Driemaal reeds had het Ding den priester Myst doen dagen door het
geheele Nervische rijk, maar de zendboden waren allen teruggekomen met
de mededeeling, dat de verblijfplaats van den ouden man niet was te
vinden. Daarom vergaderden zij en verkozen Koeperan, die twee vaarten
naar het Paarden-eiland had medegemaakt en door den ouden koning zeer
bemind was. Koeperan, die de groote zware vrouwen van zijn rijk zeer
lief had, stelde de godin Haiwô als opperste godin van het land.
Hij gebood, dat zij voortaan heilig boven alle andere goden en godinnen
zou zijn en gelastte de priesters, haar ter eer offeranden te brengen.
Daar hij wist, dat er vele mannen morden en zeiden, dat het Ding een
slechte keus had gedaan en dat ze op het Ding door meet en bier en
vrouwen zoo bedwelmd waren geweest, dat niemand goed geweten had, wien
hij koos, vormde hij geen lijfwacht van mannen maar van vrouwen.
Honderd zware, groote maagden koos hij uit en deze wapende hij met
speren, schilden en helmen. Hij zelf oefende ze elken dag uren
achtereen op de groote heide en toen hij zag, hoe vaardig en dapper ze
waren, gaf hij elk der krijgsvrouwen, twee paarden, groote zware
paarden, kruisingen van ’t grove inlandsche ras met de fijnere paarden,
die zij als buit hadden meegebracht van de rooftochten op ’t groote
eiland in den oceaan.
Het was nu zijn vertier elken dag zijn honderd vrouwen gewapend met
speer en kortzwaard, de haren los over den rag, kruiselings te paard
zittend, naakt te doen rijden en draven en ze te oefenen in ’t gevecht.
Toen zij voldoende geoefend waren verbood hij, dat andere lieden dan
zijn honderd vrouwen te paard mochten stijgen. Wie rijden wilde, moest
zijn paard voor een kar aanspannen.
Eenige Nervische jongemannen hadden zich verzet. Driest reden zij, hoog
op hun rossen, den nieuwen koning tegemoet, toen dezen zich met zijn
krijgsvrouwen op de heide oefende. De vrouwen, verhit door de
oefeningen, overmoedig door haar voorrechten, ontvingen de jongemannen
met gejoel en daagden ze tot tweegevechten te paard uit, wat den koning
zeer vermaakte. Hij stond het tweegevecht toe onder voorwaarde, dat de
man, die verloor, aan de vrouwen gelijk zou worden gemaakt. Dat
voorstel namen de Nervische jongemannen aan en spoedig waren de
tweegevechten gaande. Maar de jonge mannen konden niet op tegen de
reuzenwijven en alle zeven verloren zij den kamp.
Toen vielen de wijven, op bevel van den koning op de jonge mannen aan
en hieven ze met de slagzwaarden de geslachtsdeelen af en juichten en
joelden en gierden als zij de smarten van de jonge mannen zagen, die
daar voor heur oogen doodbloedden.
