HOOFDSTUK XII.

De Frisen van de beroofde skig, zeer verwonderd wegens den overval,

waren in de eerste uren niet in staat voor een vervolging der roovers

te zorgen. Zij lagen met hun skig, die den vorigen dag met behulp van

ijshamers ver naar de landzijde was gekomen, te veel van de andere

skigge verwijderd om door roepen verstaan te kunnen worden. Daar ook de

jol gestolen was, konden zij evenmin naar de andere skigge roeien. De

morgennevel maakte het geven van teekens vruchteloos en ook het land

was te ver verwijderd, dan dat daar hun roepen verstaan zou kunnen

worden. Het duurde daardoor geruimen tijd voor zij de vloot konden

onderrichten van den overval en nog veel langer voor men aan de kust

begreep, wat er gaande was.

Dadelijk werd toen een gezantschap naar koning Tjilbard gezonden met de

opdracht den koning een verhaal van ’t gebeurde te doen.

Maar het gezantschap moest twee dagen wachten voor het tot den koning

werd toegelaten en toen eerst hoorde de koning van den driesten

overval.

„Wie zijn de roovers?” vroeg de koning.

Dat wisten de afgezanten niet.

Tjilbard wierp woedend den drinkhoorn op den grond, dien hij juist aan

den mond wilde brengen.

„Wat? Du weet niet, wie de roovers zijn?”

„Neen, koning,” zeide de woordvoerder. „De overval heeft in den nacht

plaats gevonden. De wacht is aan ’t roer verrast en door een slag, die

van achteren werd toegebracht, neergeveld. Eerst toen de wacht ter

aflossing kwam, is de overval gemerkt.”

„Waarom heeft men de sporen niet gevolgd.”

„Toen de roof werd uitgevoerd, vroor het nog heer. Maar toen de skig

teruggetrokken was door den ijsgeul naar de andere skigge en van die

skigge een jol werd uitgezet, begon het te dooien. En het ijs en de

sneeuw smolt, zoodat de sporen werden weggewischt.”

„Waarom hebben de skigge niet eer jollen naar land gezonden met graan?”

„Heer, in den nacht was ’t weer omgeslagen en het getij gaan werken.

Anders hadden de roovers nooit de skig kunnen bereiken... en dan juist

de beroofde skig had zich al een heel eind naar de kust doorgeslagen...

Het was de rijkstbeladen skig en de roovers hebben ook de twee zakken

met zeldzaam honiggraan gestolen, die de koning der Picten had

medegegeven...”

Koning Tjilbard liet den schipper van de skig tot zich roepen. De man

kon weinig meer vertellen dan de afgezanten. Maar hij bracht de

gebroken saks mede, die op de skig gevonden was.

De koning bekeek de saks [16] en vroeg:

„Is dat niet een saks, zooals de Batouwers die gewoonlijk dragen?”

„Ja heer.”

„Kunnen dan Batouwers de roovers zijn geweest?”

„Ik weet het niet, heer. Niemand heeft ze gezien.”

Nu zond koning Tjilbard verspieders naar de Batouw. Maar zij konden

niets ontdekken. De Batouwers hadden veel van honger en koude te lijden

gehad en nu het dooide, leden zij nog veel van den honger. Maar van een

rooftocht en van gestolen graan wist niemand.

Koning Tjilbard, hoewel in zijn hart overtuigd, dat de Batouwers den

roof hadden gepleegd, kon niet tot een bestraffingstocht bevel geven.

Maar hij wachtte vastbesloten om tegen het voorjaar nogmaals

verspieders te zenden. Men kende het schoone graan van het

Paarden-eiland aan de korrel en wist heel goed te onderscheiden wat

Batouwsche tarwe was en wat niet.

Sigbert en zijn mannen, na de gelukkig volvoerde strooptocht, leefden

met het geborgen graan nu in hoop en verwachting. Het graan was

gelijkelijk verdeeld onder de honderd mannen van de saks en de zakken

waren verbrand. Maar het gouden graan was behouden door de vier mannen,

die door het ijswater naar de schepen gezwommen waren en zoo dan bezat

Reri een halve zak van het goudgraan.

Zij hadden het in een houten bak gestort, ’t zorgvuldig bedekt met

lijnwaad, zorgend dat het niet bevriezen kon en ook niet te warm stond.

En den heelen winter spraken ze over het zeldzame graan, Sigbert, Reri,

Tjeerd en moeder. Zij berekenden hoe veel land ze er mede zouden kunnen

bezaaien, zaten te redeneeren over de opbrengst. Of het groote aren

zouden worden of kleine. Of het stroo ook zoo geelgoud zou zijn?

