De Frisen van de beroofde skig, zeer verwonderd wegens den overval,
waren in de eerste uren niet in staat voor een vervolging der roovers
te zorgen. Zij lagen met hun skig, die den vorigen dag met behulp van
ijshamers ver naar de landzijde was gekomen, te veel van de andere
skigge verwijderd om door roepen verstaan te kunnen worden. Daar ook de
jol gestolen was, konden zij evenmin naar de andere skigge roeien. De
morgennevel maakte het geven van teekens vruchteloos en ook het land
was te ver verwijderd, dan dat daar hun roepen verstaan zou kunnen
worden. Het duurde daardoor geruimen tijd voor zij de vloot konden
onderrichten van den overval en nog veel langer voor men aan de kust
begreep, wat er gaande was.
Dadelijk werd toen een gezantschap naar koning Tjilbard gezonden met de
opdracht den koning een verhaal van ’t gebeurde te doen.
Maar het gezantschap moest twee dagen wachten voor het tot den koning
werd toegelaten en toen eerst hoorde de koning van den driesten
overval.
„Wie zijn de roovers?” vroeg de koning.
Dat wisten de afgezanten niet.
Tjilbard wierp woedend den drinkhoorn op den grond, dien hij juist aan
den mond wilde brengen.
„Wat? Du weet niet, wie de roovers zijn?”
„Neen, koning,” zeide de woordvoerder. „De overval heeft in den nacht
plaats gevonden. De wacht is aan ’t roer verrast en door een slag, die
van achteren werd toegebracht, neergeveld. Eerst toen de wacht ter
aflossing kwam, is de overval gemerkt.”
„Waarom heeft men de sporen niet gevolgd.”
„Toen de roof werd uitgevoerd, vroor het nog heer. Maar toen de skig
teruggetrokken was door den ijsgeul naar de andere skigge en van die
skigge een jol werd uitgezet, begon het te dooien. En het ijs en de
sneeuw smolt, zoodat de sporen werden weggewischt.”
„Waarom hebben de skigge niet eer jollen naar land gezonden met graan?”
„Heer, in den nacht was ’t weer omgeslagen en het getij gaan werken.
Anders hadden de roovers nooit de skig kunnen bereiken... en dan juist
de beroofde skig had zich al een heel eind naar de kust doorgeslagen...
Het was de rijkstbeladen skig en de roovers hebben ook de twee zakken
met zeldzaam honiggraan gestolen, die de koning der Picten had
medegegeven...”
Koning Tjilbard liet den schipper van de skig tot zich roepen. De man
kon weinig meer vertellen dan de afgezanten. Maar hij bracht de
gebroken saks mede, die op de skig gevonden was.
De koning bekeek de saks [16] en vroeg:
„Is dat niet een saks, zooals de Batouwers die gewoonlijk dragen?”
„Ja heer.”
„Kunnen dan Batouwers de roovers zijn geweest?”
„Ik weet het niet, heer. Niemand heeft ze gezien.”
Nu zond koning Tjilbard verspieders naar de Batouw. Maar zij konden
niets ontdekken. De Batouwers hadden veel van honger en koude te lijden
gehad en nu het dooide, leden zij nog veel van den honger. Maar van een
rooftocht en van gestolen graan wist niemand.
Koning Tjilbard, hoewel in zijn hart overtuigd, dat de Batouwers den
roof hadden gepleegd, kon niet tot een bestraffingstocht bevel geven.
Maar hij wachtte vastbesloten om tegen het voorjaar nogmaals
verspieders te zenden. Men kende het schoone graan van het
Paarden-eiland aan de korrel en wist heel goed te onderscheiden wat
Batouwsche tarwe was en wat niet.
Sigbert en zijn mannen, na de gelukkig volvoerde strooptocht, leefden
met het geborgen graan nu in hoop en verwachting. Het graan was
gelijkelijk verdeeld onder de honderd mannen van de saks en de zakken
waren verbrand. Maar het gouden graan was behouden door de vier mannen,
die door het ijswater naar de schepen gezwommen waren en zoo dan bezat
Reri een halve zak van het goudgraan.
Zij hadden het in een houten bak gestort, ’t zorgvuldig bedekt met
lijnwaad, zorgend dat het niet bevriezen kon en ook niet te warm stond.
En den heelen winter spraken ze over het zeldzame graan, Sigbert, Reri,
Tjeerd en moeder. Zij berekenden hoe veel land ze er mede zouden kunnen
bezaaien, zaten te redeneeren over de opbrengst. Of het groote aren
zouden worden of kleine. Of het stroo ook zoo geelgoud zou zijn?
