Toen Sogol ontwaakte lag hij in een groote hut, zacht op mollige pelzen
en tegen de wanden zag hij schoone Oostersche weefsels. Door het
venster woei een zoel windje en buiten hoorde hij het welbekende
toeteren van Haun’s horen.
Hij voelde zich zwaar in ’t hoofd en zonder zich te verroeren, bleef
hij nadenken om zich het doorleefde in zijn gedachten terug te brengen.
Hij herinnerde zich het geroep van de menigte, het te water! te water!
Hij herinnerde zich ook hoe hij de menigte overzien had, toen hij boven
ze heen, weg werd gedragen naar den stroom toe... Méér herinnerde hij
zich niet, maar half in droom doordenkend, kon hij wel zoowat opmaken,
wat er gebeurd moest zijn. Ze hadden hem in ’t water geworpen, hij was
ondergedompeld en toen bewusteloos geraakt. Later was hij gered en nu
lag hij hier.
Maar wie had hem gered? Wiens hut was dit? Hij keek eens rond, zag op
een zetel in den hoek vrouwengewaden liggen. Hij lag dus in ’t vertrek
van een vrouw.
Meteen schoot het hem te binnen, dat dit de hut van Harimona moest
zijn. Had zij hem gered? Was hij op haar bevel uit het water gehaald?
En waar was zij nu?
Hij gevoelde zich zwak en vooral misselijk.
„Haun!” riep hij, hopend dat de jongen hem door het open venster buiten
zou kunnen hooren.
Een gordijn van den wand werd opgetild en Harimona trad binnen.
Zij knielde bij zijn leger neder en hem met haar koperroode oogen
liefdevol aanziende vroeg zij, of hij zich wat beter gevoelde.
„Wat is er met mij gebeurd?” vroeg hij kort.
„De dwazen wilden di verdrinken. Toen heb ik di door mijn Batouwschen
wacht laten redden.”
„Mij redden? Waarom?”
„Omdat ik di liefheb.”
Zij lag geknield voor zijn leger. Hij zag het zilverwitte haar, dat in
rustige golving van de scheiding in ’t midden van den schedel
neerstroomde langs het witte hemd, dat heur schouders losjes en ruim
bedekte; de driehoek van ’t blanke voorhoofd; de roode oogen tusschen
de lange, witte, wimpers; de bleeke wangen; de lange spitse neus en de
hoogroode lippen. Nu ook zag hij het haastige dansen van haar boezem
onder ’t flosse witte hemd en hij rook de geur van haar lichaam.
„Du antwoord niet?” vroeg zij hem smeekend aanziend.
Hij voelde dankbaarheid jegens haar wegens zijn redding en in hem kwam
de gedachte op, dat zij wellicht beter was dan haar leven van bedrog.
Zij zag aan zijn oogen, dat hij haar niet meer verachtte en niet langer
op haar toornde en nogmaals herhaalde zij, haar mond dicht bij den
zijne:
„Ik heb di lief prins, ik heb di lief!”
Hij richtte zich een beetje op. Een teederheid kwijnde in hem, een
gevoel van zwakte en zucht om zich aan een ander over te geven.
„Waarom?” vroeg hij moe.
„Omdat du waar zijt. Omdat du van alle wervers de eenige waart, die
trotsch bleef en heer van zichzelf.... Ik heb di lief, ik heb di
lief.... ik heb di lief!”
Zij legde haar arm om zijn hals en boog nu zich zoover voorover, dat
heur haren, afhangend, zacht zijn wangen kriebelden.
Maar hij weerde haar zacht af, sloot de oogen, voelde zich onpasselijk.
„Du bent nog ziek,” zeide zij. „Ik zal wat sennep voor di trekken.”
„Wrijf mij hier,” zeide hij, ’t dek opslaande en op zijn maag wijzend.
„Zoo, steeds opwaarts.”
Zij masseerde zijn maag en hij, na eenige hikken, begon spoedig water
op te geven.
Liefelijk hield zij zijn voorhoofd vast, veegde telkens zijn lippen
schoon, sprak onderwijl zachte woordjes van medelijden en troost en
toen zij hem weer had neergelegd, depte zij zijn voorhoofd met koud
water, veegde den grond schoon en strooide gedroogde thijm en lavendel
in ’t vertrek, zoodat een aromatische geur zich verspreidde.