Sigbert vooral had veel hoop op ’t gewas. Hij kon lange poozen voor ’t

haardvuur zitten met de zaadjes in zijn holle band, ze zachtjes, als

streelend, bevoelend met zijn wijsvinger, ze met de hand hoog en neder

bewegend, zoo de zwaarte keurend. Hij had al de korrels geteld, maar

daar zijn kennis der getalnamen niet zoo ver reikte, had hij bij elk

honderdtal een bekenden naam genoemd. Het eerste honderdtal heette, de

saks; het tweede, de Batouwer; het derde, de meent; het vierde, de

made; het vijfde, Thius; het zesde, Wotan; het zevende, Donar en zoo

maar voort. Soms was hij ’s nachts opgestaan, beangst door een droom,

dat muizen of ratten aan het graan knaagden of dat Grendel het bezijkte

of dat Tjilbard op het ros Zeven kwam aangereden en de geroofde zakken

terughaalde, geholpen door Istovar en Herebaeld. Dan rakelde hij in ’t

haardvuur, tot het hout opvlamde en de hut in een goudrossen lichtgloed

zette en hij begon het honinggraan na te tellen, zachtjes bij elk

hoopje van honderd prevelend: de saks, de Batouwer, de meent, de made,

Thius, Wotan, Donar....

Tot den morgen grauwde zat hij bij de hoopjes honinggraan, dankbaar dat

de zon al weder vroeger opkwam, naar buiten loopend om de morgenlucht

op te snuiven en speurend met zijn neus in den wind naar zwoelte en

geur van lente gelijk een hond naar een jachtbuit. Hij zag de zon

opgaan in de violette wolken van den einder en de nevels wegsmilten van

het glooiende land en onder de versmolten sneeuw uit kwam nu al de

donkerblauwe grond met groote, zwartige plekken uit. Zoo stond hij,

geleund tegen zijn hut, vele ochtenden wachtend op de lente en als de

zon dan geheel boven den einder stond, zilverwit en glanzend blank,

trachtte hij nog met zijn driehoekige, groene oogen nog meer

ingetrokken onder de zware, blonde borstels der wenkbrauwen er in te

kijken, tot hij ’t hoofd moest afwenden en voor zijn gesloten oogen

blauwe en groene en oranje brokken lichtschijn schemerden. Hij wischte

met de pols een traan naar den ooghoek en keek naar zijn handen, zijn

zware, groote, schorschige eelt-knuisten met de gebulte, stronkige

vingers. Hij sloot ze bevend dicht, in gedachte den boom van zijn ploeg

hanteerend. Droefenis kwam in hem als hij bedacht, dat zijn mooi span

trekossen nu weg was, opgegeten uit honger maar toch, hij mocht nog

niet klagen met twee zulke sterke kerels van zonen als Reri en Tjeerd,

die wèl tegen een span ossen zouden optrekken als ’t moest zijn en

moeder zou ook nog wel een handje trekken.

Met zijn oogen mat hij de streken, die de ploeg zou voren. Van hoog de

delling langs, tot aan den loorand.... dat was alles zijn made....

mooie, zuivere, blauwe grond, vaste aarde zonder een steentje er in.

Naar ’t schuurtje gaande, liep hij al met de vaste, moeielijke stappen

van den ploegvoerder, en in ’t schuurtje ging hij naar zijn ploeg zien,

streelde met zijn vingers langs de boomen, nam eventjes het handvat

vast in bevend verlangen om er al achter te kunnen loopen. En het met

harige koehuid bespannen ossejuk ziende, dat nu nutteloos zou zijn in

dit voorjaar, streek hij even de pols langs zijn oogen. Maar buiten was

weer zijn droefenis weg, hij hield zijn pols tegen de zoele bries in,

die was beginnen te waaien om te voelen of er al dracht in de lucht zat

en hem was het of de wind zachtjes langs den grond streelend, den

slapenden geest van Nerthus in den akker opwekte uit zijn

winterverdooving.

Maar soms ook, als hij dacht aan de rooftocht, kwam een kille angst in

hem op. Het was waar, zij hadden nog niets gehoord van een vervolging

en bewijzen waren er niet. Maar koning Tjilbard was rijk en machtig en

als hij kwaad wilde, kòn hij kwaad! Wat zou hij doen, als ’t

honinggraan opwies, een made vol geelgouden aren met halmen neerhangend

van zwaarte, vol nieuwe, gouden honingkorrels.... en een Fries zou

voorbijkomen en zien het nieuwe graan en de mare konden aan zijn

koning?...

Dan voelde Sigbert zijn maag inkrimpen en hij hoestte met dorre kuchen

als een, die zieke longen heeft. Hij zag de scharen van de Frisen, de

slanke, rijzige, koene kerels, die stormliepen als paarden bij een

boschbrand....

Dan schrap zette de zwaar geschouderde boer zich en zijn hand klemde

vast om den aakstgreep....

