HOOFDSTUK VII.

Zij waren samen ontvlucht, Harimona en Sogol en reden op groote paarden

naar het land der Nerviërs en Bellovaken. Sogol wilde zich in zijn land

tot koning doen uitroepen. Dan zou hij met Harimona trouwen en een

nieuwen godsdienst instellen, die van het nadenken. Hij zou de

priesters verdrijven, het geloof in Tiusco, Wotan, Donar, Frya, Grendel

en al de andere goden en godinnen en ook in de kleinere geesten, de

goeden en de slechten, verbieden in zijn rijk. En van uit zijn rijk zou

hij trachten den nieuwen godsdienst te verbreiden naar de Renigo en

Maresag te schand stellen, de tempels verbranden, de menschen moed

inboezemen en hen er toe trachten te brengen, door nadenken tot de

waarheid te komen. Harimona zou hem daarbij steunen. Zij zou openbaar

verklaren, dat zij een gewone vrouw was, niet geboren uit den geest

maar uit vleeschelijken omgang. De offers zouden afgeschaft worden en

het bidden worden verboden. Al wie bad, zou als een lafaard gestraft

worden.

Sogol zou skiggen uitrusten, die het geheim van den oceaan hadden te

doorgronden en dappere mannen zouden medegezonden worden met de

Massiliaansche schippers, die aan de kusten purperlaken en wollen

weefsels kwamen ruilen tegen barnsteen en zink.

Zij moesten medevaren tot het land der Massilianen, daar den koning de

hulde gaan brengen van Sogol en Harimona en terugkeeren verhalen van ’t

geen zij gezien hadden. Maar alle overdrijving, alle leugen zou streng

gestraft worden. De waarheid, de nuchtere, eenvoudige waarheid en

werkelijkheid wilde Sogol weten.

Zij reden langzaam, omdat het paard van Haun, die op eenigen afstand

volgde, kort na de vlucht op de knieën was gevallen en nu gespaard

moest worden, want de weg was ver en Sogol wist niet of hij een nieuw

paard zou kunnen krijgen.

En terwijl zij samen vooruit reden, met elkaar lange gesprekken voerend

over de toekomst en over de goden en het mysterie, blies Haun wijsjes

op zijn horen en vergat dan somtijds waar hij was, liet zijn paard met

lossen teugel loopen naar de lust van ’t dier, zoodat wel soms Sogol

terug moest rijden en den jongeling roepen en bestraffen wegens zijn

onachtzaamheid. Dan was Haun bedroefd, beloofde oplettender te zullen

zijn en reed wat sneller mede. Maar den volgenden dag als hij weer een

nieuwe melodie gevonden had, en zijn horen blazend, zich voorstelde

voor een schoone prinses te spelen, die wanneer zij door zijn spel

verteederd was, met hem in ’t huwelijk zou treden, dan vergat hij weder

dat zijn paard slecht voort kon en zijn heer snel voorwaarts wilde.

Toen had Harimona Sogol gezegd, dat het beter was wanneer Haun vooruit

reed en niet volgde, hoewel dat tegen den regel was. Zoo moest Haun dan

vooraan rijden en als hij weer begon te droomen nam Sogol op zijn beurt

zijn horen en blies een paar schrille tonen, zoodat de jonge muzikant

opschrikte. Sedert bleef Haun niet meer toeven. De bestraffende woorden

van Sogol hadden minder invloed gehad dan de vrees voor de schrille

tonen.

Zij reden in een sukkeldrafje en gaven de paarden veel rust omdat het

mogelijk kon zijn, dat ze de snelheid en de kracht hunner paarden

noodig konden hebben om roovers te ontkomen of vijandige lieden. Want

Sogol was bang voor strijd met menschen. Dat had Harimona bevreemd,

maar hij had haar gezegd, dat zijn leven hem te veel waard was om het

te verliezen in een ongelijken strijd met onbeteekenende roovers. Hij

verfoeide het zwaardgevecht om der wille van ’t gevecht alleen. Het

zwaard moest hoogere zaken dienen dan zichzelf, meende hij. Maar heur

eerbied voor hem nam toe, toen zij zijn geestelijken moed leerde

kennen. Zij wist hoe ook de dapperste mannen vreesden, wanneer in de

toppen der boomen geheimzinnige geluiden klonken of wanneer eekhoorns

dwars over den weg liepen, katuilen schreeuwden, dwaallichten glansten.

Maar hij vermaakte zich er mede, de katuilen nà te schreeuwen, joeg

eekhoorns opzettelijk op, opdat ze dwars voor Harimonas paard zouden

wegsnellen. Wanneer zij ’s avonds de paarden hadden gekluisterd en de

pelzen hadden neergespreid, waarin zij sliepen en zij hoorden in de

toppen der boomen onbekende geluiden, dan stond Sogol weer op, maakte

vuur, stak een dorre tak aan en riep Haun op, om hem te helpen. En hij

klom in den boom, tot bovèn in den top en was niet tevreden voor hij

Harimona den oorzaak van ’t geluid kon verklaren, beneden komend met

een dikke, gebroken tak, die tegen den stam had geklapperd of met een

grooten, dooden vogel, die met een poot in ’t loover verward geraakt,

in doodsangst met de vleugels had geklepperd. En dan lachte Sogol met

een vreemden, schrillen lach en vloekte op de asen en de elfen en de

nikkers en de kobolden, ze uitdagend hem hier te komen bestrijden.

„Dat zijn hun goden!” zeide hij dan, den tak of het doode dier trappend

met drift onder den voet. „Het zijn allen vruchten van hun lafheid. Laf

zijn ze— —alle Germanen bij elkaar— —sterk als stieren en met hun

zwaarden elkaar bestokend zooals balgende herten elkaar met de geweien

stooten. Maar moed.... echte moed.... moed om tegen de valsche goden op

te treden.... die hebben ze niet....”

Hij bleef staan voor haar, breed de borst gezwollen en opziende naar

den sterrenhemel, met uitdaging in zijn houding, als in verwachting,

dat een der groote goden op hem zou toetreden, Balder of Grendel of

zelfs Thor of Wotan.... gereed om met hen den kamp op te nemen.

Zij zelve geloofde niet meer aan het bestaan der kleine geesten. Maar

diep in haar hart, geloofde zij wel aan de groote machten.... Wellicht

waren Wotan en Donar maar verbeeldingen.... Zoo goed als de Thius der

voorvaderen een verbeelding was geweest. Maar waarvan kwamen de

sterren? En wie spande de hemel? En wanneer de mensch stierf, waarheen

zweefde dan zijn geest?

In den laten avond wierp Sogol dan nog weer dood hout op het smeulende

vuur en in de stilte van den winternacht zaten zij voor het vuur,

opziende naar het vurige geprikkel der sterren en samen peinzend over

de groote geheimen, waarvan zij zich voelden omgeven.

Dan werd Sogol dikwerf bedroefd, want hij kon haar niet op hare vragen

antwoorden. Zeker, zij gaf toe, dat de sterren daar aan de lucht geen

goden waren en ook geen zielen en die zeven daar, waren niet de

naijverige minnaars van Nehalennia, zooals ze zeiden aan de kust. Maar

wat waren het dan?

„Zeg mij Sogol, wat zijn ze dan, de sterren?”

Hij bleef zwijgend staren naar den winterhemel en zij zag hoe een traan

uit zijn oogen welde en langs zijn wang biggelde.

„Weent di, mijn meester?” vroeg zij zacht.

„Ja, ik ween.... ik ween.... omdat ik weten wil en niet weten kan,

geliefde. Lief heb ik di, Harimona, omdat du zooals ik, de waarheid

liefhebt en oprecht zijt. Mijn koninkrijk zal ik di gaarne aan de

voeten leggen. Maar toch, hoe klein is mijn liefde, dat ik di niet dat

simpele antwoord op dijn vraag als bruidsgeschenk kan geven.... Want ik

weet het niet, geliefde, ik weet het niet, ik weet het niet.... Ja,

vraag het mi.... vraag het mi.... wat zijn de sterren?... Zijn het

klompen vuur? Maar hoe komt het dan, dat hun vuur niet dooft.... Wie

werpt hout op dat vuur? En wat is achter die sterren?... En hoevelen,

hoevelen zijn er niet.... Daar.... die heele breede zoom van einder tot

einder.... en daar die met dat scherpe blauwe licht.... en daar die,

die flakkert als een toorts... en daar die, in een orde geschaard als

een saks?....”

