Zij hadden reeds de eerste buien jachtsneeuw weerstaan, toen zij
eindelijk, weder in de Batouw terugkeerden. Sigbert had veel last van
jicht en Herebaeld was op de laatste wegen door Reri en Tjeerd op een
baar van takken gedragen, want hij leed aan koortsen en uitputting.
Het zou een langen en strengen winter worden, want de eereprijs had
hoog gebloeid en de igelriede was dicht met gewas bezet geweest, twee
vaste teekenen voor Sigbert. Reri had zijn wapenberusting behouden en
van Harimona drie groote gouden munten gekregen, belooning voor zijn
trouwe diensten en voor de redding van het valsche offer. Reri was er
trotsch op, den Nervischen prins nog levend uit den stroom te hebben
getrokken. Want ware hij verdronken en zou de stroomgod het valsche
offer ontvangen hebben, dan zou de Rîn zeker buiten zijn oevers zijn
getreden en overal vloeden hebben veroorzaakt. Nu echter zou de
watergeest, met de drie maagdjes, die men hem later had geofferd, in ’t
voorjaar genadig zijn en geen onheilen aanrichten.
Tjeerd had twee overkleeden voor zichzelf en Sigbert een stuk
purperlaken en een stuk overzeesch lijnwaad waarin afbeeldingen van
zeemonsters waren geweven, voor Maaike, zijn vrouw, medegebracht. Maar
het beste wat hij van de lange, groote reis mede had genomen was toch
wel de voorspelling van de groote priesteres, dat het komende jaar
voorspoedig zou zijn, een rijken oogst zou opleveren en zeker weder de
Batouw tot welvaart zou komen.
Ondanks hun vermoeidheid en de ziekte van den jongsten broer, waren ze
dan ook gelukkig, toen ze eindelijk den lietweg afkomend, de Batouw
zagen, bedekt onder een sneeuwwa en de boomen al bladerloos. Sigbert
blikte over de verre velden, herkende de kleine boomgroepen, waarachter
hij wist, dat de hutten lagen en denkend aan de goeden oogst, die te
wachten stond en onder de witte sneeuw wetend de mulle, peerse aarde
van zijn land, zei hij tot Sigbert:
„’t Is toch een mooi land, jong, ’t onze. Wij hebben veel gezien maar
als du dat ziet, moet du toch toegeven, smukker land is ’t er niet.”
Hij stampte met zijn voeten, die in schaapsvachten gewikkeld waren,
stevig op den bekenden grond, zijn grond en weer voortgaande.
„Geen vloeden, geen marschen, alles smukke grond voor graanland en voor
runderen. Een smuk land is ’t jong, ’t onze... nou spreek eens op jong,
du bent zoo stil...”
Reri, die voorop ging, de boomen van de draagbaar op zijn machtige
schouders, stampte nu ook met den voet op den grond, in de vochtige
jachtsneeuw.
„Ja vaêr, smuk is ’t zeker, maar daar aan den Rîn is ’t ook niet
slecht. Als ’t niet om du en moeder ’weest was, ik had den dienst bij
den priester aangenomen. Want ’t eten was best vaêr, zeg zelf of ’t
eten niet best was?”
„Nou,” riep Tjeerd over de baar heen, waarin Herebaeld moede en
koortsig lag, „zulke meêt brouwen ze nergens. Wat was dàt zuiver
brouwsel.”
„En du keuningskind, ben di niet blide, dijn Batouw weer te zien. Zie
’ns rondom. Komend voorjaar is dat alles golvend als ’t groote meer van
de aren. Dan is er weer meel voor moeder om flaaien van te bakken en
honingkoeken en eiermeêl sal du drinken en weer sterk worden... Du moet
niet zoo slap zijn jong. Moeder sal di wel plegen en nou weten wi ook
’t middel om altijd gezond te sin. Weten wi niet Tjeerd?”
Hij keek knipoogend Tjeerd aan, die van een vroede vrouw ’t middel
gekocht had om honderd jaar te worden. Hij had haar zeven dagen moeten
dienen en toen had zij hem ter belooning het wondervers geleerd dat
luidde:
Vor methe saltu die huten,
Nicht lange vasten,
Kalt ezzen nutzen,
Blut saltu lazen,
Kaze saltu dicke hauen,
Sennep saltu ezzen,
Lange saltu slaffen,
Koden bat saltu miden,
Weinberen saltu trinken,
Rure kranken nicht,
Kol unde pippele saltu nicht ezzen. [9]
„Ik zeg niks vaêr. Maar ik wou, dat ik al bij moeder aan de pappot
zat.”