Sedert waagden de Nervische mannen het niet meer tegen de bevelen van
koning Koeperan zich te verzetten. De koning, tevreden met zijn trouwe
lijfwacht, liet zich met elk zijner krijgsvrouwen trouwen en ééne onder
haar, Himilrât, had hij het liefste van allen, zoodat zij spoedig een
overwegenden invloed op hem kreeg. Zij, in ’t diepst van haar wezen,
haatte hem echter en haatte alle mannen. Tot haar twintigste jaar was
Himilrât opgevoed in de haag van Nehalennia en zij had levenslang
kuisch willen blijven verzorgend zieke en oude vrouwen en als
priesteres, de vrouwen verdedigd togen den overmoed der mannen. Want
haar was het bewust geworden, dat de mannen in Germanië de vrouwen
onderdrukten. Zij verachtte de mannen, die lui op het berenvel lagen,
dronken, speelden, zwelgden en oorlogsspel bedreven, terwijl de vrouwen
gedwongen werden uren na uren aan het weefgetouw te zitten, het land te
bebouwen, het vee te verzorgen, de kinderen in de jaren, dat zij de
meeste hulp vereischten, te behoeden. Zij, de vrouw, moest het graan
dorschen en malen en ’t brood bakken; zij moest de lijnwaden weven; zij
moest de huiden looien; zij moest den man als slavin dienen en als een
kind willoos gehoorzamen. De mannen, op hun rooftochten, mochten vrij
maagden schennen en vrouwen onteeren. Maar de vrouw die ontrouw werd,
bond men in een zak en verdronk haar of verbrandde haar of begroef haar
levend. Wanneer een maagd zich, in de lichtzinnige jaren der jeugd, aan
een minnaar gaf en de minnaar verliet haar, dan werd zij met het
schandekind op een wagen door het dorp gevoerd en men hoonde haar,
wierp haar met slijk en steenen en drek en dreef haar uit de gouw met
het kind. Maar de ontrouwe man dronk honingbier en pochte op zijn
schelmschen minne-handel.
Wanneer de man de kootjes wierp en nogmaals wierp en nogmaals wierp,
tot hij verspeeld had, hof en hut en vee en zwaard, dan doorspelend,
liet hij de teerling beschikken over ’t lot van vrouw en kind, die
zonder zich te kunnen verzetten, vrijheid en eer verloren en voortaan
als slaven dienden, ja door den winner geruild werden tegen een
waakhond of een paard of een stier, zoodat vrouw en kinderen, in een
verre, vreemde gouw, onder een vijandigen stam vaak, tot het eind der
jaren in slavernij en verachting leefden.
Maar als de verleide maagd, in wanhoop, om de schande te ontgaan en
heur kind voor den smaad der slavernij en de pijniging van den honger
te behoeden, heur kind om ’t leven bracht, dan liepen ze te hoop de
mannen en grepen de ongelukkige verleide en sloegen haar of nepen haar
de borsten af, of rukten haar de tong uit den mond of staken haar de
oogen uit en joegen haar op de hei, waar zij verhongerde of zij bonden
haar in een eenboom en zetten het brooze vaartuig uit op den wilden
stroom en zoo dreef dan de ongelukkige, verdorstend te midden van ’t
water, dat zij hoorde klotsen rondom den hollen boom en welks
vochtigen, zoeten geur zij inademde en welks lavende golven zij
bobbelen zag in ’t zonlicht. Wel vaak had Himilrât ’s nachts de kreten
gehoord van die verdorstende gevangenen, wanneer ze langs de Skalde
zeewaarts dreven, naakt vastgebonden in den hollen boom, beschenen door
het maanlicht en den zeegeest smeekend haar toch met golven te
overstroomen en in de diepte te trekken. Zij dan had ze tersluiks gered
en ze in de haag verpleegd en ze arbeid gegeven in de weefhutten of in
de sandaalsnijderij.
Wat deden de mannen? Zij zochten twist met vreedzame buren, belust op
strijd en avontuur. En niet zij leden, de mannen, want zoo zij gedood
werden, kwamen ze in Walhalla en zoo ze gewond werden lagen ze thuis,
verpleegd en verzorgd door de vrouwen en geëerd wegens hun vechtmoed.
Maar de weduwen hier en de weduwen van den vijand, bleven achter met
hare kinderen en boetten den overmoed van de vaders met levenslangen
nooddruft. Waarom arbeidden de mannen niet, zooals ze dat deden in het
land der Batouwers? Waarom hielpen zij niet bij ’t zaaien en maaien en
bij het verzorgen van ’t vee? Waarom trokken ze op roof uit bij
vreedzame buren, die wèl arbeidden? Omdat ze te lui waren. Omdat ze,
vertrouwend op de kracht van hun spieren en de geoefendheid in ’t
gevecht, liever als bronzende herten op elkaar aanvielen dan trouw te
arbeiden. Omdat zij het makkelijker vonden de zwakke vrouwen te
onderdrukken en zelf voor hun vertier te leven, dan dag aan dag ploeg
en eg en sikkel te voeren.
