tijd van honger en dorst zou niet eeuwig

duren. Maar wat dan?

Hij strekte zich lang en recht uit, als een die gestorven is en sloot

de oogen, die vermoeid werden van in ’t duister zien en peinsde over

den dood.

Hier lag hij nu, onverwrikbaar vastgebonden, in een levend graf. Zou de

dood nu werkelijk een verlossing zijn? Wanneer zijn levensgeest was

geweken, zou dit lichaam, dat nu nog ademde, welks zwaarte hij nu nog

voelde, dat zijn levenskracht verraadde door ’t kloppen van ’t hart,

het zware bonzen van de slapen, het zweeten van ’t voorhoofd, hier dan

liggen, een gevoelloos stuk dood vleesch, dat stinkend zou vergaan,

weggevreten door wormen en maden, opgelost in een afzichtelijke brei,

waarvan de grond de vochten zou opzuigen. Maar dan, langzamerhand was

al ’t vleesch vergaan en zijn beenderen zouden bloot komen, uitdrogen

en op een dag, wellicht na eeuwen zou door een toeval een voorbijganger

zijn geraamte hier vinden, zooals hij daar ginds bij ’t onderaardsche

meer de geraamten der reuzen had gevonden. En die levende zou naar zijn

doodshoofd kijken en beschouwend staren naar dat bolle voorhoofd,

waarachter de gedachten gewoeld hadden en die holle, zwarte oogkassen,

waaruit zijn zielsbewegen door de glanzende oogen naar buiten geschenen

had, maar ook hij zou voor het geheim staan van het zwijgende graf en

de mond, die nu nog kon roepen en spreken, zou dan een afgrijselijken,

breeden grijnslach vertoonen met de witte tanden dreigend als in den

bek van een dier. Zou daarmede dan alles gedaan zijn?... En als de

beenderen verbrand werden en een hoopje asch in een urn lei of de asch

werd verstrooid door de winden... was dan hij Sogol ook voorgoed

verstrooid en niet weer te vinden uit den baaierd...?

Of was daar dan werkelijk een ander leven, een leven buiten dit, dat

niet gebonden was aan aardsche banden, niet vastgeketend kon worden

gelijk dit lichaam nu, dat hij op dit oogenblik voelde als iets

vreemds, als iets dat niet van hem was, iets pijnlijks en wreeds dat

hem vastbond aan een aardsch bestaan, een andere keten maar inderdaad

gelijk aan de riemen, die hem nu vasthielden aan den rotsigen grond.

Waar gingen de gedachten heen uit zijn hoofd?

Die waren vrij en niet gebonden aan zijn lichaam. Want zie, nu lag hij

hier toch vastgeriemd zoo, dat hij zich zelfs niet geheel kon oprichten

en alles om hem heen was zwartdonker en hij hoorde geen geluid en wist

niet waar hij was noch hoe hij hier gekomen was. En toch, in zijn

hoofd, daar achter zijn voorhoofd, woelden gedachten en voorstellingen,

plannen, overleggingen, berekeningen. Hij kon zich verbeelden vrij te

zijn en te zweven uit dit donkere hol ver naar de vrijheid en hoog

boven de landen, steeds hooger, hooger, gelijk een arend, die naar de

zon vliegt... o nog hooger, nog hooger...

Neen, neen, neen... hooger niet... daar in de blauwe luchten begon het

groote geheim weder en daar vond zijn vrije geest die andere riemen,

die hem vastsnoerden in een ander gewelf, dat maar schijnbaar vrij en

helder en doorzichtig en licht was, doch inderdaad al even donker als

dit hier, waaronder hij nu vastgebonden lag...

En in dat andere gewelf zou de geest ook verpulveren in den baaierd,

zooals zijn lichaam hier in dit zwarte hol.. wellicht, wellicht,

wellicht, want iets ontzwond zijn lichaam dan toch en was niet door de

riemen hier gebonden, die hij voelde schrijnen... En iets wellicht zou

ook weer den geest ontzwinden, wanneer die zich oploste in de ruimte

van het hemelgewelf zooals een brandoffer-geur, weggewaaid door den

wind... en uit dien geest, zwevend in hoogere ruimte zou eens weder een

fijnere geest opstijgen en uit dien weder een eeuwig, eeuwig, eeuwig,

in gestadige fijnere, hoogere ontwikkeling, verrijzend steeds schooner

uit zichzelf.

Hij lag zoo in het donker te peinzen. Nu hoorde hij een dof, klotsend

geluid alsof er ver een paard liep.... Hij legde zijn oor op den

bodem.... luisterde aandachtig met zijn scherp gehoor.... Dat was zijn

paard.... hij herkende het aan ’t rhythme van ’t geklakkel der

hoeven....

Maar de gedachte aan het geheim van den dood nam zoo zijn denken in

beslag, dat hij niet zich bezighield met dat geluid, dat wellicht

bevrijding kon beteekenen, maar bleef zweven met zijn gedachten in de

ijle ruimten ver boven de aarde, waar de zielen konden zweven en zich

van trap tot trap ontwikkelen tot hoogere volmaking.

Maar weer hoorde hij ’t geklikkeklak der paardehoeven en nu ook een

zacht hinniken....

Ja... wèl was het zijn paard... Zijn paard ... zijn trouw, goed, groot

paard, dat zijn meester misschien kwam zoeken...

Zou het hem vinden? Had het besef er van, dat hij hier in nood

verkeerde? Hoe dikwijls nu al, gedurende de lange reis van de Renigo

naar Nervië, had hij in gepeinzen gekeken naar dien grooten kop van

zijn paard. En ook vaak had hij getuurd in de groote bruine oogen, zich

afvragend wat die wilden zeggen, van welke ziel zij de spiegel waren.

En welke gedachten huisden achter dat zware, groote been tusschen de

twee ooren. In den haag van Lagdûn waren witte paarden, die voor heilig

werden gehouden en uit hun brieschen voorspelden er de priesters de

toekomst. Wanneer de groote koningen en zelfs de hertogen gestorven

waren, doodde men in sommige streken hun hengsten en verbrandde de

lijken van de paarden tegelijk met die van hun heeren, opdat deze in ’t

Walhalla hun lievelingsros weder zouden kunnen bestijgen. Hadden de

dieren ook een ziel? Steeg hun ziel ook op na den dood, bevrijd van

aardsche slaafschheid? Ging hun ziel ook van trap tot trap hooger in

een voortdurende ontwikkeling de hoogste volmaking tegemoet?

Wat was de ziel? Leefde zij zonder lichaam.... als een wind of als een

geur of als een zonnestraal? [18]

En wanneer de dieren allen een ziel hadden, was dan na den dood de ziel

van een laffen haas gelijk aan die van een moedigen ever? Of kwam de

ziel van den haas, na diens dood tot hoogere volmaaktheid gekomen, in

een hooger dier wonen, in een dier met grooteren moed en kracht?

