Maar de honger begon ook te nijpen in de Batouw. De weinige kuilen met
graan, die de Dantubaren niet hadden ontdekt, waren volgeloopen met
smeltend sneeuwwater en later had de ongewoon strenge vorst water en
graan tot een harde ijsklomp bevroren. Er was in de heele Batouw geen
mensch, die heuchenis had van zulk een strengen winter.
De zwarte ziekte begon slachtoffers te maken en van alle zijden kwamen
maren van hongersnood, koude en vorst.
Ook in de hut van Sigbert werd honger geleden. Zij hadden den grooten
waakhond al moeten slachten en aten nu sedert dagen niets dan moes van
dorre bladeren. Vergeefs liepen zij het woud af om wild te zoeken. Het
wild was, instinctief den kouden winter voorvoelend, naar andere
streken gevlucht en de weinige hazen, vossen, wolven en evers, die nog
waren achtergebleven, ten buit geworden van de honderden hongerige
Batouwers, die de bosschen afstroopten.
Ook bij de Frisen was de oogst slecht geweest. Maar koning Tjilbard had
wel veertig groote schepen naar ’t Paarden-eiland gezonden met
barnsteen, albasten schijven, koehuiden en fraai besneden zetels,
broodplanken, messenheften, sierframmen beladen, om graan te gaan
ruilen op ’t Paarden-eiland.
Daar zou dus geen gebrek zijn! Maar Tjilbard, zou niet voor niets van
zijn voorraad aan de Batouwers afstaan en veel om te ruilen hadden de
Batouwers niet, want de Frisen waren rijk en kunstvaardig en hadden in
hun rijk alles wat de Batouwers ook hadden.
Doch de geschenken, die Sigbert en zijn zonen van Maresag hadden
gekregen, de mooie pels van marterbont van Sigbert zelf en het
prachtige bronzen kortzwaard van Reri en zijn jachthemd met de koperen
schakels en zijn bronzen helm, dat waren schatten, die ook de
Frisenkoning wel gaarne zon willen bezitten en inruilen tegen graan.
Daarom dan zouden Reri en Tjeerd naar der Frisen koning optrekken en
hem bericht brengen van prins Istovar en hun kostbaarheden in ruil voor
graan aanbieden.
Zij trokken in snelle dagreizen naar Jelhiem, de hoofdstad van het land
der dappere Frisen. Maar aan de grens van het Friesche gebied vernamen
zij van de groote hongersnood, die ook in Frisenland heerschte en al
zoude men graan tegen goud willen opwegen, dan nog zou geen graan aan
vreemdelingen medegegeven worden, want het volk zou in dat geval zeker
oproer maken.
De skigge van koning Tjilbard waren wel teruggekeerd van het
Paarden-eiland en blijkens de signalen waren ze volbeladen met graan.
Doch de toegang tot de Aamshaven was bevroren en het ijs was te dun om
er overheen te kunnen loopen tot aan de skigge, die ingevroren lagen.
Dag aan dag stonden de hongerende Frisen aan de kust uitkijkend naar de
zwaar beladen skigge maar alle pogingen van die van de schepen om aan
land te komen of van die van het land om de schepen te bereiken,
faalden.
Een breede geul van stroomend water midden in ’t ijs maakte het
onmogelijk de schepen te naderen noch te voet, noch met kleine
scheepjes, noch met groote vaartuigen.
Enkele dappere mannen hadden het gewaagd zoover mogelijk over het ijs
te loopen, dan het ijs stuk te hakken en zoo zich tot de geul door te
werken. Maar in ’t ijskoude water waren zij door kramp bevangen en
weggezonken. Reri ging naar koning Tjilbard, en verhaalde hem ’t
wedervaren van zijn zoon prins Istovar.
De koning vloekte, zeide dat hij reeds van Melle de tijding had
ontvangen en vroeg waarom de Bataaf oude wonden kwam openrijten.
Reri verontschuldigde zich en bood nu zijn schatten aan smeekend om één
enkele zak graan.
„Van wien hebt gij al dat moois?” vroeg de koning wantrouwig.
„Van Maresag, den hoogepriester en Harimona, de heilige maagd!”
„Dus du bent wel uitverkoren geweest, maar mijn dapperen zoon niet....”
„Ik was wachter heer, bij de schattenschuren! En de heilige maagd heeft
vader een rijken oogst beloofd. Ik smeek di, geef ons één zak graan en
wij zullen di dankbaar zijn en als de goede tijden voor de Batouw
aanbreken gedenken, wie onze vriend in den rampspoed is geweest.”
„De heilige maagd Harimona heeft dijn vader een goeden oogst
voorspeld.... En daarop vertrouwt di?.... Zotskoppen zijt di.... bij
elkaar. Door dijn zotskopperij is ook in ’t Frisenland den roep van de
heilige maagd Harimona verbreid en mijn eenige zoon heb ik daardoor
verloren... Als du weder heilige maagden kent, moogt du di eerst beter
vergewissen, want dijne Harimona is een veile deern, een liderlicke
hure, die met een Nervischen prins gevlucht is.... De trouwe Melle
heeft mi de kond gedaan....”
„Dat liegt di, koning” zeide Reri verontwaardigd.
„Pak di weg met dijn schatten.... Koning Tjilbard verlangt geen
hurenloon... Pak di weg... Hurenknecht!”
Met smaad waren Reri en Tjeerd weggezonden. Zij trokken eerst naar de
kust om naar de graanschepen te zien. Daar lagen ze, veertig groote
Frise skigge, met breede, hooge boegen en lange masten, waarvan de
dunne lederen zeilen niet waren opgerold, maar stijf bevroren, strak
uithingen aan de rondhouten.
Reri, tegen een paal geleund, keek lang en aandachtig naar de schepen.
„Zou di niet durven?” vroeg Tjeerd.
„Als ’t moest zijn!” zeide Reri kort....
„Du zou al di Frisen te schande maken....”
„Wat heb ik daaraan.... Als ik nu ’t graan van hun skigge haal, is ’t
niet voor Tjilbard.... Kom mee jong, eerst naar vaêr toe om raad te
vragen.”
Hoewel zij hongerden en zich met weinig anders voedden, dan met visch,
die zij in stroobosschen ’s nachts op de Frise waters vingen en rauw
opaten, liepen zij met snelle schreden terug naar de Batouw.
Zij vertelden Sigbert van de ontnuchterende ontvangst bij Koning
Tjilbard.
Sigbert wreef een traan uit zijn oog.
„Grien je vaêr?” vroeg Reri ontzet.
