Bij de Dantubaren leden zij nu al drie weken honger. Zij hadden de
geroofde leeftocht zuinig verbruikt, maar ’t reikte niet lang. Toen
waren de sterkste mannen opnieuw op strooptochten uitgegaan en ’t
weinige dat nog overbleef, hadden ze als voedsel voor onderweg
medegenomen. De vrouwen, de kinderen, de zieke mannen en de grijsaards
bleven achter zonder ander voedsel dan het gras, dat ze uit moesten
hakken uit den ijsvloer, die de heele Torngou als met een reusachtig
bronzen schild bedekte. Omdat ze te zwak waren om hout te kappen,
hadden ze de hutten verlaten en woonden in groote diepe holen bij
elkaar, die daar nog waren uit den tijd toen de wildemannen, die hier
hadden gehuisd, waren verdreven. In die holen lagen ze bijeen, vrouwen,
kinderen, grijsaards, zieken, dicht op elkaar gedrongen om warmte te
zoeken en met doffe berusting wachtend op de terugkomst van de
stroopers.
Maar de vale schemer, die ’s daags door de holgaten kwam en ’s avonds
verduisterde keerde weer, telkens weer en de mannen kwamen niet terug.
Zij zaten tot hoopen bijeen, met doffe oogen en kleurlooze wangen,
allen vermagerd tot op de beenderen zoodat de lichamen der jonge
maagden niet waren te onderscheiden van die der grijsaards. Velen waren
te zwak om zich op te richten en lieten hun uitwerpselen loopen, zoodat
ze ook de anderen bevlekten. Die wat sterker nog waren, sleepten zich
naar een hoek om hun gevoeg te doen maar vandaar walmde een zoele,
dikke verpestende stank, die zwaar hing in ’t hol. Soms stierf er een
tusschen de anderen in, maar de anderen waren te zwak om het lijk weg
te dragen en zij bleven dagen achtereen op den verstijfden doode liggen
tot anderen, door hun kermen gestoord, ’t lijk wegtrokken en naar den
hoek sleurden, waar ’t lag te vergaan.
Ook kregen ze watergebrek. Want de enkelen die zich naar den ingang van
’t hol hadden gesleept om daar buiten klompen sneeuwijs los te bikken,
kwamen niet terug en de anderen, die om de kameraden riepen zagen ze
liggen, door koude bevangen, zwart bevroren met de klomp ijs, die zij
hadden willen brengen nog in de houterige knuisten gekneld.
Er waren moeders die waanzinnig waren geworden, ’t verhongerde kind in
de armen nog drukkend als ’t al lang gestorven was. Dan stonden ze in
waanzinswoede op en wankelden naar den uitgang en gilden
onsamenhangende klanken, die dof in ’t hol echoden. Ook waren er
koortsige zieken, die maar steeds ’t zelfde woord, zuchtend en kreunend
herhaalden of anderen, die ijlden en spraken van honigkoeken en meê en
kaas, zoo met herinneringen de anderen nog tergend. Er waren zoo
twintig holen elk met drie tot vierhonderd menschen—tot zoo een klein
aantal was de eens zoo groote en fiere stam der Dantubaren
samengesmolten, sedert jaren gedecimeerd door honger en klimaatziekten.
Want de Dantubaren waren uit ’t Zuiden gekomen, verdreven uit een warm,
mild klimaat door aardbevingen, die dáár ’t verblijf langer onmogelijk
hadden gemaakt. Steeds noordwaarts trekkend, hadden zij door geheel
Gallië zich door de daar wonende stammen moeten doorslaan, omdat overal
de streken reeds bewoond waren. Steeds verder noordwaarts opgedreven,
verminderend in getal maar door de vele gevechten geoefend en
onvervaard geworden, waren zij ten laatste in de vruchtbare Torngou
gekomen, waar zij een bevolking van holbewoners aantroffen, die geheel
naakt, behaard gelijk dieren, de kinderen tot den jongelingsleeftijd
gelijk dieren nog kruipend op handen en voeten, leefden van rauw gras,
kruiden en boomvruchten. Want zij verstonden de kunst niet, vuur te
maken. Zij hadden geen andere wapens dan hun tanden, steenen en
hertengeweien, die zij in de bosschen vonden. Als de Dantubaren
verschenen, schoolden de holbewoners bijeen en toen, op hen aanrennend,
vielen ze hun aan gelijk honden of wolven, naar voren springend op
handen en voeten, de monden grommend open en hun tegenstander den strot
trachtend door te bijten.