„Als de zon opgaat dooven de sterren en als de zon ondergaat, vlammen

ze weer op.... Wie steekt ze aan Sogol?... Moet daar geen groote macht

zijn, die ze aansteekt, avond na avond en ze weer dooft, morgen na

morgen?”

Sogol peinsde en keek in ’t vuur. Eindelijk antwoordde hij:

„De maan, gaat die ook ’s avonds aan en dooft die ook ’s morgens uit,

Harimona?”

„Niet altijd, meester.”

„Neen, niet waar. Er zijn dagen waarop de maan heel vroeg opgaat, als

de zon nog schijnt.... Zij is dan heel bleek, zoo wit als zilver en hoe

later het wordt, des te rooder wordt zij. Dat is toch zoo, niet waar?”

„Ja, mijn meester.”

Hij sprong op, liep op haar toe, omhelsde haar, kuste haar op ’t witte

haar, op de wangen, op de hals, op den mond. En juichend weer sprong

hij recht, roepend.... „ik heb het gevonden, ik heb het gevonden.... ik

zal alles, alles vinden....”

En zich weer neerzettend bij ’t vuur, wilde hij opnieuw spreken, maar

de vreugde overweldigde hem opnieuw.... Hij sprong nogmaals op, hief

zijn handen omhoog naar den sterrenhemel, bolde de vuisten en naar

boven roepend:

„Ik heb het gevonden.... o zaligheid.... o geluk.... ik heb het

gevonden.... ik heb het gevonden....”

Zij keek hem bewonderend maar niet zonder angst aan, gespannen wachtend

op zijn verklaring.

„En alles, alles, alles zal ik ontdekken! Wacht du daar, wacht.... ik

zal dijn geheim doorvorschen.... Wacht du daar, wacht du!”

En hij balde dreigend de vuist tegen den hemel. Daarna zich weer

neerzettend, ging hij voort:

„De sterren zijn niet anders dan de maan. De maan is een groote ster,

veel grooter dan de anderen, maar er is geen ander verschil.

„Wat met de maan gebeurt, gebeurt met de sterren. Maar omdat ze zoo

klein zijn, kunnen wij het niet zien....”

„Maar wat gebeurt dan met de maan?” vroeg Harimona.

„Zij wordt ’s avonds niet ontstoken en ’s morgens niet gedoofd. Zij

brandt altoos.... altoos, altoos.... Zij staat ook aan den hemel als

wij haar niet zien.... Geeft een toorts licht op den noen? Neen, niet

waar? Maar naarmate het donkerder is, geeft de toorts meer licht. Zoo

is het met de maan en zoo is het met de sterren.... zij hebben maar een

zwak licht, zooals de toorts, dat men beter zien kan, naarmate het

donkerder wordt.... Vandaar dat de maan op sommige avonden eerst bleek

is gelijk zilver en hoe donkerder het wordt, des te heller schijnt haar

vuur. In den morgen wordt zij weer bleeker.... tot zij onzichtbaar

wordt... het licht van de zon maakt haar onzichtbaar...”

„En wie steekt de zon aan?” vroeg Harimona.

„Wat wijf? Ik doe di kond van een groote ontdekking en in stede van

mede te juichen blijft du vragen? Is het al niet veel te weten, dat de

maan en de sterren daags branden zoogoed als ’s nachts?”

„Het is veel, maar de raadselen blijven raadselen, meester.”

„Neen, ze blijven het niet, vrouw. Raadselen waren de kobolden en de

elfen, tot ik ontdekte, wat hun eigenlijk wezen was. Raadsel was het

schijnen der sterren en der maan alléén ’s nachts, totdat ik vond, dat

zij ook overdag schijnen. Laat mij denken en ik zal ook vinden waar hun

oorsprong was en waar de oorsprong dier oorsprong aanving. Maar ik moet

tijd hebben om te denken. En du, geliefde, wees niet laf, als al die

anderen maar durf óók door te denken, altoos dieper, alsof dijn

gedachte een donker woud ingaat. Dring er doorheen en aan de andere

zijde vindt du het nieuwe land.”

Eenige dagen later terwijl zij de Bellovaaksche gouwen al naderden,

werden zij door een zwaar onweer verrast. Harimona was angstig en wilde

onder een boom schuilen. Maar Sogol toornde op haar en ook op Haun, die

in ’t bosch wilde blijven tot het onweer was voorbij getrokken. Hij

dwong beiden hem te volgen op het groote, vlakke land, dat aan den zoom

van ’t woud aanving en zoodra de eerste bliksemstraal knetterde begon

Sogol te woeden tegen Donar. Hij daagde hem uit, vloekte hem met de

vreeselijkste vloeken, wees hem smadelijk op zijn achterdeel.

„Drekgod, drekgod, drekgod, kom op. Sla mij, drekgod met dijn bliksem,

als du daar zijt.... Hier sta ik, een god zooals du, maar machtiger,

want ik ben hier werkelijk en du, du, du, zijt niet, du zijt maar een

schepping van lafhartigen en angstschijters....”

Harimona en Haun, in den regen staande midden op ’t land, staarden met

onzetting naar Sogol, die slechts met een berehuid om zijn naakt

lichaam, de machtige armen bloot, met opgeheven vuisten dreigende

gebaren maakte tegen het blauwgrijze werk, waarin zij de bliksems zagen

bersten en den donder rommelen. En bij elken bliksemstraal, bij elken

donderslag vernieuwde Sogol zijn vloeken en bedreigingen. Hij liep soms

op een drafje voorwaarts in de richting van den einder vanwaar de

bliksem kwam aanlichten.

„Tref mi nu... tref mi nu... speer van den drekgod... Du durft kunt, du

kunt niet.... hier sta ik.... bereid om dijn speer op te vangen....

tref mi dan.... tref mi dan!....”

Hij sprong op van den grond, zijn borst naakt, en gezwollen, zijn armen

wijd geopend als verwachtte hij den bliksemstraal. Het schuim stond hem

op de lippen van woede en Harimona, hem zoo ziende, voelde zich

bevreesd terwijl Haun weende.

Het onweer verminderde in kracht en trok weldra voorbij. De blauwgrijze

hemel brak in wolkenbrokken en uit het diepblauw daartusschen kwam de

zon schijnen.

Sogol werd kalmer en nu omziende voor Harimona zeide hij trotsch:

„Hebt di het nu gezien, dat ook de groote goden niet bestaan? Waar was

Donar met zijn gouden speren? Waar was zijn rollenden donderwagen?....

Hebt du geweend knaap?...”

„Ik vreesde zoo, dat de speer di zou treffen,” antwoordde Haun.

„Du zult niet weenen als dijn meester de goden uitdaagt.... maar du

zult weenen, als de anderen zich voor de goden verdeemoedigen....

Onthoud dat knaap.... en bindt de kluisters los van de paarden.”

Zij stegen op en reden door de frissche lucht onwaaierd, stapvoets

verder.

„Waarom zegt di niets?” vroeg Sogol, bemerkend hoe zijn geliefde

zwijgend naast hem reed en geen woord van bewondering had voor zijn

moedig bestaan.

Zij keek hem van terzijde aan en hij zag een schroomvollen eerbied in

haar vreemde, roode oogen.

„Ik heb een zonderlinge gedachte, Sogol!”

„Gelooft di nog aan Donar?” vroeg hij haast angstig.

„Neen.... maar mi kwam de gedachte in ’t hoofd, dat du wellicht zelf

een god zijt....”

„Ik ben een mensch, een gewoon mensch.... zooals du, zooals Haun.... Of

meent du nog, dat du ook een godin zijt?”

„Neen... ik ben geen godin... maar du zijt een god... en du weet het

zelf niet.... En misschien weten de andere goden evenmin, dat zij goden

zijn....”