„Ja jong.... ja jong.... als dat waar is.... als die Harimona een hure
is geweest, dan is ’t gedaan met de Batouw.... Dan moeten wij weg....
met de saks er op uit een nieuwe ouw zoeken.... En dan begint het
moorden weer.... dan moeten wij anderen menschen vellen... en vrouwen
en kinderen verjagen.... ’t Is hard hoor.... ’k Heb nooit graag de saks
gezwaaid... Wat is dat voor bloedgierig werk?.... Achter den ploeg wil
ik loopen.... dat wil ik, van den nuchteren morgen tot in den zwarten
schemer. En met dijn moêr wil ik de sikkel slaan.... dat wil ik, naar
Batouwschen aard... Dat ’s trouw werk en daar valt zweet bij maar geen
bloed.... Grendeldebliksem... zouwen wij Batouwers van ons land
afmoeten! Zouwen wij jong? Dat mooie land, dat je overgrootvaêr heeft
gebouwd, en je grootvaêr... je moeders moer en je moer.... Wat zei
Tjilbard? Is zij een hure! Wee, dien hure.... als zij mij bedrogen
heeft... Den kop inhakken met den saks zal ik haar.... die kol, die
dop... Grendeldebliksem.... d’r witte haren zal ik rood maken!...
Grendeldebliksem hier.... met mijn saks!”
Hij had de saks van den wand genomen en drilde ze in zijn schorschige
vuist.... Ontzet zag Reri hoe dun vaders polsen waren geworden.
„Vaêr,” zei Reri, „er is wel raad....”
„Wat zou hier raad jong?... Zie di niet hoe dijn arme moeder afgeteerd
is?... Hoelang vreten wij nu blaremoes? In Dantuba zijn ze allen
verrekt van de kou en den honger.... Hoe lang zal ’t hier nog
rekken?.... Hari, de bode is hier geweest.... Weet di wat hij
vertelde?....”
Sigbert kwam dicht bij zijn zoons staan en Reri diep in de oogen ziende
met zijn driehoekige groene oogen onder de schuin neerhangende
oogleden....
„Aan de grens hebben Batouwers van den honger elkaar opgevreten.... Van
den hònger.... van den hònger, van den hònger, jong!....”
Hij hief zijn saks dreigend op tegen een denkbeeldigen vijand, maar
viel toen weer moedeloos neer op een hoop brandhout, zijn oud hoofd
gebogen en snikkend hikkend met de borst zonder te weenen.
„Ik weet een middel vaêr....”
„Wat zou di weten?....”
„Wij moeten de Frische skigge veroveren....”
„Wat zeg di jong.... Batouwers rooven niet....”
„Batouwers vreten nu elkaar op van den honger,” waagde Tjeerd bitter te
zeggen.
„Hou dijn mond, du melkmuil...” toornde Sigbert op.
„’t Is zoo vaêr... Tjeerd zegt ’t rechte woord... wij moeten.... Als ’t
nou niet is, moeten wij in ’t voorjaar er op uit....”
„De Frisen zijn onze bondgenooten....”
„Stikken kunnen ze.... die bondgenooten. Geen zak graan ruilen ze voor
een marterpels, die tien akkers groenland waard is... Als wij de skigge
overvallen hebben wij graan zat... en ook om te zaaien in ’t
voorjaar... Waar wil di ’t zaaigraan vandaan halen, vaêr?... En anders
moeten wij weg uit Batouw... Op de schobberdebonk naar een nieuw
ouw.... Dat zal wat geven, met de Batouwers... Ze vechten tegenwoordig
overal nieuwerwetsch met ’t kortzwaard.... Daar kunnen wij niet tegen
op met de saks...”
„Ik zou wel willen zien, wie mi de saks uit de hand sloeg...”
Hij hief zijn gepunte bijl weder op en drilde hem heen en weer,
dreigend tegen een denkbeeldigen vijand.
„Du vaêr ja... du wel... maar d’er is al veel volk onder de Batouwers,
die al in geen jaren van achter den ploeg zijn weggeweest... Du moet ze
zien, zooals ze tegenwoordig vechten bij de Kaninefaten en de Sfafen op
de wijze, die van ’t Paarden-eiland is ingevoerd. Op lage wagens vaêr,
met vier vlugge peerden er voor en dan twee kaerels er in, één met met
kortzwaard en schild en één die stuurt... Daar kan di met een saks niet
tegenop... De peerden rijen je omver, de kerel hakt van zijn wagen op
je in en als du terug hakt, is-’t-ie weg met zijn kar...”
„Grendeldebliksem, twee tegen een... Dat’s smuigerswerk!”
„Ze doen ’t ’em maar, vaêr. En als de kop gekloven is, lig je... Als du
nou wou vaêr... als du dijn saks opriep, en dan flink aangeloopen naar
de kust en dan wij, als Batouwers, met ’t schild en de saks over ’t ijs
tot aan de waterrand. En dan ik met nog een paar zwemmers flink
ingesmeerd met berenvet, met een taai touw om ’t lijf. Dan bij de
skigge het touw vastgelegd aan één skig en dan weer met het touw terug.
Als dan de heele saks aan het trekken gaat, krijgen wij een heel skig
over den stroom heen en wij kunnen dan de zeelui binden en de skig
leeghalen...”
Sigbert had aandachtig toegeluisterd.
„Dat zou één skig zijn.”
„Dat’s genoeg.”
„En de wraak van de Frisen?”
„Bent-di bang vaêr?”
„’t Zijn kwaje kaerels als ze beginnen.”
„Honger is ook een kwaje kaerel.”
„Als du ’t wilt, welnu dan jong... daar is dijn vaders hand...”
Nog dienzelfden dag waren er op de heuvels vuren ontstoken, om de
lieden van de streek te waarschuwen, dat er een saks gevormd moest
worden en den volgenden morgen vroeg trok Sigbert met honderd Batouwers
naar de Frise kust.
Zes nachten zou de voetreis der honderd duren, vóór zij aan de kust
kwamen, waar de skigge lagen. Zij moesten afzonderlijk optrekken, want
een gewapende saks van honderd Batouwers zou door de Frisen spoedig
bemerkt en gevangen genomen zijn.