Sigbert vooral had veel hoop op ’t gewas. Hij kon lange poozen voor ’t
haardvuur zitten met de zaadjes in zijn holle band, ze zachtjes, als
streelend, bevoelend met zijn wijsvinger, ze met de hand hoog en neder
bewegend, zoo de zwaarte keurend. Hij had al de korrels geteld, maar
daar zijn kennis der getalnamen niet zoo ver reikte, had hij bij elk
honderdtal een bekenden naam genoemd. Het eerste honderdtal heette, de
saks; het tweede, de Batouwer; het derde, de meent; het vierde, de
made; het vijfde, Thius; het zesde, Wotan; het zevende, Donar en zoo
maar voort. Soms was hij ’s nachts opgestaan, beangst door een droom,
dat muizen of ratten aan het graan knaagden of dat Grendel het bezijkte
of dat Tjilbard op het ros Zeven kwam aangereden en de geroofde zakken
terughaalde, geholpen door Istovar en Herebaeld. Dan rakelde hij in ’t
haardvuur, tot het hout opvlamde en de hut in een goudrossen lichtgloed
zette en hij begon het honinggraan na te tellen, zachtjes bij elk
hoopje van honderd prevelend: de saks, de Batouwer, de meent, de made,
Thius, Wotan, Donar....
Tot den morgen grauwde zat hij bij de hoopjes honinggraan, dankbaar dat
de zon al weder vroeger opkwam, naar buiten loopend om de morgenlucht
op te snuiven en speurend met zijn neus in den wind naar zwoelte en
geur van lente gelijk een hond naar een jachtbuit. Hij zag de zon
opgaan in de violette wolken van den einder en de nevels wegsmilten van
het glooiende land en onder de versmolten sneeuw uit kwam nu al de
donkerblauwe grond met groote, zwartige plekken uit. Zoo stond hij,
geleund tegen zijn hut, vele ochtenden wachtend op de lente en als de
zon dan geheel boven den einder stond, zilverwit en glanzend blank,
trachtte hij nog met zijn driehoekige, groene oogen nog meer
ingetrokken onder de zware, blonde borstels der wenkbrauwen er in te
kijken, tot hij ’t hoofd moest afwenden en voor zijn gesloten oogen
blauwe en groene en oranje brokken lichtschijn schemerden. Hij wischte
met de pols een traan naar den ooghoek en keek naar zijn handen, zijn
zware, groote, schorschige eelt-knuisten met de gebulte, stronkige
vingers. Hij sloot ze bevend dicht, in gedachte den boom van zijn ploeg
hanteerend. Droefenis kwam in hem als hij bedacht, dat zijn mooi span
trekossen nu weg was, opgegeten uit honger maar toch, hij mocht nog
niet klagen met twee zulke sterke kerels van zonen als Reri en Tjeerd,
die wèl tegen een span ossen zouden optrekken als ’t moest zijn en
moeder zou ook nog wel een handje trekken.
Met zijn oogen mat hij de streken, die de ploeg zou voren. Van hoog de
delling langs, tot aan den loorand.... dat was alles zijn made....
mooie, zuivere, blauwe grond, vaste aarde zonder een steentje er in.
Naar ’t schuurtje gaande, liep hij al met de vaste, moeielijke stappen
van den ploegvoerder, en in ’t schuurtje ging hij naar zijn ploeg zien,
streelde met zijn vingers langs de boomen, nam eventjes het handvat
vast in bevend verlangen om er al achter te kunnen loopen. En het met
harige koehuid bespannen ossejuk ziende, dat nu nutteloos zou zijn in
dit voorjaar, streek hij even de pols langs zijn oogen. Maar buiten was
weer zijn droefenis weg, hij hield zijn pols tegen de zoele bries in,
die was beginnen te waaien om te voelen of er al dracht in de lucht zat
en hem was het of de wind zachtjes langs den grond streelend, den
slapenden geest van Nerthus in den akker opwekte uit zijn
winterverdooving.
Maar soms ook, als hij dacht aan de rooftocht, kwam een kille angst in
hem op. Het was waar, zij hadden nog niets gehoord van een vervolging
en bewijzen waren er niet. Maar koning Tjilbard was rijk en machtig en
als hij kwaad wilde, kòn hij kwaad! Wat zou hij doen, als ’t
honinggraan opwies, een made vol geelgouden aren met halmen neerhangend
van zwaarte, vol nieuwe, gouden honingkorrels.... en een Fries zou
voorbijkomen en zien het nieuwe graan en de mare konden aan zijn
koning?...
Dan voelde Sigbert zijn maag inkrimpen en hij hoestte met dorre kuchen
als een, die zieke longen heeft. Hij zag de scharen van de Frisen, de
slanke, rijzige, koene kerels, die stormliepen als paarden bij een
boschbrand....
Dan schrap zette de zwaar geschouderde boer zich en zijn hand klemde
vast om den aakstgreep....