„Vrouw, du zegt zulke diepe gedachten, dat du zelve ze niet omvat....”

Zij reden langen tijd zwijgend voort, Sogol zijn hoofd neerwaarts

gebogen en zijn gefronste oogen naar den bodem gericht. Eindelijk zeide

hij:

„Dat kan het zijn, mijn lief. De goden weten zelve niet, dat zij goden

zijn.... zooals dit paard onder mij, dat sterk is, daden van kracht

doet en toch zijn eigen kracht niet kent... Wat zijn de goden dan?...

Redelooze krachten, die hun daden doen zonder de macht over die

daden....”

„Maar het paard heeft een berijder, die het stuurt meester.... Zoo

heerscht dan Wotan over de goden als de mensch over de dieren....”

„Ik zou di kussen kunnen als du zoo spreekt, en toch weenen omdat du

altoos weer tot Wotan dijn gedachte voert.... Maar Wotan kàn niet

bestaan.... zoomin als Donar bestaat.... zoomin als de kleinere

geesten....”

„Welke macht doet de zon dáár schijnen?” vroeg Harimona.

En haar aanblikkend, zag hij uit haar roode oogen een straal gouden

licht schijnen.

„Wie doet, die wolk daar schuiven? En die daar? En die daar? Staat

achter elke wolk een geest, die haar voortschuift? Of zit op elke wolk

een ruiter, zooals op het paard, en stuurt haar en leidt haar met bit

en teugel en spoor? Ziet ze ijlen en barsten en vluchten in hare

vreemde gestalten.... Voelt du niet, dat het de wind is, die ze

wegblaast, zooals het kind de kaarsjes wegblaast van de weidebloem....

Ik kan nog niet alles weten.... maar omdat ik iets weet, weet ik dat ik

méér zal kunnen weten.... Het zijn alles krachten, redelooze krachten,

die niet anders doen dan ze doen omdat ze niet anders kunnen.... De

zon, de maan, de sterren, de bliksem, de donder, de wolken.... zij

allen zijn redeloos en doen zooals ze moeten doen....”

„En wij dan?”

„Wij vrouw.... wij.... wij zijn ook al niet anders dan de zon en de

sterren en de wolken.... wij zijn ook krachten, die onze eigen macht

niet kennen....”

Hij reed een poos zwijgend voort. Toen weder, tot haar:

„Waarom zouden wij iets anders zijn dan de dingen om ons heen. Zijn wij

niet even dom als de natuurkrachten? Moeten wij niet eten, drinken,

slapen als het tijd daarvoor is, zooals daarboven het onweer komt, als

het de tijd voor het onweer is? Weten wij met zekerheid iets meer dan

deze paarden? Weten wij meer van ons verleden? Meer van onze toekomst?

Meer van wat boven de hemelen is en onder de aarde? Waarom val ik ter

aarde wanneer ik van mijn paard stort en kan niet omhoog vallen, of in

de lucht mij zwevende houden door mijn wil alleen? De mensch is een

natuurkracht zoo goed als de bliksem en de donder, zoogoed als de

zonnestraal een natuurkracht is.”

„Maar waar komen die natuurkrachten vandaan?” vroeg Harimona weder.

„Ik weet het niet.... ik weet het nog niet.... En moeten zij dan

bepaald ergens vandaan komen? En moeten zij dan bepaald ergens

heengaan? Waarom zouden zij er niet altijd geweest zijn en er altijd

blijven?”

„Ik kan dijn gedachtenvlucht niet volgen Sogol.... In mijn binnenste

leeft gestadig het gevoel alsof er nog een ander leven is.... een

leven, dat als de gedachte of de droom geen lichaam noodig heeft om te

bestaan. Zoo dikwerf als Maresag mij met zijn kruiden in de verrukking

bracht, ontsteeg ik mijn lichaam en zwierf langs onbekende velden en

wegen en zweefde over oneindige wateren of steeg den sterren tegemoet.”

„En hebt di dan wel eens andere dingen gezien dan hier?”

„Ja.... ik heb de goden aanschouwd, Wotan het meest.... En hij was het,

die mij de kracht gaf, wonderen te doen zooals du hebt kunnen zien....

toen ik de lammen genas en de blinden en die met etterende wonden

neerlagen.”

„Was dat geen bedrog, Harimona?”

Hij hield zijn paard in en zich over haar paard buigend en het ook tot

stilstand dwingend, keek hij haar diep en ernstig in de oogen.

Zij keek hem onverschrokken aan.

„Dacht di, dat ik het liefste, dat ik ter wereld heb, zou bedriegen?

Dan is het beter, dat ik terugkeer.”

„Dus du kunt wonderen verrichten?”

„Als ik in de verrukking ben.... ja....”

„En die kreupelen, die reeds genazen zonder dat zij di zagen?”

„Kan niet mijn ziel uitgestraald zijn ook zonder dat ik het wist of

wilde? Was niet al wat ik in mijn verrukking deed, iets waarover ik

geen macht had en waaraan ik zonder mijn verrukking vreemd was?”

Hij reed weer voort naast haar en dacht zwijgend na.

„Het is droevig,” zeide hij eindelijk, „Wie het gedachtenwoud

binnenrijdt komt niet tot licht, maar hij verwart zich hoe langer hoe

meer in ’t donkere hout. In mij komt de vreemde lust op, dit leven te

eindigen om te weten. En ik voel naijver op die anderen, die vroom

gelooven kunnen in al de goden, de grooten en de kleinen. Maar ik kan

niet... ik heb immers ervaren, dat de Nickelman een aal was en de

grondgeest een geluidsschal....”

Na een poos vroeg hij plotseling:

„En wat was er waar van Frango, den draak, Whridlo, den hond en Baza,

de geit?”

„Begreep di dat niet?”

„Neen.... hoe zou ik.... Er bestaan geen draken!”

„Het was een raadsel van Maresag om de vele minnaars te beproeven.

Frango was de moed, Whridlo was de trouw, Baza was de soberheid. Wie

dit raadsel zou begrijpen was mij waardig, meende Maresag honend.”

„En du vondt dat goed?”

„Wat Maresag wilde moest ik doen... ik kon hem niet weerstaan. Hij had

een groote macht over mij, waaraan ik mij niet kon onttrekken... Eerst

toen du kwam en ik door mijn geloof in dijn kracht overwon, kon ik met

di medegaan.”

„Ik dacht wel, dat de draak ’t een of ander groote onbekende dier zou

zijn, dat de laffen zou verschrikken.”

„Maar er bestaan zeker draken, Sogol. In mijn verrukkingen heb ik ze

gezien. Zij hadden lange muilen met scherpe tanden en lage pooten

gelijk een hagedis en lange staarten, met punten bezet...”

„Ik wilde, dat ik met di naar dat gewest van dijn verrukkingen kon

opstijgen.”

Zij reden een eind voort tot zij aan een klein boschje kwamen, waar zij

afstegen om te rusten en de paarden te voederen. Zij zagen om naar

Haun, die een eind vooruit was gereden en nu uit het gezicht was.

Sogol nam zijn horen en stiet een paar schrille tonen uit den horen.

Toen na eenig wachten Haun niet terug kwam, kluisterde Sogol zelf de

voorbeenen der paarden, nam ze het bit uit den mond en liet ze grazen.

Daarna zocht hij met Harimona in ’t boschje naar paddestoelen, die hun

als leeftocht dienden wanneer geen klein wild gevangen was of niet een

ree of een hert door Sogol met de speer was neergedrild. Nog zochten

zij, toen zij Haun’s horen in de verte drie korte stooten hoorden

geven, het signaal, dat hij in gevaar verkeerde.

Harimona verbleekte maar Sogol snelde naar zijn paard, ontkluisterde

het en de hand aan ’t kortzwaard, reed hij in galop naar den kant,

vanwaar nu voor de tweede keer het alarmsignaal klonk.

Toen hij een eind gereden had, zag hij Haun staan nevens zijn paard. De

jongeling kwam zijn heer te gemoet loopen.

„Wat is er aan de hand?” riep Sogol.

„Meester... Meester... er is hier wat vreemds...”

„Wat, mijn jongen?”

„Meester... het lijk van een draak ligt hier...”