De Dantubaren met hun Etrurische zwaarden stietten de wildemannen als
beesten neer en voor zooverre ze niet vluchtten werden ze uitgeroeid.
Levend werden de wilde mannen die krijgsgevangen waren gemaakt
begraven, naar de gewoonte der Dantubaren. In de Torngou waren zij
blijven wonen en sloten verbonden met de Frisen, de Batouwers, en de
andere stammen rondom. Zij waren knappe landbouwers, leerden de andere
stammen het zaaien van goudgraan, het weven van driekleurige gewaden en
het looien van runderhuiden. Ook namen veel stammen hun goden aan, daar
deze grootere macht bezaten dan de zwarte steen en Thius. Zij waren het
ook, die Wotan en Donar in de Batouw tot oppergoden deden uitroepen.
Doch gewend aan een warm klimaat, verzwakte de stam der Dantubaren. De
mannen, bij hun komst reeds kleiner dan de Batouwers en Kaninefaten en
Frisen, werden nog kleiner van lichaamsbouw, zoodat zij in den strijd
niet tegen hun buren opkonden. Hun zwaarden, van een vreemd metaal,
versleten langzamerhand en nieuwen konden zij niet maken, daar zij het
metaal niet vonden in deze streken. Toen de oogsten mislukten en zij
door den honger gedwongen, eerst hun have moesten ruilen voor leeftocht
en toen op rooftocht uitgaan, werden zij door de naburige stammen
getuchtigd. Zoo was dan slechts deze kleine stam van de Dantubaren
overgebleven, na zes geslachten reeds geheel ontaard en met
half-vergeten tradities.
Er was onder de hongerenden in één hol nog een enkele grijsaard, die
herinnering had aan de goede tijden van weleer. Hij vloekte op de
goden, de ellende wijtend aan de vijandige oude goden, die van den
zwarten steen en aan Thius, die door de nieuwe goden verdrongen waren.
Hij bezwoer de jongelieden, wanneer ze in leven zouden blijven, Wotan
en Donar weder af te zweren en de oude landsgoden te aanbidden, die in
deze streken alleen de macht hadden. De holen hadden geen gemeenschap
meer met elkaar, want niemand waagde zich naar buiten—vreezend te
zullen bevriezen. Maar in één hol, waar veel jonge vrouwen waren
opgehoopt, die vreezend voor het geweld van de grijsaards en de zieke
mannen, bij elkaar waren gaan schuilen, hadden de hongerenden een gang
gegraven onder den grond door, omdat zij zoo eetbare wortels vonden van
diepgroeiende planten. En voortgravend waren zij toen aan het hol
gekomen, waar de grijsaard lag. De vrouwen hadden de stamgenooten
medegedeeld van de wortels en daar zij kleederen hadden, wikkelde eene
zich in de gewaden aan veel anderen en zoo, tegen de koude beschut, kan
zij naar buiten gaan om ijs te halen.
Dat bracht eenige lafenis en nu wekte de priester de vrouwen op, den
zwarten steen te gaan halen van de grens en die naar het hol te
brengen. Zoo vurig en overtuigend had hij gesproken, dat ten slotte een
twaalftal vrouwen besloten de oude godheid te gaan zoeken. Zij kleedden
zich met alle gewaden, die in de holen waren en eens buiten, liepen zij
naar de hutten, verzamelden de huiden en zoo, geheel in pelzen
gebakend, reden zij met een wagen naar de grens, zich voedend met gras,
wortels en moes van dorre bladeren. Maar aan de grens werden zij
opgewacht door de gewapende Batouwers, die haar in heur pelzen voor
mannen aanziende, te lijf gingen. Doch zij gilden met heur hooge
stemmen, rukten zich de pelzen van ’t lichaam, toonden heur borsten en
schaamdeelen en smeekten om deernis. De Batouwers, ziende dat zij
vrouwen voor zich hadden lieten af en meenend, dat zij om hun mannen
kwamen, vertelden zij, dat zij de mannen allen hadden neergehouwen,
omdat ze op roof waren uitgegaan.