„Het wondert mi, dat wi nog geen buren zien!” zeide Herebaeld.
De drie anderen, zoolang nu al gewoon langs verre, eenzame wegen te
loopen, voelden de waarheid van de opmerking van den zieke.
„’t Is al stevig koud buîten!” meende Sigbert.
„Nee,” zei Tjeerd, „daar zit wat anders achter, vaêr.”
„Wat zou ’t zijn?” vroeg Sigbert ongerust.
„Wi sin zoo lang weg ëweest, vaêr. En ’t sin harde tiden... de
Dantubaren hadden al honger toen wi wegtrokken. En veel is er nit bi
gekommen...”
Uit de kille, dijzige lucht begon het fijntjes te sneeuwen. Sigbert
voelde zijn opgeruimde stemming neerslaan. Hij klemde de knoestige
vuist vaster om den stok waarop hij steunde, alsof hij de greep van een
wapen omvatte, waarmede hij zijn land verdedigde tegen vijanden.
Zij liepen haastig door met vaste, breede schreden, Sigbert voorop, de
twee broers vóór en achter de handbaar in gelijken stap wat schuin
terzijde van den weg, die alleen door de boomenrijen aangegeven, voor
hen uit zoo wit was als de velden rondom. Na een lange poos zoo voort
te zijn getrokken in de doodelijke stilte van ’t besneeuwde land, waar
zelfs ’t geluid van hun voetstap werd gedoofd, Sigbert steeds
vooruitstarend, om door de al dichter vallende sneeuwvlokken het huis
te kunnen zien, riep Herebaeld uit de baar:
„Vaêr, daar is onraad.”
En hij wees met zijn vinger moe links van den weg, waar een vlucht
kraaien verward opvlogen.
„Grendeldebliksem!” zeiden Tjeerd en Reri tegelijk, ook opziende naar
de vogels, die blijkbaar opgeschrikt waren.
„Als ik maar kon zien!” zuchtte Sigbert, zijn hand nu boven zijn oogen
en turend door de sneeuw naar de kim en na een poos:
„Jongens, ik geloof, dat ze daar aan ’t branden bennen. Mij dunkt, ik
zie rook.”
De beide oudste zoons tuurden in de richting, waar hun vader heenkeek.
„Wie wonen daar?” vroeg Reri.
„Dat moet Hadubrand zijn..... Die heeft toch zulke popels bij zijn
huis....”
„We moesten er heen tijgen.”
„Hoe wil di? We kunnen toch niet dwars over ’t land.. Du kunt door de
sneeuw niet zien, waar de kuilen zijn.”
„’t Moet maar!” meende de vader. En hij stapte terzij ’t land in. Maar
zijn stok tastend vooruitzettend, voelde hij dat deze diep in de sneeuw
wegzonk.
„Daar heb di ’t al,” riep Tjeerd.
„Grendeldebliksem... de schrabouwen... zij hebben de graankuilen
leeggestolen!”
Verslagen bleven ze staan om den stok, die diep in de sneeuw stak.
Dadelijk hadden ze het onheil begrepen. De karige wintervoorraad, die
in ’t land ingekuild werd tegen den winter, was door roovers
leeggestolen. Wie de roovers waren wisten zij niet en ze dachten daar
op ’t oogenblik niet aan. Zij dachten alleen aan de verschrikking van
den komenden winter zonder graan.
„Eén kuil zegt alle kuilen niet,” meende Reri, ziende naar zijn vader,
die de sneeuw met den stok wegduwend, de grootte van de graankuil mat.
„Wij moeten naar huis, zoo gauw wij maar kunnen,” zei Sigbert. „Tjeerd
ren du vooruit, ik blijf met Reri bij de baar. Hier, neem den horen mee
om te waarschuwen als er wat gebeurt.”
Hij gaf Tjeerd den horen, die aan zijn gordel hing en Tjeerd, hem
aannemend, begon het dadelijk op een loopen te zetten, in den rustigen,
gestagen draf van een, die wist dat hij lang zou hebben vol te houden.
Zij zagen hem voor zich uitloopen, vaal grijs tegen het blauwwitte der
sneeuw en voortstappend, bleven zij hem naoogen, tot hij in de dichte
vlokken verdween. Het voorgevoel van een ramp drukte hen zoo neer, dat
zij geen van drieën spraken. Reri nu vooruit loopend, de einden der
draagbaarboomen op zijn schouders, hield zijn kleinen kop op de lage
dikke hals wat naar voren, de oogen op een kier geopend tegen de
toewaaiende vlokken. Sigbert, de achtereinden van de baarboomen op zijn
schouders, de knuisten om de einden gekneld, al moede geworden, deed
zich geweld aan om de vlugge maat der passen van Reri te volgen.