Sogol bleef even geheel gedachteloos liggen. Het was hem of hier, in

deze donkere krocht, waar hij machteloos en eenzaam te versmachten lag,

opeens het groote licht des levens opging.

Hij voelde een grootsche, een alomvattende gedachte komen, maar

weifelde om haar toe te laten in zijn hoofd.. Het was vrees en genot

tegelijkertijd, dat wachten op de groote openbaring van zijn rede....

Wellicht... wellicht... wellicht.... o, hoe durfde hij die gedachte

aan.... wellicht was de ziel van al wat leefde één wezen, maar zooals

de lucht één ding was en toch elk levend wezen naar zijn aard en

behoefte zijn deel van die lucht inademde, zoo kon dan ook elk een deel

van die àl-ziel in zich omvatten en stervend zijn deel weer teruggeven,

zooals de ademtocht teruggegeven werd.... Het heele leven zou niet

anders dan één lange ademtocht zijn, ingehaald bij de geboorte en

uitgezucht bij den dood.... De ziel van elk dier, ook het geringste,

ware het een luis of een vlooi, was een gedeelte van dezelfde alziel

van den mensch.... En het deel der alziel, dat heden in een luis

leefde, zou na lange tijden van uit- en inademing, door verschillende

trappen eindelijk den edelsten mensch kunnen bewonen. Daarna... ging

dan dat zielsdeel voort in ontwikkeling zich vervolmakend, zou het den

goden gaan bewonen? Was er dus waarheid in de sagen, die van de oude

helden goden maakten?... [19] Begon dan de hemel reeds op aarde? En bij

het kleinste, minst ontwikkelde dier? Wat zou het minst ontwikkelde

dier wel zijn?

De slak? De oorworm? De oester? De zeester? Ja.... bij de zeester

zouden de levende dieren zeker aanvangen... zonder kop, zonder oogen,

zonder schelp.... Hij had ze dikwijls op het Nervische strand gezien,

als jongen ze wel ’s morgens gezocht na den vloed, als ze nog leefden

en de vijf punten bewogen. Ze hadden ze in de zon gedroogd, hij en de

andere knapen en ze aan een draad geregen en op de borst gedragen. Lag

er bedoeling in den vorm van dit dier, dat bijna op een plant geleek?

Een ster was de aanvang van alle leven.... O, mocht ik bevrijd

worden... De ster zou mijn zinnebeeld zijn en op mijn wapenschild zal

ik haar afbeelden....

Bevrijd zijn, bevrijd zijn! Hij keerde weer uit zijn gedachtenrijk

terug als uit een droom. Maar de riemen om armen en beenen, die

striemden zoodra hij zich bewoog, de zwarte donkerte om zich heen, nu

hij de oogen weder opende, herinnerde hem smartelijk aan zijn

vreeselijken toestand van de stonde.

Weer hoorde hij buiten het brieschen van zijn paard en het scheen of

het dichtbij met den voorhoef in den grond groef. Sogol bleef

ingespannen luisteren.... O, als zijn paard werkelijk zooveel verstand

had om een gat te graven en zijn meester licht en lucht toe te

voeren... Zou in dien grooten kop, achter die goedige, bruine oogen

zooveel besef huizen? Wellicht... waarom niet? Hoe reusachtig was de

afstand niet tusschen de zeester en zijn paard... beiden toch dieren.

Hoeveel malen moest de levensziel zich niet door sterven en

wederopstand verreinen om den afstand af te leggen tusschen de

hulpelooze zeester en het al zoo redelijke paard....

En het bleef graven.... Hij hoorde het telkens brieschen en dan weer

woelde de hoef in den grond. Het geluid van ’t woelen kwam van rechts

en klonk alsof een dor blad, door den wind opgejaagd, langs een drogen

grond schoof.

Als hij ’t eens riep.... Maar zijn stem zou zijn bewakers kunnen

wekken.... Neen, zwijgen moest hij.... een instinct zeide hem, dat hij

zwijgen moest.

Stil, zachtjes ademend, lag hij te luisteren naar het brieschen en het

graven.... Ja.... het gat moest dieper worden.... want hij hoorde den

woelenden hoef steeds, steeds duidelijker en het brieschen nu al heel

dichtbij.... Nu kòn hij zich niet langer weerhouden en zachtjes floot

hij sissend tusschen de tanden, zooals hij dat deed, wanneer hij zijn

paard tot zich riep. Even was ’t doodstil. Nogmaals floot Sogol....

toen hoorde hij een klagelijk gehinnik.... Ja.... dat was Hadoe, zijn

trouwe hengst.... Nogmaals floot hij.... twee, driemaal achtereen....

De hoef begon weder te woelen.... En nu kwam opeens een blauw straaltje

licht naar binnen, dat een klein licht plekje sloeg onder tegen den

zijwand ver van Sogol. Even moest hij zijn oogen wennen aan dat

licht.... en tot zijn ontzetting zag hij nu, dat het scheen op het

gelaat van een ander mensch, een die nog toe in verdooving lag of dood

was.

Zachtjes floot hij weder. Het gat werd grooter, nog grooter.... en daar

kwam het blauwe daglicht binnen. Het was Sogol of het door dat gat,

links van hem, zachtjes binnengegoten werd, als water uit een drinkkan.

En snel flitste de gedachte door zijn hoofd of het licht misschien ook

een soort water was, dat uit de zon over de aarde werd uitgegoten. Maar

de gedachte hield hem niet langer bezig op dit oogenblik. Vrij wilde

hij zijn, weer loopen langs de wegen onder het hooge, blauwe koepeldak

en rondom gebaad in de winden, streelend om zijn naakt lichaam.

O, indien hij zich maar naar het gat had kunnen sleepen, vanwaar het

blauwe licht binnenstroomde en scheen in het holle gewelf zijner

gevangenis uit te vloeien, verschaduwend in de hoeken alsof het nog

geen kracht genoeg had om zooveel duister weg te dringen.

Nu dorst hij te roepen. Het licht gaf hem geestkracht en vertrouwen en

moed.

„Kom dan Hadoe.... kom dan zoet beest.... zoek dan, zoek dan dijn

heer.... zúúúúúút.... zsúúúúúúút... dijn heer is hier.... kom....

kom....”

Sogol wachtte en keek even weder naar den anderen gevangene.... Hij

schrikte.... daar, tegen den wand boven het lichaam van den onbekenden

man, die daar lag, zag hij een visioen.... een onverklaarbaar

wonderverschijnsel. Iemand.... een geest.... een ziel.... een god....

wie dan ook.... had met toovermacht daar tegen den muur een

wonderschoon tafereel geteekend....