Zij had zich zeer verzet, toen Koning Koeperan, die vernomen had, dat
in de haag van Nehalennia een jonkvrouw van reusachtige lichaamsbouw
woonde, haar wilde doen tot zich voeren en eerst toen de Koning haar
had doen weten, dat zij tot opperpriesteres van Haiwô benoemd zou
worden, had zij toegestemd om te komen. Zij bemerkte weldra haar
invloed op den koning en besloot daarvan partij te trekken en de
omstandigheden kwamen haar zeer ter hulpe. Nadat de mannen, door de
vrees voor de vrouwenlijfwacht van den koning en het verbod om paard te
rijden voldoende waren verzwakt, drong zij er bij den koning op aan,
dat hij den mannen zou bevelen, den vrouwen te helpen bij het weven,
bij het ploegen, bij het brouwen en bij het bakken. Voorts bewerkte
zij, dat er een gelijk recht werd opgesteld voor mannen en voor
vrouwen.
De koning, door de vele liefdesnachten met zijne vrouwen verzwakt en
zich geheel overgevend aan Himilrât, ging zoover om te bevelen, dat op
het Ding, de helft der lieden uit vrouwen zou bestaan en dat bij de
rechtzittingen zijn raad van bijstand gevormd zou worden voor de helft
uit mannen en voor de helft uit vrouwen.
Spoedig zag men vreemde toestanden in de Nervische landen. Een maagd,
die zich door een Nervischen jongeling had laten verleiden en een
schandekind ter wereld had gebracht, werd voor den koning gebracht. Het
volk eischte, dat men haar en heur kind, met geesels uit ’t land zou
jagen. Himilrât, die naast den koning op een zetel zat, liet den koning
zeggen, dat hij wenschte, dat de jongeling voor hem zou verschijnen.
Toen werd het kind tusschen de twee gelegd en met de handjes aan de
vrouw en met de voetjes aan den jongeling gebonden. Thans beval de
koning, op aanraden van Himilrât, dat men met roeden den man en de
vrouw elk naar een andere zijde zou jagen.
De man begon al aan het koord te trekken, hopend spoedig los te komen,
al trok hij daardoor ook het kind de beentjes uit het lijf. Maar de
moeder liet zich geeselen en had slechts ééne zorg, haar kind te
beschutten voor de slagen en te voorkomen, dat zij de armpjes van het
kind uit het lid trok. Toen beval de koning, dat men beiden los zou
binden. De moeder met haar kind werden in vrijheid gesteld, maar de man
werd uit het dorp gegeeseld en aan een boom gebonden, waar hij
verhongeren moest. ’s Nachts sloop de vrouw naar den boom en bevrijdde
den man.
Een moeder had haar pasgeboren schandekind gedood. Het volk wilde haar
levend begraven. De koning, na raad gehouden te hebben met Himilrât,
stond de straf toe onder ééne voorwaarde.... Niemand mocht aan de
bestraffing deelnemen, die zelf in zijn geheele sipschaft een
schandekind telde of een ongehuwde moeder. Het bleek, dat er geen sip
was in de Nervische gouwen, waar niet ten minste één lid zich tegen de
wetten der kuischheid vergrepen had. Daardoor bleef de moeder
ongestraft.