Sogol steeg af en volgde Haun in ’t kleine boschje. Daar had het

instroomende regenwater den grond onderwoeld en uit een kuil, half met

water gevuld, stak de kop uit van een draak.

Sogol groef met zijn zwaard de aarde rondom wat weg. Zij was

vastgeslikt met het vleesch van den reusachtigen kop. Hij zette de

zwaardpunt in den grooten muil van ’t dier en trachtte deze open te

breken. De kop brak broos vaneen en de scherpe, spitse tanden rolden

naar buiten.

„Ga de meesteres halen en de paarden. Ik blijf hier Haun!” zeide Sogol

en toen de jongen wegreed in de richting, die Sogol hem had aangewezen,

begon deze nu voorzichtiger met zijn zwaard het tot zwartige klompen

met den huid en ’t vleesch van den draak gesmijde veen, van den kop af

te steken.

Hij was nog bezig den kop vrij te steken, toen Harimona en Haun

aangereden kwamen. Sogol voelde zich beschaamd, wist niet wat hij zou

zeggen tot Harimona.

Zij voelde zijn schaamte en om hem niet te kwetsen zeide zij:

„Misschien is het toch geen draak maar een vreemd groot dier.”

Hij zag haar aan met lichtjes van dankbaarheid en geluk in de oogen.

„Gelooft di dat?” vroeg hij nogmaals.

„Het kon toch zijn...”

„Wij kunnen het ten minste onderzoeken... Als hij levend was geweest,

zou ’t minder makkelijk zijn gegaan. Zie dien muil eens. ’k Heb er mijn

zwaard tot aan den greep ingestoken en nog altijd was ik niet aan ’t

keelgat.... Ga eens naast den kop staan Haun... ziet eens... De muil

alleen is hooger dan Haun...”

„En waar zijn zijn oogen?”

„Ik heb al deze aarde rondom afgestoken, maar ben nog niet aan zijn

oogen toe gekomen...”

„Ik denk, dat hij rechtstandig in den grond staat,” zeide Haun,

bemerkend dat de muil spits opstond, „alsof het gat de uitgang van ’t

hol van den draak was geweest.”

„Wat denkt di te doen?” vroeg Harimona aan Sogol, ziende hoe hij

vermoeid was van ’t graven.

„Ik wilde wel gaarne hier blijven en den heelen draak uitgraven.... Dan

kunnen wij zien hoe hij er uitziet.”

„Maar dat kunt di alleen niet....”

„Haun zal helpen.... en.... en.... als du wilt.... du ook....”

„Met onze handen?”

„Neen, ik zal spaden snijden....”

„En uw koninkrijk?” vroeg Harimona.

Sogol dacht na.

„Het was misschien beter, dat du eerst mannen haalde, die du

hielpen?....” vroeg Harimona.

„Dat kan lang duren.... als ’t gaat vriezen is ’t graven onmogelijk....

en ik weet niet of ik mannen zal vinden, dapper genoeg om den draak uit

te graven.... kom.... laten wij eerst eten, rusten en dan ten minste

den kop van het monster uitgraven....”

Harimona maakte vuur en Haun, met een speer gewapend, ging in ’t

boschje naar wild speuren. Al heel spoedig kwam hij terug met een haas,

die hij den speer door den kop gedrild had, toen ’t dier voor zijn

voeten opsprong. Harimona nam haar klein gordelmes en begon het dier te

villen. Haun stond er bij en keek nauwlettend toe.

„Heb di zoo’n honger vent?” vroeg Harimona.

„Nee.... ik heb bessen gegeten en nootjes.... ik heb geen honger....”

Maar omdat hij toch bleef toekijken, vroeg zij weer:

„Wat wil je Haun? Je kijkt zoo vragend....”

Hij kleurde, zag verlegen zijwaarts.

„Er uit er mee, als du wat zeggen wilt!” zei Sogol gewild streng.

„Ik wou de meesteres wat vragen.... ik ben nu al zoo lang van huis....

en ik wou weten of ik vader of moeder en mijn broertje gezond en wel

zal aantreffen....”

„Dat weet ik niet!” lachte Harimona.

„Als du wilde.... en eens voor mij keek.... daar...”

En hij wees, even bang naar Sogol opblikkend, op de darmen van de haas.

„Vervloekt!” stoof Sogol op.

„Ik wist wel, dat de meester het niet zou willen!” zei Haun, half

schreiend.

„De meester heeft gelijk Haun. Ik kan niet uit de darmen

waarzeggen....”

„En niemand kan het, Haun. Hoe kom di aan die vraag.”

„Ginds op ’t groote veld te Renigo was een vrouw, die uit ingewanden de

toekomst kon lezen. Wie haar een geit bracht, die spelde zij de

toekomst uit de darmen van de geit; en wie haar een ree bracht, die

spelde zij de toekomst uit een ree. En er kwam zelfs éens een man, die

een kalf bracht en zij liet het slachten en las uit de darmen.”

„Dat is alles bedrog, Haun. Ze deed het om de dieren.”

„Nee meester.... ’t was geen bedrog. Ik heb de vrouw een geitje

gebracht en zij voorspelde mij, dat ik op reis zou gaan met een

koningszoon en zijn bruid en die zullen tot hoog aanzien geraken: De

koningszoon zal koning worden en de bruid, koningin! En ’t is tot nu

toe uitgekomen.... och lieve meesteres.... ik smeek di.... zie toch

even in de darmen en zeg mi of mijn broertje nog leeft....”

Harimona keek Sogol vragend aan, half besloten om den jongen zijn wil

te geven. Maar Sogol keek somber.

„Als wij zelf de domheid bevorderen.... wie zal ze dan bestrijden?”

vroeg hij.

En zich tot kalmte dwingend, zei hij tot Haun:

„Mijn jongen, al kwam wat zij zeide ook uit, toch was ’t bedrog. Het

gaat bij die voorspellingen zoo.... Komen ze uit, dan gelooft men aan

de buitengewone zienerskracht.... komen ze niet uit, dan vergeet men de

voorspelling of meent bij een slechte waarzegster te zijn geweest. Maar

’t zijn alle slechte waarzegsters. Niemand weet iets van de

toekomst.... niemand.... niemand.... de goden zelve niet.... zij zijn

ook aan het lot onderworpen, zonder dat zij weten, hoe het zal

loopen.... en het zal een slecht lot voor ze zijn, als de koningszoon,

werkelijk koning wordt.”

Sogol had de laatste zinnen meer tot zichzelf dan tot Haun gezegd, die

teleurgesteld naar den haas bleef zien.

Harimona, na den haas gestroopt te hebben en van de ingewanden ontdaan,

stak hem aan een bronzen spit, dat op twee gevorkte takken rustte en nu

moest Haun langzaam draaien.

Sogol, zijn ongeduld niet kunnende bedwingen, was al weder naar den kop

van den draak geloopen en begon deze verder met zijn zwaard te

ontgraven. Maar bemerkend, hoe weinig hij hierdoor bereikte, liep hij

een eindje ’t bosch in zoekend naar een boom, geschikt om er spaden van

te snijden. Een zwarte stronk, die manshoog boven den grond uitstak,

zeker ’t overblijfsel van een boom, die door den bliksem getroffen was

en daardoor van buiten bruin gebrand, kwam hem geschikt voor en hij

sloeg er zijn zwaard tegen. Maar ’t zwaard ging er diep in en stuitte

toen op iets hards. Sogol keek verwonderd en nu, de stronk belastend,

ervoer hij, dat hier weder het lijk van een draak was verborgen, nu met

den staart opwaarts uit het hol. Hij zag de grove schubben van den

staart, hoewel ’t vleesch verkoold was en ook nog de knoesten van de

dorens van den rug....

Daar waren dus twee draken in dit boschje geweest. Beiden wellicht door

den bliksem getroffen. Maar hoe deze vreemde houding te verklaren....

de één met den kop hoogopgestoken uit de krocht, de andere met den

staart opwaarts? Waren zij voor ’t onweder gevlucht?

