Toen Koning Gise zijn eiland weder bereikt had, herkende zijn
onderdanen hem niet. Hij was tot op het vel vermagerd en zijn drie
koks, die vele dagen vóór de aankomst hun talenten getoond hadden bij
de toebereiding van het geslachte ezeltje, geleken op elkaar als drie
stafrijmen. Zij hadden het leege karretje voortgetrokken, nadat de ezel
opgegeten was en koning Gise liep treurig achteraan, troosteloos omdat
hij zonder de hand en zonder de belofte van de groote priesteres, naar
zijn eiland moest terugkeeren.
Zijn smart werd nog grooter toen hij eindelijk op ’t eiland
teruggekomen was. De fioord was na een storm zoo verzand, dat de
schepen, die in de fioord lagen, niet meer konden uitvaren en de
schepen, die van de oceaan aanzeilden, niet meer binnen konden vallen.
De Bedekauwers hadden zich hierom weinig bekommerd. Zij vertrouwden op
hun koning, die wel de gunst van de machtige priesteres zou weten te
verwerven en hadden zoo vroolijk en welvoldaan geleefd als dat gezeten
lieden past.
Toen zij nu hoorden, dat de koning niet alleen afgewezen was als
bruidegom, maar zelfs smadelijk als roover verdreven, begonnen zij den
omvang van de ramp te beseffen en spraken er over, weder naar
Nehalennia te gaan en haar door groote geschenken en veel offers te
verteederen, zoodat zij den zeegeest zou gelasten, de fioord weder uit
te diepen.
Koning Gise was mismoedig en bepaalde er zich voorloopig toe, zich
weder op zijn vroeger gewicht te eten, want hij merkte wel, dat zijn
mager lichaam alle waardigheid verloren had. Maar hij at nu niet aan
vroolijke gelagen en velerlei spijzen uit zilveren en gouden schotels,
doch somber liet hij telkens een eenzamen houten nap met vleesch en
kool vullen en at die leeg. De drie koks wilden sproken spreken, doch
de koning legde hun het zwijgen op, legde geen waarde meer op
stafrijmen en zuivere maat, maar verweet zijn drie dichters, dat zij
niet in staat waren geweest de groote priesteres te bekoren.
De drie koks werden nu morrig en begonnen in ’t geheim spotdichten te
maken op hun eigen koning, die hun verwijten deed, hoewel zij hem trouw
gediend hadden.
En hun spotdichten waren zonder stafrijm en zonder de juiste maat,
navolgingen van Pill, Pimm en Pinn, doch als alle navolgingen zonder
den geest van het oorspronkelijk voorbeeld.
Toen nu, korten tijd daarna koning Mise terugkeerde, werd koning Gise
nog neerslachtiger en de Bedekauwers schoolden te samen en begonnen er
over te spreken koning Gise af te zetten en koning Mise op den troon te
verheffen. Want ziet hoe hij naderde. Dertig groote Rinsche wagens
vormden den stoet. Op den voorsten wagen zat koning Mise, weldoorvoed
en met een buik zoo mooi rond als een pasgevulden wijnzak. Hij droeg
een kroon van echt goud rond zijn rood haar en had drie overkleederen
over elkaar aan, een purper, een groen en een wit, welks prachtige
kleuren men alle drie kon zien bij de opslagen op de borst.
Achter de bok zaten in den wagen Pill, Pimm en Pinn. Doch zij waren nu
geen magere scharminkels meer die grollen spraken. Alle drie waren zoo
dik, dat de twee groote paarden, die den wagen van den Koning trokken,
moeite hadden om de drie ex-proeleten voort te trekken.... zoo zwaar
was de vracht van hun vleesch, hun vet en hun bloed.
Ook zij droegen elk drie gewaden van helle kleuren en op ’t hoofd
zilveren palmkronen. Zij maakten nu ook geen grollen meer. Zij vonden
de wereld te ernstig om grollen te maken en meenden, dat het beneden de
waardigheid was van een zoo voornaam en rijk vorst als koning Mise van
Veloog, sproke-dichters aan zijn hoogheerlijk hof te hebben, die niet
gepaste verzen spraken in zuiver stafrijm en streng in de maat.
Koning Mise veroorloofde geen grollen meer en hij had gezworen elkeen
met den dood te straffen, die de waardigheid van zijn staat schond. Elk
der drie dichters kreeg een afzonderlijk sproke-gebied toegezegd en
verbanning zou onmiddellijk volgen, wanneer hij zich buiten zijn gebied
waagde. Het gebied van Pill was: „de Waardigheid.” Het gebied van Pimm
was: „De Eerlijkheid.” Het gebied van Pinn was: „De Heldenmoed.”
Gedurende de terugreis had Koning Mise ernstig en streng bepaald, welke
eigenschappen tot de drie gebieden hoorden.
Onder „de Waardigheid,” moesten bedicht worden:
Het Koningschap.