Herebaeld, onder het dek gekropen, lag bevend en klappertandend, met
zijn fijn meisjesgezicht, vermagerd en spits, meeschokkend bij elken
tred van de dragers.
Zij liepen, de twee mannen zonder bepaalde gedachten, vervuld van één
verlangen, spoedig, heel spoedig thuis te kunnen zijn.
Sigbert bemerkte, dat Reri ook moede werd. Want dikwerf struikelde hij,
en een paar keer had hij met de handen de draagboomen op zijn schouders
wat verlegd. Maar nu liep hij geheel terzij en week van den weg af.
„Hebt di wat?” riep Sigbert.
„Vaêr, ik kan niet meer zien. Het zwabbert voor mijn oogen.... ik moet
me vasthouden om niet te vallen.”
Hij omklemde een jongen beuk, die terzijde van den weg stond en wachtte
zoo.
„Dat ’s niks jong. Dat ’s van de vlokken. Loop du achteraan en houd de
oogen toe. Ik zal vooraanloopen.”
Zij verwisselden van plaats. Sigbert, nu vooraanloopend voelde zich
uitgeput. Hij had achter Reri loopend, diens stappen machinaal gevolgd.
Nu moest hij vooraan den pas aangeven. Zijn oogen had hij maar op een
kier geopend om niet sneeuwduizelig te worden. Reri, na een kort poosje
wat bekomen, merkte de vermoeidheid van zijn vader.
„Vaêr!” riep hij. „’k Moest Herebaeld op mijn rug nemen en de baar hier
laten.”
Maar Sigbert, denkend aan de statie-gewaden en de geschenken, die in de
baar lagen, gaf geen antwoord, stapte zich vermannend met vastere
treden door.
Herebaeld scheen uit een slaap te ontwaken.
„Vaêr!” steunde hij.
„Wat is ’t jong?”
„Vaêr, hoordi niks?”
Sigbert stond stil en luisterde.
„Neen jong!”
„En du Reri, hoor di niks?”
„Wat zou ’k hooren in de sneeuw!”
„’t Was me of ’k een horen hoorde....”
Maar nog had hij niet uitgesproken of Sigbert en Reri hoorden nu ook
het zwakke toeten van een verren horen.
„Dat ’s Tjeerd!” riep Reri.
„We moeten hem helpen.... daar is onraad vader.... Wij zetten Herebaeld
hier neer bij dien boom. Wij komen terug zoodra ’t gaat.”
„Ik blijf bij mijn kind,” zei Sigbert vastbesloten.
„Tjeerd is dijn kind ook.”
„Ga du naar Tjeerd.... ik blijf hier.”
Reri gordde zijn zwaard wat hooger, opdat ’t hem niet bij ’t gaan zou
hinderen en begon met krachtige stappen in de richting van waar het
toeten geklonken had, te loopen. Na een wijle hoorde hij het toeteren
weer, nu duidelijk de drie korte stooten, die een hulproep beduiden.
Nu, zijn vermoeienis onderdrukkend, begon hij ’t op een loopen te
zetten, kierend door de oogleden om niet weder duizelig te worden. Een
derde maal klonk het hulpsignaal—nu heel dichtbij. Ter zij, midden in
een hoop sneeuw zag hij door den dichten, stagen val der sneeuwvlokken
wat bewegen en meteen hoorde hij nogmaals de drie horenstooten.
„Hier ben ik!” riep Reri, tastend met de handen vooruit naar den
horenblazer toeloopend. Het was een jongen uit ’t dorp van Reri, die
hem herkennend, nu op hem toesnelde.
„Gauw, gauw.... haast-di.... Tjeerd zond mij uit.... De Dantubaren zijn
gekomen en hebben ’t graan geroofd en de hutten in brand gestoken....
Gauw, gauw.... Tjeerd vecht met de mannen van ’t dorp mee.... maar er
zijn er zooveel, zooveel....”
