Het was een droevige winter, die aan was gebroken in de Batouw.
Sigbert, zijn vrouw Maaike en zijn twee zonen, Reri en Tjeerd, zaten
dagen achtereen in de half duistere hut voor ’t haardvuur. De
Dantubaren hadden veel graan gestolen en waren daarmede weder naar hun
gouw getrokken. Aan vervolging was voorloopig niet te denken, want op
den sneeuwval, die een week lang bijna onafgebroken had geduurd, waren
een paar zoele dagen gevolgd. Toen was het gaan vriezen, steeds harder
en de geheele Batouw was zelfs tot diep in den grond bevroren. Het
sneeuwwater had zich tot een vaste ijskorst gevormd, die met veel
moeite opengehakt moest worden, wilde men den bodem bereiken. Toch was
een Ding geroepen om over den toestand te spreken. Ze kwamen uit de
geheele Batouw de stevige, wat gebukte gestalten der vrije boeren, die
leefden zonder koning, gehoorzamend aan den Raad der Ouden, die gevormd
was uit de oudste aanvoerders der saksen, dat waren afdeelingen van
honderd weerbare lieden die met den saks, een bijl die tevens lans was
en als slag-, steek- en werptuig kon dienen, konden omgaan.
Maar hoewel uit de goede tijden van weleer de Batouwers nog dikke,
mooie pelzen hadden, geruild tegen veldvruchten met de jagerstammen uit
de boschgebieden, toch zag men de naderende armoede aan de magere
paarden, de weinige bronzen knoopen en fibels, de afwezigheid van
bronzen borstspangen en armringen, die allen al waren ingeruild voor
leeftocht bij de Frisen en de Kaninefaten.
En de gelaten der mannen stonden stroef en droef en de vrouwen, die
medegekomen waren, droegen gelapte overkleederen en de teenen
karbiezen, waarin zij de leeftocht droegen, waren zichtbaar licht.
Zij brandden een kring van groote houtvuren rondom het Dingveld om de
koude te verdrijven en dichtopeen stonden ze in dien vurigen kring. Er
waren nu geen spelen en geen hardrijderijen en geen mee-tenten om den
Dingplaats opgericht, zooals anders wanneer het Ding werd gehouden.
Want men was mismoedig en wist dat dezen winter hongersnood te wachten
stond.
Sigbert trad voor den raad der ouden, zeven grijsaards, die in
berevellen gehuld en toch nog kleumend, gehurkt zaten bij een groot
houtvuur. Hij gaf eenvoudig en kort een verhaal van de moeielijke
tocht, hoe Reri was uitverkoren als de wachter der schattenschuren en
hoe Harimona een goeden oogst voorspeld had. Hoe zij na veel
wederwaardigheden huiswaarts waren getogen en hoe toen Herebaeld van
uitputting en koude gestorven was.
Het was een wijle stil toen Sigbert zijn roerend verhaal had gedaan en
de stoere Batouwer, denkend aan het kind, dat hem ontvallen was, wreef
met den rug van zijn groote knuist, een traan uit de oogen.
De Oudste van den Raad der Ouden stond op en met een beverige stem,
dankte hij Sigbert voor zijn beleidvol en opofferend gedrag. Hij stelde
voor Reri en Tjeerd beiden te doen benoemen tot saksvoerders en hun
recht te geven op een akker en een weiplaats op de meent.
De Batouwers staken allen de saksen op en sloegen die tegen elkaar ten
teeken van instemming. Maar Sigbert was treurig teruggetreden en tot
Maaike, die terzij bij een vuur wachtte, zei hij:
„Mi was ’t liever geweest, als onze Herebaeld nog leefde.”
„Mi ook Sig!” zei Maaike, zich steunend tegen haar man.
En de Batouwers zagen stil en eerbiedig de twee terugtreden.
Er was besloten tot het voorjaar te wachten om de Dantubaren te gaan
tuchtigen. De Raad der ouden had onderzocht hoeveel graan er nog in de
Batouw gebleven was. Maar dat viel tegen en ondanks de voorspelling van
Harimona, die hoop op de toekomst gaf, waren de Batouwers treurig en
ernstig naar hun hutten teruggekeerd.