Bijna allen waren verzwakt door de lange tijden van schaarschte en maar
een twintigtal, die vroeger tegen de Dantubaren gestreden hadden, waren
vaardig met de saks. Reri was de grootste en sterkste van allen. De
meesten, blondharig, breed van schouders, gedrongen van bouw, waren
iets kleiner dan Sigbert. Doch moed hadden ze allen, wetende welke buit
hun wachtte en ook welke waarde die buit voor hen had. Het was niet
alleen graan, waarmede zij den nijpenden honger van zichzelf, vrouw en
kinderen konden stillen. Maar graan, dat was voor hen ook zaaigraan,
het eenige middel om ’t volgende jaar aan den hongersnood te ontkomen,
het eenige middel wellicht om hun anders zoo vruchtbare ouw, in vrede
te blijven bezitten. Want niets was vreeselijker dan op verovering van
een nieuw gebied uit te gaan. De volksstammen waren talrijk en geheel
Germanje was in de vruchtbare streken dicht bewoond. De voorbeelden
waren niet zelden, dat stammen, die hun gebied verlaten hadden, overal
waren verjaagd, opgedrongen, aangevallen, bestreden tot zij eindelijk
weer het oude gebied opzochten, maar daar reeds een nieuwen stam
vonden. Dan moesten ze om het eerst verlaten land met de wapens in de
vuist twisten en zoo waren wel gansche stammen uitgemoord of tot
hoorigen en slaven gemaakt.
Waar zouden de Batouwers heen? Aan het bezetten van de ouwen der Frisen
was niet te denken. De Frisen, hoe vreedzaam ook wanneer zij niet
aangevallen werden, waren onoverwinnelijk als zij tot verdediging
genoodzaakt waren. En de Frisen waren een ras van krachtige, slanke
lieden, vaardig óók al op het nieuwerwetsche kortzwaard en onstuimig in
den stormloop.
Naar de gebieden der Bellovaken en Nerviërs zouden zij evenmin kunnen
trekken, want de Nerviërs waren uitstekende ruiters en de Bellovaken
streden wel tegen die van ’t Paarden-eiland, zoodat een Batouwer hier
op geen overwinning mocht hopen. Naar de zijde der Sigambers en Chatten
was wel een uitweg te vinden, maar die te verjagen naar de
Hermoendoeren zou niet gaan, want de Hermoendoeren waren vrienden van
de Cherusken en die twee stammen konden niet door de Batouwers
verslagen worden als zij de Hermoendoeren nog daarbij voor zich uit
hadden te drijven.
Zij moesten in hun ouw blijven en de honderd wisten wel, dat het van
het gelukken hunner rooftocht afhing, of zij in ’t voorjaar zaaigraan
zouden hebben.
Er waren in deze koude dagen weinig lieden buitenshuis en vooral niet
op de groote wegen. Want de honger had die wegen gevaarlijk gemaakt
voor reizigers, die niet in groote troepen trokken. En daar in den
winter geen groote reizen werden gemaakt, trok de Batouwsche saks
onbemerkt het Frisenland binnen. Vooraf gingen straalsgewijze uitelkaar
tien verspieders, die als zij twee gewenden geloopen hadden, weder
straalsgewijze tot elkaar liepen. Waren zij bijeengekomen en had de weg
niets verdachts opgeleverd, dan liepen twee van hen in twee richtingen
in draf terug tot zij in ’t gezicht van de volgende tien man kwamen,
die zij door ’t opsteken van een grooten tak waarschuwden, dat zij
voort konden loopen.
Die tien deden door twee hunner op dezelfde wijze de tien volgende
waarschuwen en zoo voort van hoede tot hoede.
Was er onraad bespeurd, dan staken de voorloopende een tak op met een
dwarstak bovenaan. Onmiddellijk liepen dan de tien mannen in stralen
uiteen en kwamen, al naar afspraak na meer of minder gewenden afstands,
weder straalsgewijze tot elkaar.
De mate van ’t dreigende gevaar konden zij zien aan de wijze waarop de
dwarsstok op de rechtstandigen was gestoken, meer of minder zuiver
kruisvormig. Was de dwarsstok plat op de rechtstandige gelegd in een T
vorm, dan was ’t gevaar ’t grootst.
Reri was bij de voorste troep der tien mannen; hij kende den weg en
wist de bewoonde streken, die voorzichtig gemeden werden. Daar rivieren
en meren en poelen overal hard bevroren waren, kon hij een rechte
korten weg volgen en zoo stonden de eerste tien, na zeven dagen van
langen ingespannen marschen ’s avonds aan het strand en zagen heel in
de verte in ’t maanlicht de donkere rompen van de graanvloot.
De twee konders liepen terug om de andere tienmannen te waarschuwen en
het laatste eind van den weg werd in den nacht in looppas afgelegd
zoodat het nog donker was toen de honderd zwijgend, met de saks in de
vuist, gereed voor tegenweer tot op den dood, bij elkaar waren.
Onderwijl waren Reri, Hindar, de snelzwemmer, Freihals, die met Reri
samen op een Scandischen skig had gevaren, en Baldei de jongere, bezig
met de voorbereiding voor den zwemtocht. Het was windstil en hoewel de
maan reeds onder was, toch nog licht door de heldere sterren aan den
onbewolkten nachthemel. De vier Batouwers, de beste zwemmers van den
heelen stam, smeerden zich dik in met berenvet van het hoofd tot de
voeten zoodat hun lichamen door een dikke laag hard vet waren bedekt.
Nu werden de tien einden touw, die de tien mannen hadden gedragen, aan
elkaar geknoopt en de vier zwemmers, onderling door touwen aan elkaar
verbonden om bij ongeval elkaar te kunnen steunen, liepen vooruit over
het ijs gevolgd door de overigen mannen van de saks van Sigbert. Toen
zij daar kwamen waar het ijs geen mensch meer houden kon, omdat door de
sterke strooming, die daar stond, het water niet dichtvroor, hielden de
sakslieden stand elk met een gedeelte van het touw in de handen, dat
zij langzaam lieten uitvieren.
De vier zwemmers, de saks in den gordel, sprongen zacht in ’t ijswater
en begonnen schuin op de rechter zijde zich werpend met kalme, slagen
op de schepen toe te zwemmen. Reri, die merkte dat Baldei, de jonge, in
zijn overmoed te snel zwom en zoo telkens een ruk vooruit aan het touw
deed, waarmede hij aan de drie anderen was verbonden, waarschuwde hem.
„Zacht aanvangen Baldei.... anders houd di ’t niet vol...”
Maar Baldei, trotsch op de jonge kracht van zijn prachtige leden en
zijn stronkige spieren, wilde niet luisteren.
Toen sloeg Reri even twee slagen sneller uit en gaf hem een slag met
vuist op den schouder.
„Grendeldebliksem, zal di hooren.... als du nogmaals aan het touw trekt
verzuip ik di....”
De jonge man hief even boven ’t lijf op uit ’t water, maar verbeet de
pijn en zwom nu kalmer door.
