Er waren drie priesters in het land der Nerviërs aangekomen en deze,
vernemende dat Sogol en Harimona nog niet genaderd waren, begaven zich
naar Waberloo, de winterwoning van koning Solbert. Zij vroegen onderweg
aan alle woningen of de lieden Sogol en Harimona reeds gezien hadden.
Het begon koud te worden en de drie priesters overnachtten zooveel
mogelijk in de hutten, waar men hun gaarne gastvrijheid verleende. En
voor het vuur verhaalden zij van de schatten van Renigo, van de
wonderen van Harimona en van de ontvoering door Sogol, den Nervischen
prins.
Maar de menschen herinnerden zich niet, dat er een prins van dien naam
bestond en schudden het hoofd, zeiden tot de priesters, dat zeker de
een of andere roover zich die valsche waardigheid had toegeëigend.
Doch de priesters bestreden dat. Het was wel zeker een prins geweest,
een echten prins en geen roover. Dat had men gemerkt aan zijn trotsche
houding, zijn overmoedig gedrag, de schoone wijze waarop hij wist te
spreken en de vele talen, die hij kende. Want men had hem in de kampen
hooren redeneeren met priesters van de Sfafen en met gezanten van het
Paarden-eiland en met schippers van Scandische vaartuigen, die hij naar
den weg had gevraagd om naar het vreemde land te komen. Een Scandische
schipper zelfs, die hem, naar de gewoonte der Scandiërs, die wanneer
met hun naar den weg tot het vreemde land vraagt, altoos verhalen van
den grooten zeeslang en het gruwelijke meerwijf, had hij voor leugenaar
uitgemaakt. De Scandiër had zijn mes getrokken en was Sogol te lijf
gegaan. Die had een mes geleend en den Scandiër na drie trekken een
stoot in de borst toegebracht. Maar hij had zijn tegenstander dadelijk
verbonden en hem niet naar ’t gebruik, den doodsteek gegeven, zoodat de
schipper sedert dankbaar was en gezegd, dat hij Sogol den weg naar ’t
vreemde land zou wijzen. Toen hadden de andere Scandiërs den gewonde
tusschen zich ingenomen en later had men hem dood gevonden, hangende
met de beenen naar beneden aan een boomtak. Zoo handelen de Scandiërs
met allen, die het geheime middel willen verraden, waardoor zij het
gruwelijke meerwijf, dat over de zee van het vreemde land heerscht,
weten te paaien.
De Nerviërs spraken nu veel over den onbekenden prins, die zoo dapper
en knap was en begonnen bij de andere lieden te vragen of zij ook
herinnering hadden van prins Sogol. Toen was er een vrouw geweest, die
Sogols moeder had gekend en een andere verhaalde van den ouden priester
Myst, die voor jaren was uitgetrokken om den zoon van den
Bellovaakschen koning te zoeken.
En de priesters, ondervraagd, verklaarden dat een ouden priester steeds
in de nabijheid van den prins was gezien en ook een jongen horenblazer.
De priester was gestorven, maar de horenblazer was verdwenen in
denzelfden nacht dat Harimona door Sogol was geschaakt.
Veel menschen gingen nu met de drie priesters mede loopen om naar den
prins en de heilige jonkvrouw te zoeken en verbreidden door het land de
geschiedenis van Sogol. Toen de priesters eindelijk te Waberloo
aankwamen, waren hun al vele lieden vooruitgesneld en ook kondschappers
van trouwe heertogen van koning Solbert, die den koning waarschuwen
lieten voor den nieuwen dinger naar de koningsmacht.
Maar er waren ook vele heertogen, die den toenemenden macht van Solbert
bemerkend, naijverig waren en wel gaarne een nieuwen koning op den
troon wilden zien. Want onder de Nerviërs en de Bellovaken, hoewel van
Germaansche afstamming, zijn er, die van de Galliërs, waarmede zij
dikwijls in aanraking komen, de onbestendigheid hebben overgenomen en
altoos haken naar verandering van regeering. Daarbij kwam, dat Solbert
een zéér strengen koning was, die den Galliërs vijandig was en de
vrouwenregeering van vroeger toeschreef aan den invloed der verwijfde
Galliërs. Hij had alle Gallische gebruiken onder de Nerviërs en
Bellovaken uitgeroeid. Het drinken van wijn werd bestraft met het
uitsnijden van de tong, omdat de wijn wellustig maakt. Niemand, ook de
voornaamste hertog niet, mocht kleederen van meer dan twee kleuren
dragen.
Zwakke kinderen en bastaarden werden dadelijk na de geboorte gedood en
Solbert was het, die het oude gebruik weder in eer herstelde, dat
kinderen dadelijk na de geboorte in koud water moesten ondergedoopt
worden om hun levenskracht te beproeven.
Vooral de vrouwen waren zeer ontevreden met de regeering van Solbert.