Het was een gruwelijk strenge winter. Van de koude werd niet veel
geleden, want men had genoeg pelzen en hout. Maar de honger kwam
nijpen, toen het graan verbruikt was. Het vee en de paarden, waarvoor
men geen voeder meer had, moesten geslacht worden. Het vleesch, in de
open lucht gelegd, bevroor en bleef lang goed en zuinig werd er van
gebruikt. Doch het raakte ook op en elken dag kwamen er bij Sigbert
buurlieden en stamverwanten om voedsel vragen. Die van verre kwamen,
aan de Dantubaarsche grens woonden, vertelden van de verschrikking van
den honger bij de Dantubaren, want het geroofde graan had niet lang
gereikt en vee bezaten de arme Dantubaren sinds lange niet meer. Er
waren daar mannen, die hun vrouwen en kinderen hadden geslacht en
opgegeten. De zwarte ziekte heerschte er en men zag op de wegen de
blauwe, bevroren lijken van tot geraamten uitgeteerde menschen liggen,
die ziek uit de dorpen waren gedreven en van honger en kou spoedig
waren gestorven. Soms kwamen de Dantubaren, in een groote troep ’s
nachts naar de woningen van de grens-Batouwers sluipen, loerend op
roof. Maar de honden sloegen aan en zoo krachteloos was ’t verhongerde
volk geworden, dat twee Batouwers slechts met de knods gewapend, er op
één nacht tachtig hadden neergeveld. Zij deden geen moeite om zich te
weren, vielen op de knieën en lieten zich neerslaan als aren buigend
voor de sikkel.
Sigbert had nog geen gebrek, want Reri, de zeeman, wist een middel om
visschen in de rivier te vangen, maar dat gebeurde in ’t geheim, want
de visch was schraal en als anderen zijn geheim ontdekten, zouden ze
allen naar de rivier gaan en dan bleef er spoedig niets meer te vangen
over. ’s Nachts gingen hij en Tjeerd naar den stroom en hakten een
bijt. Dan staken zij een bundel stroo in de bijt en daarin dan raakten
wat kleine visschen verward, die ze thuis brachten. Doch de rivier
vroor steeds dichter toe, zoodat de stroowisch wel tot een manslengte
in ’t gat moest gestoken worden. Maar ook was het ééns gebeurd, dat zij
een grooten snoek in ’t ijs vonden vastgevroren. Dat was een vangst
geweest! Moeder had hem in mooten gesneden, aan spitjes gezoden en
daarna in den rook gebruind.
De vier zaten den ganschen dag voor het vuur in de hut. Sigbert en Reri
waren beurtelings de bosschen gaan afloopen om naar winterwild te
speuren. Maar de holen waren verlaten en de bosschen waren leeg. De
dieren, door hun instinct gedreven, hadden andere streken opgezocht of
waren bevroren en lagen verborgen onder de ijskorst van het bevroren
sneeuwwater. Vèr dorsten zij niet van huis te gaan, want de honger
maakte de beste lieden tot vijand en waar die dan voorraad vonden,
stalen zij het weg en sloegen de bewoners neer, wanneer die te zwak
waren om zich te verdedigen. Daarom bleef altijd een van de mannen bij
moeder thuis en verder dan een horenstoot afstands durfden Sigbert en
Reri niet te gaan.
De zeeman verhaalde in de eerste tijden van zijn reizen. Hij was vier
keer naar ’t Paarden-eiland geweest. Den laatsten keer was de schipper
met de zeelieden, dwars over ’t eiland getrokken, het schip medevoerend
op vijf stel wielen, die ze hadden medegenomen. En toen, aan de andere
zijde, hadden zij ’t schip weder te water gelaten en waren
voortgestevend, twintig nachten lang om den weg naar het vreemde land
te zoeken, die bekend was ver in ’t noorden, waar de Recken woonden.
Maar zij hadden geen land ontdekt, de wereldzee breidde zich steeds
verder uit en vreeselijke stormen waren opgestoken. Toen wilden de
zeelieden terug, omdat ze vreesden in den baaierd te geraken, en van de
aarde af te vallen in den diepen, donkeren zwind, waar de kwade geesten
huizen. De schipper had ze schatten beloofd als zij hem trouw bleven en
nog drie dagen waren zij blijven stevenen. Maar toen de stormen
toenamen en de wacht ’s nachts een groot zeemonster had gezien, dat
zware stralen water opspoot en loeide met meer geweld dan een barditus
van tien saksen, weigerden de zeelieden verder te gaan. Toen had de
schipper een spaak in de hand genomen, gedreigd elkeen neer te slaan,
die zich tegen hem verzette, de zeelieden opgeroepen, die mee durfden.
Hij, Reri, was als Batouwer, de eenige geweest, hoewel hij ook zeer
voor ’t monster en den zwind gevreesd had. Maar hij had zijn woord
gegeven voor de afreis.
„Hadden die anderen hun woord niet gegeven?” vroeg Tjeerd.
„Dat zeker....” zei Reri.
„’t Waren zeker Kaninefaten!” zei Sigbert verachtelijk.
„Zooals du zegt vaêr, Kaninefaten en Dantubaren.”
„Dat’s allemaal klootjesvolk! Als ’t nu nog Frisen geweest waren.”