Hij mat den afstand tusschen de twee draken.... Een denkbeeld kwam in

hem op.... maar hij weifelde om het aan te nemen.... Neen.... dat kon

niet.... zoo groot was een draak niet.... dat overtrof alle verhalen

van de sagen.... Het was wel de lengte van een wand [12].... En

toch.... als kop en staart eens tot denzelfden draak behoorden.... de

ligging was zoo, dat de mogelijkheid kon bestaan?...

Hij keek met scherpen blik in de richting van den kop en zijn geoefend

oog bemerkte, dat de bodem over dien langen weg voor een deel bol

stond, zoo de richting aangevend, waarin het lichaam van den draak kon

liggen.

Hij vergat het haasje, dat ginds aan het spit braadde, hoewel hij den

heelen dag weinig anders dan wat bramen en hazelnoten gegeten had. Bij

den drakenstaart zittend, de kin op den greep van zijn zwaard geleund,

was hij in nadenken verzonken.

Dat was dus een draak, een echte draak. Ditmaal behoefde hij geen

wonderverhalen van anderen te gelooven. De sagen waren dus geen bedrog.

Faffner en Kirgold en Frango bestonden.... Maar als de draken

bestonden, dan konden ook de goden bestaan.... Hier lag het geheim

ontraadseld voor hem.... hier aan zijn voeten, weinige vamen onder den

grond....

Hij mocht niet verder reizen.... al verloor hij er zijn koninkrijk

door.... wat beteekende een koninkrijk tegen de doorgronding van dit

geheim. Wéten moest hij, voor alles wéten, wilde hij.

Haun blies een paar tonen om hem tot het middagmaal te roepen. Hij

blies een paar tonen ten antwoord en liep langs de gewelfde lijn van de

grond gaande langzaam terug naar Harimona, tellend zijn schreden om den

afstand te meten. Twee honderd groote schreden was de draak lang. Veel

hooger dan de hoogste boom hier in ’t boschje... veel hooger dan ooit

een boom, waar ook, gegroeid was...

Maar als dat dier zoo lang was en zoo hoog, hoe zou het dan hier in ’t

nauwe boschje, dat zelfs een man nauw doorliet, zich hebben kunnen

bewegen? Hij keek naar de boomen rondom... Zij waren allen minstens

vijf-en-twintig jaren oud... dus de draak moest al jaren lang dood

zijn. Nergens ook was een spoor van gebroken boomen en de schorsen

waren nergens afgeschuurd...

Peinzend als altoos, kwam hij terug bij Harimona en zij, gewoon aan

zijn peinzerijen, vroeg niets, sneed den haas in deelen en reikte Sogol

een bout. Hij stak het geroosterde vleesch werktuigelijk in zijn mond,

zijn donkere oogen starend voor zich uit zonder te zien, kouwend het

vleesch zonder het te weten... altoos beziggehouden door zijn

gedachten.

„Rijden wij verder, meester?” waagde Haun ten laatste te vragen.

Harimona zag hem bestraffend aan. Maar Sogol had de vraag niet gehoord

en bleef turen, altoos door turen in denkgestaar.

Haun sloop stilletjes weg van ’t vuur en den kop van den haas nemend,

begon hij dezen een eind verder om en om te gooien, om zijn geluk te

beproeven. Want als de schedel boven komt, wacht men goede tijding en

als de kaak boven komt slechte.

Harimona nam een berenhuid van het leger en legde deze zacht om de

schouders van den peinzenden man. Daardoor uit zijn gepeins ontwakend,

zag hij haar aan.

„Kind,” vroeg hij, „zouden wij niet gaan eten?”

„Wij hebben al gegeten, liefste!” zei ze met een zachten glimlach, „en

du hebt medegegeten... waaraan dacht du zoo ingespannen?”

„Ik denk aan den draak... Ik zou hem gaarne uitgraven... Wilt du mi

helpen?... Ik denk zoo... wanneer ’t vriestijd wordt, zal het te laat

zijn en als de stormen komen wordt de draak onder ’t zand bedolven en

als de bliksemspeer in ’t boschje zwiert, kan alles verbrand worden.”

„De tijd dringt, Sogol. Du zult in dijn vaders koninkrijk een andere

koning vinden, die di zal weerstaan...”

„Ik zal mijn Nervieërs wel weten te herwinnen... en du zult mi

helpen...”

„En als de koude ons hier overvalt. Wij hebben nog wel vier nachtreizen

[13] af te leggen, voor wij aan uws vaders gebied komen.”

Hij keek treurig.

„Als wij een gedeelte opgroeven?” vroeg hij. „Wanneer ik een gat groef

in ’t midden van de gewelfde lijn, dan zeker zou ik den omvang van ’t

dikste gedeelte van ’t lichaam kunnen opdelven. En den maag openen om

te zien, wat de draak gegeten heeft.... menschen, kobolden of....

of....”

Hij weifelde, het woord uit te spreken.

„Wat meent di?” vroeg zij.

„Of gras.... gelijk een koe....”

„Dat hoopt di?” vroeg zij ondeugend.

„Ja.... dat hoop ik.... want mij is een gedachte door ’t hoofd

gevaren.”

Hij zweeg en zij wachtte zonder te vragen op zijn antwoord.

„Een doode draak,” ging hij voort, meer in zichzelf sprekend dan tot

zijn geliefde, „is nog geen levende. Als hij levend was geweest, ja

dan.... dan had ik kunnen zien in ’t licht van zijn oogen en ervaren of

hij vuur kon spuwen en ontdekken of hij meer verstand had dan een

redeloos dier....”

„Twijfelt di nog altijd?”

„Ja.... ik twijfel.... ik heb zoo getwijfeld voor ik den Nickelman in

den gröhl dorst aan te randen... en ook heb ik zoo getwijfeld, toen ik

den schalgeest bij de twee eiken aanviel.... durven moet men, altoos

durven.... niet vreezen voor de eigen gedachte... er zit in het

menschelijk hoofd een groote spin, die verbeelding heet. Hij weeft

spinsels, altoos nieuwe spinsels, en als men die spin door laat weven,

bedekt hij de rede ten laatste met webbe op webbe, tot die een dik,

taai kleed vormen, waaronder de waarheid onherkenbaar bedekt ligt....

Weg spin! Weg webben in mijn hoofd.... de waarheid wil ik weten.... de

waarheid....”

Hij stond op, liep naar de plaats, waar de kop van het monster uit het

gat omhoog stak. Zij was hem gevolgd en wenkte Haun mede te komen. Toen

Sogol, over de welvende lijn loopend aan een diepte kwam, stak hij daar

diep zijn zwaard in en trok dan, een gat woelend, het zwaard weer

terug.... Dat rook vreemd, een reuk die Sogol, die toch veel

kruiden-aftreksels kende, onbekend was.... Hij streek met den vinger

langs het zwaard; daarop kleefde een taai, dik, bruin, stinkend vocht.

En in het gat, dat hij door ’t insteken van ’t zwaard gemaakt had, kwam

nu ook traag een dikke, half-vloeibare, bruingore massa oprijzen.

„Het drakenbloed!” kreet Harimona.

Sogol keek haar even aan en knielde bij ’t gat, waar ’t trage vocht nu

al over den rand sijpelde.

„Haun, haal een brandenden tak van ’t vuur!” beval Sogol. En tot

Harimona:

„Als ’t drakenbloed is, moet het branden!”....

Haun, kwam met den brandenden tak.

„Ga wat terug, meester!” waarschuwde Harimona, zelf eenige passen

terugtredend....

„Zijt di bang?” vroeg Sogol, met toorn in ’t oog.

Hij stak de brandende fakkel, met een bitteren lach om den mond, in ’t

gat. Meteen sloeg de vlam als een zuil van vuur omhoog uit het gat en

de gewelfde lijn op den grond sloeg met een donderend geweld open,

stukken aarde, oude boomwortels en steenen opwerpend.

Haun was de eerste die wegrende, altoos maar rennend, niet omziende

naar ’t vuur. Harimona was achterover geslagen en op haar viel de kroon

van een boom, die door de ontploffing ontworteld was en schuin naar

voren viel. De vuurzuil was opgestegen vlak in Sogols gezicht. Maar

zijn lange baard, tot de wortels verzengd, had hem behoed voor

brandwonden....