Sogol zag haar stil bezig zijn en dacht aan zijn moeder, vooral toen de
geuren van de kruiden naar hem opstegen, dezelfde geuren, die zijn
moeder strooide in de lijnwaadkeet. En herinneringen aan den Donarsdag
thuis kwamen hem voor den geest; hoe dan zijn moeder haar mooie, blauwe
huifmantel had omgedaan en de schoone halsketting van om-en-de-om een
barnsteenen en een bronzen bikkeltje en hij, door de week naakt
rondloopend of met maar een klein vachthesje, kreeg dan zijn geel
overkleedje en zijn leeren sandaaltjes aan. Dan gingen zij samen de
wijding brengen aan Nehalennia; moeder bracht geneeskrachtige kruiden
of brouwsels tegen de koorts en tegen het hartewee of smeersels tegen
de jicht aan de godin en hij Sogol, een bundel bloemen, of ’s winters
een toortsje. En in den tempel rook het zoo vreemd en Myst, toen nog
jong, gaf hem dan als hij zijn bloemen had neergelegd aan den voet van
’t offerblok en hij had zijn wijding goed opgezegd, goudbruine
honingballetjes, die als du ze wat in den mond had gehad, kon
uittrekken tot lange draden, die dan opeens kràp afbraken en
notenstokjes, waarop noten in honing gedoopt waren gestoken of koekjes
in den vorm van heilige evers en ’t Wotansros. Er was toch veel liefs
in dien kindertijd gebeurd. Hoe was hij vast overtuigd geweest, dat
Nehalennia de zoete kinderen op Baldersavond, als de dag ’t kortst was,
bezocht en naast de stookplaats lekkers strooide, honigbikkels,
thijmkoek, knappende molleboontjes, zonnetjes van eiertaart en kleine
aaksten en kleine saksen en kleine frammen van hout om oorlogje mee te
spelen. Ook stonden er dan ’s morgens zoo opeens een paar nieuw helgele
sandaaltjes en een karretje van leem met echte wielen, waarop ’t beeld
van Nehalennia, zooals ’t was bij de groote optocht. Dan kwamen ’s
morgens de andere kinderen uit het dorp op bezoek en ze zongen samen
wijsjes tot dank...
Trijn en Volla zijn gegaan,
Op een grooten witten zwaan,
Hoog in de lucht al op en neer,
Lieve, lieve, lieve zusters, ’k wil niet méér...
of
Balder-de-Balder is een goeie man,
Zonnetjes bakt-ie al in zijn pan,
Bruin van de boter en goud van het licht,
Balder-de-Balder, de zon is in ’t zicht!
Harimona zat stil op een lagen schemel bij ’t bed en zag hoe de zieke,
de oogen gesloten, lag te mijmeren. Want glimlachjes glimpten langs
zijn mondhoeken weg en soms prevelde hij en de rechterhand boven ’t
dek, bewoog rhythmisch als sloeg zij de maat.
Toen hij de oogen opende, zag hij meteen in haar roode oogen en hij zag
hoe de liefde en het meewaren daaruit straalden.
„Kind,” zeide hij, voor ’t eerst haar zacht toesprekend, „ik heb aan
mijn moeder gedacht. Het was een brave, edele vrouw, die ik zéér lief
heb gehad.”
Hij wachtte een oogenblik en ging dan voort:
„Zij is gestorven.... verdronken kind en nu ik zelf in ’t water ben
gestort weet ik, wat zij heeft moeten lijden, vóór zij stierf.”
„Verdronken.... de arme!”
„Ja, wèl de arme.... de priesters heetten haar een tooverkol, omdat zij
hun schanddaden berispte.... en ’t had weinig gescheeld of het zou haar
zoon niet anders zijn gegaan.... Vertel mij eens, waar is Maresag, dien
hongerwolf....”
Zij legde den vinger op haar mond.
„Stil.... hij is in de schuren. Hij weet niet, dat du hier zijt.... hij
meent, dat du en den Batouwer beiden op den bodem van den Rîn liggen.
Als du weer geheel gezond zijt, trek dan met uw kleinen horenblazer
terug naar uw land....”
„Waar is de oude priester, die bij mij was?”
„Hij is gestorven van den schrik, toen hij, na zelf bevrijd te zijn, di
wegvoeren zag naar den stroom.... De Ewarten hebben hem weggevoerd om
den lijkdienst te bezorgen. De man wordt in een heilig graf bijgezet.”
„Arme Myst!” zei Sogol eenvoudig.