Een geruimen tijd zwommen de vier zoo door ’t ijswater. Maar ’t
berenvet in de koude stollend om hun lichamen, hield hen warm en
eenmaal in de beweging was de bloedsomloop snel genoeg om hen voor
krampen te bewaren.
Eindelijk beval Reri dat zij drijven zouden zonder zich te roeren. Hij
had de wacht gezien op ’t eerste schip, dat zij nu al dicht genaderd
hadden.
„Wij moeten langs het roer op.... Anders kom je nooit op een Frise
skig....”
Een ijsbergje dreef aan. Reri hield het met zijn schouder tegen....
„Hierachter aan mannen!” zei hij. Hij haalde zijn saks uit den gordel,
sloeg het wapen met de scherpe punt van den bronzen bijl vast in den
ijsberg en zachtjes met de voeten trappend, stuwde hij het ijsbergje
met duwtjes naar het roer van het schip. Hij hief den vinger op, zijn
lichaam steunend op het roer en de drie anderen, de handen klemmend om
de stuurstaart, ’t hoofd half boven ’t water, wachtten.
Reri maakte het touw los van zijn gordel en zijn saks in de hand
nemend, hakte hij het hout rond een zwaren spijker boven zijn hoofd
los, zoodat hij er zijn gordel aan kon binden.
„Het is hoog tijd. ’t Weer slaat om” fluisterde hij tot zijn makkers.
„Het ijs in de strooming is al gesmolten tot hier. Toen ik wegging
lagen de skigge nog in ’t ijs en nu zijn ze al aan ’t water toe. Kom
hier Baldei.... du bent de langste.... ga in de gordellus staan.... Dan
klim ik langs dijn schouders en reik aan de verschansing... Dan hier
wachten.... tot ik terug kom. Maar hoort di onraad of een plons, dan
wegzwemmen.... Om mi is het dan toch gedaan en boven komt di toch niet
zonder hulp....”
Baldei stond in de gordellus en zijn saks vastslaande in ’t hout, hield
hij zich zoo rechtop. Reri klom langs hem op, voorzichtig en moeielijk,
want beider lichamen, glad door het berenvet, gaven geen houvast. Maar
Reri wreef zijn handpalmen droog tegen de ruwe kiel van de skig en vast
de schouders van Baldei pakkend, heesch hij zich op diens rug, zette nu
de voetzolen in de gleuven van de schouderspieren, die Baldei opzette
en nu zachtjes aan zich oprichtend, kon hij met de handen de rand van
de borstwering van de skig grijpen, die aan de roerzijde ’t laagst
gebouwd was.
Nu, de saks bij den steel in den mond pakkend, heesch hij zich op het
dek.
De roerganger stond geleund tegen het vastgezette roer met den rug naar
Reri toe. Reri deed drie schreden voorwaarts, hief zijn saks met de
rechterhand op en sloeg met één slag den man schuin tegen den slaap
tegelijk met de linkerarm hem opvangend en de hand tegen ’s mans mond
houdend, opdat hij niet kon gillen.
Toen de wacht neerviel, zonder een geluid, herkende Reri hem met
ontzetting. Het was een oude kameraad, een Scandiër, die hem toen Reri
nog scheepsjongen was, knoopen had leeren leggen en netten breien.
Maar lang peinsde hij niet. Hij legde het lichaam van den gedoode
zachtjes neer.... Op zijn vette linkerarm bleven wat roode pareltjes
bloed hechten, dat was alles. Daarna sloop hij, welbekend met de
inrichting der Frise skigge, naar het ruimluik. Toen hij zijn saks als
koevoet gebruikend, den ijzeren sluitriggel over de kram heenzette,
brak zijn saks. Hij nam den riggel met de handen vast, zette zich
schrap en poogde den riggel te verbuigen. Doch zelfs zijn kracht reikte
niet toe. Hij keek rond.... liep op ’t lijk van de wacht toe, haalde
diens ijzeren mes uit de scheede en sneed het hout rond de kram weg.
Toen gaf de riggel mede, en het luik kon opgetild worden. In ’t zwarte
gat van ’t ruim zag hij niets. Maar dit behoefde niet. Hij kende de
wijze waarop de skigge gestouwd werden, liet zich in ’t luik afzakken,
de hand om den rand van ’t vierkante luikgat gekneld en even heen en
weer zwaaiend voelde hij grond. Hij liet zich los en viel op de leeren
zakken.
„Jammer,” dacht hij „dat ik geen licht heb om te kiezen.”
Hij greep met zijn vingers tastend in de zakken. Dat was graan.... en
dat was rogge.... en dat wat ronder, dat zoo stak, dat was gerst.... en
dat.... dat.... hij voelde nogmaals en nogmaals.... het waren kleine
ronde korreltjes, maar wàt voor graan ’t was kon hij niet goed op ’t
gevoel onderscheiden. ’t Zal spelt zijn, dacht hij.
En nu stapelde hij snel eenige zakken op elkaar, zoodat hij een soort
trap vormend, makkelijk bij de opening van ’t luik kon komen. Met twee
zakken gerst klom hij naar boven, sloop naar ’t roer.
„Gauw, gauw,” zei Baldei.... „het water bevriest op mijn leden....”
„Volhouden!” riep Reri. Hij gaf hem den eersten zak, die Baldei overgaf
aan de twee, die op de roerstaart zaten en wachtten. Toen de tweede.
„Volhouden!” riep Reri.... „er komen er meer.”
„Ik kan niet.... ik verstijf....”
Toen boog Reri zich over de verschansing, en een stuk touw latend
afhangen gebood hij Baldei, dat vast te pakken.
„Ik kan niet meer. Ik kan mijn leden niet meer bewegen.”
„In je mond!” beval Reri.
De jonge Batouwer pakte het eind van het touw vast met zijn tanden.
Reri, kennend de sterkte van het gebit der jonge Batouwers, die al als
knapen zich oefenen in het tillen met de tanden, trok Baldei op, die nu
boven het water zweefde, stijf bevroren maar klemmend zijn tanden,
sterk als het gebit van een roofdier om het touw, schuingebogen het
hoofd. Toen hij hem tot aan de rand van de verschansing had, greep hij
hem snel bij den gordel, die kraakte van het ijs. Dan haalde hij den
verstijfden, jongen reus op het achterdek.
Onmiddellijk begon hij hem krachtig te wrijven. Het waren niet zijn
leden, die bevroren waren. Doch het vet was door ’t schuren tegen het
roer weggewreven en het warme lichaam, leunend tegen de dikbevroren
kiel, was eerst vochtig geworden en toen was ’t water op ’t harige
lichaam bevroren.
Nu kwam Baldei weder bij en kon zijn leden weder bewegen. Met schrik
zag Reri in de verte aan den einder de eerste paarsche schemer van het
komende morgenlicht.