„Neen,” zei Reri, „een Fries staat zijn man als du ’m aanvalt. Dat is
bekend. En als een Fries vecht, dan staat-ie of valt-ie. En als ’t is
om een skig te bouwen, laat ze dan maar loopen. D’r zijn geen betere
bouwers.... onze skig was een Friesche, maar hij liep in den wind
gladjes als een steen van den berg. Als wij het zeil ophadden en er
kwam een skig van de Eierlanders of de Bellovaken, die mee wilden en
ons vooruitloopen, dan wisten wij ’t al en hielden een ham omhoog, dat
ze ’m mochten halen.... als ze ’m krijgen konden. Maar krijgen deden ze
’m nooit. Wij waren al uit zicht als ze nog peuterden met riemen om mee
te komen!”
„En hoe is het toen gegaan bij den zwind?”
„Ik stond wel mijn man en de schipper ook, maar wat kan di tegen bang
volk? En ’t bleef stormen, altijd door uit denzelfden hoek, dat wij
niet van de plaats konden komen. Telkens werd di teruggeslagen. Toen
kregen wij gebrek aan leeftocht en aan water. Wij vingen veel visch
maar âltoos visch, daar kan di niet op leven en wij moesten weer
terug.”
„Grendeldebliksem!” riep Sigbert, „wat een jammer!”
„Hè.... als du eens naar ’t vreemde land was gekomen Reri. Hoe ziet het
er uit?”
„Gezien heb ik het niet hoor.... Maar de schipper wist er al veel van
en als ’t niet geweest was dat vaêr mij hier noodig had, ’k was weer
meegegaan.... want hij is weer uitgevaren met de eigenste skig, maar
met Noorsch zeevolk er op.... allemaal kerels, waar ik nog een peuter
tegen was....”
„En wat zei hij van ’t vreemde land.”
„Nou, daar wonen menschen zoo zwart als ievers. En er zijn boomen zoo
hoog als drie beuken op elkaar, maar zoo kaal als een aal. Boven op den
top zitten de blaren, die zoo lang zijn elk als een man. En er groeien
noten aan zoo dik als een menschenhoofd.”
„Zou ’t waar zijn?” riep Sigbert uit.
„Wáár? De schipper had zelf zoo ’n noot gezien. Ze was te kijk op het
groote Ding in Abalsia [10] waar hij geweest was omdat hij er stem
had.”
„Hoe is ’t mogelijk! Als menschenhoofden!”
„En ’t zijn echte menschenhoofden geweest. Rondom zit het bruine haar
en als dat opgelicht wordt, zijn er twee zwarte oogen en een neus op te
zien. Als zoo’n boom oud wordt, groeit aan den kop een romp en aan de
romp komen beenen en armen en dan valt er zoo ’n zwarte kerel naar
beneden en zóó komen daar de menschen in de wereld!”
„Zijn er dan geen vrouwen?” vroeg Maaike.
„Dat weet ik niet. Dat heb ik den schipper niet gevraagd.”
„Hoe zouden die er zijn?” meende Tjeerd. „Als di toch hoort, dat de
menschen van de boomen vallen.”
Als Reri van zijn reizen verteld had, verhaalde de vader van vroegere
tijden. Hoe zijn grootvader hem nog verteld had van de lange
zwerftochten, die hij in zijn jeugd had gemaakt met den geheelen stam,
het vee in groote kudden voor zich uitdrijvend, komend in landen, waar
nog geen menschen gewoond hadden en afweidend de grasvelden en de meden
en marschen, elken nacht op een andere plaats kampeerend. Maar in de
Batouw woonden al menschen in hooge hutten, die boven op palen stonden.
Het was een klein slag en zij hadden geen andere wapens dan grove
stukken vuursteen. Toen nu de stam van Sigberts grootvader daar aankwam
met de groote kudden en de paarden en zij zagen hoe sterk de mannen
waren, trokken al die lieden ’s nachts in stilte weg en ’s morgens was
er geen enkele meer te vinden. Eerst hadden de mannen van grootvaders
stam gedacht, dat het een krijgslist was en zich niet in de woningen
gewaagd. Maar na een week was er nog geen weergekeerd en toen waren
grootvaders lieden in die hooge woningen gaan wonen. Niemand heeft ooit
meer van die menschen gehoord.
„Dan zijn ’t zeker kobolden geweest,” meende Reri.
„Mijn grootvader zei, dat zij naar het Alkmeer [11] zijn getrokken en
daar op vlotten de zee in zijn gevaren tot de kust. Op een nacht is
daar de kust van ’t land geslagen en ze zijn toen zeker allen
verdronken. De Eierlanders moeten nog vuursteenen van ze hebben en van
’t hout van de vlotten hun hutten hebben gebouwd.”
„Waar kwam dijn grootvaêr van daan?” vroeg Reri.