Met oogen, star van ontzetting, zag Sogol tegen den muur een boschje

van hooge boomen, die wuifden in den wind en daaronder bewegende

gestalten... met lange, loshangende haren... vrouwen waren het, die

druk, verward bezig waren om iets dat in hun midden lag, te dansen.

Maar het grootste wonder was, dat alles omgekeerd op den muur geteekend

stond, zoodat de boomen met de toppen naar beneden verschenen en de

vrouwen met de hoofden... Dan, nu het gat nog grooter werd, was het

opeens verdwenen.

„Hadoe! Kom dan, mijn jongen... kom dan!” zei Sogol aanmoedigend. Het

paard stak zijn snoet naar voren in ’t gat en snoof in de krocht naar

zijn meester.

Toen, zich overtuigd hebbend, begon het verder te graven.

Sogol hoorde vrouwenstemmen en gillen en roepen, verstond de woorden.

Zij spraken den zuiveren Nervischen tongval. Hij was dus door vrouwen

van zijn eigen stam gevangen genomen. Waarom? En wanneer? En waar was

Harimona en waar was Haun.

Hij begon ongerust te worden over ’t lot der twee. Nu hij weder het

daglicht zag en rondom zich de dingen kon onderscheiden, verlieten hem

de gedachten aan den dood en zijn mysteriën en zijn jong lichaam

verlangde naar de geneuchten van het leven.

Waar was zijn geliefde? Lag zij wellicht zooals hij gebonden in een

duister krocht? Was heur paard ook zooals zijn trouwe Hadoe, zijn

meesteres licht en lucht komen brengen. Of versmachtte zij? En de jonge

horenblazer? Waar was de knaap?

Hij hoorde het knallen van een zweep en daarna het geklikklak van de

hoeven van Hadoe. Het paard werd weggevoerd... Zijn laatste vriend liet

hem alleen... maar niet, dan nadat het hem zijn lot, zoover het in zijn

zwak vermogen stond, verzacht had.

Licht was er tenminste in het hol. Nu zijn oogen geheel gewend waren

aan den blauwen schemer die binnenviel, bemerkte hij, dat de man, die

tegen den anderen muur gebonden lag, nog leefde, want zijn borst bewoog

zich zwak op en neder. Hij was niet zooals Sogol, bijna naakt, maar had

een rood buis aan, zooals de zeelieden dat gewoonlijk droegen.

„Schipper!” riep Sogol luide.

Maar de man antwoordde niet en bleef in zijn diepen slaap verzonken.

„Schipper!” riep Sogol nogmaals. „Schipper!”

De man antwoordde niet.

Zoo lag Sogol geruimen tijd, versmachtend van dorst, pijnlijk in al

zijn leden door het gedwongen gestrekt liggen, zonder zich te kunnen

verroeren. Hij voelde zijn hoofd zwaar worden, sloot de oogen, kreeg

verwarde denkbeelden en verloor het bewustzijn.

Toen hij weer ontwaakte was het vaal donker in het hol, hoewel het gat

nog open was. Het scheen dus avond te zullen worden. Hij hoorde nu geen

geluiden meer, niet meer het gieren en joelen van de verre

vrouwenstemmen en niet meer het klakkelen van de paardehoeven.

„Schipper!” riep hij nogmaals zwak.

„Leeft di!” antwoordde de man nu, sprekende het Nervisch met een

Scandischen tongval.

„Ja, ik leef. Wie bent di en hoe bent di hier gekomen?”

„Ik ben een Nerigoner, stuurman van een Noorschen skig, die van het

vreemde land kwam en in ’t Nervisch gebied met mijn kameraden wilde

overwinteren. Toen, in dat vervloekte bosch, zijn wij door nixen

overvallen. Mijn kameraden zijn ontkomen, maar ik, die een verwonden

voet heb, kon niet vluchten en ben door de schoerhaaien gepakt en hier

ingesmeten. Kunt di mi helpen... Ik heb zoo’n dorst...”

„Ligt di hier lange?”

„Van gistermorgen... En al dien tijd niets gegeten; geen droppel water

en geen brok brood. En du vriend, wat is dijn wedervaren.”

„Ik ben een prins der Nerviërs, op reis naar mijn land om mijn vader

als koning op te volgen. Uit een bedwelming ontwakend, lag ik hier,

vastgebonden, zonder te weten hoe ik hier ben gekomen. Mijn trouw paard

heeft van morgen hier, zijn meester zoekend, een luchtgat gegraven.

Maar ik weet niet hoe lang ik hier ben en helpen kan ik di niet, want

ik lig hier ook vastgebonden.”

Zoo bleven zij een tijd weer zwijgend liggen. De zeeman begon te

kreunen en kreeg koortsen. Sogol voelde zich ook verzwakken maar hij

onderdrukte zijn neiging om gedachteloos in te sluimeren door zijn wil,

verwachtend dat er redding zou opdagen. Nu hij wist, door vrouwen

gevangen genomen te zijn en nog wel, uit zijn gebied en die zijn taal

spraken, vertrouwde hij dat zoodra hij in hare nabijheid gebracht zou

zijn, ze wel zou weten onder zijn invloed te brengen.

Hij begon ook weer te peinzen over de vreemde afbeelding, die tegen den

wand was verschenen en nu niet meer zichtbaar was. Na ’t geen hij

buiten gehoord had en na ’t geen zijn medegevangene hem had verteld kon

hij nagaan, dat deze afbeelding niet een hersenschim was geweest, maar

de voorstelling van een werkelijk tafereel. Maar waarom was het nu

verdwenen? Hij beproefde zich de afbeelding voor te stellen, zooals hij

ze gezien had. Had hij ze gezien? Of was het een geestverschijning

geweest? Of een droombeeld? Bestonden er dus werkelijk geheime krachten

in den mensch? Zooals Harimona ze scheen te bezitten, die hem voor het

binnengaan van de druipsteengrotten had gewaarschuwd? Hoe dieper hij

doordacht, hoe grooter het aantal zijner ervaringen werd, des te

moeilijker was het geheim van ’t leven te ontraadselen. Wellicht was

dan toch niet alles door de gedachte te ontdekken.

Van nixen had daar die zeeman gesproken... Waren het werkelijk

nixen?... Had de priester, die in ’t onderaardsche meer verdronken was,

dan niet gelogen? Er waren drie vrouwen uit het hol gevlucht, toen hij

met Harimona en Haun naderde.

Nixen? Neen.. het waren gewone, aardsche wijven. Zij spraken den

Nervischen tongval en hun geroep en gejoel en geschreeuw was niet

geweest als van nixen maar als van beschonken, aardsche wijven.

„Schipper!” riep hij nogmaals.

De Nerigoner antwoordde alleen door luide te steunen.

„Schipper, kunt di mi niet antwoorden.”

„Heer... heer... ik kan niet meer...”