Want hij, zich herinnerend waartoe de vrouwenregeering had aanleiding
gegeven, had de vrouwen weder volkomen onderworpen aan den man. Zij
moesten ’s winters thuis weven en ’s zomers het land bebouwen. De
mannen hadden het recht hun vrouwen een weeftaak op te leggen en haar,
wanneer zij haar taak niet voleindigd hadden, te kastijden met de
zweep.
Ook de kleeding der vrouwen was door koning Solbert voorgeschreven. Zij
moesten naar de oude zede der voorvaderen hals en armen bloot dragen,
ook gedurende den winter. De boezem moest echter door een stijf
lijnwaad worden weggedrukt, opdat de maagden de jongelieden, en de
gehuwde vrouwen niet anderen dan hun eigen man tot begeerte zouden
brengen. Ten einde de vrouwen en de maagden door een uiterlijk teeken
te onderscheiden, moesten de maagden twee kleine krullen buiten de
hoofdhuive dragen, terzijde voor de ooren. Aan de gehuwde vrouwen was
deze dracht verboden. Want het was voorgekomen, dat mannen door gehuwde
vrouwen tot ontucht waren gebracht, doordat zij zich als ongehuwden
hadden voorgedaan.
Door al deze strenge maatregelen was koning Solbert weinig bemind.
Evenwel, daar men erkennen moest, dat dit alles in ’t belang van den
stam geschiedde, gevoelde men toch ontzag voor den strengen koning.
Doch er was nog een andere reden waarom vele aanzienlijken Solbert een
kwaad hart toedroegen, dan alleen wegens zijn beperking van de ontucht
en de weelde.
De koning had de hoorigen onder hetzelfde recht gesteld als de vrijen.
Dit nu was van oudsher nooit zoo geweest. De vrijen werden gevonnist op
het Ding naar de wetten die in het groote gedicht van koning Noric was
vervat en die de zeven priesters elk voor een zevende deel kenden.
Stierf een der zeven wethouders of raakte hij door den ouderdom
verzwakt, zoodat hij zijn deel niet meer voor het Ding vlot kon
opzeggen, dan werd een jongen priester tot wethouder verheven, nadat
hij op een Ding, ten overstaan van het geheele volk, zijn deel vier
maal achter elkaar had opgezegd, zonder ook maar een enkelen keer te
haperen. Maar de hoorigen werden gevonnist door hun heer en voor hen
waren de straffen strenger.
Koning Solbert nu, die ervaren had, dat de heeren de hoorigen ook bij
de minste vergrijpen zware straffen oplegden, zoodat de vrouwen der
hoorigen nachten door zaten te weven om de boeten hunner mannen te
kunnen voldoen, daar anders de mannen met wilgeteenen werden gekastijd
of de ooren van ’t hoofd werden gesneden of geblinddoekt naast den ezel
in de graanmolen aangebonden, had bevolen dat geen heer zijn hoorigen
anders rechten mocht dan naar het recht van koning Noric. En om te
voorkomen, dat de heeren zouden zeggen, dat zij ’t recht niet kenden,
werden in elk gebied zeven hoorigen en zeven heeren gekozen, die het
gedicht van koning Noric uit het hoofd moesten leeren, juist zooals de
priesters.
De priesters, ziende dat de heilige wetenschap van het oude recht aldus
niet alleen aan heeren, maar zelfs aan het gemeen werd onderricht,
verweerden zich en zeiden, dat dit een inbreuk op het recht der
priesters was. Toen was koning Solbert opgestoven en hij had gedreigd,
dat hij boodschappers zou zenden naar Scandia, waar het heilige recht
was gegrift op bronzen tafels in de onvergankelijke runen. Die bronzen
tafels had koning Noric in de jaren zijner eenzaamheid, toen hij met
zijn lier had rondgezworven in het vreemde land, van Wotan zelf
ontvangen.
De priesters waren zwijgend weggegaan. Want zij kenden de heilige runen
niet en vreesden vervangen te zullen worden door priesters uit Scandia,
die runen konden lezen en zoo zelfs spraken met de koningin van het
vreemde land, die zij met de schippers eiken broodplanken stuurden
waarop runen waren ingegrift. Maar zij morden en offerden in stilte een
vaars aan Donar en smeekten hem koning Solbert door zijn bliksem te
vellen.
De heeren, nu gedwongen hun hoorigen te vonnissen naar het recht van
koning Noric, konden geen zware straffen meer opleggen en morden,
wachtend op een gelegenheid om den koning ten val te brengen. Doch de
hoorigen waren Solbert dankbaar en velen van hen, wetend dat zij allen
voor zware misdrijven aan den lijve gestraft konden worden, werden
overmoedig, zoodat zij, wanneer te veel van hen werd gevergd, weigerden
hun taak te verrichten en riepen om het recht van koning Noric. Ook
waren er veel misdrijven, waar in ’t recht van koning Noric in ’t
geheel geen straf op was gesteld, zooals wanneer een maagd weigerde in
den bruidsnacht bij heur heer te slapen; of wanneer een knecht weigerde
de straf te boeten, die zijn heer op het Ding was opgelegd wegens een
vergrijp. Want deze gebruiken waren ten tijde dat koning Noric in ’t
vreemde land zwierf, nog niet bekend geweest.
