HOOFDSTUK XIII.

Koning Solbert, die door vele boodschappers werd ingelicht, hoe groot

de gisting was in zijn rijk, besloot zelf aan ’t hoofd van een schaar,

Sogol en Harimona tegemoet te gaan om Sogol tot een zwaardgevecht te

nooden. Maar eerst toen hij de schaar wilde vormen, ervoer hij hoe

groot de invloed van den kroonpretendent was. Want de hertogen

weigerden eensgezind op te komen. Daarentegen stroomden de arme vrijen

toe, maar ook vele hoorigen, het gevaar van de gruwelijke straffen, die

op ’t wegloopen gesteld waren, trotseerend, vluchtten van de gebieden,

tot welks grond zij behoorden, en kwamen hun dienst aanbieden aan hun

koning. Solbert deed toen door zijn herauten verkondigen, dat hij de

hertogen wegens ontrouw en verraad bij het Groote Ding zou aanklagen en

hun verbood, zich van hun haardsteden [17] te verwijderen. Daarentegen

beloofde hij vrijdom aan elken hoorige, die zich trouw jegens den

koning betoonde.

Toen ontstond er groote verwarring in het land. Want de hoorigen

vluchtten allen van de gronden, waarop zij behoorden naar de residentie

en boden zich voor ’t leger van Solbert aan die, wel voorziende dat

hij, wanneer hij er niet in slagen zou Sogol onschadelijk te maken voor

hij het Nervische gebied had betreden, een oorlog zou te voeren hebben

tegen de edelen van zijn eigen rijk, volgens zijn koningsrecht al de

hoorigen vrij verklaarde en ze van wapens voorzag. Daar er echter niet

genoeg kort- en langzwaarden aanwezig waren voor zoo’n groot leger,

want de wegen waren gevuld met dichte scharen hoorigen, die met vrouw

en kinderen optrokken naar Waberloo, om hun vrijheid te verkrijgen, de

hoorigen van de goederen aan de wegen onderwijl aansporend om mede op

te trekken met hen, liet hij frammen, celten, saksen, goedendags,

vuursteenbijlen, aaksten, slingers uitdeelen uit de arsenalen en toen

er nog altijd te weinig wapens waren, stuurde hij de hoorigen naar zijn

bosschen om knodsen te snijden.

De hertogen op hun beurt vormden ook een leger. Wel waren zij

aanzienlijk minder in aantal, maar zij rekenden op hun grootere

bedrevenheid in den wapenhandel, hun lange slagzwaarden en hun paarden.

Solbert trachtte in den korten tijd, die hem restte, zooveel mogelijk

een ordelijk leger van de hoorigen te vormen. Hij stelde ze op in

slagorde, regelde de afdeelingen naar de wapens, leerde ze de

stormloopen, langzaam aan te vangen om niet bij aankomst aan de

vijandelijke linie, amechtig te zijn. Nu eerst echter begon hij te

begrijpen, waarom het grauw zoo hard door de heeren werd behandeld.

Want hoewel zij voor de vrijheid, het hoogste goed, zouden strijden,

was er onder hen geen eensgezindheid. Solbert had voor elke groep van

vijftig, hoofdlieden aangesteld. Doch de hoorigen waren er niet toe te

bewegen, de bevelen van deze hoofdlieden op te volgen, zeggend dat zij

hun hooggeboren heeren niet waren ontloopen om zich onder ’t bevel van

huns gelijken te stellen. De hoofdlieden daarentegen, overmoedig en

opgeblazen, waren streng en harteloos en er ging geen dag voorbij of de

afdeelingen vochten onder elkaar, sloegen hun hoofdmannen neer of de

hoofdmannen straften hun onderhoorigen op dezelfde gruwelijke manier,

die Solbert vroeger den heeren had verboden.

De leeftocht werd karig. Hoewel er in Waberloo groote kuilen met graan

waren, daar de wintertijd was aangebroken en Solbert altoos voorbereid

was geweest op aanvallen van vreemde stammen, nu in zoovele gouwen

hongersnood heerschte, toch had Solbert er niet op gerekend, zulk een

groot leger van schooiers te moeten onderhouden.

