Koning Solbert, die door vele boodschappers werd ingelicht, hoe groot
de gisting was in zijn rijk, besloot zelf aan ’t hoofd van een schaar,
Sogol en Harimona tegemoet te gaan om Sogol tot een zwaardgevecht te
nooden. Maar eerst toen hij de schaar wilde vormen, ervoer hij hoe
groot de invloed van den kroonpretendent was. Want de hertogen
weigerden eensgezind op te komen. Daarentegen stroomden de arme vrijen
toe, maar ook vele hoorigen, het gevaar van de gruwelijke straffen, die
op ’t wegloopen gesteld waren, trotseerend, vluchtten van de gebieden,
tot welks grond zij behoorden, en kwamen hun dienst aanbieden aan hun
koning. Solbert deed toen door zijn herauten verkondigen, dat hij de
hertogen wegens ontrouw en verraad bij het Groote Ding zou aanklagen en
hun verbood, zich van hun haardsteden [17] te verwijderen. Daarentegen
beloofde hij vrijdom aan elken hoorige, die zich trouw jegens den
koning betoonde.
Toen ontstond er groote verwarring in het land. Want de hoorigen
vluchtten allen van de gronden, waarop zij behoorden naar de residentie
en boden zich voor ’t leger van Solbert aan die, wel voorziende dat
hij, wanneer hij er niet in slagen zou Sogol onschadelijk te maken voor
hij het Nervische gebied had betreden, een oorlog zou te voeren hebben
tegen de edelen van zijn eigen rijk, volgens zijn koningsrecht al de
hoorigen vrij verklaarde en ze van wapens voorzag. Daar er echter niet
genoeg kort- en langzwaarden aanwezig waren voor zoo’n groot leger,
want de wegen waren gevuld met dichte scharen hoorigen, die met vrouw
en kinderen optrokken naar Waberloo, om hun vrijheid te verkrijgen, de
hoorigen van de goederen aan de wegen onderwijl aansporend om mede op
te trekken met hen, liet hij frammen, celten, saksen, goedendags,
vuursteenbijlen, aaksten, slingers uitdeelen uit de arsenalen en toen
er nog altijd te weinig wapens waren, stuurde hij de hoorigen naar zijn
bosschen om knodsen te snijden.
De hertogen op hun beurt vormden ook een leger. Wel waren zij
aanzienlijk minder in aantal, maar zij rekenden op hun grootere
bedrevenheid in den wapenhandel, hun lange slagzwaarden en hun paarden.
Solbert trachtte in den korten tijd, die hem restte, zooveel mogelijk
een ordelijk leger van de hoorigen te vormen. Hij stelde ze op in
slagorde, regelde de afdeelingen naar de wapens, leerde ze de
stormloopen, langzaam aan te vangen om niet bij aankomst aan de
vijandelijke linie, amechtig te zijn. Nu eerst echter begon hij te
begrijpen, waarom het grauw zoo hard door de heeren werd behandeld.
Want hoewel zij voor de vrijheid, het hoogste goed, zouden strijden,
was er onder hen geen eensgezindheid. Solbert had voor elke groep van
vijftig, hoofdlieden aangesteld. Doch de hoorigen waren er niet toe te
bewegen, de bevelen van deze hoofdlieden op te volgen, zeggend dat zij
hun hooggeboren heeren niet waren ontloopen om zich onder ’t bevel van
huns gelijken te stellen. De hoofdlieden daarentegen, overmoedig en
opgeblazen, waren streng en harteloos en er ging geen dag voorbij of de
afdeelingen vochten onder elkaar, sloegen hun hoofdmannen neer of de
hoofdmannen straften hun onderhoorigen op dezelfde gruwelijke manier,
die Solbert vroeger den heeren had verboden.
De leeftocht werd karig. Hoewel er in Waberloo groote kuilen met graan
waren, daar de wintertijd was aangebroken en Solbert altoos voorbereid
was geweest op aanvallen van vreemde stammen, nu in zoovele gouwen
hongersnood heerschte, toch had Solbert er niet op gerekend, zulk een
groot leger van schooiers te moeten onderhouden.
