HOOFDSTUK X.

Er waren drie priesters in het land der Nerviërs aangekomen en deze,

vernemende dat Sogol en Harimona nog niet genaderd waren, begaven zich

naar Waberloo, de winterwoning van koning Solbert. Zij vroegen onderweg

aan alle woningen of de lieden Sogol en Harimona reeds gezien hadden.

Het begon koud te worden en de drie priesters overnachtten zooveel

mogelijk in de hutten, waar men hun gaarne gastvrijheid verleende. En

voor het vuur verhaalden zij van de schatten van Renigo, van de

wonderen van Harimona en van de ontvoering door Sogol, den Nervischen

prins.

Maar de menschen herinnerden zich niet, dat er een prins van dien naam

bestond en schudden het hoofd, zeiden tot de priesters, dat zeker de

een of andere roover zich die valsche waardigheid had toegeëigend.

Doch de priesters bestreden dat. Het was wel zeker een prins geweest,

een echten prins en geen roover. Dat had men gemerkt aan zijn trotsche

houding, zijn overmoedig gedrag, de schoone wijze waarop hij wist te

spreken en de vele talen, die hij kende. Want men had hem in de kampen

hooren redeneeren met priesters van de Sfafen en met gezanten van het

Paarden-eiland en met schippers van Scandische vaartuigen, die hij naar

den weg had gevraagd om naar het vreemde land te komen. Een Scandische

schipper zelfs, die hem, naar de gewoonte der Scandiërs, die wanneer

met hun naar den weg tot het vreemde land vraagt, altoos verhalen van

den grooten zeeslang en het gruwelijke meerwijf, had hij voor leugenaar

uitgemaakt. De Scandiër had zijn mes getrokken en was Sogol te lijf

gegaan. Die had een mes geleend en den Scandiër na drie trekken een

stoot in de borst toegebracht. Maar hij had zijn tegenstander dadelijk

verbonden en hem niet naar ’t gebruik, den doodsteek gegeven, zoodat de

schipper sedert dankbaar was en gezegd, dat hij Sogol den weg naar ’t

vreemde land zou wijzen. Toen hadden de andere Scandiërs den gewonde

tusschen zich ingenomen en later had men hem dood gevonden, hangende

met de beenen naar beneden aan een boomtak. Zoo handelen de Scandiërs

met allen, die het geheime middel willen verraden, waardoor zij het

gruwelijke meerwijf, dat over de zee van het vreemde land heerscht,

weten te paaien.

De Nerviërs spraken nu veel over den onbekenden prins, die zoo dapper

en knap was en begonnen bij de andere lieden te vragen of zij ook

herinnering hadden van prins Sogol. Toen was er een vrouw geweest, die

Sogols moeder had gekend en een andere verhaalde van den ouden priester

Myst, die voor jaren was uitgetrokken om den zoon van den

Bellovaakschen koning te zoeken.

En de priesters, ondervraagd, verklaarden dat een ouden priester steeds

in de nabijheid van den prins was gezien en ook een jongen horenblazer.

De priester was gestorven, maar de horenblazer was verdwenen in

denzelfden nacht dat Harimona door Sogol was geschaakt.

Veel menschen gingen nu met de drie priesters mede loopen om naar den

prins en de heilige jonkvrouw te zoeken en verbreidden door het land de

geschiedenis van Sogol. Toen de priesters eindelijk te Waberloo

aankwamen, waren hun al vele lieden vooruitgesneld en ook kondschappers

van trouwe heertogen van koning Solbert, die den koning waarschuwen

lieten voor den nieuwen dinger naar de koningsmacht.

Maar er waren ook vele heertogen, die den toenemenden macht van Solbert

bemerkend, naijverig waren en wel gaarne een nieuwen koning op den

troon wilden zien. Want onder de Nerviërs en de Bellovaken, hoewel van

Germaansche afstamming, zijn er, die van de Galliërs, waarmede zij

dikwijls in aanraking komen, de onbestendigheid hebben overgenomen en

altoos haken naar verandering van regeering. Daarbij kwam, dat Solbert

een zéér strengen koning was, die den Galliërs vijandig was en de

vrouwenregeering van vroeger toeschreef aan den invloed der verwijfde

Galliërs. Hij had alle Gallische gebruiken onder de Nerviërs en

Bellovaken uitgeroeid. Het drinken van wijn werd bestraft met het

uitsnijden van de tong, omdat de wijn wellustig maakt. Niemand, ook de

voornaamste hertog niet, mocht kleederen van meer dan twee kleuren

dragen.

Zwakke kinderen en bastaarden werden dadelijk na de geboorte gedood en

Solbert was het, die het oude gebruik weder in eer herstelde, dat

kinderen dadelijk na de geboorte in koud water moesten ondergedoopt

worden om hun levenskracht te beproeven.

Vooral de vrouwen waren zeer ontevreden met de regeering van Solbert.

