HOOFDSTUK I.

Driemaal reeds had het Ding den priester Myst doen dagen door het

geheele Nervische rijk, maar de zendboden waren allen teruggekomen met

de mededeeling, dat de verblijfplaats van den ouden man niet was te

vinden. Daarom vergaderden zij en verkozen Koeperan, die twee vaarten

naar het Paarden-eiland had medegemaakt en door den ouden koning zeer

bemind was. Koeperan, die de groote zware vrouwen van zijn rijk zeer

lief had, stelde de godin Haiwô als opperste godin van het land.

Hij gebood, dat zij voortaan heilig boven alle andere goden en godinnen

zou zijn en gelastte de priesters, haar ter eer offeranden te brengen.

Daar hij wist, dat er vele mannen morden en zeiden, dat het Ding een

slechte keus had gedaan en dat ze op het Ding door meet en bier en

vrouwen zoo bedwelmd waren geweest, dat niemand goed geweten had, wien

hij koos, vormde hij geen lijfwacht van mannen maar van vrouwen.

Honderd zware, groote maagden koos hij uit en deze wapende hij met

speren, schilden en helmen. Hij zelf oefende ze elken dag uren

achtereen op de groote heide en toen hij zag, hoe vaardig en dapper ze

waren, gaf hij elk der krijgsvrouwen, twee paarden, groote zware

paarden, kruisingen van ’t grove inlandsche ras met de fijnere paarden,

die zij als buit hadden meegebracht van de rooftochten op ’t groote

eiland in den oceaan.

Het was nu zijn vertier elken dag zijn honderd vrouwen gewapend met

speer en kortzwaard, de haren los over den rag, kruiselings te paard

zittend, naakt te doen rijden en draven en ze te oefenen in ’t gevecht.

Toen zij voldoende geoefend waren verbood hij, dat andere lieden dan

zijn honderd vrouwen te paard mochten stijgen. Wie rijden wilde, moest

zijn paard voor een kar aanspannen.

Eenige Nervische jongemannen hadden zich verzet. Driest reden zij, hoog

op hun rossen, den nieuwen koning tegemoet, toen dezen zich met zijn

krijgsvrouwen op de heide oefende. De vrouwen, verhit door de

oefeningen, overmoedig door haar voorrechten, ontvingen de jongemannen

met gejoel en daagden ze tot tweegevechten te paard uit, wat den koning

zeer vermaakte. Hij stond het tweegevecht toe onder voorwaarde, dat de

man, die verloor, aan de vrouwen gelijk zou worden gemaakt. Dat

voorstel namen de Nervische jongemannen aan en spoedig waren de

tweegevechten gaande. Maar de jonge mannen konden niet op tegen de

reuzenwijven en alle zeven verloren zij den kamp.

Toen vielen de wijven, op bevel van den koning op de jonge mannen aan

en hieven ze met de slagzwaarden de geslachtsdeelen af en juichten en

joelden en gierden als zij de smarten van de jonge mannen zagen, die

daar voor heur oogen doodbloedden.