De Godendienst.
Het Staatsgeweld.
De Zedelijkheid.
De Orde.
De Vlijt
Het Vertrouwen.
De Degelijkheid.
De Wijsbegeerte.
De Stand.
Het Bezit.
De Welvoegelijkheid.
De Kuischheid.
De Eer.
Onder „De Eerlijkheid” moesten bedicht worden:
De Arbeid.
De Plichtsvervulling.
De Onomkoopbaarheid.
De Gunst
De Waarheid.
De Oprechtheid.
Het menschelijk lot.
De Wetgeving.
Onder „de Heldenmoed,” moesten bedicht worden:
De strijd tegen de roovers,
De tocht naar Renigo,
Het schuurbezoek,
De terugtocht.
De daden van koning Mise.
De laatste taak van Pinn was het zwaarste. Koning Mise had het Pinn op
’t hart gedrukt, dat deze sproke een heldendicht moest worden, ’t welk
zijn naam en zijn daden tot in het verste nageslacht moest doen
eerbiedigen...ja vergoden.
„Als de haven van Veloog volkomen uitgediept zal zijn en mijn
rijkdommen die van Gise en Maresag samen verre zullen overtreffen, wil
ik mij tot de half-goden laten verheffen. Wanneer men schatten genoeg
daartoe heeft, kan men op deze wereld zijn aanspraken daarop doen
gelden.”
Zoo waren de drie dichters zeer ernstig geworden en dachten na over „De
Waardigheid”, „De Eerlijkheid” en „De Heldenmoed”, elk op zijn gebied.
Was koning Gise nauwelijks herkend door zijn burgers, daar hij zoo
vermagerd was en waren er zelfs geweest, die hem de toegang tot zijn
eilandrijk hadden willen ontzeggen, koning Mise werd, ondanks de
toeneming van zijn gewicht en van de waardigheid van zijn voorkomen,
dadelijk door alle Velagers als hun koning Mise begroet. De trouwe
burgers kwamen hem tegemoet met zang en dans en gejuich en geschenken.
Want, de zeegeest, door Harimona daartoe gedwongen had in den zelfden
nacht, dat de fioord van Bedekoog was verzand, de haven van Veloog
geheel uitgediept, zoodat de schepen, die niet meer naar de fioord
konden varen, nu in de haven van Veloog kwamen ankeren. En dadelijk
begonnen de rijkdommen toe te stroomen. Nu zij hun koning zoo waardig
zagen naderen, met dertig karren hoogbeladen met pakken en kruiken en
zakken en balen, gekleed met drie gewaden waren ze dadelijk overtuigd,
dat alleen door zijn invloed, Harimona, de haven zoo plotseling dieper
had doen worden. Toen zij achter hun prachtig dikken koning de drie
dikke dichters, in hun volle waardigheid op den wagen zagen staan en
daarna ook de dertig leden van de lijfwacht ontwaarden, die in gele
statiegewaden met bronzen kortzwaarden, ernstig en fier naast de karren
liepen, kende hun vreugde geen grenzen en een „Leve koning Mise!”
weerschalde daverend dat de Bedekauwers het hoorden over de rivier
heen.
De achterste twee wagens boden echter de allergrootste verrassing. Daar
zaten de twaalf deerntjes, die koning Mise had medegenomen om de
lijfwacht van koning Gise te vermaken. Maar het waren niet meer de
naakte snolletjes van weleer. Koning Mise had ze allen in witte
priesteresse gewaden doen kleeden, die het geheele lichaam, van onder
de kin tot de voetzolen stemmig bedekten. In stede dat zij grollen
zongen of liederlijke taal uitbraakten, zeiden zij heilige leuzen op en
zongen kuische liederen over „De Waardigheid,” „De Eerlijkheid” en „De
Heldenmoed”, met lange galmen, statig en stichtelijk, vroom opblikkend
naar den hemel. En hare schoone, blanke overkleeden waren om ’t middel
door een losse gordel met gouden versieringen omsnoerd en heur lange
haren waren verborgen, onder groote, witte huifkappen, zoodat
onbescheidenen haar gelaat niet van terzijde konden zien en wanneer zij
’t gelaat neerwaarts hielden, zelfs niet van voren. En zij hielden haar
gelaat meestal naar den bodem van den wagen gekeerd, want zij hadden in
de handen van den waardigen koning Mise, bijgestaan door Pill, Pimm en
Pinn, de gelofte der kuischheid afgelegd.
Koning Mise, van de bok van zijn wagen, wenkte statig zijn juichend
volk met zijn schepter toe. „Denk er wel aan!” zeide hij tot Pinn, dat
in „De Misère” deze ontvangst niet vergeten wordt. Het moet een
heldendicht worden zoo schoon als nog geen heldendicht is gemaakt. Tot
aan de verre nageslachten moet dit heldendicht de volkeren verkondigen
hoe groot en verheven koning Mise is geweest op zijn koene tocht van
Veloog naar de Renigo, alwaar hij in de heilige haag ontvangen werd
door den hoogepriester Maresag en de vroede vrouw Harimona.