De hoorigen nu, hun groote macht beseffend, stelden zich niet tevreden
met de rantsoenen, hoewel zij op de goederen hunner heeren het nooit
rijkelijker gehad hadden in den wintertijd, maar zij slopen ’s nachts
naar de kuilen en voorraadschuren en stalen die leeg, bedronken zich
aan de weggenomen meê en zongen spotliederen op de heeren.
Zij hadden hun vrouwen en dochters vaak medegevoerd en de haastig
opgeslagen tenten of hutten van twijgen met leem bestreken en spoedig
ontstond er oneenigheid tusschen de mannen, die elkaars vrouwen tot
echtbreuk dreven of jongelingen, die de maagden naar hun hutten
sleepten, zeker van straffeloosheid.
Koning Solbert, verontwaardigd en teleurgesteld, begon strenge straffen
te stellen op ontucht en machtsmisbruik. Maar daar de vrijgelaten
hoorigen wel wisten, dat de koning geen macht had om zijn straffen met
geweld te doen uitvoeren, stoorden zij zich er niet aan en bespotten de
straffen van den koning. Ook waren er velen onder de vrijgelatenen, die
met elkaar er over spraken, dat zij niet alleen geen edelen maar ook
geen koning noodig hadden. Zonder koning zouden zij eerst recht van hun
vrijheid kunnen genieten en zij besloten stil te zijn, totdat de groote
slag tegen de edelen geslagen was, dan na de overwinning ook hun koning
te verdrijven en het land opnieuw te verdeelen onder de vrijgelatenen.
Een Ding der oudsten zou het land besturen en recht spreken en voorts
zou ieder siphoofd op zijn gebied onbeperkte rechten hebben.
Verraders brachten die plannen aan koning Solbert over. Hij brak in
woede uit, vervloekte zijn eigen bedrijf en begon een verlangen te
gevoelen naar de vriendschap der edelen. Want wel waren zij gestreng
geweest voor hun slaven en wèl hadden zij op het Ding de rechten van
den koning altoos trachten te beperken en hem hun wil op willen
dringen, maar trouw waren ze geweest en nooit zouden zij beproefd
hebben het koningschap aan te randen.
De hertogen echter, die door boodschappers bericht ontvingen, dat
koning Solbert een onderhoud met hen verlangden, vermoedden een
krijgslist en lieten antwoorden, dat zij geen koning Solbert kenden
maar alleen een koning Sogol, die elken dag verwacht werd en bij zijn
aankomst door het Ding zou worden tot koning uitgeroepen.
Solbert nu, ziende dat hij door de edelen voor goed verstooten was en
op de vrijgelatenen geen invloed kon uitoefenen, peinsde er over zijn
rijk te verlaten en ver, in ’t land der Galliërs, zich terug te trekken
om daar vergeten te gaan leven. Maar hij dacht aan Harimona en zijn
verlangen om de schoone, heilige vrouw te zien was zoo sterk, dat hij
niet besluiten kon weg te trekken. Zoo leefde hij dan in dagen vol
onrust, hoofd van een bende vrijgelatenen, die elk oogenblik tot
muiterij geneigd, hem alleen nog slechts tijdelijk een schijn van macht
toestonden, omdat zij hem nog noodig hadden als aanvoerder in den
aanstaanden strijd tegen de edelen. Maar zijn hart was al aan de zijde
van degenen, die hij beoorlogen moest en hij zinde er op, de
vrijgelatenen een smadelijken nederlaag te doen lijden, opdat zij
opnieuw tot hoorigen zouden gemaakt worden, zoo zich wrekende wegens
hun ondankbaarheid, ontrouw en verwatenheid.
De hertogen onderwijl hadden zich gereed gemaakt voor den grooten slag.
Zij hadden de aanvoerders der afdeelingen benoemd, rustingen en
slagzwaarden in gereedheid gezet en de paarden geoefend.
Doch het aantal der edelen was gering tegenover dat der vrijgelatenen
en zij hadden zelfs geen dienstknechten, die de leeftocht-wagens zouden
sturen en de nood-paarden gereed houden voor de strijders, wien ’t
paard onder het lichaam werd gedood.
Toen kwam een edelvrouw, Vote genaamd, die vroeger tot de krijgsmaagden
van koning Kundric behoord had, naar den Raad der Hertogen en bood
zichzelve aan om een leeftocht-wagen te sturen, of een nood-paard
gereed te houden.