Sedert waagden de Nervische mannen het niet meer tegen de bevelen van

koning Koeperan zich te verzetten. De koning, tevreden met zijn trouwe

lijfwacht, liet zich met elk zijner krijgsvrouwen trouwen en ééne onder

haar, Himilrât, had hij het liefste van allen, zoodat zij spoedig een

overwegenden invloed op hem kreeg. Zij, in ’t diepst van haar wezen,

haatte hem echter en haatte alle mannen. Tot haar twintigste jaar was

Himilrât opgevoed in de haag van Nehalennia en zij had levenslang

kuisch willen blijven verzorgend zieke en oude vrouwen en als

priesteres, de vrouwen verdedigd togen den overmoed der mannen. Want

haar was het bewust geworden, dat de mannen in Germanië de vrouwen

onderdrukten. Zij verachtte de mannen, die lui op het berenvel lagen,

dronken, speelden, zwelgden en oorlogsspel bedreven, terwijl de vrouwen

gedwongen werden uren na uren aan het weefgetouw te zitten, het land te

bebouwen, het vee te verzorgen, de kinderen in de jaren, dat zij de

meeste hulp vereischten, te behoeden. Zij, de vrouw, moest het graan

dorschen en malen en ’t brood bakken; zij moest de lijnwaden weven; zij

moest de huiden looien; zij moest den man als slavin dienen en als een

kind willoos gehoorzamen. De mannen, op hun rooftochten, mochten vrij

maagden schennen en vrouwen onteeren. Maar de vrouw die ontrouw werd,

bond men in een zak en verdronk haar of verbrandde haar of begroef haar

levend. Wanneer een maagd zich, in de lichtzinnige jaren der jeugd, aan

een minnaar gaf en de minnaar verliet haar, dan werd zij met het

schandekind op een wagen door het dorp gevoerd en men hoonde haar,

wierp haar met slijk en steenen en drek en dreef haar uit de gouw met

het kind. Maar de ontrouwe man dronk honingbier en pochte op zijn

schelmschen minne-handel.

Wanneer de man de kootjes wierp en nogmaals wierp en nogmaals wierp,

tot hij verspeeld had, hof en hut en vee en zwaard, dan doorspelend,

liet hij de teerling beschikken over ’t lot van vrouw en kind, die

zonder zich te kunnen verzetten, vrijheid en eer verloren en voortaan

als slaven dienden, ja door den winner geruild werden tegen een

waakhond of een paard of een stier, zoodat vrouw en kinderen, in een

verre, vreemde gouw, onder een vijandigen stam vaak, tot het eind der

jaren in slavernij en verachting leefden.

Maar als de verleide maagd, in wanhoop, om de schande te ontgaan en

heur kind voor den smaad der slavernij en de pijniging van den honger

te behoeden, heur kind om ’t leven bracht, dan liepen ze te hoop de

mannen en grepen de ongelukkige verleide en sloegen haar of nepen haar

de borsten af, of rukten haar de tong uit den mond of staken haar de

oogen uit en joegen haar op de hei, waar zij verhongerde of zij bonden

haar in een eenboom en zetten het brooze vaartuig uit op den wilden

stroom en zoo dreef dan de ongelukkige, verdorstend te midden van ’t

water, dat zij hoorde klotsen rondom den hollen boom en welks

vochtigen, zoeten geur zij inademde en welks lavende golven zij

bobbelen zag in ’t zonlicht. Wel vaak had Himilrât ’s nachts de kreten

gehoord van die verdorstende gevangenen, wanneer ze langs de Skalde

zeewaarts dreven, naakt vastgebonden in den hollen boom, beschenen door

het maanlicht en den zeegeest smeekend haar toch met golven te

overstroomen en in de diepte te trekken. Zij dan had ze tersluiks gered

en ze in de haag verpleegd en ze arbeid gegeven in de weefhutten of in

de sandaalsnijderij.

Wat deden de mannen? Zij zochten twist met vreedzame buren, belust op

strijd en avontuur. En niet zij leden, de mannen, want zoo zij gedood

werden, kwamen ze in Walhalla en zoo ze gewond werden lagen ze thuis,

verpleegd en verzorgd door de vrouwen en geëerd wegens hun vechtmoed.

Maar de weduwen hier en de weduwen van den vijand, bleven achter met

hare kinderen en boetten den overmoed van de vaders met levenslangen

nooddruft. Waarom arbeidden de mannen niet, zooals ze dat deden in het

land der Batouwers? Waarom hielpen zij niet bij ’t zaaien en maaien en

bij het verzorgen van ’t vee? Waarom trokken ze op roof uit bij

vreedzame buren, die wèl arbeidden? Omdat ze te lui waren. Omdat ze,

vertrouwend op de kracht van hun spieren en de geoefendheid in ’t

gevecht, liever als bronzende herten op elkaar aanvielen dan trouw te

arbeiden. Omdat zij het makkelijker vonden de zwakke vrouwen te

onderdrukken en zelf voor hun vertier te leven, dan dag aan dag ploeg

en eg en sikkel te voeren.