„Kom, kom... du moet niet versagen... De redding is nabij...”

„Neen heer, neen... nixen zijn kwaje machten... als nixen di pakken is

het uit.. en ik heb het verdiend heer.. ik heb het verdiend... ik heb

in de groote zee een nix met een harpoen gewond en dit is de wraak..”

De Nerigoner zweeg en hield op met steunen. Sogol riep hem nogmaals

maar hij antwoordde niet meer en scheen te slapen.

Buiten was de zon ondergegaan en nu werd de krocht weder geheel donker.

Sogol, hoewel doodmoede en tot slapen geneigd, dwong zichzelf om wakker

te blijven, want indien Harimona en Haun pogingen tot zijn redding

zouden wagen, was het zeker dat zij van de duisternis gebruik zouden

maken en hij moest oplettend luisteren blijven naar elk gerucht, opdat

hij, zoo zij hem riepen, dadelijk zou kunnen antwoorden.

Het werd nu koud in de krocht. Zoolang deze geheel gesloten was

geweest, had de buitenlucht geen toegang gehad. Maar nu, door het

luchtgat dat Hadoe had gegraven, kwam een ijzige tocht binnenwaaien.

Sogol rilde, want zijn pels was terzijde gegleden, ’t geheele lichaam

was naakt.

Plotseling, in die stilte, begon de Nerigoon te spreken, verwarde

woorden zonder zin of samenhang.

Sogol had als knaap te vaak, als hij met Spûr mede ging, gewonden en

zieken in koortsen zien liggen, dan dat hij niet dadelijk begreep, dat

de man ijlde. Hij luisterde scherp toe, maar nu in zijn ijlkoortsen,

sprak de man Nerigoonsch en hoewel die taal wel eenigszins geleek op

het Nervisch, toch kon Sogol ze niet verstaan. Zoo lag hij, luisterend

naar het gebrabbel van den ongelukkigen schipper. Maar tusschen de

Nerigoonsche woorden hoorde hij anderen, van vreemden klank, alsof de

schipper nog een andere taal sprak.

Sogol toeluisterend, vergat zijn moeheid. Daar lag, vlak bij hem een

man, die den weg naar ’t vreemde land kende, die er van teruggekomen

was, zijn schip zwaarbevracht met de wondere schatten van dat land. En

die man, in zijn koortswaan, sprak daar nu wellicht van, onthulde het

groote geheim van den weg, dat de Nerigonen, zooals alle Scandiërs, zoo

zorgvuldig voor andere volkeren verborgen, den menschen afschrikkend

met vreesaanjagende verhalen.

Deze hier had nog zooeven van een nix gesproken, die hij in de groote

wereldzee met een harpoen had gedood. Nu had de Nerigoner toch geen

noodzaak gehad om te liegen.

Dus bestonden er dan toch nixen... waren de verhalen van de monsters en

gedrochten niet alle slimbedachte leugens om navolgers af te schrikken?

Het groote geheim van den weg werd daar, op eenige passen afstands van

hem, geopenbaard en hij kwam er niets van te weten, dan wat

vreemdklinkende woorden, voor hem zonder beteekenis.

Indien hij zich maar los kon werken. Hij zou den man te drinken kunnen

geven, verplegen, de vrijheid hergeven en dan zeker zou hij hem uit

dankbaarheid den weg naar het vreemde land wijzen.

Nogmaals wrong Sogol aan zijn riemen. Maar de kluisters waren te vast

aangelegd en sneden hem in ’t vleesch. Maar toch, eenigszins had hij ze

verwrongen en de riem, die zijn linkerarm vastknelde, kon hij nu het

hoofd zoover mogelijk ter zijde draaiend, met zijn tanden bereiken.

Dat was een aanvang. Dien riem moest hij doorknagen.. dat was het begin

der bevrijding. Het ging heel moeilijk. Maar zijn tanden waren jong en

sterk en steeds maar doorbijtend zou hij zeker den riem, al ware ze ook

driemaal sterker, kunnen vaneenknagen.

Gestadig aan knaagde hij; het taaie leer werd week en glibberig door

zijn speeksel. Toch bleef hij vezel na vezel doorbijten. Hij moest een

poos rusten, misselijk wordend door den smaak van het leer. De stuurman

kreunde nu weer.

„Schipper!” riep Sogol.

„Wat wil di, heer!” kreunde de zeeman.

„Houd di stevig... Ik zal di bevrijden.”

„Het is te laat heer; ik kan niet meer.”

„Ik zal di bevrijden en di redden.. Nog dezen nacht..”

En weer begon Sogol aan den riem te knagen, terwijl de Nerigoon bleef

steunen. Telkens moest Sogol wachten, vermoeid rakend en misselijk

wordend. Zijn tandvleesch begon te bloeden en het was hem, alsof hij

geen tanden meer in den mond had. Maar toch bleef hij doorkauwen en

knagen, vezel na vezel uit het leer losrukken. Toen eindelijk, nadat

twee derde deel was doorgeknaagd, zette hij de spier van den bovenarm

met kracht op. Het leer van den riem gaf krakend iets mee. Sogol

wachtte een oogenblik en opnieuw zijn armspier doende zwellen, gaf het

murw gebeten leer mede.

Dat was de bovenarm. Hij kon nu den linker elleboog en den linker

schouder vrij bewegen en slechts het linker polsgewricht was nog aan

een bronzen ring in den rotsigen bodem vastgebonden. Gelukte het hem

den pols los te wringen, dan was hij op ééne zijde vrij en de andere

zijde zou weldra volgen.

Doch hij kon den mond niet tot aan het polsgewricht brengen, daar zijn

rechterschouder, bij den bovenarm vastgebonden, hem aan den grond

ketende. Daarom moest hij eerst den bovenarm van den rechterarm

losknagen, zooals hij dat bij den linkerarm gedaan had. Gelukkig dat

hij nu niet meer gestadig denzelfden kant van den mond behoefde te

gebruiken, maar afwisselend met de linker- en met de rechterhelft kon

knagen.

Als een dier, geduldig en onverzettelijk, beet en kauwde hij op het

leer tot hij ook den rechter bovenarm ontboeid had. Zijn hart klopte

heftiger van vreugde nu hij bemerkte, dat hij zich halverwege kon

oprichten. Het bovenlichaam was dus bevrijd, nu de polsen en enkels...

Maar hij behoefde niet meer te kauwen. Thans, nu hij over zijn geheele

lichaamskracht beschikte, begon hij aan de polsriemen te wrikken. Het

leer gaf iets mede, maar de polsen zwollen door de krachtsinspanning en

daardoor verloor hij de gewonnen verwijding. De polsen moesten glad

gemaakt worden, opdat ze door de riemen heen konden glijden. Hij

peinsde even. Indien hij maar een paar druppels olie gehad had... Doch

een denkbeeld kwam in hem op en een poosje later zich met geweld

overwinnend, nam hij de eigen drek in den mond en spuwde ze op zijn

rechterpols uit.

