Het was sedert dagen feest in Renigo. Harimona, de goddelijke
jonkvrouw, had door Maresag doen aanzeggen, dat zij in deze maan
zitting zou houden. Er waren terzijde van de groote beukenlaan,
loofhutten opgericht voor de priesters, de priesteressen en de voorname
personen, die met hun geschenken wachtten op hun beurt van toelating.
Ver, daar achter aan de lager gelegen delling, naar de zijde van den
breeden Rîn toe, stond het gewone volk wachtend op de toestemming om
haar voorbij te mogen loopen in den stoet, die gevormd zou worden. In
de laatste dagen was het zeer rumoerig geweest, want de toeloop was
groot en de verschillende stammen, hier bijeen komend, raakten vooral
als er veel bier gedronken was, al licht in strijd en dan riepen de
hoofdlieden hun saks van honderd bijeen en de hoofdman aan de spits
stormden ze, in wigvormige slagorde, op de tegenpartij aan. Rondom
stonden de feestgangers om te genieten van dat schoone oorlogsspel, en
de vrouwen en moeders en bruiden, die mede gekomen waren, moedigden de
mannen aan. Na den strijd lagen dan de gewonden en de stervenden op het
veld en nu weenden en weeklaagden de vrouwen, maar de mannen, die zich
zonder een klacht verbinden lieten, waren beschaamd omdat zij ’t
verloren hadden en ook wel dreef er ’s avonds een lijk op den stroom
van een, die een wonde in den rug had ontvangen en niet zoo
geschandvlekt, terug wilde gaan naar zijn stam of van een, die zijn
schild had verloren en door een eed gebonden was, zich na dat verlies
het leven te nemen. Maar gruwelijker was het, wanneer maagden zich
verdronken, omdat de bruigom laf was geweest of gevallen was.
Harimona had op een nachtelijke wandeling eenmaal het lijk van zoo ’n
jonkvrouw naar den oever van den stroom zien aanspoelen en toen zij
vernam, dat er geen dag voorbijging waarop niet doodslag en zelfmoord
plaats vonden in de kampen, wilde zij door Maresag doen zeggen, dat wie
niet in vrede leefde, door haar zou verbannen worden. Maresag had
echter doen weten, dat Harimona boete stelde op alle gewelddadigheid en
nauwkeurig de boeten bepaald voor doodslag, verminking of zelfmoord en
zoo bleven de gewelddadigheden en zelfmoorden voortduren, tot vreugde
van Maresag, die ziekelijk gierig en begeerig, de boeten ontving.
Aan ’t eind der beukenlaan liep de weg op naar den heuvel van de
heilige haag. Te halver hoogte was een zwaren steen gewenteld, welke
als offerblok zou dienen. Aan de beide zijden waren steenen haarden
gebouwd en kringen van brandspitten, om de offerdieren toe te bereiden.
En hooger op den heuvel, onder een baldakijn van blank lijnwaad met
roode borduursels in den vorm van sparretakken, was een groote, breede
granieten zetel opgericht, met een hooge leuning. Rondom den zetel
lagen blauwe zelindebloemen en paarsche boschviooltjes. Verder terzij,
onder doeken van wit lijnwaad met roode strepen versierd, stond de
heilige wagen, die door veertien witte koeien getrokken, een rondgang
zou doen door de kampen. Harimona zou op den wagen staan en zich aan
het volk vertoonen. Dan zou de wagen na den rondgang rijden tot aan den
stroom en hier zouden de koeien worden afgespannen om geslacht en
gebraden te worden. Maar de wagen zelf zou in den stroom worden gereden
en er gingen geruchten, dat Harimona het groote offer zou doen brengen
uit de vroegere tijden van waar en vroom geloof, toen de voorvaderen
aan Tius menschen offerden en daarvoor beloond waren met zege in den
strijd en overvloed en vruchtbaarheid. En op dat menschenoffer hoopten
ze allen. Ze wisten nog niet wie geofferd zou worden, een hoorige, een
vrije, een jonkvrouw of een ridder, die ’t kortzwaard droeg. Enkele,
die veel herinnering hadden of verhalen kenden van vaders en
grootvaders, zeiden, dat vroeger, toen de voorvaderen nog onverbasterd
waren, de priesteres zelve zich aan Tius had geofferd om den god
tevreden te stellen en gunsten voor de menschen te verkregen. Er waren
er ook, die weder den grooten god van teenen wilden vlechten, waarin
knapen en meisjes werden gebracht, die dan met den god werden verbrand.
