Toen Maresag ’s morgens in de hut van Harimona komend bemerkte, dat
zijn dochter gevlucht was met den Nervischen prins was hij zeer
verschrikt. Want met haar verdween de reuk van heiligheid, waarin de
haag van Renigo stond en hij vreesde, dat de partij der priesters, die
hem om zijn macht en schatten benijdden, opnieuw het nooit geheel
gedempte verhaal van Harimona’s geboorte weder zoude opdelven en hem op
zijn ouden dag doen boeten voor de zonden zijner jeugd.
Hij riep een priesterding te samen en deelde de priesters mede, dat de
gruwelijke Nervische prins, Harimona geschaakt had en zeker hare
heiligheid en wonderkracht zou gebruiken, om gindsch in zijn rijk een
haag den roep van heiligheid te bezorgen.
De priesters, eerst ontzet, meenden dat de prins onmiddellijk vervolgd
moest worden. Maresag deed twaalf der jongste priesters te paard
stijgen en gaf ze bevel Sogol dood of levend hem terug te brengen. Maar
Harimona moest gespaard blijven en met alle voorzorgen en eer weder
naar de haag van Renigo worden begeleid.
De twaalf priesters, op flinke paarden, gewapend met kortzwaard en
fram, reden zoo snel zij konden in de richting der Nervische gouwen.
Zij vermoedden niet dat Sogol zich geenszins had gehaast en zoo reden
zij hem reeds op den derden dag voorbij, terwijl hij, Harimona en Haun
in een boschje kampeerden. Onderweg aan de groote pleisterplaatsen
vroegen zij of men de vluchtelingen ook gezien had en vertelden van het
snoode bedrijf van den Nervischen prins, die de kuische priesteres uit
de haag had geschaakt. Maar nergens had men Sogol gezien, die niet de
groote heerwegen volgde, doch onbekommerd om betooverde bosschen,
spelonkgeesten of roovers, zijn richting houdend door naar de sterren
te zien, ver van de heerwegen met lange, maar langzame dagreizen naar
zijn rijk reed en juist daardoor den roovers ontging, die allen nabij
de heerwegen rond zwierven, waar alleen hoop op buit voor hen te
verwachten was.
De twaalf priesters kwamen ten laatste lang voor Sogol en Harimona aan
het Bellovaaksche woud, waarachter de Nervische gouwen liggen. Maar in
dat woud stuitten zij op tegenstand.
Himilrât met de strijdmaagden, die haar getrouw waren gebleven, huisde
in dit woud, de gelegenheid afwachtend om een aanval in het dorp van
Solbert te wagen en dezen om te brengen. De maagden, half naakt, alleen
gekleed in de huiden van de beren, of van de vossen, die zij in ’t woud
doodden, zich uitsluitend voedend met wildbraad, kruiden, noten en
wilde vruchten, steeds bij elkander en zonder zelfs ooit een man te
zien, gaven zich over aan de perverse instincten, die in haar door deze
levenswijze, tot ontwikkeling kwamen. Himilrât had eerst gepoogd deze
vreemde genegenheden tegen te gaan, doch op een avond, toen zij met een
tiental maagden was uitgetrokken om te jagen was een der maagden, een
groote, volle, blonde meid, toen zij een hert met een speer had geveld
en toegeloopen was op de buit, door het dier, dat nog eenmaal opstond,
met het gewei in de borst gestoken.
Himilrât hoorde haar hulpgeroep en snelde toe. Het gevaar was reeds
geweken, want het dier was gestorven. Maar de maagd zat neer op een
bemosten boomstam, die eens ontworteld door den bliksem, was
neergevallen en trachtte met heur hand het bloed te stuiten, dat uit de
wonde in haar boezem langs haar maagholte nederdroop.
Himilrât zette zich bij de maagd neder, die door bloedverlies uitgeput,
heur hoofd tegen Himilrât’s boezem deed rusten en zich door haar liet
verbinden. De bloedende vrouweboezem deed in Himilrât plotseling een
vreemde begeerte opkomen. Zij beefde over haar geheele lichaam, voelde
haar bloed naar heur hoofd stijgen en drukte de maagd zacht tegen zich
aan. Die sloeg haar moede oogen op en scheen dankbaar voor de
koestering.
