HOOFDSTUK IV.

Toen Koning Gise zijn eiland weder bereikt had, herkende zijn

onderdanen hem niet. Hij was tot op het vel vermagerd en zijn drie

koks, die vele dagen vóór de aankomst hun talenten getoond hadden bij

de toebereiding van het geslachte ezeltje, geleken op elkaar als drie

stafrijmen. Zij hadden het leege karretje voortgetrokken, nadat de ezel

opgegeten was en koning Gise liep treurig achteraan, troosteloos omdat

hij zonder de hand en zonder de belofte van de groote priesteres, naar

zijn eiland moest terugkeeren.

Zijn smart werd nog grooter toen hij eindelijk op ’t eiland

teruggekomen was. De fioord was na een storm zoo verzand, dat de

schepen, die in de fioord lagen, niet meer konden uitvaren en de

schepen, die van de oceaan aanzeilden, niet meer binnen konden vallen.

De Bedekauwers hadden zich hierom weinig bekommerd. Zij vertrouwden op

hun koning, die wel de gunst van de machtige priesteres zou weten te

verwerven en hadden zoo vroolijk en welvoldaan geleefd als dat gezeten

lieden past.

Toen zij nu hoorden, dat de koning niet alleen afgewezen was als

bruidegom, maar zelfs smadelijk als roover verdreven, begonnen zij den

omvang van de ramp te beseffen en spraken er over, weder naar

Nehalennia te gaan en haar door groote geschenken en veel offers te

verteederen, zoodat zij den zeegeest zou gelasten, de fioord weder uit

te diepen.

Koning Gise was mismoedig en bepaalde er zich voorloopig toe, zich

weder op zijn vroeger gewicht te eten, want hij merkte wel, dat zijn

mager lichaam alle waardigheid verloren had. Maar hij at nu niet aan

vroolijke gelagen en velerlei spijzen uit zilveren en gouden schotels,

doch somber liet hij telkens een eenzamen houten nap met vleesch en

kool vullen en at die leeg. De drie koks wilden sproken spreken, doch

de koning legde hun het zwijgen op, legde geen waarde meer op

stafrijmen en zuivere maat, maar verweet zijn drie dichters, dat zij

niet in staat waren geweest de groote priesteres te bekoren.

De drie koks werden nu morrig en begonnen in ’t geheim spotdichten te

maken op hun eigen koning, die hun verwijten deed, hoewel zij hem trouw

gediend hadden.

En hun spotdichten waren zonder stafrijm en zonder de juiste maat,

navolgingen van Pill, Pimm en Pinn, doch als alle navolgingen zonder

den geest van het oorspronkelijk voorbeeld.

Toen nu, korten tijd daarna koning Mise terugkeerde, werd koning Gise

nog neerslachtiger en de Bedekauwers schoolden te samen en begonnen er

over te spreken koning Gise af te zetten en koning Mise op den troon te

verheffen. Want ziet hoe hij naderde. Dertig groote Rinsche wagens

vormden den stoet. Op den voorsten wagen zat koning Mise, weldoorvoed

en met een buik zoo mooi rond als een pasgevulden wijnzak. Hij droeg

een kroon van echt goud rond zijn rood haar en had drie overkleederen

over elkaar aan, een purper, een groen en een wit, welks prachtige

kleuren men alle drie kon zien bij de opslagen op de borst.

Achter de bok zaten in den wagen Pill, Pimm en Pinn. Doch zij waren nu

geen magere scharminkels meer die grollen spraken. Alle drie waren zoo

dik, dat de twee groote paarden, die den wagen van den Koning trokken,

moeite hadden om de drie ex-proeleten voort te trekken.... zoo zwaar

was de vracht van hun vleesch, hun vet en hun bloed.

Ook zij droegen elk drie gewaden van helle kleuren en op ’t hoofd

zilveren palmkronen. Zij maakten nu ook geen grollen meer. Zij vonden

de wereld te ernstig om grollen te maken en meenden, dat het beneden de

waardigheid was van een zoo voornaam en rijk vorst als koning Mise van

Veloog, sproke-dichters aan zijn hoogheerlijk hof te hebben, die niet

gepaste verzen spraken in zuiver stafrijm en streng in de maat.

Koning Mise veroorloofde geen grollen meer en hij had gezworen elkeen

met den dood te straffen, die de waardigheid van zijn staat schond. Elk

der drie dichters kreeg een afzonderlijk sproke-gebied toegezegd en

verbanning zou onmiddellijk volgen, wanneer hij zich buiten zijn gebied

waagde. Het gebied van Pill was: „de Waardigheid.” Het gebied van Pimm

was: „De Eerlijkheid.” Het gebied van Pinn was: „De Heldenmoed.”

Gedurende de terugreis had Koning Mise ernstig en streng bepaald, welke

eigenschappen tot de drie gebieden hoorden.

Onder „de Waardigheid,” moesten bedicht worden:

Het Koningschap.