Sommige moeders boden hun kinderen aan voor dien godgevalligen dood.
Ook voor het menschenoffer waren er velen, die zich vrijwillig bij
Maresag hadden aangemeld wèl wetend, dat Tius hen in het Walhalla onder
de helden zou plaatsen.
Doch Maresag, het volk kennend en wel wetend, dat het ten laatste de
zelf-opoffering van Harimona zou eischen, liet weten, dat het
menschen-offer door de goden zelf zou worden aangewezen op den dag van
de omvaart. En oude wijven, die in de kampen voorspellingen deden,
droomen duidden, met het ei werkten, brachten uit, dat het offer een
man zou zijn uit de bosschen, met lang haar en een langen baard en dat
hij vergezeld zou worden van een held uit Walhalla in de gedaante van
een ouden priester en van een zoon van Nerthus, in de gedaante van een
jongeling, die hemelsche muziek zou maken.
Daarom werden de toestroomende lieden met veel belangstelling begroet,
door degenen, die reeds wachtten en men hoopte op de komst van de drie
heiligen der drie leeftijden, den grijsaard, den man en den jongeling.
De komst van Koning Mise en zijn drie dichters had overal opzien
gewekt. Wel waren zij armelijk gekleed en kwamen in een grove ezelkar
aangereden, maar Mise had een kroon van eikeloof op ’t hoofd, en was de
eerste waarachtige Koning, die tot Harimona kwam. Toen het bekend werd,
dat Koning Mise van het Skalde-eiland dingen wilde naar de hand van
Harimona en haar smeeken kwam, de haven van zijn eiland dieper te doen
worden, riep Maresag hem tot zich, boog zich op den grond voor den
Koning en hoorde met welgevallen, dat hij de zoo machtige Nehalennia
wilde afzweren voor Harimona.
Maresag, verheugd over den invloed van Harimona, tot zelfs in een zoo
afgelegen rijk, leidde den Koning en zijn drie dichters zelve rond
langs de schatkamers en de vier, die prachtige bronzen vazen, de vaten
vol barnsteen, de heerlijke gewaden, de stapels lijnwaad, de gepolijste
drinkhorens, de urnen vol klompjes goud en nog velerlei andere schatten
ziende, konden zich niet weerhouden van bewondering en de drie dichters
waren neerslachtig, vreezend dat hun heer, die geen geschenken kon
geven, zijn aanzien zou inboeten.
Koning Mise liet zich alles tot in bijzonderheden toonen. Een bronzen
vat met stukken agaat en serpentijn opgeladen, wekte zijn twijfel „of
’t wel tot den bodem gevuld was, of dat er onder waardeloos zand lei?”
Maresag nam het vat en keerde het om, wierp den inhoud op den grond, om
te toonen, dat het vol was. Maar bij een tridagna, gevuld met bronzen
sluitspelden, uitte hij weder twijfel aan den inhoud en Maresag
overtuigde hem opnieuw. Nu begon koning Mise af te dingen op de
hoedanigheid van het lijnwaad, de kleur van de pelzen, de grootte van
de drinkhorens, de doorzichtigheid van enkele groote stukken gepolijst
barnsteen. Maresag, gelukkig met een Koning, die zooveel kennis van
zaken had, blijde de volkomen waarde van de bezittingen te kunnen
uitstallen en te kunnen spreken over zijn schatten, begon op kindsche
wijze de geschenken te roemen en te snoeven op de schatten van de haag
van Renigo, die door geen andere schatten in ’t Germaansche land werden
overtroffen. Maar Mise lachte verachtelijk, sprak over de schatten in
de gouwen der Frisen en der Galliërs en begon wonderverhalen te doen
van zijn eigen bezittingen. Zoo had hij dien kostbaren schat Hoe-Moor,
dewelke een geschenk van de goden zelve was, van grooter waarde dan het
glanzendste brons en van doorzichtiger goudglans dan ’t zuiverste
barnsteen en wie er maar wat van meedroeg, had een eeuwigen glans in de
oogen, schooner dan die de zonnestraal wekt in den amberen bikkel. Wie
deze schat des levens bezat, kon in de grootste smarten lachen, bij de
zwaarste tegenslagen met een zachten glimlach gelaten zijn en begrijpen
het spel van goden en menschen. Troost gaf deze schat aan treurenden,
wijsheid aan peinzers en al bezat men tienmaal zooveel schatten als in
de haag van Renigo bijeen waren, zonder Hoe-Moor bleef men slechts een
armzalige stakkerd.