„Kom mee,” beval hij.
Weer daalde hij in ’t ruim af en gaf Baldei zakken aan, een, drie, zes,
acht.... twaalf.... vijftien.... tot vijf en twintig. Toen droegen ze
beiden de zakken naar de achterplecht....
„Dat krijgen we zoo nooit weg!” meende Baldei.
„Neen.... wij moeten de jol kapen.... kom mee....”
Zij schreden naar ’t hooge voordek, sjorden de jol los... droegen haar
dwars over het skig naar ’t achterdek en nu lieten de twee reuzen
alleen de jol zachtjes met de punt vooruit langs het roer glijden. De
twee beneden begrepen dadelijk waarom ’t ging, stutten het vaartuigje,
zoodat het recht op ’t water kwam te liggen. Baldei liet zich weer af
in de gordellus en nam de zakken een voor een aan, gaf ze aan de twee
mannen beneden, die ze stouwden in de jol....
Toen de vijf en twintig leeren zakken met graan er in lagen, zakte het
vaartuig tot den rand in ’t water.
Reri liet zich langs Baldei afgleden, hielp Baldei bij ’t afzakken en
nu wierpen de vier zich in ’t water, de jol voor zich uitduwend. Maar
Baldei, niet meer beschut door ’t berenvet, voelde de krampen komen.
De twee anderen wilden zooveel zakken graan overboord werpen, dat
Baldei in de jol kon blijven zitten, zonder dat deze zonk. Maar Reri,
die te goed wist wat een enkele zak graan beteekende voor de toekomst
van den stam verbood dat. Steunen konden ze hem evenmin, want de drie
waren ook vrij uitgeput en hadden de zware jol voort te duwen. Daarbij
kwam dat het al begon te schemerlichten.
„Trek eens hard aan het touw,” riep Reri tot Freihals. Maar de afstand
was nog te groot, dan dat de makkers op ’t ijs den ruk voelen konden.
„Mannen,” zei Baldei, „ik mag di niet tot last zijn. Zorg voor mijn
moeder. ’t Is een weduwvrouw....”
Hij hief zijn armen op en zonk weg in ’t koude water.
Maar Reri greep hem vast, tilde hem hoog.
„Volhouden!” beval hij.
Doch de jonge reus was met open mond gezonken om snel weg te zullen
zijn.
Reri legde zich op de rug en haalde ’t hoofd van Baldei over zijn
borst, hield den naar adem snakkende zoo boven.
„Hindar, zwem vooruit.”
„Ik ben òp!” zei Hindar.
Op dit oogenblik weerklonk een signaal van de bestolen skig. Maar
meteen begonnen de Batouwers op den wal, door ’t signaal gewaarschuwd
dat er onraad broeide, het verbindingstouw snel in te palmen. De drie
mannen klemden zich aan de jol en lieten zich meetrekken, Reri den
machteloozen Baldei nu met één arm boven water houdend.
De spanning van de drie mannen was zoo groot, dat zij de koude niet
voelden en nu ook kwam Baldei weder bij.
Op de bestolen skig was de man van de laatste wacht opgestaan om zijn
kameraad te gaan aflossen. Maar niet vermoedend, dat er een luik
openstond, was hij daarin gestort. Hoewel hij zich zwaar kneusde, begon
hij toch te schreeuwen en riep de naam van den man, dien hij wilde
aflossen. Maar ook die gaf geen antwoord. Toen kroop hij rond en voelde
de zakken die Reri, als trap had gebezigd. Maar hij had beide beenen
gebroken en kon zich niet tot aan den rand van het luik opheffen.
Daarom schreeuwde hij, zoo hard hij kon, tot eindelijk een stuurman
ontwaakt was, die op ’t dek komend uit het open luik het kreunen hoorde
en bij ’t roer den dooden wacht vond en daarna bij ’t luik, de gebroken
Batouwsche saks.
Hij liep naar de kajuit terug, nam een signaalhoorn en blies alarm.
Doch dit duurde lang genoeg en voordat in de vale morgenschemering
ontdekt was, waar de aanvallers waren, hadden de Batouwers de jol met
de vijf-en-twintig zakken meel al weder op ’t ijs gehaald. En nu,
vijf-en-twintig der mannen elk een zak graan op den rug dragend,
begonnen de honderd weg te rennen, in den dreunenden, gelijkmatigen
stap van krijgslieden, die een aanval doen.
Zij vormden een driehoek met telkens één der mannen voorop als
windbreker en de anderen, hun handen op de schouders van de voormannen
leggend, vermeerderden dier kracht.
Er was in al dien tijd geen woord gesproken.
Zoodra de vier zwemmers uit het water waren, hadden zij slechts één
woord gezegd: „Den barditus!”
Dat was genoeg geweest. Sigbert, als de aanvoerder was ’t eerst voorop
geloopen als spits van de wig. Maar naarmate de spits wisselde kwam
hij, naar ’t oude gebruik, des te meer naar achteren, terwijl de vier
zwemmers, als ’t meeste vermoeid, achteraan waren gaan loopen, opdat de
voorsten den wind zouden breken. Zoo kwam het, dat na eenige gewenden,
toen de achterste lieden vooraan kwamen te loopen, Sigbert met Tjeerd
achteraan liep, terwijl Reri in de voorhoede was. Maar toen Baldei, die
nog altijd niet geheel bekomen, in de achterhoede bleef loopen, de
handen op de schouders van Tjeerd, die hem steun gaf, los liet en niet
meer mede kon, floot Sigbert op zijn vingers en de saks hield stil.
Zij waren, dank zij de snelle en ordelijke wijze waarop zij de vlucht
hadden genomen nu zoo ver van de skigge, dat zij niet anders zouden
kunnen worden ingehaald dan door paarden. Maar achterwaarts ziende
bemerkten zij, dat het gevaar voor vervolging niet groot was. Want de
beroofde skig lag vrij afgezonderd, ’t meest naar voren en het was van
de skig onmogelijk seinen naar den vasten wal te geven voor het goed
licht was geworden. En dan nog... hoe zouden die van de skigge den
menschen op den vasten wal op zoo’n verren afstand kunnen beduiden, dat
men bestolen was en door wie. Om te verkondigen, dat zij een lading
graan van ’t Paarden-eiland hadden medegebracht, was slechts noodig
geweest een zak graan in de mast te hijschen en een vlag op te steken,
zooveel keer als er zakken in de schepen waren. Maar die op het strand
duidelijk te maken, dat Batouwers ’s nachts de skig hadden overrompeld
en het ruim leeggeroofd, ging bezwaarlijker.