Himilrât legde een paar groote, jonge bladeren op de wonde en het bloed
stelpte. Maar zij stond niet op, gaf geen antwoord op het horengeschal
der andere maagden, die heur zochten. Zij legde haar gespierden arm om
den gebruinden hals der gewonde maagd en haar tegen zich aandrukkend,
begon zij haar te vragen, met een liefelijke stem en zachte woordjes,
terwijl heur borst beangst was van vreemden lust, of het haar nu beter
ging en of zij nu geen pijn meer had.
De gewonde maagd, gewend aan de harde stem en de strenge woorden van
heur opperhoofd, drukte zich nog dichter tegen Himilrât aan en deze, nu
haar op de schoot nemend, begon heur ruwe wang tegen die der maagd te
houden, streek haar wang langs dier boezem en toen, bij de wonde,
drukte zij opeens de maagd met onstuimige kracht tegen heur hoofd en
begon de bebloede boezem wild en hartstochtelijk met kussen te
bedekken.
De gewonde maagd, in stede van te krijten, vond wellust in de pijn, die
haar de wonde veroorzaakte, sloeg op hare beurt de armen om hare
verzorgster en zoo bleven zij beiden bij elkaar tot den laten avond,
zich verheugend, dat de andere maagden een tegenovergestelde richting
hadden ingeslagen om haar te zoeken.
Sedert bleven deze twee vrouwen bij elkaar en Himilrât, wel verre van
de vreemde genegenheden voortaan bij heur maagden te bestrijden,
bevorderde ze en beval ze ten laatste, zoodat de maagden nu allen
paarsgewijze leefden, vriendin bij vriendin. Maar Babehild, de
uitverkoren vriendin van Himilrât, voelde een andere genegenheid in
zich opkomen en eens op een avond, toen Himilrât ongewoon vroeg thuis
kwam van een jachtrit, vond zij een andere maagd bij Babehild.
Himilrât, verblind door naijver, begon de andere maagd dadelijk te
slaan. Babehild verdedigde heur nieuwe vriendin en beide vrouwen grepen
naar het kortzwaard en het schild en buiten in de schemer van het woud,
vingen zij een tweegevecht aan. Beiden sloegen op elkaar in met woede,
maar wisten langen tijd de slagen op het schild op te vangen, tot een
slag van Babehild den beukel van ’t schild van Himilrât afsloeg.
Hierdoor verloor Himilrât de zekerheid bij ’t verweer en eindelijk trof
een slag haar in den nek. Zij viel neer en bloedde dood.
De andere maagden verheugd, dat de strenge Himilrât gedood was, kozen
Babehild tot hoofd.
Babehild bekommerde zich alleen om hare genegenheden en velen der
maagden, allen overgegeven aan hare natuurlijke instincten, verloren
het verstand. Eene maagd liep rond met een stuk hout in den arm,
meenende dat dit haar kind was, koesterde het in heur armen; gaf het de
borst; zong het stuk hout ’s avonds met lange, treurige wijsjes in
slaap en sprak het toe met kleine koosnaampjes. Een andere vertelde dat
zij zwanger was en berekende den dag van de geboorte van ’t kind. En
zoo sterk was hare verbeelding, dat werkelijk haar buik opzwol als van
een vrouw die een kind onder ’t hart draagt, doch baren deed zij niet.
Een derde maagd, die langen tijd zonder vriendin was gebleken omdat
zij, met zweren overdekt, door dezen gesneden werd, sloot vriendschap
met een hond en werd door dezen bevrucht. [14] Er waren maagden, die
zich verbeeldden elfen te zijn. Zij liepen naakt rond in het woud,
loerden tusschen de boomen op kobolden en nikkers, vertelden de anderen
door een nikker of een kobold geschoffeerd te zijn en deden lange,
uitvoerige verhalen van de schrikkelijke dingen die zij gezien en
beleefd hadden in het hol van de kobolden. Soms kwam ééne harer, de
haren golvend in den wind, de armen vooruitgestrekt, gillend en
krijtend naar de holen snellen, bleek van ontzetting, kilbezweet en
buiten adem en als zij wat tot rust was gekomen, verhaalde zij van een
grooten kobold, die heur achterna was gerend, omgeven door een aantal
boosaardige dwergen, die springend, buitelend over ’t hoofd en soms
zelfs met groote, zwarte vlerken in de lucht vliegend, haar hadden
willen pakken.