Zij had zich zeer verzet, toen Koning Koeperan, die vernomen had, dat

in de haag van Nehalennia een jonkvrouw van reusachtige lichaamsbouw

woonde, haar wilde doen tot zich voeren en eerst toen de Koning haar

had doen weten, dat zij tot opperpriesteres van Haiwô benoemd zou

worden, had zij toegestemd om te komen. Zij bemerkte weldra haar

invloed op den koning en besloot daarvan partij te trekken en de

omstandigheden kwamen haar zeer ter hulpe. Nadat de mannen, door de

vrees voor de vrouwenlijfwacht van den koning en het verbod om paard te

rijden voldoende waren verzwakt, drong zij er bij den koning op aan,

dat hij den mannen zou bevelen, den vrouwen te helpen bij het weven,

bij het ploegen, bij het brouwen en bij het bakken. Voorts bewerkte

zij, dat er een gelijk recht werd opgesteld voor mannen en voor

vrouwen.

De koning, door de vele liefdesnachten met zijne vrouwen verzwakt en

zich geheel overgevend aan Himilrât, ging zoover om te bevelen, dat op

het Ding, de helft der lieden uit vrouwen zou bestaan en dat bij de

rechtzittingen zijn raad van bijstand gevormd zou worden voor de helft

uit mannen en voor de helft uit vrouwen.

Spoedig zag men vreemde toestanden in de Nervische landen. Een maagd,

die zich door een Nervischen jongeling had laten verleiden en een

schandekind ter wereld had gebracht, werd voor den koning gebracht. Het

volk eischte, dat men haar en heur kind, met geesels uit ’t land zou

jagen. Himilrât, die naast den koning op een zetel zat, liet den koning

zeggen, dat hij wenschte, dat de jongeling voor hem zou verschijnen.

Toen werd het kind tusschen de twee gelegd en met de handjes aan de

vrouw en met de voetjes aan den jongeling gebonden. Thans beval de

koning, op aanraden van Himilrât, dat men met roeden den man en de

vrouw elk naar een andere zijde zou jagen.

De man begon al aan het koord te trekken, hopend spoedig los te komen,

al trok hij daardoor ook het kind de beentjes uit het lijf. Maar de

moeder liet zich geeselen en had slechts ééne zorg, haar kind te

beschutten voor de slagen en te voorkomen, dat zij de armpjes van het

kind uit het lid trok. Toen beval de koning, dat men beiden los zou

binden. De moeder met haar kind werden in vrijheid gesteld, maar de man

werd uit het dorp gegeeseld en aan een boom gebonden, waar hij

verhongeren moest. ’s Nachts sloop de vrouw naar den boom en bevrijdde

den man.

Een moeder had haar pasgeboren schandekind gedood. Het volk wilde haar

levend begraven. De koning, na raad gehouden te hebben met Himilrât,

stond de straf toe onder ééne voorwaarde.... Niemand mocht aan de

bestraffing deelnemen, die zelf in zijn geheele sipschaft een

schandekind telde of een ongehuwde moeder. Het bleek, dat er geen sip

was in de Nervische gouwen, waar niet ten minste één lid zich tegen de

wetten der kuischheid vergrepen had. Daardoor bleef de moeder

ongestraft.