Deze en andere voorvallen hadden een grooten invloed op het
maatschappelijk en zedelijk leven van de Nerviërs. De mannen begonnen
zich er aan te wennen mede te arbeiden op het veld en in den molen en
aan het weefgetouw. De omgang tusschen de maagden en jongelingen werd
vrijer en het aantal ongehuwde moeders nam snel toe. Daarom vaardigde
de koning het bevel uit, dat voortaan alle kinderen niet meer naar den
vader maar naar de moeder zouden genoemd worden; dat voortaan kinderen
van ongehuwde moeders dezelfde rechten zouden hebben als kinderen van
gehuwde moeders. Toen echter, ondanks zijn bevel, toch de kinderen der
ongehuwden werden achtergesteld, gelastte de koning, die zich geheel
door Himilrât liet leiden, dat de éénjarige kinderen allen elke week in
den tempel van Haiwô zouden gebracht worden. Daar werden zij naakt
uitgekleed en dan door het lot der godin aan de moeders verdeeld, die
onmiddellijk huiswaarts moesten trekken met het haar, door de godin,
toegewezen kind. Het gevolg hiervan was, dat de moeders de verzorging
van de haar vreemde kinderen verwaarloosden. Toen beval de koning, dat
een dag na de geboorte de kinderen naar het lot der godin zouden
verdeeld worden. Nu konden de moeders niet meer onderscheiden of zij
een vreemd kind dan wel het eigen hadden terug ontvangen en zij droegen
het haar toegewezen kind evenveel liefde toe als ’t eigene. En daar zij
bedachten, dat wellicht het kind eener andere vrouw het hare kon zijn,
zorgden de rijke moeders ook voor de arme moeders, ja elke zuigeling
scheen nu wel zooveel moeders te hebben als er zoogende vrouwen waren.
Himilrât voorzag, dat op deze wijze het geheele volk der Nerviërs zich
langzamerhand als een groote sippe zou gaan beschouwen. Ieder kon de
broeder of de zuster van een ander zijn en terwijl immers tot thans de
sipschaften elk afzonderlijk hadden geleefd en voor ’t eigen belang
hadden gestreden, zou nu het geheele volk zich eensgezind voelen,
zonder hoôvaardij op afkomst of rang van vaders en voorvaders. Elkeen
zou geen andere waarde en waardigheid bezitten, dan die hij of zij
zichzelve door eigen kracht en deugd verwierf.
Koning Koeperan werd in deze dagen ziek en stierf na korten tijd aan
uitputting.
Het Ding kwam bijeen om een nieuwen Koning uit te roepen. Thans kozen
ook de vrouwen mede en de negen-en-negentig krijgsvrouwen, in volle
wapenrusting, verschenen te paard op den Dinghof onder leiding van
Himilrât. De mannen wilden Solbert, een krachtigen en rijken Nervischen
man tot koning kiezen. Maar de vrouwen, die vreesden dat zij hare
rechten zouden verliezen, wanneer een man aan de regeering kwam,
eischten dat Himilrât tot koningin met koningswaardigheid zou verkozen
worden. Toen, op het Ding, ontbrandde plotseling het strijdvuur
tusschen de mannen en de vrouwen, dat reeds lang gesmeuld had.
De vrouwen verlieten hun mannen, de dochters hun vaders, de vrijsters
haar vrijers en weldra waren er twee kampen gevormd, dat der mannen en
dat der vrouwen, die bereid stonden om door wapengeweld elkaar den
voorrang te betwisten. De mannen stoorden zich niet meer aan het
verbod, dat zij niet te paard mochten rijden. Zij begonnen zich weder
ijverig toe oefenen in het paardrijden en in het vechten te paard. Maar
Himilrât, die het bloedvergieten wilde voorkomen, liet groote wagens
timmeren, die zij deed volladen met leeftocht. Toen, in den nacht, trok
zij met alle Nervische vrouwen, jonkvrouwen en meisjes ver weg naar een
dal in de bergen, dat slechts één toegang had en daar zette het
vrouwelijk gedeelte van den stam der Nerviërs zich metterwoon neder,
met geen andere leden van het mannelijk geslacht dan de mannelijke
zuigelingen, waarvan de moeders, zich niet hadden kunnen scheiden.