Maresag zag den Koning met begeerige blikken aan, terwijl achter zijn
rug Pimm, Pinn en Pill bezig waren de zakken van hun pijen te vullen
met de schatten, die daar, zonder Hoe-Moor, als waardeloos lagen.
„Harimona zal zeker die schat van di eischen!” zeide de hebzuchtige
priester tot koning Mise.
„Ik verwachtte niet anders.”
„Heb di ze meegebracht?”
„Zou ik, als bruidegom, zonder dezen durven werven? Hier, mijn drie
gezanten droegen ze en ik bewaakte ze.”
De drie gezanten stonden haastig overeind en terwijl de Koning zachtjes
aan met den priester voortliep, sprak hij:
„Het is een vreemde bezitting, die wonderbare schat. Men zou hem den
rijkdom der armen en de armoede der rijken kunnen noemen. Wie hem eens
bezit, kan hem niet verliezen en zoo machtig werkt hij, dat men
stervend door hem, kan glimlachen.”
„Is hij zwaar? Hoe ziet hij er uit?” vroeg Maresag nieuwsgierig.
„Meent di, dat een schat door de goden zelve gegeven, gewogen kan
worden als nietswaardige aardsche schatten en gezien met gewone
menschelijke oogen. Deze schat, heer priester, kunnen de blinden vaak
zien, maar de zienden dikwerf niet. En licht is hij als een zonnestraal
of schoon als de regenboog en mild als de voorjaarsregen en verzachtend
als balsem.”
„Ach, groote Koning, zou ik er niet een heel, heel klein stukje van
kunnen zien... nu dadelijk?”
„Mijn drie getrouwen dragen steeds iets van den schat bij zich. Zie hen
aan, grauw zijn hun pijen en geen sieraden zijn in hun bezit. Zooals
hun Koning weten zij, dat wien de goden Hoe-Moor verleende, weinig meer
behoeft, om in deze wereld met een gestadigen lach op de lippen rond te
gaan.”
De drie scharluinen lachten op dit oogenblik werkelijk en hun Koning
zei geen leugen toen hij beweerde, dat zij iets van den schat bezaten.
„Ach, groote Koning, wat zou ik niet willen geven, als ik iets van die
schat mocht bezitten.”
„Het is moeilijk er iets van af te staan. Want hoe zou ik met leege
handen bij Harimona kunnen komen?”
„En mijn voorspraak dan? Weet, o Koning, dat één woord van mij, den
hoogepriester, Harimona kan dwingen.”
„Doch al deze schatten hier getuigen toch, dat zij veel verlangt van
haar aanbidders.”
„Het zijn haar schatten niet. Het zijn de schatten van de heilige haag
van Renigo. En weet, o koning, ik ben de opperpriester van Renigo en
naar mijn wil worden deze schatten verdeeld.”
„Maar zij behooren aan de haag.”
„Neen, vreemdeling. Mijn schatten zijn het, de mijne alleen en niemand
anders dan ik, zal ze behouden. Schenk mij van uw wonderschat en ik zal
u het eerst van allen toegang tot Harimona geven en zal zorgen, dat zij
uwe wenschen volvoert”
„Heeft zij daartoe de macht?”
„Twijfelt di daaraan?”
„Dus zal zij mijn haven doen uitdiepen?”
„Ik beloof het di!”
„En zal zij mij tot bruidegom verkiezen?”
„Als du de voorwaarden vervult, zeker.”
„Baza, de geit en Whridlo, den hond, zal ik weten te overwinnen. Maar
voor Frango, den draak vrees ik. Zoudt di mi den strijd tegen den
recken en den draak niet willen schenken?”
„Als du mi dijn schat geeft, zeker!”
„Du zweert mi bij dijn priestereer, dat du mi voort zal helpen?”