„Wilt di niet voor hem bidden...”
„Ik bid nooit!”
Zij richtte zich verschrikt op.
„Du.... een prins.... du....?” vroeg ze, nog ongeloovig.
„Neen.... ik bid nooit.... waarom zou ik bidden.... er zijn geen
goden.... en er is geen Walhalla.... en geen eeuwig heiligdom.... en
geen eeuwig leven....”
„Prins.... prins!....” zeide zij en langs haar meewárig gelaat, kropen
traandroppels.
„Hoe lang ben ik bewusteloos geweest?” vroeg hij.
„Toen de Batouwer di op den anderen oever bovenbracht, is hij met di
naar de Wiebers-Riehe geloopen en daar heeft hij di gewreven en
geknepen tot du ’t water opgaaft uit de maag en even bij dijn zinnen
kwaamt. Toen zijt di weer zinloos geworden en toen hij di ’s avonds bij
mi bracht, waart gi nog altoos zin-loos. Ik heb di hier genomen, di met
warme doeken gewreven, dijn mondholte schoongewasschen en dijn neus van
’t slijm bevrijd en daarna hebt du weer water gebraakt. Den ganschen
nacht laagt du toen weder zonder zinnen en nu is ’t al na den noen.
Zoolange bent di zonder zinnen geweest.”
„Ik ben dood geweest kind en weer tot het leven teruggekeerd. En wat
heb ik van Walhalla gezien of ’t Eeuwig Heiligdom? Niets.... niets....
als wij dood zijn gaat het met ons als met een dood blad.... wij worden
verpulverd, zooals du de thym verpulverde en de lavendel, die ook eens
leefden.”
„De bloem heeft geen ziel.... maar wij menschen hebben wel een ziel,
die weder opstaat.”
„Ja.... zooals de bloem wederopstaat uit zijn zaad.... zoo de
mensch.... hij leeft voort in zijn geslacht.... Waar zou de ziel
opstaan van den vrekkigen Maresag? De ziel van den priester, die mijn
moeder deed verdrinken?”
„De slechte zielen komen in den donkeren speerstroom, waar zij eeuwig
zich wondden aan de punten,” zei Harimona kinderlijk eenvoudig.
„Praatjes, mijn kind. Er is geen donkere stroom, er is geen licht
Walhalla.... er is niets, niets....”
„Hoe weet di dat?” vroeg ze angstig, nieuwsgierig.
„Ik heb zeven jaar in een stroth gewoond, die door geesten heette
bewoond te zijn. Daar heb ik gezocht, dagen en nachten, en nooit een
geest ontmoet. Op ’t allerlaatst scheen er een kwelgeest te huizen, die
alles wat men riep of sprak herhaalde. Ik vond zijn hol, dicht bij twee
boomen, brandde de boomen aan den voet door tot zij omvielen. Toen was
ook de kwelgeest weg.... Ik heb er lang over gedacht—tot ik gevonden
heb, dat die kwelgeest de schal was van ’t eigen geluid, dat terugsloeg
tegen de twee boomen. Zeg mij eens.... eerlijk.... heb di ooit een
geest gezien?”
„Ja.... als ik droom.... dan zie ik Wotan en zijn oog....”
Hij keek haar lang en doordringend aan.
„Is dat waar?” vroeg hij ernstig.
„Waarom zou ik di beliegen.... ik heb di toch lief...”
„Hoe ziet hij er uit....”
„Een lange, groote man in een bruine pij, met een groot hoofd, een
langen grijzen baard tot op zijn voeten afhangend. Midden in ’t hoofd,
boven den neuswortel is een groot, driehoekig, bruin oog, dat straalt
als een ster.”
„Kunt di hem mi toonen?”
„Nee.... hoe zou ik dat? Ik zie hem niet altijd en alleen in mijn
verrukking....”
Sogol dacht even na. Zij bleef hem kalm beschouwen, wachtend op zijn
woord.
„Komen de voorspellingen uit, die du in dijn verrukking zegt?”
„Vaak.”
„Dus niet altijd?”
„Neen.... niet altijd....”
„Dus vergist Wotan zich dan?”