Sigbert’s saks hield dus een oogenblik halt om te rusten en te
overleggen. De mannen stonden bezweet en hijgend, leunend tegen elkaar
zooals dit in den krijg gedaan wordt. De mannen, die de zakken droegen
zetten ze af, omdat nu de beurt van het dragen aan een tweede
vijf-en-twintigtal kwam.
Sigbert opende een zak. Daar lag de dikgezwollen weite, het zeldzame,
beroemde koningskoren van ’t Paarden-eiland. Sigbert woelde er met zijn
hand in, liet een handvol in een stroompje weder neerglijden in den
zak. De anderen drongen zich om den zak heen, zagen het prachtige koren
begonnen te joelen van vreugde.
„Geef mi, geef mi,” zeiden zij, de handen geopend uitstrekkend naar
Sigbert, die hun handen vulde uit de zak. En zij liepen weg van den
zak, de beide handen gegeuld bij elkaar, voorzichtig om niet een enkel
korreltje te verliezen en toonden het verheugd den verder staanden, die
naderbij drongen en met lichtende oogen keken naar dat mooie zaaigraan.
Zij wreven de graantjes op de handpalm, rollend ze bewrijvend om de
dikte te voelen en hoewel ze allen hongerig waren, was er niet één, die
een graantje naar den mond bracht. Zij wierpen het graan weer in den
zak, tot het laatste korreltje toe.
Het was nu geheel licht geworden. Sigbert keek nog eens in de richting
van het strand. Maar de schepen waren reeds lang uit zicht en de verre
velden waren eenzaam.
De mannen vormden weder de saks en liepen in stevigen pas door, evenwel
niet meer op een drafje, zooals zij tot nu toe gedaan hadden.
Sigbert droeg nu ook een zak en het was hem niet zwaar op den rug maar
alsof hij iets liefelijks droeg, dat hem vroolijk maakte en licht te
voet. Zoo had hij den kleinen Herebaeld vaak gedragen in de tijden,
toen hij in stilte en zonder het ooit te durven uiten, hoopte dat zijn
kind met de dubbele kruin eens koning zou worden van de Batouw.
Het weer was omgeslagen. Daar zij door het harde loopen allen bezweet
waren, hadden zij het niet gevoeld. Maar toen ze aan het eerste bosch
kwamen zagen zij, dat de stammen der boomen grijzer werden en van een
enkel twijgje drupte al onder de stralen van de morgenzon een
spettertje sneeuwwater. Zij zagen elkaar aan zonder wat te zeggen, te
goed wetend welke gedachten dat droppeltje wekte, beangst om door ’t
uitspreken van hun hoop, ’t geluk te verstoren.
Zij rukten den heelen morgen zoo voort, in gezwinden pas, weinig
sprekend, de saks gereed in den gordel, hun vingers in ’t voorbijgaan
grissend langs den grond of een laaghangenden tak om een balletje
sneeuwijs te pakken om dat ter verfrissching in den mond te steken.
De vier zwemmers, nog altijd in hun met vet besmeerde lichamen, waren
sterk gaan zweeten en het vet begon langs hun leden te druipen. Sigbert
beval, dat vier anderen hun pelzen zouden afgorden en ze om de
schouders van de zwemmers slaan.
Maar Reri en Baldei waren te groot en nog twee anderen moesten hun
pelzen afstaan, die, altoos onder ’t voortloopen, met de hoeken aan
elkaar werden geknoopt.
Het bosch werd dichter en de mannen moesten daar ’t pad smaller werd,
achter elkaar loopen.
Op een beschutte plek achter struikgewas, wel geschikt om bij een
mogelijken overval verdedigd te worden, beval Sigbert rust. Het was al
later op den morgen geworden en het gevaar reizigers te ontmoeten
vooral omdat de dooi was ingevallen, werd groot. De mannen gingen op
stronken zitten of wierpen zich, hun berenhuid uitspreidend op den
grond.
De geroofde zakken werden nu allen geopend. En de mannen, zich dicht om
elken zak dringend, kregen glanzen in de oogen en kreunden in de
baarden van bewondering. Slanke haver, dikke, zware gerst, wichtige
weite, zak na zak.
Reri drong zich naar voren.
„Er zijn twee zakken bij met vreemd graan,” zeide hij. „In ’t donker
voelend, heb ik het niet op den tast kunnen herkennen.”
De twee laatste zakken werden geopend. In de eerste zak lagen kleine,
platte schijfjes van een vreemde graansoort, die geen der mannen ooit
gezien had. Sigbert gaf een handvol aan den man naast zich om door te
geven met de vraag of ook iemand er kennis van had. Maar in den
laatsten zak waren korrels, groot als een boon, zoo geel als amber met
aan de punt een wit spikkeltje.
„Wat ’s dat?” vroeg Sigbert.
Hij nam een korrel op en stak deze in den mond, beet haar fijn, proefde
haar.
„Hoe smaakt het?” vroeg er een.
„Als fijne weite, maar nog zoeter.”
„Zit er honing in?” vroeg een ander, die getroffen was door de goudgele
kleur en den vorm van de korrels, die wel eenigszins aan de cellen in
een honingraat deed denken.
„Proef zelf,” zei Sigbert, hem den zak voorhoudend.
Maar nu een ander dan de saksvoerder een korrel opat, wilden de anderen
ook proeven. En de mannen drongen zich om den zak en als kinderen
begeerig, staken ze de groote, grove, rasperige boerenhanden uit en
kregen een korreltje van het barnsteenkleurige graan. Zij gingen terug
als met een schat, bekeken het kleinood, wreven het in de holte van den
handpalm met de vinger der andere hand om en om, het keurend met de
oogen zooals een kenner een edelsteen zou schatten.
En dan, het naar den mond brengend, hielden ze het zaadje er lang in
zonder er op te bijten, het met zachte smakjes van de tong proevend,
het omwoelend in de mondholte, om langer er ’t genot van te hebben.
Onderwijl waren er al eenigen, die hout hadden gekapt en een vuur
aangelegd en men wachtte op het woord van Sigbert, die zou bevelen wat
heden gegeten zou worden. Zij hoopten in stilte, dat zij dit keer graan
zouden krijgen, maar Sigbert liet de zakken weer sluiten en beval, dat
men sporen zou zoeken van wild.
De mannen waren ontevreden. Eén trad voor de anderen op en vroeg, maar
met veel meer deemoed, dan hij zich voorgenomen had:
„Sakshoofd, wilt di ons niet wat graan geven?”
„Grendeldebliksem!” stoof Sigbert woedend op, zijn hand naar zijn saks
brengend, „du, smuigerd. Wilt di ons zaaigraan vervreten?”