Want hij, zich herinnerend waartoe de vrouwenregeering had aanleiding

gegeven, had de vrouwen weder volkomen onderworpen aan den man. Zij

moesten ’s winters thuis weven en ’s zomers het land bebouwen. De

mannen hadden het recht hun vrouwen een weeftaak op te leggen en haar,

wanneer zij haar taak niet voleindigd hadden, te kastijden met de

zweep.

Ook de kleeding der vrouwen was door koning Solbert voorgeschreven. Zij

moesten naar de oude zede der voorvaderen hals en armen bloot dragen,

ook gedurende den winter. De boezem moest echter door een stijf

lijnwaad worden weggedrukt, opdat de maagden de jongelieden, en de

gehuwde vrouwen niet anderen dan hun eigen man tot begeerte zouden

brengen. Ten einde de vrouwen en de maagden door een uiterlijk teeken

te onderscheiden, moesten de maagden twee kleine krullen buiten de

hoofdhuive dragen, terzijde voor de ooren. Aan de gehuwde vrouwen was

deze dracht verboden. Want het was voorgekomen, dat mannen door gehuwde

vrouwen tot ontucht waren gebracht, doordat zij zich als ongehuwden

hadden voorgedaan.

Door al deze strenge maatregelen was koning Solbert weinig bemind.

Evenwel, daar men erkennen moest, dat dit alles in ’t belang van den

stam geschiedde, gevoelde men toch ontzag voor den strengen koning.

Doch er was nog een andere reden waarom vele aanzienlijken Solbert een

kwaad hart toedroegen, dan alleen wegens zijn beperking van de ontucht

en de weelde.

De koning had de hoorigen onder hetzelfde recht gesteld als de vrijen.

Dit nu was van oudsher nooit zoo geweest. De vrijen werden gevonnist op

het Ding naar de wetten die in het groote gedicht van koning Noric was

vervat en die de zeven priesters elk voor een zevende deel kenden.

Stierf een der zeven wethouders of raakte hij door den ouderdom

verzwakt, zoodat hij zijn deel niet meer voor het Ding vlot kon

opzeggen, dan werd een jongen priester tot wethouder verheven, nadat

hij op een Ding, ten overstaan van het geheele volk, zijn deel vier

maal achter elkaar had opgezegd, zonder ook maar een enkelen keer te

haperen. Maar de hoorigen werden gevonnist door hun heer en voor hen

waren de straffen strenger.

Koning Solbert nu, die ervaren had, dat de heeren de hoorigen ook bij

de minste vergrijpen zware straffen oplegden, zoodat de vrouwen der

hoorigen nachten door zaten te weven om de boeten hunner mannen te

kunnen voldoen, daar anders de mannen met wilgeteenen werden gekastijd

of de ooren van ’t hoofd werden gesneden of geblinddoekt naast den ezel

in de graanmolen aangebonden, had bevolen dat geen heer zijn hoorigen

anders rechten mocht dan naar het recht van koning Noric. En om te

voorkomen, dat de heeren zouden zeggen, dat zij ’t recht niet kenden,

werden in elk gebied zeven hoorigen en zeven heeren gekozen, die het

gedicht van koning Noric uit het hoofd moesten leeren, juist zooals de

priesters.

De priesters, ziende dat de heilige wetenschap van het oude recht aldus

niet alleen aan heeren, maar zelfs aan het gemeen werd onderricht,

verweerden zich en zeiden, dat dit een inbreuk op het recht der

priesters was. Toen was koning Solbert opgestoven en hij had gedreigd,

dat hij boodschappers zou zenden naar Scandia, waar het heilige recht

was gegrift op bronzen tafels in de onvergankelijke runen. Die bronzen

tafels had koning Noric in de jaren zijner eenzaamheid, toen hij met

zijn lier had rondgezworven in het vreemde land, van Wotan zelf

ontvangen.

De priesters waren zwijgend weggegaan. Want zij kenden de heilige runen

niet en vreesden vervangen te zullen worden door priesters uit Scandia,

die runen konden lezen en zoo zelfs spraken met de koningin van het

vreemde land, die zij met de schippers eiken broodplanken stuurden

waarop runen waren ingegrift. Maar zij morden en offerden in stilte een

vaars aan Donar en smeekten hem koning Solbert door zijn bliksem te

vellen.

De heeren, nu gedwongen hun hoorigen te vonnissen naar het recht van

koning Noric, konden geen zware straffen meer opleggen en morden,

wachtend op een gelegenheid om den koning ten val te brengen. Doch de

hoorigen waren Solbert dankbaar en velen van hen, wetend dat zij allen

voor zware misdrijven aan den lijve gestraft konden worden, werden

overmoedig, zoodat zij, wanneer te veel van hen werd gevergd, weigerden

hun taak te verrichten en riepen om het recht van koning Noric. Ook

waren er veel misdrijven, waar in ’t recht van koning Noric in ’t

geheel geen straf op was gesteld, zooals wanneer een maagd weigerde in

den bruidsnacht bij heur heer te slapen; of wanneer een knecht weigerde

de straf te boeten, die zijn heer op het Ding was opgelegd wegens een

vergrijp. Want deze gebruiken waren ten tijde dat koning Noric in ’t

vreemde land zwierf, nog niet bekend geweest.