Deze en andere voorvallen hadden een grooten invloed op het

maatschappelijk en zedelijk leven van de Nerviërs. De mannen begonnen

zich er aan te wennen mede te arbeiden op het veld en in den molen en

aan het weefgetouw. De omgang tusschen de maagden en jongelingen werd

vrijer en het aantal ongehuwde moeders nam snel toe. Daarom vaardigde

de koning het bevel uit, dat voortaan alle kinderen niet meer naar den

vader maar naar de moeder zouden genoemd worden; dat voortaan kinderen

van ongehuwde moeders dezelfde rechten zouden hebben als kinderen van

gehuwde moeders. Toen echter, ondanks zijn bevel, toch de kinderen der

ongehuwden werden achtergesteld, gelastte de koning, die zich geheel

door Himilrât liet leiden, dat de éénjarige kinderen allen elke week in

den tempel van Haiwô zouden gebracht worden. Daar werden zij naakt

uitgekleed en dan door het lot der godin aan de moeders verdeeld, die

onmiddellijk huiswaarts moesten trekken met het haar, door de godin,

toegewezen kind. Het gevolg hiervan was, dat de moeders de verzorging

van de haar vreemde kinderen verwaarloosden. Toen beval de koning, dat

een dag na de geboorte de kinderen naar het lot der godin zouden

verdeeld worden. Nu konden de moeders niet meer onderscheiden of zij

een vreemd kind dan wel het eigen hadden terug ontvangen en zij droegen

het haar toegewezen kind evenveel liefde toe als ’t eigene. En daar zij

bedachten, dat wellicht het kind eener andere vrouw het hare kon zijn,

zorgden de rijke moeders ook voor de arme moeders, ja elke zuigeling

scheen nu wel zooveel moeders te hebben als er zoogende vrouwen waren.

Himilrât voorzag, dat op deze wijze het geheele volk der Nerviërs zich

langzamerhand als een groote sippe zou gaan beschouwen. Ieder kon de

broeder of de zuster van een ander zijn en terwijl immers tot thans de

sipschaften elk afzonderlijk hadden geleefd en voor ’t eigen belang

hadden gestreden, zou nu het geheele volk zich eensgezind voelen,

zonder hoôvaardij op afkomst of rang van vaders en voorvaders. Elkeen

zou geen andere waarde en waardigheid bezitten, dan die hij of zij

zichzelve door eigen kracht en deugd verwierf.

Koning Koeperan werd in deze dagen ziek en stierf na korten tijd aan

uitputting.

Het Ding kwam bijeen om een nieuwen Koning uit te roepen. Thans kozen

ook de vrouwen mede en de negen-en-negentig krijgsvrouwen, in volle

wapenrusting, verschenen te paard op den Dinghof onder leiding van

Himilrât. De mannen wilden Solbert, een krachtigen en rijken Nervischen

man tot koning kiezen. Maar de vrouwen, die vreesden dat zij hare

rechten zouden verliezen, wanneer een man aan de regeering kwam,

eischten dat Himilrât tot koningin met koningswaardigheid zou verkozen

worden. Toen, op het Ding, ontbrandde plotseling het strijdvuur

tusschen de mannen en de vrouwen, dat reeds lang gesmeuld had.

De vrouwen verlieten hun mannen, de dochters hun vaders, de vrijsters

haar vrijers en weldra waren er twee kampen gevormd, dat der mannen en

dat der vrouwen, die bereid stonden om door wapengeweld elkaar den

voorrang te betwisten. De mannen stoorden zich niet meer aan het

verbod, dat zij niet te paard mochten rijden. Zij begonnen zich weder

ijverig toe oefenen in het paardrijden en in het vechten te paard. Maar

Himilrât, die het bloedvergieten wilde voorkomen, liet groote wagens

timmeren, die zij deed volladen met leeftocht. Toen, in den nacht, trok

zij met alle Nervische vrouwen, jonkvrouwen en meisjes ver weg naar een

dal in de bergen, dat slechts één toegang had en daar zette het

vrouwelijk gedeelte van den stam der Nerviërs zich metterwoon neder,

met geen andere leden van het mannelijk geslacht dan de mannelijke

zuigelingen, waarvan de moeders, zich niet hadden kunnen scheiden.