De hoorigen nu, hun groote macht beseffend, stelden zich niet tevreden

met de rantsoenen, hoewel zij op de goederen hunner heeren het nooit

rijkelijker gehad hadden in den wintertijd, maar zij slopen ’s nachts

naar de kuilen en voorraadschuren en stalen die leeg, bedronken zich

aan de weggenomen meê en zongen spotliederen op de heeren.

Zij hadden hun vrouwen en dochters vaak medegevoerd en de haastig

opgeslagen tenten of hutten van twijgen met leem bestreken en spoedig

ontstond er oneenigheid tusschen de mannen, die elkaars vrouwen tot

echtbreuk dreven of jongelingen, die de maagden naar hun hutten

sleepten, zeker van straffeloosheid.

Koning Solbert, verontwaardigd en teleurgesteld, begon strenge straffen

te stellen op ontucht en machtsmisbruik. Maar daar de vrijgelaten

hoorigen wel wisten, dat de koning geen macht had om zijn straffen met

geweld te doen uitvoeren, stoorden zij zich er niet aan en bespotten de

straffen van den koning. Ook waren er velen onder de vrijgelatenen, die

met elkaar er over spraken, dat zij niet alleen geen edelen maar ook

geen koning noodig hadden. Zonder koning zouden zij eerst recht van hun

vrijheid kunnen genieten en zij besloten stil te zijn, totdat de groote

slag tegen de edelen geslagen was, dan na de overwinning ook hun koning

te verdrijven en het land opnieuw te verdeelen onder de vrijgelatenen.

Een Ding der oudsten zou het land besturen en recht spreken en voorts

zou ieder siphoofd op zijn gebied onbeperkte rechten hebben.

Verraders brachten die plannen aan koning Solbert over. Hij brak in

woede uit, vervloekte zijn eigen bedrijf en begon een verlangen te

gevoelen naar de vriendschap der edelen. Want wel waren zij gestreng

geweest voor hun slaven en wèl hadden zij op het Ding de rechten van

den koning altoos trachten te beperken en hem hun wil op willen

dringen, maar trouw waren ze geweest en nooit zouden zij beproefd

hebben het koningschap aan te randen.

De hertogen echter, die door boodschappers bericht ontvingen, dat

koning Solbert een onderhoud met hen verlangden, vermoedden een

krijgslist en lieten antwoorden, dat zij geen koning Solbert kenden

maar alleen een koning Sogol, die elken dag verwacht werd en bij zijn

aankomst door het Ding zou worden tot koning uitgeroepen.

Solbert nu, ziende dat hij door de edelen voor goed verstooten was en

op de vrijgelatenen geen invloed kon uitoefenen, peinsde er over zijn

rijk te verlaten en ver, in ’t land der Galliërs, zich terug te trekken

om daar vergeten te gaan leven. Maar hij dacht aan Harimona en zijn

verlangen om de schoone, heilige vrouw te zien was zoo sterk, dat hij

niet besluiten kon weg te trekken. Zoo leefde hij dan in dagen vol

onrust, hoofd van een bende vrijgelatenen, die elk oogenblik tot

muiterij geneigd, hem alleen nog slechts tijdelijk een schijn van macht

toestonden, omdat zij hem nog noodig hadden als aanvoerder in den

aanstaanden strijd tegen de edelen. Maar zijn hart was al aan de zijde

van degenen, die hij beoorlogen moest en hij zinde er op, de

vrijgelatenen een smadelijken nederlaag te doen lijden, opdat zij

opnieuw tot hoorigen zouden gemaakt worden, zoo zich wrekende wegens

hun ondankbaarheid, ontrouw en verwatenheid.

De hertogen onderwijl hadden zich gereed gemaakt voor den grooten slag.

Zij hadden de aanvoerders der afdeelingen benoemd, rustingen en

slagzwaarden in gereedheid gezet en de paarden geoefend.

Doch het aantal der edelen was gering tegenover dat der vrijgelatenen

en zij hadden zelfs geen dienstknechten, die de leeftocht-wagens zouden

sturen en de nood-paarden gereed houden voor de strijders, wien ’t

paard onder het lichaam werd gedood.

Toen kwam een edelvrouw, Vote genaamd, die vroeger tot de krijgsmaagden

van koning Kundric behoord had, naar den Raad der Hertogen en bood

zichzelve aan om een leeftocht-wagen te sturen, of een nood-paard

gereed te houden.