Koning Mise, weder op Veloog gevestigd, liet een groot huis bouwen met
drie afdeelingen. Middenin woonde hij en in de rechtervleugel werd een
offerblok geplaatst en de linkervleugel vormde een schatkamer. Hij liet
een beeld oprichten aan Harimona gewijd in de rechter vleugel en droeg
zijn drie dichters op voor de verbreiding van den heiligen dienst der
godin Harimona te zorgen. De twaalf deerntjes, die de gelofte der
eeuwige kuischheid hadden afgelegd, stelde hij tot bewaarsters van de
schat van Harimona aan. Naar het voorbeeld van Bedekoog deed hij op een
hoog staketsel een vuur ontsteken, opdat ’s nachts de zeelieden reeds
van ver de haven van Veloog zouden zien.
Hij maakte nu ook een aanvang met de beschaving van zijn burgers.
Strenge straffen werden gesteld op diefstal, roof, goddeloosheid,
dronkenschap en onzedelijkheid. Daar de grond van Veloog onvruchtbaar
was, kocht hij groote stukken land op Bedekoog, waar de verarmde
bewoners met eerbied opzagen naar den waardigen koning Mise, die door
Harimona’s gunst tot rijkdom en aanzien was gestegen en wiens wensch
door de groote priesteres verhoord was. En op die landen liet hij door
Bedekoogers graan zaaien en op de grasvelden deed hij zijn vee weiden.
Ook liet hij de mee-hutten aan de verzande haven van Bedekoog afbreken
en verbood op straffe van neusafsnijding aan de Veloogsche maagden of
vrouwen zich met de matrozen af te geven, daar zij nu tot een rijk en
godvruchtig volk behoorden, dat een koning had, die door de vroede
vrouw van de haag van Renigo verhoord was.
De ongelukkige koning Gise moest het aanzien dat nu Bedekauwsche
deerntjes in de mee-hutten aan de haven van Veloog de vele zeelieden
ter wille waren, die van alle landen van overzee naar de veilige haven
van Veloog kwamen om ruilhandel te drijven met de volkeren der
Bellovaken, Nerviërs, Kaninefaten, Marinen, Bataven en Frisen. Hij werd
steeds mistroostiger en door zijn droefenis bleef hij mager en kon,
zoomin als zijn drie koks, weder het oude, indrukwekkende voorkomen,
herwinnen. Zijn volk, niet gewoon aan arbeid, moest schatten na
schatten brengen naar Veloog om in ruil graan en vee te ontvangen, dat
op ’t eigen land was geteeld en geweid.
Koning Mise begon feesten te geven aan vreemdelingen en onthaalde ze
even gastvrij als Koning Gise vroeger gedaan had. Koning Gise noodigde
de vreemdelingen ook uit en trachtte, zooals Mise in zijn slechte
tijden, door kortswijl het gemis aan overdaad en fijne spijzen en
dranken te doen vergeten. Maar de drie koks, die sterk waren geweest in
’t stafrijm en de maat, bleven stumperds in de grollen, zoodat de
gasten zich verveelden en even gedwongen lachten bij de mismoedige
woorden van de koks, als dat zij kieskauwend aten van het ongeboterde
brood, en de smakelooze meelkoeken zonder honing.
Op een dag, toen een geheele vloot de haven van Veloog binnenstevende
moesten de Bedekauwers de laatste schat van hun eiland gaan inruilen
tegen graan bij de Velagers. De wonderkoe met de lange hals, die
graasde in de boomen, werd op een vlot naar Veloog overgezet.
Koning Gise hoorde het tartend gejuich, waarmede de Velagers het
wonderdier ontvingen, dat voor hen de volkomen verarming en
onderwerping van Bedekoog beduidde.
Bij dit gejuich brak koning Gise in tranen uit. Daarna sloot hij zich
op in een ledige schattenhut, trok zijn zwaard, zette het voor zich met
’t gevest in den grond en de punt naar boven en wierp zich er in.
Hall, Hamm en Haan, de drie gidsen, vonden hun dooden Koning en alle
drie weenden. Hall zeide:
Hier ligt de arme koning dood,
Hij was als rijke koning groot.
Hamm zeide:
Raak over rijkdoms bergtop heen,
Du zijt voor du het weet beneên.
Hann sprak:
De rijke roover leeft en sticht een rijk,
Verarmde eerlijkheid, hier ligt uw lijk.
Zij verbrandden hun koning in ’t tempelvuur, dat daardoor uitdoofde en
daarmede den laatsten glans van Bedekoog.
Maar op Veloog brandde het havenvuur hoog en de roem van den waardigen
koning Mise breidde zich uit met het toenemen van zijn schatten—naar ’s
werelds loop.