De Godendienst.

Het Staatsgeweld.

De Zedelijkheid.

De Orde.

De Vlijt

Het Vertrouwen.

De Degelijkheid.

De Wijsbegeerte.

De Stand.

Het Bezit.

De Welvoegelijkheid.

De Kuischheid.

De Eer.

Onder „De Eerlijkheid” moesten bedicht worden:

De Arbeid.

De Plichtsvervulling.

De Onomkoopbaarheid.

De Gunst

De Waarheid.

De Oprechtheid.

Het menschelijk lot.

De Wetgeving.

Onder „de Heldenmoed,” moesten bedicht worden:

De strijd tegen de roovers,

De tocht naar Renigo,

Het schuurbezoek,

De terugtocht.

De daden van koning Mise.

De laatste taak van Pinn was het zwaarste. Koning Mise had het Pinn op

’t hart gedrukt, dat deze sproke een heldendicht moest worden, ’t welk

zijn naam en zijn daden tot in het verste nageslacht moest doen

eerbiedigen...ja vergoden.

„Als de haven van Veloog volkomen uitgediept zal zijn en mijn

rijkdommen die van Gise en Maresag samen verre zullen overtreffen, wil

ik mij tot de half-goden laten verheffen. Wanneer men schatten genoeg

daartoe heeft, kan men op deze wereld zijn aanspraken daarop doen

gelden.”

Zoo waren de drie dichters zeer ernstig geworden en dachten na over „De

Waardigheid”, „De Eerlijkheid” en „De Heldenmoed”, elk op zijn gebied.

Was koning Gise nauwelijks herkend door zijn burgers, daar hij zoo

vermagerd was en waren er zelfs geweest, die hem de toegang tot zijn

eilandrijk hadden willen ontzeggen, koning Mise werd, ondanks de

toeneming van zijn gewicht en van de waardigheid van zijn voorkomen,

dadelijk door alle Velagers als hun koning Mise begroet. De trouwe

burgers kwamen hem tegemoet met zang en dans en gejuich en geschenken.

Want, de zeegeest, door Harimona daartoe gedwongen had in den zelfden

nacht, dat de fioord van Bedekoog was verzand, de haven van Veloog

geheel uitgediept, zoodat de schepen, die niet meer naar de fioord

konden varen, nu in de haven van Veloog kwamen ankeren. En dadelijk

begonnen de rijkdommen toe te stroomen. Nu zij hun koning zoo waardig

zagen naderen, met dertig karren hoogbeladen met pakken en kruiken en

zakken en balen, gekleed met drie gewaden waren ze dadelijk overtuigd,

dat alleen door zijn invloed, Harimona, de haven zoo plotseling dieper

had doen worden. Toen zij achter hun prachtig dikken koning de drie

dikke dichters, in hun volle waardigheid op den wagen zagen staan en

daarna ook de dertig leden van de lijfwacht ontwaarden, die in gele

statiegewaden met bronzen kortzwaarden, ernstig en fier naast de karren

liepen, kende hun vreugde geen grenzen en een „Leve koning Mise!”

weerschalde daverend dat de Bedekauwers het hoorden over de rivier

heen.

De achterste twee wagens boden echter de allergrootste verrassing. Daar

zaten de twaalf deerntjes, die koning Mise had medegenomen om de

lijfwacht van koning Gise te vermaken. Maar het waren niet meer de

naakte snolletjes van weleer. Koning Mise had ze allen in witte

priesteresse gewaden doen kleeden, die het geheele lichaam, van onder

de kin tot de voetzolen stemmig bedekten. In stede dat zij grollen

zongen of liederlijke taal uitbraakten, zeiden zij heilige leuzen op en

zongen kuische liederen over „De Waardigheid,” „De Eerlijkheid” en „De

Heldenmoed”, met lange galmen, statig en stichtelijk, vroom opblikkend

naar den hemel. En hare schoone, blanke overkleeden waren om ’t middel

door een losse gordel met gouden versieringen omsnoerd en heur lange

haren waren verborgen, onder groote, witte huifkappen, zoodat

onbescheidenen haar gelaat niet van terzijde konden zien en wanneer zij

’t gelaat neerwaarts hielden, zelfs niet van voren. En zij hielden haar

gelaat meestal naar den bodem van den wagen gekeerd, want zij hadden in

de handen van den waardigen koning Mise, bijgestaan door Pill, Pimm en

Pinn, de gelofte der kuischheid afgelegd.

Koning Mise, van de bok van zijn wagen, wenkte statig zijn juichend

volk met zijn schepter toe. „Denk er wel aan!” zeide hij tot Pinn, dat

in „De Misère” deze ontvangst niet vergeten wordt. Het moet een

heldendicht worden zoo schoon als nog geen heldendicht is gemaakt. Tot

aan de verre nageslachten moet dit heldendicht de volkeren verkondigen

hoe groot en verheven koning Mise is geweest op zijn koene tocht van

Veloog naar de Renigo, alwaar hij in de heilige haag ontvangen werd

door den hoogepriester Maresag en de vroede vrouw Harimona.