Toen de mannen bemerkten, dat de vrouwen gevlucht waren, jubelden zij

en vierden feest omdat de vrouwen het pleit verloren hadden. Solbert

werd tot Koning verheven en zijn eerste regeeringsdaad was de

afschaffing van de godin Haiwô en de oude god Thius werd weder in eere

hersteld. Doch na de gelagen en de offers begonnen de mannen naar de

vrouwen te verlangen. Na een week hadden allen spijt over het vertrek

der vrouwen en eenigen begonnen onderzoek te doen naar den weg, die de

vrouwen op haar vlucht hadden genomen. Toen zij het dal gevonden

hadden, begonnen zij de vrouwen, die de wacht hielden bij de

ingangspoort te vragen of zij mee wilden komen. De vrouwen weigerden,

maar den volgenden morgen waren twee van de schildwachten niet op haar

post en den volgenden nacht lieten weer eenige vrouwen zich verleiden

om mede te trekken. Himilrât, dit vernemende, verbood de vrouwen bij

doodstraf, zich met de mannen te onderhouden en drie dagen later hief

zij met eigen hand een jonkvrouw het hoofd af, die het gewaagd had, met

haar vader te spreken.

De mannen verdubbelden hun pogingen om hun vrouwen te bewegen, weder

naar het dorp te komen. Zij kampeerden aan den ingang van het dal en

riepen de vrouwen toe, dat zij toch onbekommerd tot hen zouden komen.

Zij zouden haar verdedigen tegen Himilrât en zij konden er verzekerd

van zijn, dat zij ook onder Solbert vrijheid zouden genieten en

dingrecht.

Er waren in het kamp der vrouwen reeds vele maagden, die spijt hadden,

medegetrokken te zijn. Zij keken met verlangenden blik naar de

jongelieden, die zij van de heuvels konden zien rijden en loopen.

Eindelijk vatte een der krijgsvrouwen, Blicdrût genaamd, moed en zeide

tot Himilrât dat zij niet langer zonder man wilde blijven. Toen

Himilrât haar bestrafte, trok zij haar zwaard en verzette zich.

Himilrât riep de krijgsvrouwen te hulp, maar deze waren van meening

verdeeld en spoedig waren er in het vrouwenkamp twee partijen, die

onder leiding van Blicdrût, welke eischte, dat men tot de mannen weer

zou keeren en die van Himilrât, die aan geen terugkeer wilden denken,

voor Solbert was afgezet en aan Himilrât de koningsmacht was verleend.

De leeftocht begon te verminderen en daar Himilrât weigerde aan de

partij van Blicdrût levensmiddelen af te staan, besloot Blicdrût met

haar partij het dal te verlaten en naar de mannen te trekken. Ook dit

trachtte Himilrât te verhinderen en nu stelden de vrouwen zich in

slagorde en de beide partijen, aangevoerd door de krijgsmaagden, vielen

op elkaar aan. De krijgsmaagden streden naar de regels der vechtkunst

te paard, met kortzwaard en schild, doch de andere vrouwen vochten naar

vrouwenaard. Zij krabden elkaar in ’t gelaat, trokken elkaar aan de

haren en velen ook, zonder tot handtastelijkheden over te gaan,

scholden elkaar uit, keven, spuwden naar elkaar en begonnen op haar

vaders en broers en verdere sipschaft te schelden, zoodat de vrouwen,

die weigerden naar heur mannen terug te keeren, soms de eer van

diezelfde mannen verdedigden wanneer die werd aangevallen door de

vrouwen, die wèl naar de mannen terug wilden keeren.

De mannen, die den strijd hadden aangezien, sloten zich aaneen, drongen

door den ingang in het dal en vielen nu op Himilrât en hare partij aan.

Thans was voor haar de slag verloren. Met een aantal getrouwe

krijgsmaagden nam zij de vlucht en de mannen, verheugd hun vrouwen

weergevonden te hebben, keerden naar het dorp terug. Maar sedert werden

de vrouwen weder tot huis- en veldarbeid gedwongen, de mannen bleven

zich aan de jacht en de wapenoefeningen wijden en ook ontnam men den

vrouwen het Dingrecht weder.

Ver in de bosschen rondom het Nervische gebied zwierf Himilrât met haar

bende rond, de mannen, waar zij ze aantrof, beroovend en doodend.

Germania(#73888) · 第 23 / 44 题