En niet zelden toonde zoo’n maagd sporen van beten in de naakte kuiten,
nog roode indrukken van tanden, die heetten toegebracht te zijn door de
kwaadaardige kobolden.
Toen de twaalf jonge priesters tegen den avond het Aarduwener woud
betraden en hier halt hielden, werden zij in den nacht verschrikt door
een vreemd hoog gillen, dat hun allen met schrik vervulde. Zij stookten
het wachtvuur op en nu, bij den gloed van de vlammen, zagen zij naakte
wezens, die in een verre kring hun beloerden.
De priesters waren zeer angstig en keken de vreemde wezens oplettend
aan. Zij geleken wel ’t meest op vrouwen, doch zij hadden slechts één
borst. Ook droegen zij speren en schilden.
Eenige der priesters, zonder zich te bezinnen, namen de vlucht uit het
woud, hun wapens achterlatend, zoo snel zij konden hun paarden
bestijgend en wegrennend uit het betooverde woud. Anderen begonnen
bezwerings-formules uit te spreken en trokken in der haast heilige
kringen en zevenhoeken op den grond, Wotan aanroepend om hen tegen de
kwade geesten te beschermen. Maar een viertal, moediger dan de anderen,
grepen naar hun kortzwaarden, sloegen de beukelaars voor de borst en
renden op het woudgetwaas af om het neer te houwen.
Toen vluchtten de vreemde wezens diep in ’t woud, waar ’t zwart en
donker was en de vier priesters, in hun overmoed niet bij elkaar
houdend, maar elk een ander pad volgend, ziende hoe de wezens
paarsgewijze vluchtten, raakten in het woud verdwaald en toen zij, de
horens blazend, elkaar signalen gaven, klonken van vele zijden dezelfde
signalen terug, zoodat zij, nu wel overtuigd in een betooverd woud te
zijn gekomen, hun moed voelden zinken en niet wetend naar welke zijde
te vluchten, op de plaats bleven standhouden, het schild aan den arm en
het zwaard in de vuist, gereed om hun leven te verdedigen.
Zij wachtten langen tijd maar hoorden niets meer en hoopten op den
morgen om hun makkers weder te kunnen vinden of in elk geval, zich uit
het betooverde woud te kunnen redden. Doch de vermoeienis van de reis
won het van hun angst en zij vielen in slaap.
Toen kwamen de vreemde wezens nader sluipen en plotseling grepen vijf,
zes van haar een priester vast en bonden hem de handen en de voeten met
gevlochten tenen en brachten hem nu naar de holen.
Daar lagen de vier gebonden priesters weerloos en in doodsangsten tot
den morgen. Toen, bij het daglicht konden zij de vreemde wezens
nauwkeuriger bezien en nog altijd konden zij zich niet verklaren, door
wat voor getwaas zij waren gevangen genomen.
Een der wezens, blijkbaar het opperhoofd, beval de anderen, dat zij de
vier gevangenen geheel naakt zouden uitkleeden. Toen rukten de wezens
hun de kleederen van ’t lijf en nu keken de wezens met groote
bewondering naar hun lichamen. Zij betastten hen overal, gilden op
zonderlinge wijze, vormden kringen en dansten liedjes zingend om hen
heen.
De priesters hoorend, dat de wezens hun taal spraken in den Nervischen
tongval, begonnen nu moed te vatten en vroegen het opperhoofd te
spreken.
Het opperhoofd kwam en liet de vier mannen water te drinken geven. Maar
de priesters, vreezend dat zij vergiftigd zouden worden, zeiden geen
dorst te hebben.
„Wie zijt di en wat kwaamt di doen in ons woud?” vroeg het opperhoofd.
„Wij zijn priesters uit den heiligen haag van Renigo. De Nervische
prins Sogol heeft onze heilige jonkvrouw Harimona ontvoerd en de
opperpriester Maresag zond ons uit om de jonkvrouw terug te voeren.”
„Waar is de jonkvrouw?” vroeg het opperhoofd.