Hij zag Harimona liggen, sprong op haar toe.

„Ben di gewond, liefste?” riep hij smartelijk.

„Neen, neen... help mi... help mi...”

Opnieuw volgde een ontploffing. Nu spoot een straal van ’t trage vocht

uit den grond en een dikke rookwolk begon langs de geheele lengte van

de lijn op te stuwen. De schok had Sogol een eind opgeworpen in de

lucht, maar hij viel terug op de kroon van den boom waarop hij veerde,

hoewel enkele takken in zijn lichaam drongen. Hij voelde de pijn niet,

stond op, trok Harimona onder de takken weg en haar optillend, snelde

hij met haar weg van de gevaarlijke plek. Achter zich hoorde hij

nogmaals een knal en nogmaals en ’t geheele boschje stond in dikke en

zwarte, stinkende rook, waartusschen het goud en rood der vlammen met

vuursplinters oplaaide...

Buiten den wind bleef Sogol staan en keek naar ’t brandende boschje.

„Gelooft di nu?” vroeg Harimona, wier gelaat geheel zwart was geworden

door den walm. „Nu heeft de doode draak nog vuur gespuwd... ziet di het

nu... du ongeloovige!”

In hare ontzetting zag zij hem met verschrikte oogen aan en haar stem

klonk verwijtend.

„Verbrand mee, als du vreest!” antwoordde Sogol verachtelijk, de

stukken tak, die in zijn linker arm en in zijn dij waren gedrongen er

uittrekkend, waardoor het bloed naar voren kwam en begon langs zijn arm

en zijn been te sijpelen.

En haar de bloedende arm dicht voor ’t gelaat houdend, zeide hij:

„Kom... genees deze wonden nu door dijn heiligheid... stelp dit bloed

op dit oogenblik en ik zal gelooven...”

Zij keek naar de wonden met blikken, waaruit de wil en het verlangen om

te genezen spraken... Maar het bloed bleef vloeien en stremde zwartrood

op de huid...

„Ik kan niet!” zeide zij, „ik kan niet... Bind toch dijn kleed er om...

du zult verbloeden...”

„Zóó genezen kan ik ook... en die daar, den draak zal ik ook wel leeren

kennen...”

Hij keek om naar water en zag Haun, die doodsbleek en klappertandend

naar zijn meester kwam.

„Jongen, haal water voor dijn meester... gauw...” riep Harimona. „Dáár

is een kreek...”

En zij wees op een regenwelletje, waarbij de paarden stonden, die met

vooruitgestoken kop, snuivend van angst, naar ’t brandende vuur zagen,

door hun kluisters alleen verhinderd om er in te galoppeeren.

Hij schepte water in zijn lederen jachtbuis en bracht het naar

Harimona, die een stuk van haar lijnwaden onderkleed scheurend, de

wonden bette en verbond.

Sogol liet zich lijdzaam behandelen, zijn gedachten waren bij den brand

in het boschje. Nog steeds stegen de vlammen op en van tijd tot tijd

hoorde hij een zwakke ontploffing, waarop dan een nieuwe uitlaaiïng van

’t vuur volgde. Daar ’t nog helder dag was, wierpen de vlammen geen

lichtschijnsel over de vlakte en de wind dreef de rook in roetige

wadems weg.

Nu hij verbonden was, dacht Harimona aan zich zelve. Zij had, terwijl

zij bij Sogol gebukt stond, heur los wit haar, dat langs haar gelaat

viel, weggestreken en toen gemerkt, dat haar vingers zwart waren. Haun

zeide haar nu, dat heur gelaat met roetwalm was bedekt. Daarom liep zij

naar de kreek en wilde heur gelaat afwasschen. Maar het water liep van

heur gelaat zooals van een zwanenrug, zoo vettig was het roet. Haun,

die naderbij was getreden om zijn meesteres te helpen, zag het en liep

snel zoekend langs den grond, speurend naar vogelmest. Toen bij op het

hooge gras wat mest vond, bracht hij het haar. Maar zelfs nu ze ’t

gelaat daarmede insmeerde, was het walm niet weg te wisschen.

Haun liep naar Sogol en vroeg hem raad. Sogol trad naderbij en

overtuigde zich van de vetheid van den roetwalm.

„Het lijkt wel ievervet!” zei Haun.

Sogol zag hem met een snellen blik vol erkentelijkheid aan.

„Zoo, mijn jongen.... dat is beter dan bleek wegloopen....” en zich tot

Harimona richtend:

„Het zal met koud water niet gaan.... ik zal roode zuring koken....

daarmede zal di ’t wel weg kunnen wasschen.”

Hij plukte wilde zuringsteelen, legde ze in de holte van zijn bronzen

schild, porde het vuur op, plaatste het schild op de gevorkte takken er

boven, goot met Hauns jachthemd water in ’t schild en wachtte tot het

water er in kookte. Toen bracht hij het schild aan Harimona en thans

eerst kon zij ’t gelaat schoonwasschen.

„Nu zijt di blanker dan weleer!” zei hij schertsend.

„Maar du hebt dijn mooien baard verloren.... en het is of du jonger

zijt geworden.... Hoe oud zijt di?”

„Vijf en twintig jaren.... en du?”

„Negentien jaren....”

„Dat zijt di nog bijna een kind....”

„Maar ik heb meer beleefd, dan menige oude vrouw... en dat heeft mi

wijs gemaakt.... Ik heb di nooit gezegd, waarom ik niet wilde, dat du

Maresag zoudt ombrengen, vóór wij vluchtten....”

„Hij had het verdiend, de schurk, de vrek....”

„Haun,” zeide Harimona, „maak het schild van dijn heer schoon.”

Haun nam het schild op en liep er mede naar de kreek.

„Zeg geen booze woorden meer van Maresag, mijn geliefde.... Ik mag ze

niet aanhooren....”

„Staat di nu nog onder zijn invloed?”

„Neen.... maar weet, dat hij mijn vader is....”

Zij lette schijnbaar niet op de verbazing van Sogol, maar ging voort:

„Mijn vader; niet alleen mijn wereldsche maar mijn bloed-vader is

Maresag, de opperpriester. Mijn moeder was Anertha, de Druïdes, die met

mijn vader in gemeenschap leefde. Toen ik geboren werd, gaf mijn vader

mijn moeder bittere kruiden, zoodat haar borsten schrompelden en zij

geen melk gaf. Want er waren vijanden van mijn vader, oude Druïden, die

naar zijn plaats stonden. Zij beschuldigden Anertha van onkuischheid.

Het Druïdending kwam bijeen en mijn moeder trad naakt voor de

priesters, die haar ziende met de verschrompelde borsten, aan haar

onschuld geloofden en over degenen, die den laster hadden verbreid werd

gericht gehouden en men rukte ze de tongen uit, zoodat zij ellendig

stierven, behalve een, die gevlucht was in ’t woud en zich wreken

wilde. Hij wachtte mijn voedstermoeder op en doodde het kind in haar

armen, meenende dat ik het was. Doch het was het kind van haarzelve.

Mijne moeder was sedert zeer bevreesd voor mijn leven en zij besloot de

bittere kruiden niet meer te gebruiken, opdat hare borsten weder

zwellen zouden en zij mij zelve zou kunnen zoogen. Maresag merkte dat

en wilde haar dwingen tot het gebruiken der bittere kruiden. Zij bleef

weigeren, van moederliefde vervuld. Toen was mijn vader zeer bang, want

zoo het bedrog ontdekt werd wist hij, dat hem de marteldood

wachtte....”

Zij zweeg en zat in gepeinzen, starend naar het brandende boschje, waar

de vlammen zachtjes aan verminderden.

„En toen?” vroeg Sogol.

„Toen.... toen.... toen heeft men mijn arme moeder dood in ’t bosch

gevonden.... en zij was geteekend met het bloedige kruis, dat de wilde

mannen in de borst van hun slachtoffers kerven.... en de borsten waren

haar afgesneden en zij was geschoffeerd....”

„Dat had Maresag gedaan....”

„Ik mag het niet zeggen en niet doen zeggen.... laat ik nu zwijgen....