„Ik zweer het, als du mi thans uw wonderschat geeft.”
„Welaan dan... zet u neder op dezen zetel en volvoer wat ik di
gebiede.”
De oude priester, in kindsche hebzucht hopend op de wonderschat, die de
vreemde koning uit het verre land had mede gebracht om Harimona’s gunst
te koopen, zette zich op den zetel neder. Koning Mise knoopte zijn
halsdoek los en deze aan Pimm gevend, beval hij hem den grijsaard dezen
voor de oogen te binden.
„Waartoe dat?” vroeg de grijsaard angstig.
„Zeide ik di niet, dat de wonderschat door de blinden gezien wordt?”
Pimm bond den ouden gierigaard den doek voor de oogen.
„Ik zie niets!” zeide de oude man.
„De voorbereiding is nog niet gereed!”
Mise beval nu Pinn de beenen van den grijsaard met de slippen van diens
rok vast aan de pooten van den zetel te binden en aan Pill de armen van
den grijsaard met de slippen van diens overkleed vast aan de leuning
van den zetel te snoeren.
„Ik zie nog niets!” kreunde de oude man.
„Geduld, geduld, kunt di een wolk van de zon schuiven als die daar voor
hangt of moet di wachten tot zij zelve verdwijnt? Alzoo, priester de
schat Hoe-Moor. Met geweld kan niemand hem verwerven. Het is een
geschenk der goden, dat iemand toevalt.”
Onderwijl waren de drie schobberdebonken luidop lachend om den
geblinddoekten en geketenden gek, hun aard volgend, dadelijk de
schatten uit de schuur gaan dragen en stortten ze haastig in ’t
ezelwagentje, zoodat het ezeltje zelf straks een groote hoeveelheid van
den godenschat zou moeten bezitten, om blijmoedig deze te zware vracht
te trekken.
De priester hoorde het op en neer loopen van de drie scharminkels wel,
maar ook lachten zij zoo luide en herhaaldelijk en zeiden elkaar zulke
vroolijke grollen, dat de oude man niet wist wat te moeten denken.
„Hoort di ze loopen en lachen?” vroeg Mise. „Luister, zij ontlasten
zich van den wonderschat.”
De priester meende, dat ze de schatten uit den wagen in de schuur
brachten en de drie deden dit dan ook, wanneer men aan hun grollen
geloof wilde schenken.
Pinn sprak, een zware leemen pot met bronzen spiegels en beenen kammen
torschend om ze naar ’t wagentje te dragen en daarin leeg te storten:
De schat er uit, de schat er in,
Vat blinde, Hoe-Moor in dees zin.
Pimm sprak, een stuk zilver ter grootte van een kinderhoofd wegdragend:
Met veel Hoe-Moor en een beetje geld,
Wordt zelfs de armste welgesteld.
Pill sprak, een pot met bronzen hoofdspangen en armspiralen
wegsjouwend:
Zie hoe het volk een wond’re schat zich werft,
Als het zijn priesters bindt, blindt en onterft.
„Hooren doe ik veel, maar zien doe ik niets!” riep de oude man uit, die
ongeduldig werd, begeerig naar de wonderschat.
„In den tempel van de Hoe-Moor, gaat het al niet anders dan in den
uwen, priester!” antwoordde de koning. En bemerkend, dat de schuur
voldoende leeggedragen was, beval hij de drie rabouwen het zamelen van
de schat te staken en elk naar zijn taak, den priester weder los te
binden en den doek van de oogen te nemen. Onderwijl trok hij een van de
gestolen Friesche sandalen uit en toen Maresag verbaasd rondkeek in den
leeggestolen schuur, hield hij hem die onder den neus.
„Wat moet dat? Wat moet dat beteekenen!” kreet de grijsaard.
„Heer priester”, antwoordde Mise ernstig, „zult du di den wonderschat
door onwijs bedragen doen ontgaan?...”
„Waar is de wonderschat?”
„Maar hier... voor dijn oogen...”
„Ik zie niets...”
„Ziet di dezen schoen niet, dezen schoonen, Friesche schoen?”
„Ja... dien zie ik...”
„Daarin is de schat.”
„Er is niets in...”