De man trad beschaamd terug. Maar een ander, die den smaak van het
barnsteengraan nog naproefde, trad naar voren.
„Sakshoofd... wi hebben honger... En met wild zoeken gaat de tijd
weg... Dat honinggraan is toch niet om te zaaien... Laat ons dat nu
opeten...”
„Ja, laat ons ’t honinggraan opeten,” riepen anderen.
„Hier met het honinggraan!” riepen nog weer anderen, verlekkerd door
den smaak.
Sigbert trok zijn saks en stelde zich voor den zak.
„Wie een korrel neemt, kloof ik den kop!” riep hij.
„Stemmen, stemmen!” riepen de mannen terug.
Sigbert keek naar Reri.
„Ja vaêr, laten wij stemmen!”
„Zult di dijn vader afstaan, snotjongen?” zei Sigbert, zijn zoon een
stomp voor de borst gevend.
„Is dat mijn loon, vaêr?” vroeg de reus, bedroefd ter zijde gaande.
„Stemmen, stemmen!” riepen de anderen met meer onstuimigheid.
Maar de ouderen onder de mannen, die zelf vaders waren en met
bewondering zagen naar hun aanvoerder, die zoo zijn vaderlijk recht
wist te bewaren, willende toonen, dat zij ook niet bevreesd waren voor
hun zonen, gingen bij Sigbert staan, toonend dat zij voor hem partij
namen. De vader van Hindar was de eerste, die naast Sigbert stond. Maar
Hindar, op hem toetredend zei:
„Vaêr, ik moet eten... Du weet wel vaêr, de laatste bete heb ik
gisteravond gehad... en toen heb ik met di gedeeld...”
„Laat ze eten, Sigbert!” zei nu de vader van Hindar.
„De zwemmers kunnen krijgen!” gaf Sigbert toe.
„Stemmen, stemmen!” riepen de anderen dreigend.
„Vooruit dan... wie ’t zaaigraan wil vervreten, steek op zijn saks...”
Alle saksen werden opgestoken. Sigbert boog voor de overmacht. De zak
werd weer geopend en een der Batouwers, die een kleinen helm droeg, gaf
ze om als maat te dienen.
En nu mocht elk man een halven helm vol van het zoete barnsteengraan
uit den zak putten. Zij hielden hun pels als voorschoten op en liepen
met hun schat naar het vuur of zetten zich wat verder alleen weg en
begonnen het zoete graan rauw op te knabbelen.
Alleen Sigbert at niet.
„Vaêr!” zei Reri, „du eet niet?”
„Dijn vaêr vreet zijn vrijheid niet op!” zei de Bataaf norsch.
Toen keek Reri even terzij naar Tjeerd, die al den mond vol had. En nog
even wijfelend, wierp hij zijn deel weer in den zak terug.
„Gaat di mee Tjeerd... sporen zoeken?”
„Eerst eten...”
Maar tegelijkertijd zag hij naar zijn vader op en boog het hoofd.
Hij wilde nog een handvol graan naar den mond brengen. Maar hij dorst
niet en schuin het hoofd afgewend, liep hij nu ook naar Sigbert toe en
wierp de handvol graan, die hij nog slechts over had, ook in den zak.
„Ik had honger, vaêr!” zei hij verontschuldigend, hoewel de oude niets
gezegd had, alleen met de driehoekige oogen fél hem aanstaarde.
„Het was di geraden, knaap. Du hattet dijn erfdeel opgevreten... Ga mee
met dijn broeder...”
De twee liepen ’t kreupelhout in, zwijgend, onderworpen, beschaamd,
voelend het overwicht van den vader, die hongerend zooals zij en met de
volle beschikking, de eenige van allen was geweest, die sterker zich
toonde dan het verlangen, dat als een pijn knaagde in de uitgehongerde
maag.
„Als ’t voorjaar wordt, moet-ie koning worden!” zei Reri tot Tjeerd.
„Denk er wel aan jong, onze vaêr is de grootste Batouwer.... Hij moet
koning worden.”
Tjeerd spuwde de restjes van ’t graan uit zijn mond en rilde met ’t
hoofd als walgde hij nu van dat heerlijke koningsgraan.
Zij liepen beiden, de oogen naar den grond, zoekend of ook ergens den
indruk van een dier merkbaar was. Doch zelfs hun geoefende oogen konden
niets onderscheiden op den hard bevroren grond van sneeuwijs. Maar
dichter in ’t hooge hout, waar de boomen zoo vast opeen stonden, dat de
vorst eenigszins geweerd was, merkten zij gebroken takken, waar
blijkbaar een dier doorgang had gezocht. Opeens hield Tjeerd stil.
„Wat is dat?”
In ’t sneeuwijs stak een zwartige punt uit. Tjeerd rukte het voorwerp
uit de aarde.
„Een sandaal!”.... zei hij.
„En geen oude.... daar zijn hier menschen.”
„Wat voor menschen....”
„Roovers! Anderen zijn niet in den winter hier in den dikicht.”
Zij liepen voort, volgend het spoor van de weggebroken takken en vonden
weldra een klein offerblok en vandaar voortgaande vonden zij den ingang
van ’t hol, dat met een zwaren steen was afgesloten, maar die de twee
sterke kerels al spoedig hadden terzij geschoven.
Beiden traden dadelijk terug.
„Daar zijn lijken in!” meende Reri.
„Aan den stank te zeggen, ja!”
„Wij moeten vuur maken... ’t Is te donker.”
Zij keken rond, maar zagen geen kienhout. Het was een bosch van beuken
en eiken.
„Wij moeten een lichtgat maken. Vooruit jong!”
Reri begon al met zijn saks boven in de sneeuwaarde te woelen en Tjeerd
van de andere zijde wierp de uitgewoelde aarde terzij. Toen zij op een
armdiepte waren, kwamen zij al aan de laag bladeren en mest, die
spoedig doorgestoken was. Uit het gat steeg dezelfde doordringende
stank op.
„Zooals ik di zei, lijken.”
Hij maakte het gat nog wat grooter en nu weer, van de holterp
afglijdend, gingen zij den ingang kruipend binnen.
Bij ’t daglicht, dat door ’t lichtgat boven, nu binnenviel, zagen zij
de lijken van drie mannen en een vrouw in ontbinding. Het hol was
volgestapeld met zadels, schilden, huiden, kortzwaarden, bronzen
bekkens, urnen met bronzen sluitspelden. Maar iets om te eten vonden ze
niet.
„Wat denkt di, Reri?” vroeg Tjeerd.