Zij zweeg nu een oogenblik en dacht na.... Hij lette er niet op en
ging, zonder haar antwoord af te wachten, voort:
„Als de goden niet alles weten, weten zij niets.... Ik zal di zeggen,
waar dijn Wotan huist, hij en al de anderen.... Thius, Donar, Balder,
Rekwa, Freia, Volla, Snitgunts, Sunna, Auva, Nerthus, Nehalennia, de
Asen, de Nevelingen, de Walkuren, de Zwanemeiden, allen, allen, de
mannen en de vrouwen, de groote en de kleine geesten.... Zij huizen in
het hoofd van de menschen, hier achter....”
Hij sloeg zich met zijn vuist tegen ’t voorhoofd, als wilde hij in
toorn uit zijn hoofd de verbeeldingen bannen... „Wij zijn allen
lafaards.... kloek in ’t gevecht van man tegen man met ’t zwaard, maar
schichtig als paarden, zoodra er iets is, dat wij niet kennen. Aan ’t
domme vee zijn wij gelijk.... neen erger.... want ’t vee graast en is
tevreden en vraagt niet verder. Maar wij, wij zelve monsters, hebben
onze voorvaderen niet kinderen en maagden en jongelingen levend
verbrand ter eere van Thius? Zijn er niet ginds, hoog op de bergen nog
lieden, waar vrouwen de krijgsgevangenen den hals afsnijden boven de
ketel om uit den bloedstroom de toekomst te voorspellen? Slachten wij
hier en in de lage landen en aan de Skaldemonding en bij de Bellovaken
niet stomme dieren, wezenloos vee, dat heet den goden liefelijk te zijn
als ’t gebraden wordt.... Den goden! Ha!.... Neen.... weet di, wien ’t
liefelijk is.... aan de dikke priesters, die zich te goed doen aan
gebraad en die door de vrees en den leugen regeeren....”
Hij keek haar opeens aan met in zijn oogen een blik van verwijt en
zweeg.
Zij bloosde en sloeg de oogen neer.
„Is het niet waar, dat de priesters liegen en bedriegen en zwelgen?....
„Ik kon niet anders.... Maresag dwong mij....”
„Dus du geeft het toe?”....
„Hoe zou ik niet.... ik heb veel slechts gezien.... maar als de
priesters ook slecht zijn.... daarom kunnen er wel goden zijn.... en
groote goden....”
„Zij zijn nooit grooter dan onze gedachten en onze verbeeldingen....”
Hij zonk terug met ’t hoofd op ’t Massiliaansche kussen, voelde zich
hongerig.
„Geef mi wat te eten,” zei hij.
Zij liep snel naar buiten en kwam een oogenblik later terug met een nap
vol room, die zij hem toereikte. Hij dronk met graagte en bleef haar
daarna weder aanzien.
„Du zijt goed voor mi, meisje. Waarom blijft di hier? Ga met mi mede
naar mijn land. Het Ding zal mi tot koning uitroepen en dan kunt du aan
mijn zij leven. Maar in mijn rijk zal ik den godsdienst afschaffen en
de priesters verjagen. Ik wil zonder de goden regeeren en zonder de
duidingen. Ik wil, dat mijn volk zal leven naar zijn verstand en naar
het koele overleg en in vrede.”
„En hoe zult di de zieken genezen?”
„Met kruiden en brouwsels.”
„En de kwade geesten uitdrijven?”
„Er zijn geen kwade geesten,” stoof hij op.
„Maar ik heb er toch velen gezien, die bezeten waren. En ook vaak heb
ik ze uitgedreven.”
„Ik heb ze óók uitgedreven.... en ik heb zooals du zieken geheeld door
handoplegging en door het toereiken van vlierwater en berkenmelk of
hanevoet of rosmarijn.”
„Maar er zijn lammen en kreupelen genezen en diepe wonden.... du zijt
toch in de tent der krukken geweest?”
„Er zijn er ook veel niet genezen.... en die genazen waren dikwerf
onwaardiger dan die ongeheeld terugkeerden. Hebt di den Frieschen prins
kunnen genezen! Neen nietwaar. Hebt di den ouden Myst in ’t leven
kunnen terugroepen? Evenmin.”
„Maar hoe verklaart di dan de gelukte genezingen?”
„Ik weet het nog niet.... maar ik zal het eens weten. Men moet alleen
maar den moed hebben om door te denken.... niet vreezen voor zijn eigen
denkkracht.... de mensch moet niet voor zichzelf bang zijn. Ik weet,
hoe ik eerst bang was voor de kleine geesten in den Ravenstroth tot ik
mijn vrees overwon en toen vond, dat zij er niet waren. Ik weet, hoe ik
toen bang was voor den Nickelman.... tot ik durfde en vond, dat hij er
niet was.... Ik weet, hoe ik tot op ’t laatst bevreesd ben geweest,
voor den geest der twee boomen.... tot ik moedig de boomen velde en
vond, dat het louter schal was.... En nu moet ik voorwaarts.... ik wil
ook weten, wat de groote goden zijn.... Thius, Wotan, Donar, Freya....