De hertogen beraadslaagden en zij kwamen op het denkbeeld de

edelvrouwen allen op te roepen om hen te helpen in den strijd tegen het

grauw onder aanvoering van koning Solbert. De edelvrouwen nu, allen

verbitterd op koning Solbert, die haar van heur dienstmaagden had

beroofd, zoodat zij met hare dochters moesten arbeiden als slavinnen,

waren blijde, hun mans te kunnen bijstaan. Ook waren zij in heur hart

den nieuwen koning, die met een heilige vrouw naderde toegedaan, wel

beseffend, dat zij weder tot aanzien zouden geraken. De strijdmaagden,

waarvan er nu velen getrouwd waren, begonnen zich weder in ’t

paardrijden te oefenen en leerden ook de andere vrouwen het rijden en

strijden te paard. Zoo dan was in korten tijd het leger van de edelen,

dank zij het aanbod van vrouwe Vote, ruim verdriedubbeld en de edelen

hadden nu wagenvoerders en noodpaarden.

Maar hoewel het reeds was gaan vriezen, nog altijd kwamen Sogol en

Harimona niet.

De edelen begonnen ongerust te worden en enkele van de vroegere

strijdmaagden zeiden te vreezen, dat Sogol en de heilige vrouw door de

andere strijdmaagden van Kundric, die nog in het woud waren gebleven,

misschien waren overrompeld en gedood of gevangen gehouden.

Deze veronderstelling vond veel geloof toen Scandische zeelieden,

teruggekomen van een reis naar het verre land en naar het land der

Nerviërs getrokken om daar den winter door te brengen, daar de tocht

naar het verre Scandia in den winter niet te volvoeren was en hun

skigge na de groote reis te wrak waren om de winterstormen te kunnen

doorstaan, verklaarden in het woud door niksen te zijn vervolgd, die

hun te lijf waren gegaan en die zij met zeer veel moeite waren

ontkomen. Een van hen, de stuurman, die door een werpspies van een

duivel in het vreemde land in ’t been was getroffen en daarom niet goed

had kunnen loopen, was door de niksen achterhaald en weggesleept. Zij

hadden hem vreeselijk hooren schreeuwen, maar hoe onvervaard ook

anders, zij hadden tegen de niksen niet opgedurfd, wel wetend dat tegen

bovenaardsche machten alle menschelijke kracht vergeefs was.

Toen de edelen hun vertelden, dat het geen niksen waren in ’t bosch

maar verwilderde krijgsvrouwen van koning Kundric, die daar huisden,

waren de Scandiërs zeer beschaamd, gevlucht te zijn voor vrouwen. En om

hun aanzien te herwinnen, vertelden zij veel van het vreemde land, waar

zij gestreden hadden tegen zwarte duivels met vogelkoppen en met den

reuzenzeeslang, die onder de kiel van hun skig doorduikend, zijn kop

opstekend uit het water, zich dwars rondom hun skig had gewonden en

toen had getracht het tot een bundel wrakhout samen te wringen.

Toen hadden zij fluks den mast gekapt en die was met zooveel kracht op

het dek gevallen, dat de zeeslang een rib had gekneusd en zich niet

meer bewegen kon. Zij waren met bijlen toegesneld om den slang

middendoor te hakken. Toen was de slang gaan spreken en had hun

beloofd, dat zij voortaan ongehinderd naar het vreemde land zouden

kunnen varen, wanneer zij hem loslieten en dat hij elke skig, waarop

geen Scandiërs voeren, naar de diepte zou halen.

Tegen dien prijs hadden zij den mast weder opgelicht en de zeeslang had

zich langzaam losgewonden en was in de diepte van de wereldzee

verdwenen.

Maar de edelen geloofden hun wonderverhalen niet en bespotten hen, dat

zij, als Scandische zeelieden, die altoos in het vreemde land en in de

wereldzee heetten met reuzendieren, zwarte duivels, draken en reuzen te

kampen, aan den haal waren gegaan voor een troepje naakte boschwijven.

Toen vereenigden de twaalf Scandische matrozen zich en trokken opnieuw

naar het gevaarlijke woud, de messen scherp gewet in de gordels en

vastbesloten, ter wille van hun eer, de boschwijven op te gaan vangen

en ze als gevangenen naar het Nervische gebied te brengen.

Germania(#73888) · 第 35 / 44 题