„Nog niet... maar dit is het wonder... Zet dezen schoen ’s avonds onder
de schouw van Harimona en laat ze zich wenschen, wat ’t ook zij... Dan
komen ’s nachts de goden, Thius, Wotan, Donar, Balder, Grendel en Frya
en zij zullen in den schoen werpen, al wat du wenscht...”
„Maar waar zijn mijn schatten?”
„Die hebben de goden medegenomen om ze in den schoen te steken...”
„En de Hoe-Moor... ik wil den Hoe-Moor hebben...”
„Laat Harimona dien heden avond wenschen; dat is zoo goed als bidden...
Tot morgen, heer priester... en denk aan dijn eeden en beloften...”
En Koning Mise, gevolgd door zijn drie trawanten, verliet statig de
schuur, terwijl Maresag besluiteloos achterbleef, den leegen schoen in
zijn hand houdend.
Het ezeltje kon nauw den wagen trekken en daar de vier haast hadden om
naar hun loofhut te komen—want het werd avond—ging koning Mise
vooroploopen, het ezeltje voorttrekkend aan ’t bit; Pimm en Pinn duwden
elk aan een rad, terwijl achteraan Pill, zijn rug tegen het achterschot
zettend, medehielp het ezeltje den last te verlichten.
Pimm zeide:
De Hoe-Moor van dees zaak,
Brengt zware avondtaak.
Pinn sprak:
Een zware buit,
Is licht gekruid.
Pill sprak:
’k Ga vooruit en terug,
Daar ik duw met mijn rug.
Koning Mise antwoordde:
Voorwaarts gaan, maar omgekeerd,
Hebben priesters steeds begeerd.
Sigbert en zijn drie zonen, hoewel vol verlangen wachtend op ’t
oogenblik, dat zij tot de wijze jonkvrouwe toegang zouden erlangen,
Sigbert om haar te smeeken de Batouw met een goeden oogst te zegenen,
na drie jaren van misgewas, Herebaeld om verlof te krijgen met zijn
beide broers Frango, Whridlo en Baza te gaan bestrijden, waren vol
verbazing gedurende al die dagen, dat zij in de kampen wachtten. Prins
Istovar had hun een mooie tent geschonken, die zij opgeslagen hadden in
het kamp der vrijen en Sigbert, als aanvoerder van een saks, had een
fram voor de tent in den grond gestoken, ten teeken van waardigheid.
Hierdoor kwamen andere aanvoerders van honderdlieden den stoeren Bataaf
bezoeken en zij noodigden hem uit mede te gaan naar de groote
meê-tenten, waar de drinkgelagen plaats vonden en ook gedobbeld werd.
Sigbert, Tjeerd en Reri, nadat zij eenmaal mee hadden gedaan aan een
gelag, keerden vol afschuw terug. Dat waren geen menschen meer maar
beesten, zeiden ze. Sigbert vond het schande, dat de groote priester,
dat niet verbood. Ze zaten daar allen aan banken, de sakslieden en hun
zonen en dronken uit groote horens bruin bier. Elke tafel had een
voordrinker en niemand mocht den horen van den mond nemen, zoolang de
voordrinker dronk. Zoo dan waren de zwakste drinkers ’t eerst
beschonken en vielen van de bank of liepen naar buiten en lagen daar
als zwijnen in hun braaksel. Anderen, die door de dronkenschap opgewekt
waren, wierven om de sotte maegdekens die daar in groote getale om de
tenten zwierven en dan slopen ze weg in ’t bosch om hun geneucht te
zoeken, zoodat wie daar langs den woudrand wandelde, telkens vreemd
gegil hoorde alsof diep in ’t woud de kabouters en kollen Thonarsdag
vierden. Doch ook waren er veel schaamteloozen, die door den drank
buiten bezinning gebracht, naakt met de sotte maegdekens ronddansten in
reien of zoo midden in den kring, gelijk de dieren, zich omhelsden. En
’t kwam wel voor, dat een vrouw haar echtgenoot zoo betrapte en op het
sotte maegdeke toeschoot en deze met een steen doodsloeg en schande
schreeuwde over de ontucht. Ook wel, dat de andere sotte maegdekens
haar vriendin verdedigden en dan vochten vrouwen tegen vrouwen en de