„Bij Grendel, zij zouden de saks van Sigbert niet over den kop loopen;

de saks van Sigbert was er ook nog.... laten ze dan maar opkomen, de

Frisen.... Batouwers waren ook hun man weerd.... Hij en Reri en

Tjeerd.... Ze moesten niet aan hun akkers komen.... al waren ze duizend

maal Frisen.... Grendeldebliksem.... Batouwers waren geen kerels, die

van vechten hielden.... dat was bekend.... zij hadden vredige

harten.... maar van hun land moesten ze afblijven.... dat wisten de

Chauken en de Chamaven en de Chasuaren en de Brukteren en de

Kaninefaten en de Dantubaren.... die allen waren al slaags geweest om

’t bezit van die vette Batouw, maar de Batouwer was geen haas en geen

eekhoorn.... de Batouwer was als zijn vee.... harde koppen hadden ze

met scherpe horens en wie er tegen aanliep, werd opgespitst....”

Maar geheel gerust was hij nooit. Want de Frisen bleven de Frisen, óók

koppige kaerels met harde hoofden en niet bang uitgevallen.... hij had

ze zien vechten in zijn jeugd, toen de Chauken kwamen opdringen omdat

zij te veel mannen hadden en in hun landen gebrek kwam.

Grendeldebliksem, wat was dat mooi werk geweest van de Frisen. In een

zwerm kwamen de Chauken opzetten, met wel duizend wagens en peerden en

hun vrouwen en kinderen, kinderen, kinderen.... als de mieren zooveel.

En vooraan de kaerels met hun slingers en hun werplansen en hun

celten.... niet groot van stuk maar zooveel, zooveel, dat ’t land er

zwart van was, zooveel. En toen de Frisen, met kleine saksen van

vijftig, Grendeldebliksem, met de aakst in de vuist, die op de horde

in, met een vaart als vluchtende herten en toen, als een aakst in een

blok, zoo spleten de saksvoerders in de horde van de Chauken en toen

spreidden zij zich er in uiteen en de aaksten gingen maar al op-neer,

op-neer, van boven neer op de koppen, tot de Chauken de honden

loslieten. Grendeldebliksem, dat was een gezicht, die groote, gore

beesten met blanke tanden en open muilen op de Frisen in. Maar de

Frisen bleven slaan met de aaksten, altoos maar op-neer, op-neer, ook

op de koppen van de honden en altoos maar weer de kleine saksen met

nieuw volk aanvullende, tot de Chauken begonnen te wijken en gevlucht

waren, de vrouwen en de kinderen bij de wagens achterlatend.

En toen had hij ze gezien de Frisen, opdringend naar de wagens, waar de

waakhonden opnieuw op hen kwamen aangevlogen, opgehitst door de wijven.

Zij hadden rondom ’t wagenpark rijshout aangedragen en toen de vlam er

in gestoken.... Gegild hadden de wijven en geschreid de kinderen boven

dien gloeienden ring uit en gehuild en gejankt en dof klagend gebast

hadden de honden.... Maar wie er uit kwam, was teruggeslagen door de

Frisen, die tot blakerens toe om den vuurring stonden....

Toen ’t vuur gedoofd was, had Sigbert gezien waar de verbrande lijken

lagen van de vrouwen en de kinderen en de honden.... Met zijn

grootvader was hij er langs geloopen, hij was nog een knaap geweest,

maar hij had ’t gruwelijke te dieper gevoeld.... omdat daar zooveel

knapen en oude mannen lagen, met vertrokken gezichten, zwartberookt of

bloederig bruin gebrand en de armen stijf opgestoken met de vuist

verkoold omhoog....

Grendeldebliksem.... wee wanneer de Fries de Batouw zou

binnenvallen.... Ja, du kan dijn man staan en di verweren, maar toch,

neergeslagen zouden er velen worden....

En diep-in begon hij spijt te gevoelen over de rooftocht en te bidden

tot Wotan.... „Groote Wot, spaar ons voor den oorlog.... drie vaarzen

zal ik di offeren.... drie beste vaarzen zonder gebrek en zonder

vlek.... geen zwart haartje zullen ze hebben groote Wot, niet op de

schoften en niet op de borst.... Groote Wot, spaar ons voor de

Frisen....”

Maar als hij na die eenzame morgentochten weer de hut was binnengegaan

en zijn handen stak in de graanzakken en met uitgespreide vingers

graaide door de wulle korrels, dan werd hij weer rustiger, voelde de

korreltjes rul langs zijn handen glijden en hij nam er een handjevol

uit en bracht het aan zijn mond en kuste het graan. Dan weer wierp hij

de korreltjes zorgvuldig terug in den zak, bond dezen dicht met een

heiligen knoop, knoopend tegelijk een zegespreuk sprekend:

Nerthus zal di garen,

Nerthus zal di baren,

en hij, vermoeid van den doorwaakten nacht en de bewogen ochtend,

sleepte een berenvel bij de zakken en strekte zich op ’t vel uit en

sliep in, het groote, grofgehouwen hoofd schuin tegen den graanzak

geleund en de al grijzende, roodblonde baard, beschermend er voor....

En nog in zijn slaap, kneep soms plots de rechterhand zich ballend

samen, alsof hij den boom van den ploeg omknelde of den steel van de

saks.

Germania(#73888) · 第 34 / 44 题