„Nu vraag di mij te veel... dat wist-ie zelf niet meer... Zoolang hij
heuchenis had, trokken ze maar rond, overal waar ze meden vonden.”
„Het was een rare, dijn grootvaêr!” zei Maaike tot haar man. „Denk du,”
ging ze tot Tjeerd sprekend voort, „dat-ie tot Wotan of tot Thor bad of
ze offerde? Zij hadden een grooten steen meegebracht, daar waar ze
vandaan kwamen en die was, zei-ie uit den hemel gevallen als een ster
en dat was hun geloof. Ze stookten om den steen een vuur en dan gingen
ze er naakt omheen dansen, mannen, vrouwen en kinderen, allemaal en als
er een zwak kind was, namen ze het en wierpen het op den steen, dat ’t
stikte van den rook en verzengde van de vlammen. Als ’t dan geroosterd
was, vraten ze ’t op....”
„Zulke beesten!” riep Reri uit. „Daar had ik bij moeten zijn....”
„Geloof is geloof!” zei Sigbert. „En mijn grootvaêr heeft nooit mee
gegeten.”
„Dat heeft-ie wel!” riep Maaike geprikkeld. „En ’t was maar nauw, dat
ik hier Reri uit zijn knuisten wrong, toen ie geboren was omdat-ie ’m
op den steen wou brengen.”
„Ze wisten nog niet beter!” verontschuldigde Sigbert.
„Als du zoo eens denkt, dan leven wij toch in wat betere tijden vaêr.
Wij hebben onze meent, en onze vaste hutten en wij kennen de ware
goden.”
„Ik weet het niet!” mompelde Sigbert. „Nu hebben wij al drie jaren
slechte oogsten en wat hebben wij al niet gedaan om Wotan en Donar en
Nerthus en Thius te verzoenen. Wij hebben als Batouwers allemaal bij de
eerste ploegvoor brood geofferd voor Nerthus; bij ’t zaaien, zaad voor
Thius of zooals jelui tegenwoordig zeggen Wotan; na den zaai hebben wij
in de Batouw over de duizend banen geofferd tegen den hagel en ’t
onweer. Winkelfried heeft zijn twee mooie vaarzen geofferd voor de
Batouw. En wat is ’t geweest?... Hagel, donder, overstrooming,
bloedkoren, alles wat di maar voor kwaads hebben kon. Nou zijn we naar
Harimona geweest. Goed, we zijn naar Harimona geweest en we zullen zien
wat ’t geeft... du mag niet twijfelen, want als du twijfelt beginnen ze
di eerst recht te pesten. Maar dat zeg ik di—als wij den winter
dóórkomen en wij hebben gezaaid en ’t is weer donderen, dan weet ik
allang wat wij doen...”
„Dan trekken wij weg!” riep Tjeerd.
„Wegtrekken? Bij den iever niet... wegtrekken doe ik niet. Beteren
grond dan hier vind di nergens... in de heele wereld niet... ’t Is
grond waar di niet af mot gaan... Hoe was de oogst Maaike, toen du
Herebaeld baarde? Wij hadden zooveel, dat wij toen de winter om was nog
méér in de kuilen over hadden dan in andere jaren vóór den winter... En
hoe was de oogst, toen Herebaeld gewijd werd? Ze hadden toen bij de
Dantubaren een schralen oogst... Maar ze hoefden niet te komen rooven
hoor... Wij wezen ze de kuilen en zeiden, neem maar buur, zooveel als
di nemen wilt... Wij konden ’t zelf toch niet aan in de Batouw en ’t
zou verschimmeld en verrot zijn.”
„Dat was allemaal door Herebaeld. Zoo dikwijls als er met hem wat
gebeurde, bij zijn geboorte en bij zijn wijding en toen-ie de runen
ging leeren en toen-ie uitgeleerd terugkwam, altoos bracht dat kind
geluk... is ’t niet Sig?” vroeg Maaike.
En voor ’t vuur staande, voelde zij de oogen branden door ’t stralen
van de vlammen in de opwellende tranen.
„Ik weet wel, wat ik doe!” zei Sigbert zachtjes knikkend met ’t hoofd
en daarna star in ’t vuur blikkend.
„En wat zou du dan doen, vaêr?”
„Nou magge jelui lachen om mijn grootvaêr, maar ik weet, dat-ie altijd
de grootste kalveren en de kloekste peerden had... dat heb ik voor mijn
oogen gezien en wat du ziet, mot du aannemen.”
„Dat zeker,” meende Reri.
„En als ’t weer slechten oogst is, dan kunnen Wotan en Nerthus en Frija
en al dijn nieuwerwetsche goden mij dàt doen... en ik ga naar den
zwarten steen aan de grens en ik offer er een vaars op...”
En mokkend nadenkend, bleef de oude boer verbitterd op Wotan en
Nerthus, in ’t vuur staren.