beschonken mannen stonden daar lachend naar te zien. Of jammerende
moeders en schreiende meisjes en knapen smeekten een beschonken vader
om mee te gaan en niet langer te drinken waarop enkelen, die een goeden
dronk hadden, zich lieten mee tronen, maar anderen, die door den drank
woest werden, wierpen de vrouwen van zich af en men had het zelfs
bijgewoond, dat een beschonken vader zijn eigen dochter, die hem
smeekte af te laten van den horen, met een vuistslag neervelde. Het
gruwelijkste was ’t op de kootjes-made. Daar, op een groot, geel
lijnwaad, beproefden de spelers hun geluk en wierpen met gemerkte
schape-kootjes. Rondom stonden in een wijden kring de toeschouwers en
de spelers, die op hun beurt wachtten en ook de vrouwen en de kinderen
van de spelers. Als dan de spelers gewonnen hadden was er gejuich en
zij liepen naar rechts af. Maar de verliezers dropen naar links af,
tenzij zij zich zelf verspeeld hadden en hun fram doorbraken, de
stukken den winner gaven ten teeken van onderwerping en hem nu met
gebogen hoofd volgden. Soms had een vader zijn dochter verspeeld en dan
zag men de weeklagende en weenende maagd zich met weerzin verzetten
tegen den winnaar, die haar wegvoerde naar zijn tent of naar het bosch
en de andere mannen maakten pret, zeiden grollen en moedigden de
weeklagende maagd aan met woorden als: „Het zal di geen smart doen,
duifje!” of „Eenmaal geproefd, allemaal verlangd!”
Maar de moeder weende en begon den vader verwijten te doen en soms
vloog de moeder, den vader aan, krabde hem in ’t gelaat, scholdt hem
uit voor een lafbek en een grendelsboef, wat voor de toeschouwers een
groot vermaak was en voor de winnende spelers een aanleiding, om den
verliezer grollen toe te roepen. Vaak ook beschuldigde een speler den
ander, dat hij de kootjes, door verboden bewegingen zoo had geworpen,
dat ze altijd in zijn voordeel kwamen te liggen. Dan werden de andere
spelers als getuige geroepen en als de partijen ’t niet eens werden,
gingen ze terzij op ’t effen-veld en vochten een godsoordeel met de
fram of het mes of de aakst of zoo ’t edellieden waren, met het
kortzwaard. Menigeen verloor zoo het leven, hoewel hij in ’t recht was
geweest en menig valsch speler, even vaardig met de fram als met de
kootjes, werd zoo onrechtvaardig in ’t gelijk gesteld en werd rijk. De
valsche spelers deden vooral veel moeite om de beschonkenen naar de
kootjesmade te lokken, want die waren lichtvaardig met den inzet, zagen
niet nauwkeurig toe en op ’t effen-veld al gemakkelijk neer te stooten.
Reri had hier een oogenblik gevaar geloopen. Sigbert en Reri stonden
naar ’t kootjes-werpen te kijken toen een Chat, een grijsaard reeds,
met een krachtigen, jongen Sveef strijd kreeg. De grijsaard had gezien,
dat de Sveef, voor hij wierp, de drie kootjes langs een rendiertand had
gewreven, die hij als amulet om den hals had hangen en wilde nu de
winst, twee bronzen knoopen, niet uitbetalen, omdat de kootjes bezworen
waren geweest. De Sveef zei, dat de Chat het loog en trok hem bij het
lange, witte haar, zoo hem willend dwingen, de winst te betalen.
„Ik heb ’t ook gezien. De Chat heeft gelijk!” riep Reri plotseling.
„Grendeldebliksem, waar moei du di in, snotdolf!” riep Sigbert,
bevreesd voor een gevecht en Reri meetronend. Reri, gewend zijn vader
te gehoorzamen, wilde al meegaan, maar de grijsaard krijschte:
„Hier, de Batouwer zegt het ook... Hulpe, Hulpe... de Batouwer is
getuige geweest!”
Nu kon Reri niet meer terug en de valsche speler op hem toetredend,
riep: „Waar moei du di in, schooier!”