Zie je kind.... om met het zwaard in de hand, welgeoefend te strijden
tegen een evenmensch, met de wetenschap, dat men wanneer men valt, als
held zal worden gevierd en ’t eeuwige leven van vreugde in Walhalla zal
verwerven.... zie je kind.... dat wat wij nu moed noemen.... dat is
geen moed.... dat noem ik geen moed.... Want dat is strijden tegen een
bekend gevaar met een bekende zekere belooning in ’t verschiet.... Maar
te vechten zooals ik wil, hier met mijn hoofd, hier met mijn gedachte
tegen die groote, onbekende macht van het geheimzinnige, alléén op te
dringen naar de poorten van ’t Walhalla en daar de goden uit te dagen,
ze te tarten zich te vertoonen, te voren wetend, dat wanneer zij zich
vertoonen de eeuwige verdoemenis dijn deel zal zijn.... dàt noem ik
moed.... dat is strijden tegen een onbekend gevaar met een onbekend
einde. En dat wil ik.... Ik wil de menschheid tegen de goden
opzetten.... Kom voor den dag uit dijn blauwe hemelen.... Stijg op uit
dijn krochten.... Vertoon di.... waar en wie du ook zijt.... dat ik di
zie.... du geesten!.... En als zij zullen verrijzen en zij zullen den
moed eeren, dan zullen zij mij liever moeten hebben, dan al dat angstig
en vreesachtig menschengespuis, dat hun den rug biedt gelijk een
hoorige, die zich van kwaad bewust is of gelijk een hond, die een
stokslag verwacht....”
Zij voelde haar liefde groeien, begreep zijn woorden en begreep zijn
moed. Maar nog altijd twijfelend met ingeboren vrees voor het hoogere,
geheimzinnige, antwoordde zij:
„Verklaar mij dan de volgende ingeving der goden. In dit land werden de
hutten, die tegen den heuvel staan, dikwerf door den bliksem getroffen.
Men smeekte Maresag om goddelijke hulp tegen hemelsperen. Toen brandde
Maresag kruiden en ik viel in verrukking. Ik zag een hoogen berg en
daartegen veel hutten. Voor elke hut was een lange speer in den grond
gesteld, wel driemaal langer dan een gewone en uit den hemel sloegen
telkens vurige stralen naar de spitsen van die speren en kronkelden
zich er rond, gelijk adders en verdwenen in den grond.... Ontwakend
raadde ik het volk het planten van zulke lange speren aan. Men volgde
mijn raad en sedert schieten de hemelsperen langs de aardesperen....”
„Altijd?” vroeg Sogol.
„Neen.... altijd niet.... maar vaak.... heel vaak....”
„Dus weder onvolmaakt.... Hoe di aan die ingeving kwaamt, weet ik nog
niet. Ik begrijp ook niet, hoe kruiden verrukking kunnen brengen,
hoewel ik weet, ook door mijzelf, dat de verrukking zóó komt. De geur
van de thym en de lavendel die dijn lieve hand hier strooide, tooverde
al in mijn geest heel mijn jeugd aan moeders zij.... Er is een
opwekking van den geest.... Ik heb die speren hier voor de hutten
ingeplant gezien.... men had mi hun doel en werking verteld.... toen
heb ik nagedacht.... Maar ik kon de oorzaak niet vinden, waarom zij het
hemelvuur afleidden van de hutten, hoewel ik vast overtuigd was, dat
het niet de werking van een god is, want welk een dwaze god moet dat
zijn, die eerst hemelsperen zendt om de menschen te straffen en dan
weer hun het middel geeft om zijn straf af te leiden.... Dat zou zijn,
alsof du een luien dienstknecht tuchtigde, maar te voren hem met een
leeren schild bedekte, zoodat hij de slagen niet zou voelen....”
„De bedreiging was wellicht voldoende.... en zoo ook wil de god toonen,
dat hij wel altoos de macht maar niet altoos den wil tot straf
heeft.... En misschien ook daardoor straft hij vaak ondanks de lange
speren....”