Toen de mannen bemerkten, dat de vrouwen gevlucht waren, jubelden zij
en vierden feest omdat de vrouwen het pleit verloren hadden. Solbert
werd tot Koning verheven en zijn eerste regeeringsdaad was de
afschaffing van de godin Haiwô en de oude god Thius werd weder in eere
hersteld. Doch na de gelagen en de offers begonnen de mannen naar de
vrouwen te verlangen. Na een week hadden allen spijt over het vertrek
der vrouwen en eenigen begonnen onderzoek te doen naar den weg, die de
vrouwen op haar vlucht hadden genomen. Toen zij het dal gevonden
hadden, begonnen zij de vrouwen, die de wacht hielden bij de
ingangspoort te vragen of zij mee wilden komen. De vrouwen weigerden,
maar den volgenden morgen waren twee van de schildwachten niet op haar
post en den volgenden nacht lieten weer eenige vrouwen zich verleiden
om mede te trekken. Himilrât, dit vernemende, verbood de vrouwen bij
doodstraf, zich met de mannen te onderhouden en drie dagen later hief
zij met eigen hand een jonkvrouw het hoofd af, die het gewaagd had, met
haar vader te spreken.
De mannen verdubbelden hun pogingen om hun vrouwen te bewegen, weder
naar het dorp te komen. Zij kampeerden aan den ingang van het dal en
riepen de vrouwen toe, dat zij toch onbekommerd tot hen zouden komen.
Zij zouden haar verdedigen tegen Himilrât en zij konden er verzekerd
van zijn, dat zij ook onder Solbert vrijheid zouden genieten en
dingrecht.
Er waren in het kamp der vrouwen reeds vele maagden, die spijt hadden,
medegetrokken te zijn. Zij keken met verlangenden blik naar de
jongelieden, die zij van de heuvels konden zien rijden en loopen.
Eindelijk vatte een der krijgsvrouwen, Blicdrût genaamd, moed en zeide
tot Himilrât dat zij niet langer zonder man wilde blijven. Toen
Himilrât haar bestrafte, trok zij haar zwaard en verzette zich.
Himilrât riep de krijgsvrouwen te hulp, maar deze waren van meening
verdeeld en spoedig waren er in het vrouwenkamp twee partijen, die
onder leiding van Blicdrût, welke eischte, dat men tot de mannen weer
zou keeren en die van Himilrât, die aan geen terugkeer wilden denken,
voor Solbert was afgezet en aan Himilrât de koningsmacht was verleend.
De leeftocht begon te verminderen en daar Himilrât weigerde aan de
partij van Blicdrût levensmiddelen af te staan, besloot Blicdrût met
haar partij het dal te verlaten en naar de mannen te trekken. Ook dit
trachtte Himilrât te verhinderen en nu stelden de vrouwen zich in
slagorde en de beide partijen, aangevoerd door de krijgsmaagden, vielen
op elkaar aan. De krijgsmaagden streden naar de regels der vechtkunst
te paard, met kortzwaard en schild, doch de andere vrouwen vochten naar
vrouwenaard. Zij krabden elkaar in ’t gelaat, trokken elkaar aan de
haren en velen ook, zonder tot handtastelijkheden over te gaan,
scholden elkaar uit, keven, spuwden naar elkaar en begonnen op haar
vaders en broers en verdere sipschaft te schelden, zoodat de vrouwen,
die weigerden naar heur mannen terug te keeren, soms de eer van
diezelfde mannen verdedigden wanneer die werd aangevallen door de
vrouwen, die wèl naar de mannen terug wilden keeren.
De mannen, die den strijd hadden aangezien, sloten zich aaneen, drongen
door den ingang in het dal en vielen nu op Himilrât en hare partij aan.
Thans was voor haar de slag verloren. Met een aantal getrouwe
krijgsmaagden nam zij de vlucht en de mannen, verheugd hun vrouwen
weergevonden te hebben, keerden naar het dorp terug. Maar sedert werden
de vrouwen weder tot huis- en veldarbeid gedwongen, de mannen bleven
zich aan de jacht en de wapenoefeningen wijden en ook ontnam men den
vrouwen het Dingrecht weder.
Ver in de bosschen rondom het Nervische gebied zwierf Himilrât met haar
bende rond, de mannen, waar zij ze aantrof, beroovend en doodend.