En nu weer begon hij te trekken en te wringen... de riemen gaven mee,

de nu gladde polsen gleden onder de riemen weg en zijn rechterarm was

geheel bevrijd.

Hij zwaaide hem rond om de stijfheid te doen verdwijnen. Toen tastend

langs den grond, zocht hij naar een paar ruwe steenen. Hij vond een

stuk rotsscherf met een vrij scherpen kant. Dien scherpte hij aan tegen

den grond en nu het als mes gebruikend, telkens in een kerf in de

riemen insnijdend en dan weder den steen aanzettend op den grond,

slaagde hij er in zich geheel te bevrijden.

De moeilijke arbeid had hem zoo beziggehouden, dat hij niet op den

schipper meer gelet had. En hij, zweetend van de inspanning, rekte zich

uit en liep nu tastend naar den hoek waar de schipper lag.

Deze was weder bewusteloos en Sogol, hem betastend, voelde hoe zijn

beenen ijskoud waren. De riemen hadden den bloedsomloop gestremd.

Geduldig en hardnekkig begon Sogol met zijn gescherpten steen de riemen

door te snijden van den schipper. Doch de arbeid vorderde langzaam in

’t donker. Daarom kroop Sogol naar het luchtgat en het haastig met de

handen uitgravend, stond hij weldra buiten.

„Vrij!” zuchte hij.

Buiten was het doodstil. De hooge avondlucht stond vol sterren en in ’t

verschiet doemde vaag de zwarte schaduw van een bosch. Zijn gevangenis

was een in rotsen uitgehouwen hol, dat met rulle aarde inderhaast was

dichtgegooid.

Hij ademde de nachtlucht met volle halen in en hij voelde zich vervuld

van een dankbaarheid, die hem tot weenen bracht. Het leven was dan toch

zoet en schoon, ondanks zijn raadsels. Daar, gebonden in ’t donkere

krocht, had hij versmachtend den dood gewenscht. Maar nu rilde hij,

denkend aan de doorgestane smarten en den dood. Leven wilde hij, het

heerlijke, hooge leven bezitten, en zijn armen uitstrekkend, omarmde

hij de nachtlucht als een bruid, die hij eindelijk weder omhelzen kon.

Hij keek om zich heen. De streek was hem welbekend. Daar gindsch begon

het groote Nervische woud. Links daarvan, aan de tegengestelde zijde

van de ster Brendel lag Beldun, de groote havenplaats.

Hij was dorstig en hongerig en voor ’t oogenblik niets anders vindend,

trok hij wilde zuringstelen uit den grond en begon er op te kauwen.

Eerst nu kwam de gedachte aan den lijdensgenoot in de krocht weer in

zijn hoofd, zoo was hij geheel ingenomen geweest door het zalige gevoel

der herwonnen vrijheid.

Hij keek rond om te zien of niet ergens een boschje in de nabijheid

was, waar bij droog hout kon vinden. Dan had hij vuur en licht kunnen

maken en met gloeiende houtspitsen de riemen van den schipper kunnen

doorzengen. Maar het bosch in ’t verschiet was te ver. Hij blikte

besluiteloos naar de krochtrots. Uit de wijze waarop de glooiing boven

de krocht liep, in een langen, golvende lijn met inzinkingen, maakte

hij op, dat hun krocht niet de eenige was, maar dat de rotswand over

een groote lengte in krochten was afgedeeld. Daarom liep hij nu langs

den rotswand en voorbij de eerste inzinking vond hij een tweede krocht,

maar geheel open, zoodat hij in ’t vale duister wel iets kon

onderscheiden. De krocht was leeg, doch in ’t midden hing een bronzen

pot boven een leemen haard. Het vuur in den haard was uit. Sogol nam

den pot uit den kettinghaak en hem aan het hengsel zwaaiend, sloeg hij

den pot met kracht tegen den rotsigen wand. De pot sloeg met een hollen

metaalklank stuk. Sogol zocht twee groote scherven en begon ze haastig

tegen den rots te wrijven tot ze scherp genoeg waren. Toen snelde hij

terug naar de krocht waar de zeeman lag. Die was nog altijd buiten

bewustzijn.

Sogol kerfde nu de riemen van zijn armen en polsen los. Hij bevoelde de

riemen waarmede de beenen van den zeeman waren vastgesnoerd aan den

grond. Ook hier was een bronzen ring vastgegoten in den rots. Sogol

rukte aan den ring, maar deze was te vast in den rotsgrond bevestigd.

Hij moest opnieuw de riemen doorkerven en eerst toen lag de man

bevrijd.

Sogol beurde hem op en droeg hem naar buiten. De koele nachtlucht

hoopte hij, zou den man weder tot bezinning brengen. Hij wreef hem

krachtig de beenen en nu in het nachtlicht bemerkte hij, dat de man een

verkromden rechter voet had.

Maar terwijl hij den man tot bewustzijn trachtte te brengen, dacht hij

aan Harimona. Nu hij vrij was, moest hij aan hare bevrijding denken.

Maar waar was zij? Gevlucht? Gedood? Teruggevoerd naar Renigo? Of

wellicht in één van de krochten vastgebonden, zooals hij bewegeloos aan

den grond gesnoerd was geweest.

Daar de zeeman nog altijd bewusteloos bleef, nam Sogol hem op en liep

met hem langs den rotswand, speurend rond met de oogen of hij niet

ergens het glanzende vlak van een wel of een kreekje kon ontdekken.

Maar het groote grasveld breidde zich tot aan den donkeren horizont

uit, daar waar het woud begon zonder kreek of plas. Op de krocht waar

de haard was, volgde een tweeden, geheel ledig. Een eind verder was er

een derde.

Daarvoor hing een zwaar, dichtgeweven zeil. Sogol legde den zeeman

zacht op den grond, tuurde terzijde door een kier in de krocht. Daar

zag hij, voor een sintelvuur twee menschen liggen, geheel naakt, een

groote man en een vrouw in zijn arm, die het hoofd op zij, sliepen.

Sogol sloop geruischloos binnen, nam een gloeienden sintel van het

vuur. Met verwondering bemerkte hij, dat de andere mensch ook een vrouw

was. Hij rilde nu van afgrijzen. Voorzichtig een aakst nemend, die

dicht bij de hand van de grootste der vrouwen lag, hief hij deze reeds

op om de twee met twee snelle slagen te dooden. Maar hij bedacht zich.

De dooden spreken niet en deze vrouwen moesten spreken, hem zeggen waar

Harimona en Haun zich bevonden.