„Bij Grendel, zij zouden de saks van Sigbert niet over den kop loopen;
de saks van Sigbert was er ook nog.... laten ze dan maar opkomen, de
Frisen.... Batouwers waren ook hun man weerd.... Hij en Reri en
Tjeerd.... Ze moesten niet aan hun akkers komen.... al waren ze duizend
maal Frisen.... Grendeldebliksem.... Batouwers waren geen kerels, die
van vechten hielden.... dat was bekend.... zij hadden vredige
harten.... maar van hun land moesten ze afblijven.... dat wisten de
Chauken en de Chamaven en de Chasuaren en de Brukteren en de
Kaninefaten en de Dantubaren.... die allen waren al slaags geweest om
’t bezit van die vette Batouw, maar de Batouwer was geen haas en geen
eekhoorn.... de Batouwer was als zijn vee.... harde koppen hadden ze
met scherpe horens en wie er tegen aanliep, werd opgespitst....”
Maar geheel gerust was hij nooit. Want de Frisen bleven de Frisen, óók
koppige kaerels met harde hoofden en niet bang uitgevallen.... hij had
ze zien vechten in zijn jeugd, toen de Chauken kwamen opdringen omdat
zij te veel mannen hadden en in hun landen gebrek kwam.
Grendeldebliksem, wat was dat mooi werk geweest van de Frisen. In een
zwerm kwamen de Chauken opzetten, met wel duizend wagens en peerden en
hun vrouwen en kinderen, kinderen, kinderen.... als de mieren zooveel.
En vooraan de kaerels met hun slingers en hun werplansen en hun
celten.... niet groot van stuk maar zooveel, zooveel, dat ’t land er
zwart van was, zooveel. En toen de Frisen, met kleine saksen van
vijftig, Grendeldebliksem, met de aakst in de vuist, die op de horde
in, met een vaart als vluchtende herten en toen, als een aakst in een
blok, zoo spleten de saksvoerders in de horde van de Chauken en toen
spreidden zij zich er in uiteen en de aaksten gingen maar al op-neer,
op-neer, van boven neer op de koppen, tot de Chauken de honden
loslieten. Grendeldebliksem, dat was een gezicht, die groote, gore
beesten met blanke tanden en open muilen op de Frisen in. Maar de
Frisen bleven slaan met de aaksten, altoos maar op-neer, op-neer, ook
op de koppen van de honden en altoos maar weer de kleine saksen met
nieuw volk aanvullende, tot de Chauken begonnen te wijken en gevlucht
waren, de vrouwen en de kinderen bij de wagens achterlatend.
En toen had hij ze gezien de Frisen, opdringend naar de wagens, waar de
waakhonden opnieuw op hen kwamen aangevlogen, opgehitst door de wijven.
Zij hadden rondom ’t wagenpark rijshout aangedragen en toen de vlam er
in gestoken.... Gegild hadden de wijven en geschreid de kinderen boven
dien gloeienden ring uit en gehuild en gejankt en dof klagend gebast
hadden de honden.... Maar wie er uit kwam, was teruggeslagen door de
Frisen, die tot blakerens toe om den vuurring stonden....
Toen ’t vuur gedoofd was, had Sigbert gezien waar de verbrande lijken
lagen van de vrouwen en de kinderen en de honden.... Met zijn
grootvader was hij er langs geloopen, hij was nog een knaap geweest,
maar hij had ’t gruwelijke te dieper gevoeld.... omdat daar zooveel
knapen en oude mannen lagen, met vertrokken gezichten, zwartberookt of
bloederig bruin gebrand en de armen stijf opgestoken met de vuist
verkoold omhoog....
Grendeldebliksem.... wee wanneer de Fries de Batouw zou
binnenvallen.... Ja, du kan dijn man staan en di verweren, maar toch,
neergeslagen zouden er velen worden....
En diep-in begon hij spijt te gevoelen over de rooftocht en te bidden
tot Wotan.... „Groote Wot, spaar ons voor den oorlog.... drie vaarzen
zal ik di offeren.... drie beste vaarzen zonder gebrek en zonder
vlek.... geen zwart haartje zullen ze hebben groote Wot, niet op de
schoften en niet op de borst.... Groote Wot, spaar ons voor de
Frisen....”
Maar als hij na die eenzame morgentochten weer de hut was binnengegaan
en zijn handen stak in de graanzakken en met uitgespreide vingers
graaide door de wulle korrels, dan werd hij weer rustiger, voelde de
korreltjes rul langs zijn handen glijden en hij nam er een handjevol
uit en bracht het aan zijn mond en kuste het graan. Dan weer wierp hij
de korreltjes zorgvuldig terug in den zak, bond dezen dicht met een
heiligen knoop, knoopend tegelijk een zegespreuk sprekend:
Nerthus zal di garen,
Nerthus zal di baren,
en hij, vermoeid van den doorwaakten nacht en de bewogen ochtend,
sleepte een berenvel bij de zakken en strekte zich op ’t vel uit en
sliep in, het groote, grofgehouwen hoofd schuin tegen den graanzak
geleund en de al grijzende, roodblonde baard, beschermend er voor....
En nog in zijn slaap, kneep soms plots de rechterhand zich ballend
samen, alsof hij den boom van den ploeg omknelde of den steel van de
saks.