„Wij zoeken haar sinds dagen. De prins kon slechts een korten
voorsprong op ons hebben en nog dezen dag hoopten wij hem in te halen.”
Een der maagden liep op den spreker toe en opeens gillend en hem
spuwend, riep zij:
„Dat is de zwarte kobold, dien ik heb zien vliegen. Dat is de kobold,
die mij gebeten heeft....”
En zich op den gebonden man werpend, begon zij hem met de lange nagels
het gezicht open te rijten. Een tweede maagd sprong nu toe, duwde de
eerste weg en schreeuwde:
„Du liegt, du liegt.... het is mijn nikker.... mijn nikker, waar ik
alle nachten mee samen ben.... Laat het hem zelf zeggen.... Babehild,
Babehild.... laat het hem zelf zeggen....”
Maar de eerste maagd greep de andere in de haren en deze twee elkaar
stompend, bijtend, trappend, krabbend, geraakten in hysterische woede;
andere maagden begonnen over de drie andere priesters te twisten en
deze, gebruik makend aan de onoplettendheid der kijvende, gillende,
krankzinnige vrouwen, wisten zich los te werken en tegelijk
opspringend, vluchtten zij, geheel naakt nu, het bosch insnellend, zoo
hard zij loopen konden. De maagden, dit ziende, snelden hen na. Drie
priesters wisten te ontkomen en zich in ’t woud te verbergen. Maar de
vierde, een korte, wat zwaarlijvige man, niet zoo vlug ter been, viel
en werd door eenige maagden achterhaald. Zij stortten zich op hem,
beten hem in ’t lichaam, rukten hem de haren uit. Hij verweerde zich,
trapte van zich af, sloeg met de vuisten. Eene, die haar vingers in
zijn mond stak, beet hij de vingers af. Met de andere hand greep zij
hem in de oogen en haar lange, scherpe nagels sneden het oogvlies door.
De verblinde man, gierend, joelend van woede en pijn, beet, trapte,
stompte in ’t wilde. Maar de vrouwen, in krankzinnige woede, wierpen
zich op hem en één, een zwaren dorren tak nemend, sloeg hem daarmede op
’t hoofd zoodat hij bewusteloos neerviel, roepend: „Dat ’s voor di,
zwarte kobold!”
Toen, verschrikt over haar eigen bedrijf, stonden ze stil rond den
zieltogenden man, verwonderd dat hij daar nu zoo stil lag en met
kinderlijke belangstelling, schouwend naar zijn schaamdeel. Zij keken
toen elkaar aan met vreemde blikken in de oogen en ééne begon op eens
te schateren en een tweede, haar gelaat naar boven kêerend, sloeg de
handen samen voor de borst en proestte het uit van lachen.... en een
derde lachte en een vierde en opeens liepen de ze lachend, proestend,
huppelend allen in een verwezen, hysterische vreugde weg van den
verslagene, gillend de holen tegemoet om te zeggen, wat zij voor
vreemds gezien hadden.
De drie anderen, niet durvend roepen, vluchtten elk een eigen weg
kiezend, in ’t woud. Geheel naakt, dorstig, oververmoeid, doodelijk
bevreesd voor het getwaas, liepen ze toch voort, altoos door in één
richting, om maar ver van de onheilvolle plaats weg te komen.
Tot zij van vermoeidheid niet verder konden. Bevreesd voor roofdieren,
zonder kleeding, zonder wapen, klommen zij in een boom en legden zich
op het dichtineengestrengelde loover neder om te rusten.
Een der priesters, Wahnfried genaamd, voelde zich bekruipen door de
lust om méér van de zonderlinge wezens te weten te komen. Daarom
verliet hij tegen de schemering zijn schuilplaats en sloop weer terug
naar de plaats waar de hutten en holen lagen. Daar brandden rondom
vuren en bij den rooden gloed zag hij nu, dat de wezens in vrouwen en
mannen onderscheiden moesten worden, hoewel uiterlijk tusschen de
geslachten geen verschil was op te merken. Hij sloop zoo dichtbij, dat
hij de woorden kon verstaan, die zij spraken. En nu vernam hij, dat een
der wezens, door een nikker was nagerend. Deze had haar gegrepen en
haar medegetrokken naar zijn burcht onder de aarde. Het was een groote
burcht van zwarte steenen, die verlicht werd door sterren, die tegen de
zolderingen der hallen hingen. De nikker had haar door lange,
onafzienbare hallen gevoerd waar op zwarte banken witte gestalten met
gesluierde gelaten zaten. „Wie zijn dat?” had het wezen gevraagd.