Toen de drie priesters van Renigo eindelijk bij koning Solbert te
Waberloo werden toegelaten, was al in ’t heele gebied bekend, dat
Sogol, de dappere en geleerde prins, in aantocht was, vergezeld van een
heilige maagd. De priesters en de heeren bereidden zich voor om prins
Sogol waardig te ontvangen en een Ding te doen uitroepen, waarop
gerecht zou worden, wie het meeste recht op den troon had. Maar de
hoorigen waren vast besloten voor hun koning Solbert te strijden en
zelfs als het Ding anders mocht beslissen, toch koning Solbert trouw te
blijven en hem hun arm aan te bieden.
Onder de hoorigen liepen veel slechte geruchten omtrent Sogol. Zijn
moeder was de gevloekte kol Spûr geweest, die verdronken was bij de
waterproef. [15] Zijn vader, de roofzieke Bellovaaksche hertog. Hij had
te Renigo zondige redevoeringen gehouden en de goden geschonden.
Harimona, heette het, was door hem, met behulp van giftige kruiden in
een diepen slaap gebracht en toen medegevoerd. De geest van zijn
moeder, de kol Spûr, was verschenen in de gedaante van den jongen
horentoeter en deze had de heilige maagd in haar slaap besproken,
ontheiligd en betooverd en zoo haar de wonderkracht ontnomen.
En telkens kwamen er nieuwe verhalen van de slechtheid van Sogol. Men
had hem gezien in het Aardener woud bij de vervloekte krijgsvrouwen en
hij had met haar ontucht begaan.
Hij had de krijgsvrouwen weder tot een horde gevormd en zijn moeder had
ze hellewapens gegeven in den vorm van groote rietstengels. Wie door
het riet werd aangeraakt kreeg groote brandblaren en stierf aan
waterkoorts.
Koning Solbert ondervroeg de drie priesters uitvoerig. Zij vertelden
van de schatten van den haag van Renigo, van de macht van den
hoogepriester Maresag, van de wonderlijke geboorte van Harimona, van
den roep die van haar uitging en van de laatste groote verzameling van
pelgrims aan den Rîn. Welke genezingen zij had verricht en hoe prins
Sogol in de kampen was verschenen, vergezeld van een ouden priester en
een jongen horenblazer. Dat Harimona alle bruidegoms had afgewezen maar
prins Sogol, die als offer voor ’t volk had moeten dienen, door haar
Batouwschen lijfwacht had doen redden. En dat toen Harimona den prins
bij haar in hare vertrekken dagen lang had verborgen gehouden en
eindelijk met hem was gevlucht.
Koning Solbert liet zich veel omtrent Harimona verhalen. Of zij schoon
was? En hoe de kleur van heur haar was en hoe die van haar oogen. Hoe
lang zij was? Zoo lang als gemeenlijk de vrouwen van Renigo, die bekend
stonden als zware wijven of misschien wel van zijn lengte?
En Solbert sprak weinig over prins Sogol en scheen zich niet om Sogol
te bekommeren. Maar veel sprak hij over Harimona, werd niet moede van
haar te hooren en wanneer een der priesters vermoeid was van ’t
spreken, begon de koning den andere te ondervragen en wanneer deze ook
’t zelfde vertelde, dan toch luisterde de koning met groote aandacht.
Hij wilde de namen kennen van al de bruidegoms, die om heur hadden
geworven. Het verhaal van de zeven recken bij de burcht Wittewa, waar
de geest des winters huisde, die de kroon van Harimona bewaarde en van
den draak Frango, den hond Whridlo en de geit Baza, bracht den koning
zoo in vervoering, dat hij zijn hand aan de greep van zijn lang zwaard
bracht en de priesters zagen hoe zijn hand sidderde, als was de koning
gereed om het van ’t leer te trekken.
Veertig snelle kondschappers riep de koning ten laatste tot zich. En
door het geheele gebied moesten zij bekend maken dat zoodra Sogol en
Harimona zich vertoonden, beiden gevangen moesten genomen worden.
Sogol, ’t zij dood of levend, maar Harimona met veel omzichtigheid en
met alle eer en waardigheid, die men aan een zoo schoone en heilige
jonkvrouw verplicht was. Den dood wachtte dengeen, die haar op welke
wijze dan ook, zou krenken, schaden of beleedigen en de tong zou
dengeen worden uitgesneden, die een woord sprak, dat hare kuische eer
bevlekte.
Onder het lagere volk nu was men zeer gebeten op Sogol, die een zoo
heilige jonkvrouw door tooverkunst had geschaakt. Maar onder de edelen
was gemor en werden geheime samensprekingen gehouden. En bitter vroegen
de edelen, of in het gedicht van ’t recht van koning Noric soms straf
stond gesteld op het smaden van een ontuchtige priesteres?