„Dat is het onoverwinnelijke bij de geloovigen. Zij beginnen zooals du,
met te gelooven en leiden dan alles af en verklaren alles van dat
geloof uit.... Zóó zou ik nooit den Nickelman en den tweeboomgeest
verdreven hebben.... als ik begonnen was met in ze te gelooven....
Neen.... vrij moet men beginnen.... moedig en vrij, los van gelooven of
niet gelooven.... zooals een koning op het Ding, die de twee partijen
aanhoort voor hij recht spreekt, zonder zijn hart naar een der partijen
te neigen.... Mij valt daar een gedachte in.... In ’t Brukterenland bij
’t Aardenerwoud vallen ook de hemelsperen vaak.... maar daar is één
kleine tempel, die nog nooit getroffen is.... de tempel van den
heiligen eidebaar.... Dicht daarbij staat een hoog, eenzaam
ooievaarsnest.... en het heet, dat de heilige vogels, de hemelsperen op
’t eigen nest trekken om den tempel te beschermen....”
Hij sprong op van het leger, wierp de dekpels ver van zich, stond
geheel naakt voor haar. Zijn beide vuisten hield hij gebald voor zich
uit, deed ze dreigend beven, alsof hij tegen een voor haar onzichtbaren
vijand streed.
„Ik heb het!.... ik heb het!....” riep hij met een heldere stem. „Of
gij lange speren in den grond stelt of hooge eidebaarnesten.... het is
alles ’t zelfde.... de hemelspeer, komend uit den hoogen, treft ’t
allereerst wat het dichtst nabij is... dat is ’t hoogste punt... en dat
is ’t geheim van uw lange speren....”
„Zacht, zacht...” zei zij, hem met den vinger beduidend minder luid te
spreken. „Als Maresag di hoort, zal hij di doen dooden.... Du moet ook
niet zoo luid spreken, want dat geeft dijn woord niet méér
overtuigingskracht.... Goed dan, de hemelspeer wordt door ’t hoogste
punt ’t eerst aangetrokken.... maar wie zendt de vurige hemelspeer af?
Wie geeft haar zijn verzengende kracht? En wie bracht mij in de
verrukking de kennis dat de lange speren, de vuursperen zouden
aantrekken? Want ik kende den kleinen tempel van den heiligen eidebaar
niet.”
„Ik weet het nog niet.... maar ik zal het weten.... als ik maar
durf.... als ik maar moedig ben.... het zal altoos zoo gaan.... steekt
men moedig den vork in de poel van Nickelman, dan spietst men den aal
wel vast.... De geur van thym en lavendel brengt de verrukking van de
herinnering uit de jeugd... misschien... misschien...”
Hij zweeg, weifelend om de gedachte, die in hem opkwam te uiten.
„Onthoudt du mi dijn diepe woorden?” vroeg zij, met een zacht verwijt
in haar blik....
„Het is nog niet rijp... ik moet nog lang, lang peinzen...”
„Ik wil met di mede peinzen!”.... zei zij, voor hem gaande staan, haar
oog frank en moedig in ’t zijne doende stralen.
Zij zag aan zijn donkere blik hoe zijn geest bezig was.
„Zeg mi dijn gedachten....” smeekte zij, bij hem nederknielend en haar
hoofd tegen zijn been drukkend, de armen om zijn naakte dijen slaande.
Hij keek op haar neer, ging zacht met de handen langs haar witte haren,
streelend de golven van die zilverstroom en haar kaak toen in de kom
zijner handen vattend, haar gelaat naar ’t zijne opheffend, zei hij:
„Goed.... goed.... mijn kind.... ik zal di al mijn gedachten zeggen en
du moet mi mee helpen denken.... Wotan heeft Frya.... ik zal di hebben
in mijn strijd tegen hem.... Wilt du met mi gaan.... naar mijn rijk en
daar naast mi zijn.... rein en vrij.... geheel vrij.... strijden tegen
de menschen, tegen de goden.... tegen di-zelve.... Wilt di.... wilt
di?...”
„Ik wil, ik wil, ik wil!” kreet zij en opstaande, haar omvattende armen
in drukking latend glijden langs zijn heupen opwaarts, langs zijn
middel, langs zijn zijden, langs zijn schouders, drukte zij zich aan
zijn borst.
Hij nu ook sloeg zijn armen vast om haar lichaam en bedekte haar
wangen, heur voorhoofd, heur hals, heur lippen met innige kussen.