Maresag is mijn vader, bedenk dat.... Maar di wilde ik dit zeggen,

omdat ik er een ter wereld moet hebben, die met mij mijn geheim

draagt.... Du weet, wat men omtrent mij in de Renigo vertelde.... Het

verhaal van de drachtige ree met de lichtende ster tusschen de ooren,

de sprekende maan, de berg Wittewa, waar de kroon bewaard wordt.... dat

alles was leugen....”

„Dat is de oorsprong van onze mythen en sagen!” zei Sogol bitter....

„Alles misdaad, leugen en bedrog.... de waarheid is zwart, zwart als de

nacht.... en het leven is leeg, bodemloos.... een vloek over het

leven....”

„Daarom mijn geliefde, voelde ik zooveel eerbied en ontzag voor di,

toen ik zag hoe dapper du waart en hoe helderziend.... En daarom ook,

daar du twijfelt, wil ik twijfelen en daar du ontkent, wil ik

ontkennen.... want ik heb di lief, lief met een ontzaggelijken

eerbied.... want moedig zijt di.... moedig boven allen, allen.... Toen

ik door den slag van het drakenvuur werd teruggeworpen en onder den

boomkruin lag, zag ik Haun vluchten en toen zag ik dijn gezicht....

dijn baard smeulde weg, het vuur spoot rondom di op.... maar in dijn

oogen zag ik geen schrik en dijn leden beefden niet.... maar met

groote, vragende blikken staardet di naar den wel, waaruit ’t zengende

vuur opspoot en ik zag hoe dijn wil om te weten sterker was dan te

leven.... En toen zijt di, niet achtend op ’t eigen gevaar over den

vuurpoel heen naar mi toegesprongen om mi te redden.... Du hebt de

gouden lindenkroon gehaald van den berg Rodewa moet ik die heeten... en

den draak en den hond en de geit verwonnen. En de zeven reuzen, zijn

dat niet de boomen van ’t boschje, die daar afgebrand zijn....”

Zij wees naar ’t boschje. Zeven boomen hieven boven het smeulende

boschje hun zwarte, verkoolde stammen op.

„Het is vreemd mijn geliefde,” zeide Sogol, naast haar gaande zitten en

zijn arm om haar leest slaande, „er schijnt in al deze leugensproken

der priesters vaak diep een waarheid te zitten, zooals in de bittere

schaal van de walnoot een zoete kern kronkelt... En toch, leugens zijn

het, misleidende, slechte leugens....”

„En de zoete kern in die leugens mijn geliefde, dat is de waarheid van

onszelf. De sagen en de mythen schijnen mij toe allen te gelijken op

den boom uit het sprookje van de wonderfee... kent di het?”

„Neen... vertel het mi...!”

„Er was een wijzen koning in het verre land van Scandi, die oud was

geworden en geen opvolger had. Toen was hij zeer bedroefd, want hij

wist niet wien hij zijn kroon zou doen erven, zonder bevreesd behoeven

te zijn, dat zijn rijk na zijn dood door een onwaardige zou worden

bestuurd. Hij liep dag aan dag in het bosch te denken en vond geen

middel om den waardigsten te kiezen. Toen ontmoette hij eindelijk een

fee, die hem vroeg wat hem deerde.

„Maagd,” zeide hij, „ik ben oud en dicht nabij den dood. Mijn zonen

zijn allen gestorven in den strijd voor het vaderland. Nu weet ik niet

wien ik als opvolger zal aanwijzen.”

„Ik zal di helpen,” zeide de fee. „Hier in ’t bosch is een

wondervijver. Ieder, die er zich in spiegelt, ziet er zijn eigen beeld

in, naar zijn eigen verbeelding. Zend degenen, die du meent, dat uw

opvolgers zouden kunnen zijn, naar dien vijver en vraag hoe zij er zich

in zien.”

Toen ging de koning terug en liet verkondigen, dat in het woud een

vijver was, waarin elk zichzelf zou kunnen spiegelen, zooals hij was.

Tien mannen werden uitverkoren om in den vijver zich te spiegelen en

wie de waardigste was, zou den troonopvolger zijn.

De tien mannen gingen naar den wondervijver en de koning stond aan den

oever en hoorde, wat elkeen zeide, die in den vijver had gekeken.

De eerste, die zijn spiegelbeeld zag, zeide: „Koning, ik zie mij met

een gouden kroon op ’t hoofd.” De tweede zeide: „Koning, ik zie mij met

een purperen mantel aan.” De derde zeide: „Koning, ik zie mij zittende

op een troon.” De vierde zeide: „Koning, ik zie mij met een schepter in

de hand.” De vijfde zeide: „Koning, ik zie mij, met het koningszwaard

voor den schouder.” De zesde zeide: „Koning, ik zie mij met een

lichtkrans om ’t hoofd.” De zevende zeide: „Koning, ik zie mij, staande

op uw schouderen.” De achtste zeide: „Koning, ik zie mij, staande aan

uw sterfbed en uw vinger wijst mij aan.” De negende zeide: „Koning, ik

zie de schimmen van uw zonen, die mij op het schild heffen...”

De koning echter, die al deze negen mannen had aangehoord, voelde zich

bedroefder dan ooit. Want hoe zou hij kiezen komen tusschen zooveel

uitverkorenen. De tiende man nu, die de laatste was, die zich in den

vijver zou spiegelen, omdat hij reeds van het begin nadenkend terzijde

had gestaan, bleef wachten als schroomde bij, om zich te spiegelen.

„Waarom spiegelt du di niet?” vroeg de koning verwonderd.

„Koning,” antwoordde de tiende man, „is het wel noodig, dat ik de keus

nog verzware, waar er zoovelen uitverkoren zijn.”

„Spiegel di,” gebood de Koning.

Toen schreed de man nader en boog zich over den vijverrand. Maar hij

bleef gebogen wachten en scheen beschaamd om zich weder op te richten.

„Wat ziet di?” vroeg de koning eindelijk ongeduldig.

Nu richtte de tiende man zich langzaam op en de koning zag, dat een

traan langs zijn wangen biggelde en in den vijver dropte.

„Sta op!” zeide nu de wijze koning, den tienden man met zijn schepter

aanrakend, „du zijt uitverkoren!”

„Hoe juist!” riep Sogol uit....

„Ik denk dikwijls aan dat sprookje, mijn geliefde. Is die wondervijver

niet als het leven der oude tijden, zooals wij dat onthouden in onze

mythen en sagen.... wij allen die er ons in spiegelen, zien onszelf zoo

gaarne als waardig om de navolgers der grooten te zijn.... en maar een

enkele beseft zijn eigen nietigheid....”

„Neen.... neen.... die vijver is het geheele leven.... en wie zich er

in spiegelen zijn de menschen.... de menschen, die zich koningen wanen

en alléén een heele, enkele wijze weent—want hij weet, dat hij het

koningschap dezer wereld onwaardig is.... kom, wellieve, het vuur

sintelt nog maar na.... wij zullen gaan onderzoeken, wat er met den

draak gebeurd is....”

„Zij keek hem liefdevol aan en dan, met een zacht droevig, schertsend

lachje, zei zij:

„Ja, laten wij gaan.... wellicht dat de oude koning ook di met zijn

schepter aanraakt...”

„De oude koning Wod... hij daar?” spotte Sogol, wijzend in den hooge.

„Hoe zou hij? Is al niet lang onttroond? Kom Haun! riep hij wat luider,

tot den jongen, die ’t bronzen schild blank had gepoetst met fijn zand

en ’t nu met een stuk vossevel opwreef, „wij gaan naar ’t vet van den

iever zien!”

„Daar draagt hij den wondervijver aan!” schertste Harimona, toen ze zag

hoe Haun, het blinkende schild hooghoudend om de vrucht van zijn arbeid

te toonen, nader kwam.

„En wel mag du di er in spiegelen, wellieve!” zeide Sogol. „Maar weenen

moogt di niet, want zoo schoon als du bent, was nooit een

koningsdochter!”

„Du bent vol goeden moed, meester.”