De vrouwen jammerden en enkele Batouwsche vrouwen brachten haar wat
brood en kaas, hoewel ze zelve bijna nood hadden. Daarna hadden zij den
zwarten steen op de kar geladen en toen trokken ze weder naar het hol
terug. Dien nacht was het nieuwe maan en het weer sloeg om. Het ving
aan te dooien en in het woud, waar zij doorheen trokken, begon het al
zachtjes van de takken te druppen. De maagden meenden dat dit het begin
der wonderkracht van den goddelijken steen was, en dat was haar een
troost in haar groote droefenis om den dood van de sterkste mannen van
den stam. Tegen den morgen kwamen zij doodelijk vermoeid met den steen
voor het hol aan. Zij riepen die in ’t hol waren naar buiten, zeggende
dat het dooide. Een zwak gejuich ging op en de menschen kropen naakt
uit het hol en buiten gekomen, begonnen zij den vochtigen grond te
lekken om hun dorst te stillen. Zij waren vaalbleek in ’t gelaat, het
geheele lichaam groezelig besmeurd met aarde en drek en velen hadden
ontstoken oogen, etterende wonden. Toen de maagden vertelden, dat de
mannen, die op roof waren uitgegaan, door de Batouwers waren
doodgeslagen, gromden zij als dieren en daar velen zich uit zwakte niet
meer konden oprichten, geleken zij op dit oogenblik op de wildemannen,
die hun voorvaderen hadden verjaagd. De grijsaard liet den zwarten
steen opstellen op de mede en toen waarschuwden de maagden ook de
lieden in de andere holen. Die kwamen nu ook naar buiten kruipen,
knipoogend met ontstoken oogen tegen het daglicht. Zij kropen als
dieren langs den grond, zoo verzwakt waren zij en velen begrepen niet
wat er gebeurde, verwezen geworden in de vele dagen dat zij hongerend
in het half duister der muffe, broeierige holen hadden gelegen. Bij
twee holen kregen de vrouwen geen antwoord. Een harer wilde
binnendringen door de luchtgang, maar zij tradt terug en begon te
braken zoo walgelijk was de stank die haar tegensloeg. De maagden
riepen nogmaals en nogmaals, dat het dooide, dat de heilige steen was
opgesteld, maar zij kregen geen antwoord. Toen keken zij elkaar
zwijgend aan en liepen treurig verder. In die holen waren alle menschen
van honger en ellende gestorven. Ze lagen er in ’t half duister tegen
elkaar, grijsaards, knapen, meisjes, moeders met zuigelingen en
maagden, een dichte hoop stinkende lijken in plassen drek en vocht.
De grijsaard riep allen om den heiligen steen bijeen, doch maar enkelen
konden loopen. De meesten, op handen en knieën voortkruipend, sleepten
zich naakt door het smeltende, grijze sneeuwwater. Sommigen bevangen
door het licht en de buitenlucht vielen terzij en lagen liggend op de
smeltende ijskorst, die grijszwart om hen heen dooide. Anderen konden
niet voort wegens hun zwakte en wilden weer terugkruipen naar het warme
hol. Maar ook daarvoor ontbrak hun de kracht en zoo bleven zij steunend
en rillend zitten en keken naar den zwarten steen van den ouden god op
de mede, waar de sterkeren nu al een donkeren kring omheen vormden op
het vaalwitte vlak van ’t bevroren sneeuwveld-in-dooi.
De grijsaard zeide zich te herinneren, dat rondom den steen een vuur
moest worden gemaakt en keek naar de takken van ’t struikgewas alsof
hij met zijn oude, slijmige oogen de takken van de struiken kon halen.
Maar er was er onder allen geen, die nog genoeg kracht had om naar ’t
struikgewas te gaan om hout te sprokkelen.
De anderen keken ook naar ’t struikgewas en de twaalf maagden, hoewel
vermoeid van de lange reis en het sleepen van den zwaren steen, den
heelen nacht door, zochten over het veld tot den einder of niet ergens
nog een houtstapel boven de sneeuw uitstak. En één harer wees den
vinger naar een zwartig punt heel ver.... vragend of dat geen houtmijt
was? Een der zieke mannen, die vroeger zeeman was geweest maar door een
buis de beenen had gebroken en sedert zich op krukken voortrukte, keek
nu ook maar hij gaf een gil van schrik.