Toen de drie priesters van Renigo eindelijk bij koning Solbert te

Waberloo werden toegelaten, was al in ’t heele gebied bekend, dat

Sogol, de dappere en geleerde prins, in aantocht was, vergezeld van een

heilige maagd. De priesters en de heeren bereidden zich voor om prins

Sogol waardig te ontvangen en een Ding te doen uitroepen, waarop

gerecht zou worden, wie het meeste recht op den troon had. Maar de

hoorigen waren vast besloten voor hun koning Solbert te strijden en

zelfs als het Ding anders mocht beslissen, toch koning Solbert trouw te

blijven en hem hun arm aan te bieden.

Onder de hoorigen liepen veel slechte geruchten omtrent Sogol. Zijn

moeder was de gevloekte kol Spûr geweest, die verdronken was bij de

waterproef. [15] Zijn vader, de roofzieke Bellovaaksche hertog. Hij had

te Renigo zondige redevoeringen gehouden en de goden geschonden.

Harimona, heette het, was door hem, met behulp van giftige kruiden in

een diepen slaap gebracht en toen medegevoerd. De geest van zijn

moeder, de kol Spûr, was verschenen in de gedaante van den jongen

horentoeter en deze had de heilige maagd in haar slaap besproken,

ontheiligd en betooverd en zoo haar de wonderkracht ontnomen.

En telkens kwamen er nieuwe verhalen van de slechtheid van Sogol. Men

had hem gezien in het Aardener woud bij de vervloekte krijgsvrouwen en

hij had met haar ontucht begaan.

Hij had de krijgsvrouwen weder tot een horde gevormd en zijn moeder had

ze hellewapens gegeven in den vorm van groote rietstengels. Wie door

het riet werd aangeraakt kreeg groote brandblaren en stierf aan

waterkoorts.

Koning Solbert ondervroeg de drie priesters uitvoerig. Zij vertelden

van de schatten van den haag van Renigo, van de macht van den

hoogepriester Maresag, van de wonderlijke geboorte van Harimona, van

den roep die van haar uitging en van de laatste groote verzameling van

pelgrims aan den Rîn. Welke genezingen zij had verricht en hoe prins

Sogol in de kampen was verschenen, vergezeld van een ouden priester en

een jongen horenblazer. Dat Harimona alle bruidegoms had afgewezen maar

prins Sogol, die als offer voor ’t volk had moeten dienen, door haar

Batouwschen lijfwacht had doen redden. En dat toen Harimona den prins

bij haar in hare vertrekken dagen lang had verborgen gehouden en

eindelijk met hem was gevlucht.

Koning Solbert liet zich veel omtrent Harimona verhalen. Of zij schoon

was? En hoe de kleur van heur haar was en hoe die van haar oogen. Hoe

lang zij was? Zoo lang als gemeenlijk de vrouwen van Renigo, die bekend

stonden als zware wijven of misschien wel van zijn lengte?

En Solbert sprak weinig over prins Sogol en scheen zich niet om Sogol

te bekommeren. Maar veel sprak hij over Harimona, werd niet moede van

haar te hooren en wanneer een der priesters vermoeid was van ’t

spreken, begon de koning den andere te ondervragen en wanneer deze ook

’t zelfde vertelde, dan toch luisterde de koning met groote aandacht.

Hij wilde de namen kennen van al de bruidegoms, die om heur hadden

geworven. Het verhaal van de zeven recken bij de burcht Wittewa, waar

de geest des winters huisde, die de kroon van Harimona bewaarde en van

den draak Frango, den hond Whridlo en de geit Baza, bracht den koning

zoo in vervoering, dat hij zijn hand aan de greep van zijn lang zwaard

bracht en de priesters zagen hoe zijn hand sidderde, als was de koning

gereed om het van ’t leer te trekken.

Veertig snelle kondschappers riep de koning ten laatste tot zich. En

door het geheele gebied moesten zij bekend maken dat zoodra Sogol en

Harimona zich vertoonden, beiden gevangen moesten genomen worden.

Sogol, ’t zij dood of levend, maar Harimona met veel omzichtigheid en

met alle eer en waardigheid, die men aan een zoo schoone en heilige

jonkvrouw verplicht was. Den dood wachtte dengeen, die haar op welke

wijze dan ook, zou krenken, schaden of beleedigen en de tong zou

dengeen worden uitgesneden, die een woord sprak, dat hare kuische eer

bevlekte.

Onder het lagere volk nu was men zeer gebeten op Sogol, die een zoo

heilige jonkvrouw door tooverkunst had geschaakt. Maar onder de edelen

was gemor en werden geheime samensprekingen gehouden. En bitter vroegen

de edelen, of in het gedicht van ’t recht van koning Noric soms straf

stond gesteld op het smaden van een ontuchtige priesteres?

Germania(#73888) · 第 32 / 44 题