Met de aakst gewapend, sloop hij weder uit het woonhol en liep verder

langs den rotswand. Daar was opnieuw een woonhol en ook hier sliepen

twee vrouwen, half naakt, op pelzen voor een vuur. Tegen den wand

stonden aaksten, een kortzwaard, een langzwaard en kruiken en potten.

Sogol, de aakst in zijn hand, sloop naar de potten. Maar bedenkend, dat

een ontwaken hem veel last zou kunnen bezorgen, nam hij het langzwaard

en sloeg met krachtigen slag de beide vrouwen in haar slaap tegelijk de

hoofden van den romp. Zij uitten zelfs niet een korten gil, waren stom,

zonder zucht of klacht van den eenen slaap in den anderen overgegaan.

Nu, rustig, nam hij een stuk hout van ’t vuur en ’t boven de potten

houdend, bevond hij dat deze eetwaren en water inhielden.

Hij snelde naar buiten, tilde den schipper op, sleepte hem in de krocht

en zonder zelf nog een teug waters genoten te hebben, bevochtigde hij

de slapen en de borst van den bewustelooze, goot hem water in den mond,

wreef hem krachtig langs de armen en beenen.

Nu sloeg de schipper de oogen op. Sogol hield hem de hand voor den

mond.

„Zwijg schipper.... du bent gered. Maar zwijg.”

Hij zette den man overeind, gaf hem te drinken en nu hem weder

optillend en naar buiten brengend, zeide hij:

„Stil en kloek, vriend. Ik heb dijn riemen losgesneden en di tot hier

voortgeholpen. Wij zullen vluchten. Zeg mi, op welk wapen bent du

geoefend?”

„Den harpoen, de knods en het mes.”

„En de aakst? Of het kortzwaard?”

„De aakst!”

Sogol snelde terug in de krocht, nam een aakst en een kortzwaard, liep

weder naar buiten. Toen, nadat hij den schipper den aakst in de hand

had geduwd, zei hij:

„Wacht mi hier, vriend.”

Hij ging weer terug, haalde een kan drinkwater en een pot met eetwaar.

Buiten zette hij de kan aan den mond en dronk, met voorzichtige,

langzame teugen, als een man, die gewoon aan honger en dorst, weet dat

men na lang versmachten kalm en niet overhaast moet drinken.

Toen gaf hij de kan aan den zeeman, maar fluisterde:

„Drink niet haastig.... met kleine teugen.... als dijn leven di waard

is.”

Sogol stopte zijn hand in den anderen pot. Hij voelde het taaie,

kleverige van honig in raten. Gulzig bracht hij een stuk raat aan den

mond. O, hoe zoet, hoe mild, smaakte ze, de honing, hoe koesterde zij

den vlijmenden kramp van zijn hongerige maag. De zeeman tastte ook toe.

Sogol liep een eind zijwaarts, wenkte den zeeman om mede te komen. Maar

deze was te zwak nog om te loopen. Daarom sloeg hij hem den arm om den

rug en hem zoo broederlijk steunend, liep hij met hem tot wat

struikgewas.

„Blijf hier, met den aakst in dijn hand en waak. Zoo du wat hoort,

fluit dan. Er zijn nog meer gevangenen en ik heb ze te bevrijden.”

„Vertrouw op mi, heer.”

Nogmaals ging Sogol terug om zijn dorst te lesschen en stak weer een

stuk honing in den mond. Toen, eenige zwaaien en houwen in de lucht met

het kortzwaard doende, om zich te wennen aan ’t gewicht en om de dracht

van den slag te meten, nu met zijn wapen in de hand te midden van

wijven, wèl vertrouwend op zijn kracht en behendigheid, sloop hij langs

de krochten. Hij telde er twintig. In elke krocht lagen twee vrouwen

bij elkaar.

„Ontuig, ontuig! Liederlijk getwaas!” zei hij vol afgrijzen.

Maar waar waren Harimona en Haun?

Opeens herinnerde hij zich, dat hij de vrouwen had zien dansen om

iets.... Dat iets.... wat was dat geweest... Wellicht Harimona? Of

Haun?

Hij schreed terug tot voor de krocht, waar hij gelegen had. Toen

daarvoor staande, zocht hij in den helderen sterrennacht naar een

boschje, dat gelijken kon op ’t geen hij omgekeerd in zijn visioen

tegen den muur van de krocht had gezien. Recht voor ’t gat zag hij

iets, dat er op gelijken kon. Hij snelde er met groote, haastige

schreden op af, het kortzwaard gereed.

Een boschje van tien boomen stond daar.... nu zag hij het duidelijk. En

in ’t boschje glimde het schijnsel van een vuur....

Ondanks zijn spanning, verminderde Sogol zijn vaart, liep terzijde om

tegenwinds het boschje te bereiken, opdat niet zoo de lieden daar

waakhonden hadden, zijn nadering verraden zou kunnen worden.

En nu, voorzichtig nader sluipend, zich plat op den grond leggend,

kruipend langzaam voorwaarts ontwaarde hij vier mannen, eveneens met

roode buizen.

„Norigeensche schippers, de makkers van den manken schipper,” dacht

Sogol.

Zij zaten om het vuur en dicht bij hen zat Harimona, met de handen

vastgebonden aan een boom, starend in het vuur, maar overigens kalm.

Sogol drong plotseling door tot voor het vuur en zich met het

kortzwaard vooruitgestoken voor Harimona stellend, riep hij:

„Dood dengeen, die zich beweegt.”

De vier mannen, opschrikkend uit hun sluimer, sprongen naar achter.

Twee namen de vlucht. Een derde zocht bescherming achter een boom, maar

de vierde, dapperder dan de anderen, trok een kortmes uit zijn gordel

en bleef kloek staan, gereed het tegen Sogol op te nemen.

„Wie bent di, kaerel?” vroeg Sogol.

„Een Nerigoonschen zeeman.... Pas op, voor de kol achter di. Zij heeft

onzen makker gedood.”

„Steek op dijn mes,” zeide Sogol tegelijk zijn zwaard met den punt in

den grond voor zich stekend. „Wij zijn vrienden. Dijn makker is vrij en

leeft.... hij was een manke stuurman niet waar?...”

De drie anderen kwamen nu ook toeloopen.

Nu keerde Sogol zich om en omhelsde Harimona, kuste haar op mond en

wangen, drukte haar aan zijn borst, reet met één snede van ’t

kortzwaard den riem door, waarmede haar handen geketend waren.

„Waar is Haun?” vroeg Sogol.

„Ik weet het niet... Ik ben ’s nachts in een donker hol als uit een

droom ontwaakt. Deze vier lieden, die hun makker zochten, hebben mij

gepakt en naar hier gevoerd. Zij ondervroegen mij, hielden mij voor de

aanvoerster van de vreeselijke wezens, die hier in ’t bosch schijnen te

huizen. Zij bezweren mij, dat hier heksen en nixen in ’t woud wonen,

die geheel naakt loopen en zich op reizigers werpen.”