„Dat zijn roovers, die zichzelf gevangen hebben. Zij hebben zich in ’t
winterhol opgesloten en vuur gestookt. Toen is ’t vuur ’s nachts, toen
ze den steen al voor ’t gat hadden gewenteld, gaan aansmeulen en zij
zijn gestikt... Wat zei ik di... hier ligt er nog een... die is
bijgekomen en is nog naar den uitgang gekropen... maar hij was te zwak.
Ga naar vaêr jong en roep hem. En laat de mannen kienhouten meenemen.
Ze zullen wel graankuilen hebben gehad..”
Tjeerd snelde terug en onderwijl begon Reri het lichtgat grooter te
maken. Hoe meer licht er binnenviel, des te meer ook werd hij van de
juistheid van zijn veronderstelling overtuigd. Roovers waren het zeker
geweest. Dat zou een kind zien aan de soort van schatten, die zij
verzameld hadden. Maar waren zij werkelijk gestikt? Of hadden zij geen
leeftocht meer gehad?
Die daar lagen, half vergaan, toen weder bevroren en nu weder ontdooid,
zouden het niet meer zeggen. Reri keek naar de ontbindende lichamen en
rilde. Het gezicht van een krijger, op ’t slagveld gedood of van een
mensch, kalm in zijn hut gestorven, maakte op hem geen indruk. Zij
voeren op naar Wotan en waren voortaan gelukkiger dan op aarde. Maar
deze hier, wier lichamen niet verbrand waren geworden, en wier zielen
dus eeuwig zouden rondzwerven in den poel van Grendel, tot straf voor
hun euveldaden, boezemden hem afschrik in.
Zijn honger dreef hem om in ’t stinkende hol rond te zoeken naar
leeftocht. Zijn oogen waren nu gewend aan ’t schemerduister en tastend
met de handen langs de met koemest en dorre bladeren bestreken wanden,
vond hij achterin weder een grooten sluitsteen. Hij wilde hem
wegrukken, maar de steen was te zwaar. Nog was hij bezig gebukt in het
donker den steen weg te schuiven toen hij al het gele licht van de
brandende kienhouten zag, waarmede Sigbert en andere Batouwers
naderden.
Nu konden zij in ’t hol goed zien, welk vreeselijk einde de roovers
hadden gehad. In ’t midden stond op een vuur van houtskool een groote
pot, waarin een weeke massa. Melksoep, die eerst tot bederf was
overgegaan en toen weder bevroren. Er lagen wel tien lijken in ’t hol,
mannen en vrouwen. Een vrouw lag dicht tegen een wand bij den
toegangssluitsteen, de rechterhand met de magere, zwartige vingers nog
gekromd uitgestrekt naar den steen, die hun noodlottig was geworden.
Reri en Tjeerd samen slaagden er in den steen van het tweede hol weg te
schuiven. Dat was de welvoorziene voorraadkamer. Er lagen eenige zakken
met graan, stapels gebakken, harde winterbrooden. Er hingen aan touwen
stukken gedroogd vleesch en een twaalftal zijden spek. Tegen de wanden
stonden groote, met was afgesloten, aarden vaten. Sigbert opende ze met
zijn saks. De vaten waren gevuld met honig, mee, gestoofde bessen,
ongebrande molleboontjes, meel, gesmolten vet.
Nu was er geen rede om niet te eten.
„Vrèt jong, vrèt!” zei Sigbert tot Tjeerd. „’t Is je gegund!” voegde
hij er tot Reri bij. En deze, niet langer wachtend, trok een reep
gedroogd vleesch los en begon als met geeuwhonger te eten. En ook
Tjeerd en de vijf andere mannen deden zich te goed aan wat zij maar ’t
eerst grepen.
Sigbert, met een reep spek in de hand, liep naar buiten en met zijn
machtige kaak kauwend op de reep spek, snelde hij terug naar ’t kamp,
vertelde van de ontdekking en geen der mannen wist van vermoeidheid. In
een vaart liepen ze naar het roovershol, dat weldra zoo vol was, dat er
geen mannen meer binnen konden. Maar die binnen waren reikten door ’t
lichtgat, dat Reri gemaakt had, voedsel naar buiten. Heele zijden spek,
groote potten met meel en honig werden naar buiten aangegeven en de
mannen, bemerkend dat er overvloed was, sneden lange repen uit het spek
en begonnen als dieren te knagen, knorrend van genot, malkaar aanziend
met verheugde blikken.
Maar daar de stank binnen te sterk was, kwamen alle mannen spoedig naar
buiten. Een paar, die al half voldaan waren, begonnen onder leiding van
Sigbert het lichtgat grooter te maken. Anderen kwamen helpen en spoedig
lag het roovershol bloot met zijn rijkdommen, zijn voedsel en zijn
vergaande lijken.
Een paar mannen, dankbaar voor ’t voedsel, spraken er over, de lijken
te verbranden en in een paar der ledig gegeten vaten bij te zetten.
Maar anderen waren er tegen, meenden dat menschen niet mochten
ingrijpen in den wil van Wotan, die de roovers zeker had gestraft voor
menige euveldaad en deze laatsten kregen gelijk.
Nadat allen verzadigd waren, werd de voorraadkamer van de roovers leeg
gehaald en onder de honderd door Sigbert verdeeld. Onderwijl trokken de
aangewezen dragers terug naar ’t kamp om de vijf-en-twintig zakken
graan te halen en toen deze terug waren, zette de saks van Sigbert den
tocht naar de Batouw voort.
Sigbert bleef bij het hol staan om bevelen te geven en voor de lucht te
zorgen. Het bevreemdde hem, dat nog niets van een vervolging gemerkt
werd en hij speurde rond of hij wellicht de vlam van een seinvuur zag
of luisterde nauwlettend of ergens een horen toette. Maar ’t was
doodstil en alleen het hem liefelijk geluid van de smiltende druppelen
die in de twijgen patsten, vernam hij.
Tot het laatste stukje vleesch was weggedragen uit het hol van de
roovers. Toen wilde een man, die weinig te dragen had, een bronzen
ketel medenemen.
Sigbert riep hem terug.
„Wat doet di daar?” vroeg hij streng.
„Voor mijn moei!” antwoordde de man.
Sigbert pakte hem bij den schouder, rukte hem de ketel uit de hand en
wierp hem met een vaart in ’t hol terug, waar hij met een helderen tink
neerviel tusschen ’t andere brons.
„Batouwers zijn geen dieven!” sprak hij dreigend. En zijn oogen
vlamden. Toen, ziende dat de mannen gereed waren, liep hij zijn troep
langs en zijn saks opstekend in de lucht, zetten zij hun vlucht voort.