„Dat zijn de wolven!” riep hij. En meteen, zijn krukken met een ruk
neerzettend, begon hij zich daartusschen haastig naar het hol te
slingeren. Anderen volgden hem, roepend: „De wolven! De wolven!” en
zwakken, die niet tot den heiligen steen hadden kunnen kruipen, nu door
den schrik aangevuurd, sleepten zich terug naar het hol. Ook waren er
die, geen raad wetend om onder weg te komen, hun naakte lichamen
languit op den grond legden en zoo zich om-en-omrollend het naaste hol
trachtten te bereiken. Maar zij werden spoedig duizelig en bleven
verdoofd liggen op het kleffe, kille sneeuwijs.
„Vuur! Vuur! Wij moeten vuur maken om den god!” riep de grijsaard
heesch. „Dan zal hij ons redden!” Daar waren enkele mannen uit een de
verste holen, die nu naderden, die sterker waren dan de anderen. Zij
hadden in het hol de vrouwen, de kinderen en de zwakken gedood en die
rauw opgevreten.... en daarna hadden zij geloot en wie ’t lot trof was
met een steen neergeslagen en dan in stukken gerukt en verzwolgen.
Zeven mannen waren nog overgebleven, toen de maagden ze hadden geroepen
en ze kwamen naar buiten, rechtop en niet vermagerd, maar hun lange
haren en hun lange baarden en neerhangende knevels waren wit als die
van grijsaards. Toen zij in de verte nu ook de wolven zagen naderen,
een vaalroode driehoekige vlek die over ’t blauwgrijze veld scheen toe
te komen glijden, deinsden zij niet terug maar gromden diep in de keel
en zij staken de koppen vooruit en snoven de frissche lucht op.
De maagden hadden met hun laatste krachten dor hout gezameld van de
dichtbijzijnde struiken en de priester deed moeite om vuur te maken,
door twee stukken hout tegen elkaar te wrijven. Maar het smeltende
sneeuwijs had de takken te vochtig gemaakt en de grijsaard was te
uitgeput om het hout droog te wrijven. Hij keek vragend op, naar de
zeven dikke mannen maar deze wilden hem niet helpen en hij, wel
vermoedend waarmede zij zich gevoed hadden en hun onwil ziende schold:
„Vervloekte lijkenazers!”
Zij lachten en onder hun witte knevels schitterden hun lange tanden.
De maagden, dit hoorende, begonnen van afschuw en ontzetting te gillen
en een harer wilde een steen oprapen om dien naar de kerels te gooien,
die maar bleven grijnzen. De steen zat nog vastgevroren aan ’t
sneeuwijs en met dat zij nog gebukt stond, sprong een der kerels haar
achter op den rug. Zij viel neer en hij wentelde haar om en volbracht
zijn lust. De zes andere kerels, dat ziende, stortten zich nu ook op de
maagden, die zich verweerden en eene haakte haar vinger in ’t oog van
een der mannen en haalde het er uit. Hij kreet, gaf haar een trap voor
de buik en toen zij kreunend neerviel, stortte hij zich op haar om zijn
lust bot te vieren.
De wolven kwamen nader.... en de grijsaard zag al de voorsten goed met
de uitgerekte snoeten en de open muilen, waaruit damp stootte. Hij
begon opnieuw een hout te draaien in de vork van een tak en nu vatte
het hout vuur. Hij liet het even aanbranden en wierp er andere takjes
op.... maar toen ’t hout begon te vlammen op den grond, ontdooide het
sneeuwijs en zoo werd het weer nat en smeulde met dunne zwartige
wolkjes, waarin de einden als vurige oogjes gloeiden. Hij blies met
zijn korte, hijgende adem, maar hij kon ’t vuur niet doen oplaaien.
De kerels, na aan hun lust voldaan te hebben, de wolven ziende naderen,
vluchtten nu naar het naaste hol en kropen er diep in weg, voor ’t
luchtgat de lijken duwend die zij daarbinnen vonden.
De maagden gilden en de wolven ziende naderen vluchtten zij ook naar
een ander hol.
De zwakken, die niet meer weg konden schoolden saam, hopend zoo de
wolven nog te kunnen weerstaan. Het was een troep van twintig
uitgehongerde dieren, die van zeer verre kwamen, aangelokt door den
reuk van menschenvleesch. Zoo verhongerd waren ze, dat onder de oogen
van de Dantubaren, die ze ongewapend moesten afwachten er telkens
achterbleven, op den rug rolden en de pooten in de hoogte stekend, dood
bleven liggen van uitputting. De voorste wolf bereikte met een sprong
den grijsaard maar deze bukte achter den heiligen steen en de wolf over
hem heen springend viel neer en kon zich uit zwakte niet meer
oprichten. Twee anderen wolven sprongen den voorsten wolf na.