„Zij hebben gelijk...” „Mannen,” ging Sogol voort nu zich tot de vier

zeelieden richtend, „ik ben Sogol, prins der Nerviërs en dit is

Harimona, de heilige vrouw van Renigo, mijn bruid. Wij zijn, zooals du,

door die vervloekte wijven aangevallen. Ik ontwaakte in een donker

krocht en daar lag ook dijn makker, geboeid en versmachtend. Ik heb hem

bevrijd en hij houdt hier dichtbij de wacht. Indien du moed hebt, zoo

volgt mij, dan kunnen wij de bende dier wijven ketenen en opbrengen of

dooden.”

De vier mannen keken elkaar aan.

„Heer,” zei een hunner, „tegen mannen willen wij vechten maar tegen

nixen en kollen is alle strijd vergeefs.”

„Wat? Bent di Norigener? Mannen, die de groote wereldzee bevaren en in

’t vreemde land tegen de monsters en gedrochten vecht.”

De vier waren niet zoodra met een antwoord gereed en bleven zwijgen.

„Als di niet durft, ga ik alleen. Bewaak hier de heilige vrouw.”

Een der mannen, dezelfde die tegenover Sogol stand had gehouden, een

rijzige, breedgeschouderde kaerel, trad naast Sogol.

„Heer, ik ben dijn man....”

En zich tot de drie andere richtend, zeide hij:

„Bewaak de Bruid van den dapperen prins.”

„Waar gaat di heen, liefste?” vroeg Harimona.

„Haun bevrijden. Wacht mi hier, mijn kind.”

Hij kuste haar op ’t voorhoofd en de twee mannen verdwenen in de

duisternis.

De manke stuurman lag nog altijd wachtend achter ’t kreupelhout. Toen

hij zijn maat zag en nu zich eerst veilig voelde, begon hij te schreien

van geluk.

„Ik dacht, dat ik daar levend verhongeren zou, meester,” zei hij, na

den anderen zeeman een kort verslag van zijn wedervaren te hebben

gedaan.

„Bent di de meester?” vroeg Sogol.

„Ja heer, ik ben skigvoerder.”

„Hoe is dijn naam?”

„Rytzell de Svizjoon. Mijn mannen zijn allen Nerigonen. Tien zijn er op

de skig gebleven ter bewaking, twintig hebben over land de reis naar

Scandia aangedurfd. Wij wilden in Beldun overwinteren om tegen het

voorjaar met een nieuwen skig een nieuwe reis naar ’t vreemde land te

beginnen.”

„Zend dijn stuurman weg. Wij samen zullen wel met dat vrouwsvolk ’t

alleen klaren, Rytzell.”

De skig-kapitein zond den manken stuurman naar ’t boschje, waar zijn

makkers Harimona beschermden. De rust had den manke goed gedaan en hij

kon nu weder loopen.

„Rytzell,” zeide nu Sogol, „het hart is mij goed om al die wijven neer

te slaan.”

„Heer, ’t is kwaad vechten tegen nixen en kollen.”

Sogol haalde de schouders op.

„Heb di nooit in ’t vreemde land tegen nixen en kollen gevochten?”

„Neen heer... daar leven wel gruwelijke beesten, sterker dan de beer en

woester dan de ever. Maar getwaas heb ik er nooit gezien.”

„Heb di dan wel getwaas gezien, ginds in dijn vaderland?”

„Ik zelf niet heer.... maar anderen hebben er velen gezien....”

„Zeg mi eens oprecht opperschipper, heb di ooit in de wereldzee

zeewijven gezien met vischlijven?”

„Neen heer... zelf niet. Maar anderen...”

„Ik zal di wat zeggen, opperschipper. Wij zijn mannen, beiden

onvervaard en geen kinderen, angstig voor een spook of een droombeeld.

Ik ben een man, die lang in de bosschen heb geleefd en veel onderzocht

heb. Dit zeg ik di: daar zijn geen andere geheime machten, dan die wij

in ons hebben. En nu let op. Du zult zien, dat in de krochten geen

nixen of kollen huizen, waarvoor koene manslui bang behoeven te zijn.

Maar liederlijke boschwijven, de snee van een eerlijk zwaard schier

niet waard. Nu volg mi...”

Zij liepen langs de krochten. Sogol, nu vreezeloos, trok de voorhangen

terzij en toonde de slapende wijven paar bij paar. Ook kwam hij weer

bij de krocht, waar de twee vrouwen lagen, die hij met één houw de

hoofden van de romp had geslagen. In den zwakken rossen schijn van ’t

doovende haardvuur lagen daar de ontzielden lichamen in ’t bloed en de

beide hoofden star en gelaten van uitdrukking hingen ter zij op de

kussen der blonde, losse haren.

„Die sloeg ik in den slaap neer!” zeide Sogol „om mijzelf en dijn maat

te kunnen helpen.”

Sogol bemerkte aan ’t zwijgen de ontzetting van Rytzell.

„Zeg mi, opperschipper, hebt di ooit zoo iets schrikkelijks ginds in ’t

overzeesche land gezien?”

„Neen heer... wel heb ik er levende vrouwen gezien, die verbrand werden

met het lijk van haar man. Maar dat is om der wille van het geloof.”

„Gelooven ze daar ook aan Wotan?”

„Neen heer en niet aan Odin ook.”

„Wat gelooven ze dan?” vroeg Sogol, vergetend de gruwelijke krocht waar

de twee onthoofde vrouwen aan hun voeten lagen, voor de oplossing van

het groote vraagstuk, dat hem meer belangstelling inboezemde dan de

voorvallen van het heden.

„Zouden wij niet eerst den gevangene redden?” vroeg Rytzell, naar de

gewoonte der Scandiërs, ontwijkend het antwoord op alle vragen omtrent

het vreemde land.

Zij traden uit de krocht naar buiten en liepen langs den steilen

rotswand.

„De vrouwen, die ons vervolgden heer, geleken op deze.”

„Dat zijn dijn nixen, schipper. Geloof mi, andere bestaan er niet. Wij

zullen er nu twee in haar slaap wegvoeren en dan vragen waar mijn

horensteker is.”

Sogol liep een krocht binnen en een prop makend van een stuk lijnwaad

en Rytzell beduidend hetzelfde te doen, nam hij een wijf bij ’t gelaat,

rukte haar den mond open en voor ze gillen kon, duwde hij haar de prop

in den mond. Daarna tilde hij haar op en droeg haar naar buiten.

Rytzell, hield zijn hand voor den mond der andere vrouw en sleepte haar

met de andere hand Sogol achterna.