„Dat zijn de geesten van gestorven maagden,” had de nikker geantwoord.
„Zij blijven hier zoo zitten, onaandoenlijk voor alle gevoelens, tot
een minnaar ze komt verlossen. Want daar zij boven de liefde niet
hebben gekend, kunnen zij niet opstijgen naar Walhalla, om bij de
feestmalen de helden te dienen en te vermaken.”
„En waar zijn dan hun minnaars?”
„Hun minnaars zijn de priesters, die de gelofte der kuischheid hebben
gedaan. Wanneer zij waarachtig kuisch leven en onbevlekt sterven,
zweven hun zielen mijn zwarte burcht binnen voor zij opstijgen naar
Wotans heerlijk rijk en zij mogen zich onder de gesluierde maagden een
eeuwige bruid kiezen.
„De uitverkoren bruid stijgt dan mede opwaarts en krijgt van Wotan de
gave der eeuwige jeugd en eeuwige wisseling. Zij kennen dan geen tijd
meer en geen getijden en leven in durende gelukzaligheid van vervulde
liefde.
„Maar aan de hallen kwam geen eind en ik telde duizende en nogmaals
duizende wachtende vrouwen.”
„Zijn er reeds veel omhoog gevaren?” vroeg ik beangst.
De nikker begon te lachen en mij met een grim aanziende, vroeg hij:
„Hebt di dan wel eens een priester ontmoet, die zijn gelofte gestand
kon doen?”
Ik wist niet wat te antwoorden. Toen begon de nikker te grijnzen en hij
trok zijn gordel van loofbladeren los en begon ontuchtig te dansen. Ik
vluchtte en hij liet mij stil gaan, maar door de hallen hoorde ik zijn
ontuchtige woorden schallen en de witte gestalten trilden. „Morgen ga
ik weer zien... gaat di mede?”
„Ja, ik ga mede om den nikker te zien dansen.”
Wahnfried verschool zich nu dicht bij de hutten, besloten om de twee
den volgenden morgen te volgen om ook den burcht van den nikker-koning
te ontdekken. Hij wilde alle maagden bevrijden.
Maar toen hij ’s nachts lag te denken, begon hij zichzelf af te vragen,
wat dit toch voor wezens waren, die in dit woud huisden. Deze van
hedenavond had niet gesproken, zooals getwaas dat gewoon is te doen en
zij had blijkbaar een afschrik gehad van den ontuchtigen nikker.
Daarom kroop hij naar de hut en maakte voorzichtig een gat in het stroo
van den wand. Maar binnen was het donker en hij hoorde alleen het
ademhalen der twee.
Hij zag echter dichtbij den vagen omtrek van een groote, aarden pot en
daar zijn hand instekend, voelde hij beenderen en toen hij deze buiten
het gat had getrokken, bemerkte hij, dat het een stuk wildbraad was.
Daarmede stilde hij zijn honger en ging toen slapen.
Tegen den morgen vonden de maagden den priester, maar dit keer bonden
zij hem niet, maar wekten hem. Zoodra hij ontwaakte, wilde hij vluchten
maar de maagd, die ’s avonds van den nikker had verteld, zeide tot hem:
„Waarom wilt di vluchten?”
En tot het andere wezen, zeide zij:
„Dat is nu mijn nikker.”
De priester, bedacht op zijn redding, zeide dadelijk:
„Ja, ik ben dijn nikker. Wilt di weder mede gaan naar mijn hollen, komt
dan...,”
Hij stond op en de twee volgden hem. Toen hij een langen tijd geloopen
had en geen gevaar meer behoefde te duchten van de andere wezens, zei
hij tot het eene wezen:
„Du kent den weg.... Loop vooruit.”
Zij gehoorzaamde en liep vooruit. Hij, met het andere wezen, volgde.
Maar hij bemerkte wel aan het dwalen en zoeken van die voorging, dat
het niet wist welken weg te zullen inslaan. Eindelijk riep hij het
terug en zeide:
„Kent di den weg niet meer?”