„Voer me jongen, voer me!” zei Reri. Hij hield zijn hand op den
schouder van den knaap, die hem tusschen twee lage heuvels door,
waarbij zij tot de knieën in de sneeuw zonken naar de woning van Wate
leidde, een van de rijkste Batouwers. Daar vond hij een achttal mannen
met aaksten, saksen en frammen gewapend, gereed om uit te trekken. Zij
begroetten Reri met een handdruk, vroegen naar Sigbert, vertelden van
den inval der Dantubaren, die door honger gedreven, zich allen hadden
vereenigd en in de Batouw waren gevallen om ’t graan te stelen en te
plunderen. Zij waren als woedende dieren, sloegen allen die zich
verzetten neer, mannen, vrouwen en kinderen, wilden de heele bevolking
van de Batouw uitmoorden uit vrees voor werwraak.
De Dantubaren trokken nu in de richting van de woning van Sigbert,
wetende dat hij en zijn drie zonen op een verre reis waren. Tjeerd was
al op weg naar de woning om zijn moeder en zijn bruid te beschermen.
Zij waren gereed om hem te gaan helpen.
Reri trok zijn kortzwaard, toonde het even aan de verbaasde Batouwers,
want in de Batouw kende men zulke schoone wapenen niet en het groepje
van acht mannen schreed door de sneeuw, die wat minder dicht begon te
vallen, naar de woning van Sigbert. Daar krinkelde de rook al op van
het strooien dak, maar een tiental Batouwers waren vechtend tegen een
zwerm Dantubaren. Reri herkende Tjeerd dadelijk en zijn kortzwaard
opstekend in de lucht, rende hij toe, gevolgd door zijn strijdmakkers.
De Dantubaren, een groep van wellicht vijfhonderd, waren rondom ’t
brandende huis bezig. Enkele droegen het huisraad naar buiten. Anderen
waren aan ’t zoeken naar de graankuilen. Maar de meesten wierpen met
korte speren en steenen naar de kleine troep Batouwers, die zooeven
teruggeslagen, opnieuw zich voorbereidde op een stormloop. Nu zij Reri
en de zijnen zagen komen, riepen zij hun Hoeiej!... Hoeiej!... en Reri,
antwoordend, stortte zich met opgeheven kortzwaard op de Dantubaren.
Deze, den reus met het vreemde wapen ziende, waren bevreesd geworden.
Zoodra zij bemerkten, dat Reri, zich midden tusschen hen werpend, naar
alle zijden hun vermagerde, uitgeputte strijdmakkers, alleen sterk door
hun menigte neersloeg, weken zij en nu twaalf Batouwers, een kleinen
saks vormend, in gesloten krijgsorde op hen losstormden, Tjeerd voorop,
baan makend naar Reri, die alleen midden tusschen de ellendigen, tot
met de schouders boven hen uitstekend, met rustige slagen koppen
spleet, zoodat hij in een kring van bloedende lijken stond.
De Dantubaren begonnen te vluchten. Een viertal hunner, grooter en
breeder dan de anderen, trachtten hem te weerhouden. Met hun frammen
vooruit, stormden ze elk van een andere zijde op Reri aan. Maar voor
zij hem bereikt hadden, was de saks van Tjeerd genaderd en de vier, nu
in verwarring, werden door de Batouwers van Tjeerds wig neergeslagen.
De Dantubaren, die op een afstand nog waren blijven wachten, hopend dat
het de vier gelukken zou, den Batouwschen reus te vellen, vluchtten nu
in een drom, de hoofden voorover, de ruggen in deining en in regelmaat
stampend op den dichten sneeuwgrond.
Een paar Batouwers waren de hut binnengesneld en droegen nu Maaike naar
buiten. Zij was door den rook ademloos, maar in de frissche buitenlucht
kwam ze bij, herkende haar twee zonen, vroeg naar Sigbert en naar
Herebaeld.
Met sneeuw werd de brand in ’t rieten dak gebluscht. Vrouw Sigbert,
hoorende dat heur man en heur kind aan den weg waren gebleven, riep een
zestal maagden, die in doodsangst voor de Dantubaren, over de velden
gevlucht waren en zich in een schuur hadden verstoken.
Zij liet ze een wagen uit een schuur halen, zond ze daarmede op weg
naar Sigbert.
Ze vonden den uitgeputten man, half ingesneeuwd en bewusteloos bij de
baar van Herebaeld, die een lijkbaar was geworden.
Herebaeld lag met het vermagerde, ovalen meisjesgezicht boven het dek
rustig en stil. Zijn baret was terzijde geschoven en onder den rand
uit, krulden de blonde lokken van het hoofd, dat ondanks de dubbele
kruin en de voorspellingen, op deze wereld niet heerschen zou.