„Die kleine muzikant heeft mi de oplossing van ’t raadsel van ’t

brandende drakenbloed gebracht.... komt mee.... ik zal ’t di zeggen.”

De grond was nog warm in ’t boschje, dat geheel uitgebrand was. De

zeven naakte boomstammen staken met hun verkoolde stampen meewârig op

uit den zwartig-grauwe grond, waar nog sintels nagloorden.

Sogol trad voorzichtig naar de kuil, waar de drakenkop uit opstak, nu

omhoog gewerkt tot aan den nek, maar witblank doorgegloeid, een

geraamtekop. Sogol zag de diepe gaten der oogkassen en de machtige kaak

met de platte groote tanden met verwondering aan.

„Hij heeft tanden als een groote bul,” meende Haun.

Weer keek Sogol den jongen met innige erkentelijkheid in de oogen aan.

„Du, schrandere vos, uit di zal wat goeds groeien.... Het zijn

werkelijk groote bulletanden”... zei hij voortgaande tot Harimona...

„en deze draak is geen roofdier geweest, anders zou hij tanden hebben

als een beer of een wolf.... Dat zijn de tanden van een goedig vee....

die draak heeft gras gevreten.... of vruchten.... maar dan alleen

bramen en appels.... want knagen zooals een eekhoorn heeft hij niet

gekund....”

Hij liep terzij van de opengespleten gewelfde lijn.... stond stil bij

het gat, waar hij de vlammende fakkel had ingestoken.... het was bruin

uitgebrand, met korsten van een zwartige, vettige, nagloeiende massa.

Maar er staken geen beenderen uit....

„Ziet eens hier.... de draak was niet zoo lang als ik dacht.... hij was

in ’t midden doorgebroken.... Daar lag zijn kop.... Daar lag zijn

kop.... en hier zijn staart.... Ik zal eens peilen waar zijn achterdeel

begint.” Maar toen hij zijn zwaard een eind verder in den grond stak,

moest hij ’t ijlings terugtrekken en loslaten.... zoo warm werd het

onder den grond. Daar borrelde de trage, dikke, zwarte massa nog op

kookhitte.

Sogol tornde een paar draden uit het onderkleed van Harimona, draaide

ze tot een pit en doopte ze in de gloeiende massa. Toen liep hij een

eind terzijde en hield de pit tegen een smeulende tak, die hij tot een

vlam aanblies.

De pit vatte vlam en brandde spoedig helder op. Sogol wierp haar op den

grond en trapte haar uit.

„Haun heeft gelijk gehad.... ievervet en tanden als een bul.... die

draak is geen draak geweest.... dat was een groot dier.... een heel

groot dier.... Maar waar is het vandaan gekomen? De kop zal wel ’t

meest op dien van een reuzensalamander hebben geleken.... zie di wel

Harimona.... denzelfden vooruitstekenden bek.... maar deze hier heeft

tanden gehad, platte tanden gelijk het goedmoedige vee.... Het is zijn

vet, dat gebrand heeft... die zwarte brei is zijn vet geweest....

zooals het varken in een vetlaag zit....”

„Waarvan zouden die knallen gekomen zijn?” vroeg Harimona. Nu zij dicht

bij den kop stond, de reusachtige beenderen zag, zonder vrees thans

nauwkeurig toekeek, begon ook zij aan de echtheid van den draak te

twijfelen. Zeker, haar geliefde had gelijk. Wanneer Maresag den draak

zou ontdekt hebben zou hij hem gebruikt hebben om het volk vrees en

ontzag in te boezemen. Hoe eerlijk was haar geliefde. Indien hij den

kop van den draak had medegenomen, gindsch in zijn rijk gestoft zou

hebben op zijn gevecht met den draak en de verovering, zou hij zeker

begroet zijn als de moedige prins, die den gruwelijken draak had

bevochten en overwonnen. Maar hij dacht zelfs niet aan die

bedriegerijen. Hij was oprecht en waar.

„Ik herinner mij,” zeide Sogol, „dat ik eens als jongen met kornuiten

in ’t bosch spelend het kreng van een ever vond, die daar was

gestorven.

„Hij was zeer dik en gezwollen en wij, meenende, dat het dier drachtig

was geweest, staken nieuwsgierig een fram in zijn vel.... Toen steeg

uit het dier een stank op, zoo verpestend, dat wij allen wegliepen en

één van de jongens bezwijmde. De stank volgde ons een heel eind en

thuis kwamen de honden ons besnuffelen en blaften en zochten, alsof zij

wild speurden. Ons was het, alsof wij dien stank nog altijd inademden

en wij werden door onze ouders uit de hutten gezonden om ons te

baden...

„Die stank van dat ieverkreng kwam sissend door ’t vel naar buiten...

Toen heb ik niet beproefd of ’t ieverbloed branden kon... maar het had

heel goed kunnen zijn, dat die stank toen ook met een knal was

ontvlamd...

„Hoe lang ligt de draak hier?... Niemand heeft ooit zoo’n dier levend

gezien... de regen heeft hier in ’t boschje den grond omgewoeld en

misschien hebben stinkbronnen, juist als in de Ravenstroth opspuitend,

hem uit de diepte omhoog gewerkt... Hoe lang is het geleden, sinds de

draak hier verrekte? Wel vóór hier de eerste boom groeide, want in dit

boschje had hij zich niet kunnen bewegen... kijk dien breeden kop...

hoe zou hij tusschen de boomen doorgekomen zijn, zonder ze te

breken...”

Hij bleef een tijd zwijgen, in nadenken verzonken.

„Wij kunnen nu naar mijn koninkrijk optrekken Harimona. Laten wij nog

eens langs de gebogen linie loopen... Het vuur heeft voor ons de

graversarbeid gedaan... Ziet eens die ribben... Ze zijn zoo hoog als

een paard en zoo breed als mijn schild... Wat gruwelijk aanzien moet

dat reuzenbeest gehad hebben... Maar gevaarlijk was hij toch niet, met

zijn platte tanden en misschien wel even goedig als een koe... Hier is

’t gat weer... ziet di... hij is doormidden gebroken... maar hoe komen

de twee deelen zoo ver van elkaar? Hier in dit gat, waar de knal

uitkwam, is uit beide deelen van ’t lichaam het vet heengesijpeld...”

Zij liepen een eind voort en kwamen nu aan ’t andere deel van het dier.

„Hier vangt het lichaam weer aan... tot dáár, waar de staart nog

opsteekt...”

Hij snelde vooruit, bemerkend dat de staart niet door ’t vuur was

aangetast. En den staart nauwkeurig beschouwend, bevond hij, dat zijn

veronderstellingen juist waren geweest. Een zwartige, vettige massa,

die hij met den vinger kon indeuken, zat als klei om de beenderen

gekleefd.

„Schubben heeft hij ook gehad!” zei Sogol tot Harimona, wijzend op de

schubvormige omtrekken van de zwarte massa.

Hij sneed de punt van den staart van den draak af en nam die mede. Toen

traden zij terug, ontkluisterden de paarden, stegen op en reden verder

naar de Nervische gouwen.

„De helden uit de sagen namen de koppen van de draken mede, die zij

hadden gedood,” zeide Harimona. „Maar du neemt den staart mede!”

„Ik wilde een herinnering hebben en de kop zou te zwaar voor mijn paard

zijn geweest... Weet di, Harimona, du spreekt van de helden der sagen.

Vroeger heb ik die sagen altoos voor leugenpraat gehouden, die de

priesters hadden verzonnen om het volk te bedriegen. Maar nu ik dat

dier heb gezien, ga ik twijfelen. De kern van de noot is weer zoet en

alleen de schaal bitter en waardeloos. Waarom zouden de groote

voorvaderen niet met deze dieren gestreden hebben? En later, toen de

dieren waren gestorven en de voorvaderen ook, hebben de priesters goden

gemaakt van de helden en draken van de groote hagedissen...”

„Hoe weet di toch alles.... alles.... alles.... mijn geliefde!”

„Het is niet zoo moeielijk, wellieve.... Men moet maar durven....

altoos door durven.... ook de waarheid is een draak, die men het hol

der verdichting moet uitdrijven!”

Germania(#73888) · 第 29 / 44 题