„Ja heer nikker.... hier moet de ingang zijn.... bij deze berken....”
Wahnfried zocht en speurde en eindelijk zag hij sporen van
menschenvoeten. Die sporen volgde hij en nu kwam hij werkelijk aan den
ingang van een donker hol.
„Ga voor!” zeide hij tot het wezen.
Het wezen stapte over een steen, die voor den ingang lag, binnen.
„Heer nikker,” zeide zij, „steek de sterren op. Het is zoo donker.”
Wahnfried nam een dorren tak, zocht een stuk droog hout en wreef vuur.
Toen de brandende tak opheffend, trad hij ook het hol binnen. Hij
beefde van verrassing. Het was een groote hal, welke rondom, terzijde
en boven met ijspegels was volgespikkeld, die nu de rossen vlam van den
tak weerkaatsten. Hij streek zijn hand langs den wand. De pegels waren
niet koud en smolten ook niet, toen hij de vlam er langs hield, maar
waren hard en scherp, gelijk de stekels van een doornhaag.
Hij trad weder naar buiten en zamelde veel dorre takken, en de twee
wezens elk ook een brandenden tak gevend, trok hij eerst voor den
ingang een vijfhoek opdat hij niet bij een mogelijke vlucht achtervolgd
zou kunnen worden, en nu stapte bij het hol weder binnen. Op de eerste
grot volgde een tweede, lager van verdieping maar met dezelfde
zilverige pegels langs de wanden en het dak.
„Ga naar de gesluierde maagden,” zeide Wahnfried tot het wezen.
Dit zocht langen tijd en eindelijk achter in de tweede grot vond zij
een nieuwe opening, maar zoo smal, dat zij er met moeite zich doorheen
wrong.
„Zijn ze daar, de maagden?” vroeg Wahnfried.
„Neen heer, ze zijn gevlucht.”
„Wat ziet di dan?”
„Een groot water en slapende reuzen.”
Wahnfried kroop door de opening en een nieuwen tak aanstekend en hoog
houdend zag hij een groot, donker, stilstaand meer en terzijde groote
schimmen van uitgehouwen rotsen, die wel op reuzen geleken bij het
wakkelende schijnsel der brandende takken, maar het niet waren.
Langs het donkere water liep een breeden weg van gladgeslepen steenen.
Wahnfried liep dien weg langs, de twee wezens elk met een vlammenden
tak terzijde. Aan ’t eind van den weg waren breede trappen uitgehouwen.
Moedig besteeg hij ze. Het was doodstil in de groote hal, die zoo hoog
was, dat Wahnfried alleen bij benadering de hoogte van ’t dak kon
schatten. De trappen voerden naar een vlak en hier lagen op een groote
hoop bijeen de schedels en beenderen van honderden menschen. En zoekend
rondom bij ’t rosse licht van zijn kienhouten toorts, zag hij daar veel
oude wapens liggen, steenen aaksten, grof gebikte celten zooals de
voorvaderen ze nog gebruikt hadden, aarden urnen met stoffig graan
gevuld, kleine frammen van hertshoorn, vuursteenen mesjes. Ook lagen er
grof geweven doeken, maar toen hij ze op wilde rapen, vielen zij tot
grauw poeder te samen.
Wahnfried wist niet wat hij hiervan denken moest.
„Waren hier de gesluierde maagden?” vroeg hij het wezen.
„Ja hier.... en daar.... en daar.... en overal zaten ze in ’t rond,”
antwoordde zij verwezen.
De brandtakken begonnen ten einde te raken en daarom liep Wahnfried met
de twee wezens terug. Toen hij weer buiten was gekomen, zag hij dat
door het bosch Sogol, Harimona en Haun naderden. Hij wilde stil
terugtreden in de grot, maar de twee wezens liepen gillend vooruit en
vluchtten voor de drie reizigers op de groote paarden.
Sogol, de twee half naakte, verwilderde vrouwen ziende vluchten en den
naakten man bemerkend, die zich in het hol terugtrok, vermoedde een
misdaad.
Hij steeg af, en met het blanke kortzwaard in de hand, trad hij naar de
opening van de grot, waarin de naakte man was verdwenen.