Koning Mise, weder op Veloog gevestigd, liet een groot huis bouwen met

drie afdeelingen. Middenin woonde hij en in de rechtervleugel werd een

offerblok geplaatst en de linkervleugel vormde een schatkamer. Hij liet

een beeld oprichten aan Harimona gewijd in de rechter vleugel en droeg

zijn drie dichters op voor de verbreiding van den heiligen dienst der

godin Harimona te zorgen. De twaalf deerntjes, die de gelofte der

eeuwige kuischheid hadden afgelegd, stelde hij tot bewaarsters van de

schat van Harimona aan. Naar het voorbeeld van Bedekoog deed hij op een

hoog staketsel een vuur ontsteken, opdat ’s nachts de zeelieden reeds

van ver de haven van Veloog zouden zien.

Hij maakte nu ook een aanvang met de beschaving van zijn burgers.

Strenge straffen werden gesteld op diefstal, roof, goddeloosheid,

dronkenschap en onzedelijkheid. Daar de grond van Veloog onvruchtbaar

was, kocht hij groote stukken land op Bedekoog, waar de verarmde

bewoners met eerbied opzagen naar den waardigen koning Mise, die door

Harimona’s gunst tot rijkdom en aanzien was gestegen en wiens wensch

door de groote priesteres verhoord was. En op die landen liet hij door

Bedekoogers graan zaaien en op de grasvelden deed hij zijn vee weiden.

Ook liet hij de mee-hutten aan de verzande haven van Bedekoog afbreken

en verbood op straffe van neusafsnijding aan de Veloogsche maagden of

vrouwen zich met de matrozen af te geven, daar zij nu tot een rijk en

godvruchtig volk behoorden, dat een koning had, die door de vroede

vrouw van de haag van Renigo verhoord was.

De ongelukkige koning Gise moest het aanzien dat nu Bedekauwsche

deerntjes in de mee-hutten aan de haven van Veloog de vele zeelieden

ter wille waren, die van alle landen van overzee naar de veilige haven

van Veloog kwamen om ruilhandel te drijven met de volkeren der

Bellovaken, Nerviërs, Kaninefaten, Marinen, Bataven en Frisen. Hij werd

steeds mistroostiger en door zijn droefenis bleef hij mager en kon,

zoomin als zijn drie koks, weder het oude, indrukwekkende voorkomen,

herwinnen. Zijn volk, niet gewoon aan arbeid, moest schatten na

schatten brengen naar Veloog om in ruil graan en vee te ontvangen, dat

op ’t eigen land was geteeld en geweid.

Koning Mise begon feesten te geven aan vreemdelingen en onthaalde ze

even gastvrij als Koning Gise vroeger gedaan had. Koning Gise noodigde

de vreemdelingen ook uit en trachtte, zooals Mise in zijn slechte

tijden, door kortswijl het gemis aan overdaad en fijne spijzen en

dranken te doen vergeten. Maar de drie koks, die sterk waren geweest in

’t stafrijm en de maat, bleven stumperds in de grollen, zoodat de

gasten zich verveelden en even gedwongen lachten bij de mismoedige

woorden van de koks, als dat zij kieskauwend aten van het ongeboterde

brood, en de smakelooze meelkoeken zonder honing.

Op een dag, toen een geheele vloot de haven van Veloog binnenstevende

moesten de Bedekauwers de laatste schat van hun eiland gaan inruilen

tegen graan bij de Velagers. De wonderkoe met de lange hals, die

graasde in de boomen, werd op een vlot naar Veloog overgezet.

Koning Gise hoorde het tartend gejuich, waarmede de Velagers het

wonderdier ontvingen, dat voor hen de volkomen verarming en

onderwerping van Bedekoog beduidde.

Bij dit gejuich brak koning Gise in tranen uit. Daarna sloot hij zich

op in een ledige schattenhut, trok zijn zwaard, zette het voor zich met

’t gevest in den grond en de punt naar boven en wierp zich er in.

Hall, Hamm en Haan, de drie gidsen, vonden hun dooden Koning en alle

drie weenden. Hall zeide:

Hier ligt de arme koning dood,

Hij was als rijke koning groot.

Hamm zeide:

Raak over rijkdoms bergtop heen,

Du zijt voor du het weet beneên.

Hann sprak:

De rijke roover leeft en sticht een rijk,

Verarmde eerlijkheid, hier ligt uw lijk.

Zij verbrandden hun koning in ’t tempelvuur, dat daardoor uitdoofde en

daarmede den laatsten glans van Bedekoog.

Maar op Veloog brandde het havenvuur hoog en de roem van den waardigen

koning Mise breidde zich uit met het toenemen van zijn schatten—naar ’s

werelds loop.

Germania(#73888) · 第 26 / 44 题