Telkenmale bukte zich de grijsaard en nu wierpen de twee wolven zich op
den zieltogenden éérsten wolf en reten diens strot met de muilen open
en begonnen aan ’t trekkende vleesch te eten. Het bloed sijpelde
helderrood op de blauwgrijze sneeuw. De grijsaard nam een nog
smeulenden tak en stak die naar de twee wolven uit, die de bebloede
muilen oprichtend met vurige oogen naar den tak zagen maar de dwalmende
rook opsnuivend deinsden zij terug en een kleinen jongen ziende, die
bevroren voeten had gehad en daardoor zich slechts langzaam op de
billen weg kon wippen, sprongen zij op den knaap toe en begonnen hem te
verscheuren.
De grijsaard nu zich bukkend, den smeulende tak vooruithoudend, wilde
de beide dieren ook daar verjagen maar ziende, dat de knaap al
zieltoogde, werd hem de lust te sterk en hij wierp zich op ’t half
verscheurde, warme kreng van den eersten wolf en zijn tandelooze mond
brengend aan de buikholte, begon hij gierig het warme bloed uit het
dampende lichaam op te zuigen.
De andere wolven hadden zich midden in de hoop der menschen geworpen.
En nu waren menschen en wolven één dikke, rollende, dampende,
worstelende kluwen. Menschen en dieren beten zich aan elkaar vast en
zogen het stroomende bloed op en kauwden op ’t krimpende vleesch, zoo
uit het levende lichaam gebeten. En tusschen het krijten en gieren van
de menschen en het janken van de wolven was geen onderscheid... Eén
wolf werd een eind omhoog geworpen en smakte neer met gebroken pooten.
Dadelijk vielen vier, vijf menschen op ’t gekneusde dier aan. Een greep
den strot en worgde den wolf, terwijl de anderen al de tanden zetten in
de pooten en met rukken van den nek, het harige vel afscheurden van ’t
nog levende dier. En een man, die zijn tanden had gezet in den
achterpoot en ’t bloed opzoog werd door een anderen wolf in ’t eigen
been gepakt en nu, zich met een gil krimpend oprichtend en zich
achterwaarts buigend, sprong een tweede wolf hem naar de keel en beet
hem den strot door en bleef met zijn tanden in zijn keel hangend het
bloed opslurpen uit ’t lichaam, terwijl de man zijn vingers, gekromd in
doodsangst, haakte in de oogen van ’t dier.
Zoo bleven de wolven en de menschen in een bloederige dichte hoop
wentelen en kruipen op de vaalzwarte plek in de smeltende sneeuwkorst,
die aan de randen roodaderde van wegstroomend bloed, tot de wolven
verzadigd grommend wegslopen en bloederige, kreunende gestalten zich
losmaakten uit den hoop, zich wegsleurden, een zwart spoor met roode
strepen achter zich latend.
Toen de wolven weg waren zag de grijsaard, gesterkt door ’t opgedronken
lauwwarme wolvenbloed, uit het hol de lijken naar buiten duwen en de
naakte kerels met de witte knevels en geelwitte baarden en lange witte
haren kwamen voorzichtig en gebukt nader.... zij slopen naar de
grauwwitte plek waar de krengen der opengescheurde wolven en de
bloederige stukken der menschelijken lagen en grenzend met hun lange
tanden, hurkten ze neer en begonnen hun maal te doen.... de stukken
menschenvleesch verkiezend boven de stukken dierenvleesch.... gulzig de
monden wroetend in ’t blauwzwarte dampende vleesch, zoodat langs hun
geelwitte baarden rood menschenbloed traag werd ingezogen en in zwarte,
stollende droppels neerbiggelde langs hun bloote, behaarde borsten....
Toen richtte de grijsaard zich op en hun met de vuist dreigend, riep
hij:
„Vervloekt, vervloekt zullen de lijkenazers zijn, hier en bij Thius....
vervloekt, vervloekt tot in de eeuwigheid!”
Toen liep hij naar de groote hut achter het bosch, terwijl de kerels,
met de beide handen de brokken rauw menschenvleesch aan den mond
brengend, met glinsteringen van genot elkaar toeknikten, knorrend
schrapend met de groote, witte tanden in de rookende, bebloede hompen.