Zij liepen nu, elk een vrouw dragend, snel ver uit het bereik der

krocht. De vrouwen, plotseling uit haar slaap gewekt, verweerden zich

maar de twee mannen, beiden van groote lichaamskracht, sleurden heur

voort. Doch de vrouw, die Rytzell droeg, van groote statuur en

zwaargespierd, beet hem in den vinger. Even trok de zeeman zijn hand

terug en zij, snel zich losrukkend, kreeg vasten voet op den grond en

begon met haar ontvoerder te worstelen.

De zeeman, korte metten makend, trok zijn mes en stak haar dit in ’t

hart. Als een blok viel ze neer, maar heur gegil tijdens de

worstelpartij had de andere vrouwen gewekt en enkele kwamen al, met

vlamhouten en met zwaarden gewapend toerennen. Het was echter duister

genoeg om de twee mannen, nu geen gillen der vrouwen den weg aanwees

waar zij haar aanvallers konden vinden, aan haar oog te onttrekken.

Rytzell, de vrouw die Sogol torschte, bij de beenen vattend, hielp

Sogol haar zwaar lichaam dragen en beiden snelden naar het bosch, waar

de andere zeelieden waakten.

Toen zij daar kwamen, waren de zeelieden zeer verwonderd de gevange nix

te zien. Zij durfden haar nog altoos niet naderen. Rytzell scheurde een

deel van het overkleed van Harimona snel in reepen en boeide de vrouw

de handen en de voeten, handig de knoopen leggend, zooals zeelieden dat

verstaan.

„Luister wel!” zeide nu Sogol tot haar. „Antwoord op mijn vragen naar

waarheid en schreeuw niet; zoo du schreeuwt, werp ik di in dit

vuur....”

Toen, met het mes van Rytzell voorzichtig de prop uit haar mond nemend,

vroeg hij:

„Wie bent di. Hoe komt di daar? Waarom hebt di mijn bruid, mijn knaap

en mij gevangen genomen en waar is mijn knaap?”

De groote vrouw, met lichtblauwe oogen, lang blond haar en zelfs niet

gekleed met een schaamdoek, keek naar Harimona, maar antwoordde niet.

„Zult di antwoorden?” vroeg Sogol.

Zij bleef weigeren en staarde maar altoos Harimona aan.

Sogol nam een vlammend hout van het vuur en duwde het even tegen haar

arm. Zij sprong op en gilde.

„Zult di antwoorden?”

„Heer.... mijn naam is Koenegoend. Ik ben een krijgsvrouw van

Koenderic, koning der Nerviërs geweest. Toen Koenderic gestorven was

zijn wij uitgetrokken, al de krijgsvrouwen bij elkaar en leven nu in de

bosschen.”

„Een fraai leven, dat di voert.”

„Wij hadden veel van de mannen te lijden gehad en leefden nu zonder de

mannen.”

„Vervloekt getwaas!”

Zij keek weder naar Harimona met droomerige blikken.

Harimona wendde het hoofd af.

Sogol nam nogmaals een brandend hout en bedreigde haar.

„Waar is de knaap, die bij ons was.”

Zij begon opeens schril te lachen....

„Waar is de knaap, wijf?”

Zij lachte hoog op en opeens viel zij neer en begon de beenen

krampachtig te trekken.

Sogol stiet haar het gloeiende hout in de heup.

„Zult di spreken, luizenwijf.”

Maar zij bleef lachen, scheen genot te hebben in de smart van de

brandwond.

De vier Nerigonen traden angstig terug en Sogol zag, dat zij weer op ’t

punt stonden aan den haal te gaan. Hijzelf voelde zich vermoeid met een

onbedwingbaren drang om te gaan slapen.

De vrouw, na eenigen tijd op den grond zich om en om gegooid te hebben,

kwam weder tot kalmte.

„Wilt di antwoorden, kol? Of ik steek di hier vast in den grond?”

Sogol hief zijn zwaard op.

„Ach heer, vergeef mi.... ach heer, dood mi niet....” kermde het wijf.

„Waar is de knaap?”

„Ach heer... dood mi niet... ik heb het niet gedaan... De andere

vrouwen.... Wij dooden alle mannen. Du en die daar, de manke zeeman,

zouden morgen gedood worden.... en die daar.... die minneclîche maide,

zou verlost worden.... want velen beminden haar.... maar de horensteker

is door Nilka en Ortrûd naar het kleine zand gebracht en zij hebben om

hem gedanst en hem tot een maagd gesneden en nu is hij dood....”

„Waar is ’t kleine zand?”

„Daar heer, daar.. bij de boompjes.. daar.. daar..”

„Komt mee Rytzell... en du mannen, bewaak haar en vlucht niet.. het is

geen nix maar een liderlicke hure..”

Sogol en Rytzell liepen met een brandend hout in de aangewezen

richting. Bij ’t kleine boschje op een open plek van hel geel zand, lag

daar het naakte lijk van Haun.. zijn hand nog aan den horen, alsof hij

in doodsstrijd hem nog aan den mond had willen brengen. Rytzell hield

het brandende hout dicht bij ’t gelaat... bij de borst... Toen, in den

rooden gloed, zag hij de gruwelijk wonde, waaraan de knaap verbloed

was... Hij trad met een gil terug en steunend op den schouder van

Rytzell begon hij te weenen.

„Mijn arme, arme knaap. Mijn trouwe, kleine jongen...”

Hij tilde het al koude, stijve lijk van den kleinen horensteker op en

droeg het met Rytzell terug naar het woud.

„Zij heeft de waarheid gesproken!” zei Sogol dof tot Harimona...

Zacht legde hij ’t lijk neder op ’t boschmos en bedekte de vreeselijke

wonde met het stuk lijnwaad, dat van Harimona’s overkleed was

overgebleven. [20] Ook Harimona weende. De zeelieden, die met

ontzetting het geschonden lichaam van den jongeling hadden gezien,

stonden dicht bij elkaar, alleen door ’t oog van Rytzell in bedwang

gehouden om niet te vluchten.

In de verte zagen zij de andere wijven nog altijd met de vlammende

toortshouten zoeken naar heur aanvallers. Sogol, zijn eigen moeheid

voelend, weinig vertrouwend op den moed der zeelieden, vreezend voor

het leven van Harimona, beval op te breken en zoo snel mogelijk naar

Beldûn te trekken. Maar voor de stoet zich in beweging zette, hakte hij

van takken een baar, legde het lijk van den verminkten knaap er op en

deed het zoo mededragen door twee der Nerigonen, opdat het verbrand zou

kunnen worden en bijgezet met de eere, die een prinselijken horensteker

toekwam.

Doodmoede, tot schreiens toe bedroefd, liep hij naast Harimona achter

de baar, met gebogen hoofd en zich steunend op den schouder van de

heilige vrouw.

Germania(#73888) · 第 36 / 44 题