De hertogen beraadslaagden en zij kwamen op het denkbeeld de
edelvrouwen allen op te roepen om hen te helpen in den strijd tegen het
grauw onder aanvoering van koning Solbert. De edelvrouwen nu, allen
verbitterd op koning Solbert, die haar van heur dienstmaagden had
beroofd, zoodat zij met hare dochters moesten arbeiden als slavinnen,
waren blijde, hun mans te kunnen bijstaan. Ook waren zij in heur hart
den nieuwen koning, die met een heilige vrouw naderde toegedaan, wel
beseffend, dat zij weder tot aanzien zouden geraken. De strijdmaagden,
waarvan er nu velen getrouwd waren, begonnen zich weder in ’t
paardrijden te oefenen en leerden ook de andere vrouwen het rijden en
strijden te paard. Zoo dan was in korten tijd het leger van de edelen,
dank zij het aanbod van vrouwe Vote, ruim verdriedubbeld en de edelen
hadden nu wagenvoerders en noodpaarden.
Maar hoewel het reeds was gaan vriezen, nog altijd kwamen Sogol en
Harimona niet.
De edelen begonnen ongerust te worden en enkele van de vroegere
strijdmaagden zeiden te vreezen, dat Sogol en de heilige vrouw door de
andere strijdmaagden van Kundric, die nog in het woud waren gebleven,
misschien waren overrompeld en gedood of gevangen gehouden.
Deze veronderstelling vond veel geloof toen Scandische zeelieden,
teruggekomen van een reis naar het verre land en naar het land der
Nerviërs getrokken om daar den winter door te brengen, daar de tocht
naar het verre Scandia in den winter niet te volvoeren was en hun
skigge na de groote reis te wrak waren om de winterstormen te kunnen
doorstaan, verklaarden in het woud door niksen te zijn vervolgd, die
hun te lijf waren gegaan en die zij met zeer veel moeite waren
ontkomen. Een van hen, de stuurman, die door een werpspies van een
duivel in het vreemde land in ’t been was getroffen en daarom niet goed
had kunnen loopen, was door de niksen achterhaald en weggesleept. Zij
hadden hem vreeselijk hooren schreeuwen, maar hoe onvervaard ook
anders, zij hadden tegen de niksen niet opgedurfd, wel wetend dat tegen
bovenaardsche machten alle menschelijke kracht vergeefs was.
Toen de edelen hun vertelden, dat het geen niksen waren in ’t bosch
maar verwilderde krijgsvrouwen van koning Kundric, die daar huisden,
waren de Scandiërs zeer beschaamd, gevlucht te zijn voor vrouwen. En om
hun aanzien te herwinnen, vertelden zij veel van het vreemde land, waar
zij gestreden hadden tegen zwarte duivels met vogelkoppen en met den
reuzenzeeslang, die onder de kiel van hun skig doorduikend, zijn kop
opstekend uit het water, zich dwars rondom hun skig had gewonden en
toen had getracht het tot een bundel wrakhout samen te wringen.
Toen hadden zij fluks den mast gekapt en die was met zooveel kracht op
het dek gevallen, dat de zeeslang een rib had gekneusd en zich niet
meer bewegen kon. Zij waren met bijlen toegesneld om den slang
middendoor te hakken. Toen was de slang gaan spreken en had hun
beloofd, dat zij voortaan ongehinderd naar het vreemde land zouden
kunnen varen, wanneer zij hem loslieten en dat hij elke skig, waarop
geen Scandiërs voeren, naar de diepte zou halen.
Tegen dien prijs hadden zij den mast weder opgelicht en de zeeslang had
zich langzaam losgewonden en was in de diepte van de wereldzee
verdwenen.
Maar de edelen geloofden hun wonderverhalen niet en bespotten hen, dat
zij, als Scandische zeelieden, die altoos in het vreemde land en in de
wereldzee heetten met reuzendieren, zwarte duivels, draken en reuzen te
kampen, aan den haal waren gegaan voor een troepje naakte boschwijven.
Toen vereenigden de twaalf Scandische matrozen zich en trokken opnieuw
naar het gevaarlijke woud, de messen scherp gewet in de gordels en
vastbesloten, ter wille van hun eer, de boschwijven op te gaan vangen
en ze als gevangenen naar het Nervische gebied te brengen.