„Grendeldebliksem, ik ben een vrije Batouwer!” kreet Reri
verontwaardigd. Maar toeschouwers, die hem en zijn vader met
vernedering aanzagen, daar beiden uit armoede diervellen om de voeten
gewikkeld hadden in stede van op sandalen te gaan, en in hun door de
lange reis verplukte en kaalgeplekte schapenvellen gekleed waren als
hoorigen, begonnen te hoonlachen. De jonge, krachtige Sveef, in zijn
donkerblauw overkleed met witte dennenaald-ornamenten, om ’t middel
gesnoerd door een breeden geellederen gordel met groote bronzen gesp,
links een kortzwaard dragend in een lederen scheede, die met
bronsbeslag, fraaie schelpen, en plaatjes gepolijst barnsteen was
versierd, was dadelijk door rasgenooten omringd en een van de
boschdeernen, die wegens haar groote statuur zéér door de mannen
begeerd was, naderde in een wijd gewaad van lichtblauwe fijngeweven
wol, riep lachend: „Hettel, sla den rabouw neer!”
„Kortzwaard tegen kortzwaard!” riep de Sveef, zijn zwaard trekkend.
„Mijn zoon vecht met de fram!” zei Sigbert, zich voor Reri stellend.
„Laat du di door vaderlief schutten?” lachte de Sveef.
Er waren er, die niet wisten, dat in de welvarende en vreedzame Batouw
het kortzwaard in onbruik was geraakt en die meenden, dat een hoorige
zich vermeten wilde met een vrij man te vechten. Zij riepen, dat men
den knecht neer zou houwen. Maar de grijsaard, om wiens wil Reri in den
strijd gewikkeld was, zei, dat de Batouwer vrij man was en anderen, die
nu nader kwamen, verzekerden dat zij wisten, dat voor de tent van
Sigbert een fram in den grond was gestoken.
„Ik trek alleen kortzwaard!” zei de Sveef verachtelijk.
„Ik dril alleen de fram!” riep Reri trotsch terug.
„Dan fram tegen kortzwaard!” gilde de boschdeern, die gaarne mannen zag
vechten en verzot op ’t gezicht van bloed en wonden.
De ongelijken strijd werd met gemor door de toeschouwers begroet en een
vrouw riep, zich tot de boschdeern wendend:
„Wat moeit du di, liederlijke paai. Ik ken di wel hoor. Wilt di onze
mans hitsen?”
Een oude man, die veel aanzien had, omdat hij een commandostaf droeg,
zei: „Kortzwaard tegen fram gaat niet. Maar als du effenen wil, vecht
dan met de vuist!”
Een luid geklir met wapens, bewees, dat de heervoerder het goede
voorstel had gedaan.
De Sveef, naar den struischen Batouwer opziende, wilde nog
tegenspreken. Op ’t kortzwaard was hij een meester en dan kwam ’t meer
op kunst dan op kracht alleen aan. Maar bij ’t vuistgevecht kon zelfs
een ongeoefende met een slag een tegenstander neerslaan. Doch allen
drongen nu op een vuistgevecht aan.
Sigbert waagde een laatste poging.
„Sveef!” zei hij, „doe liever den ouden man recht en laat di niet door
mijn zoon neerslaan. Het is een goede raad van een vredelievend
man....”
„Omdat du ’t zegt, vader.... welaan dan.... ik geef den grijskop nog
een kans.... gooi op de kooten.”
Wel morden er nu enkelen, maar Sigbert en Reri gingen samen weg.
„Wat zou ’t geven, den smuigerd neer te slaan?” vroeg Sigbert zijn
zoon. En de goedige, kinderlijke reus liep gehoorzaam mede. Achter hen
kwam de groote deern aan:
„Wilt du min knecht worden?” vroeg zij Reri, daar zij zijn moed en zijn
eenvoud had opgemerkt.
„Ga di weg?” zei Sigbert verachtelijk, haar met de hand dreigend.
Zij bleef staan, verwonderd over die twee arme lieden, die een zoo
rijken en begeerlijken post afsloegen.
Maar eenige uren later was de Sveef, door de deern opgehitst, voor de
tent van Sigbert en zijn zonen gekomen en had ze voor „lafaards!”
uitgekreten en ze gedaagd, op elk wapen en op elke voorwaarde. Sigbert
en Reri hadden niet willen vechten maar Tjeerd had gemeend, dat ’t
schande was voor de menschen, die niet wisten, dat Batouwers alleen
vochten als ’t noodig was en niet om ’t vermaak van den strijd en dat
Reri een hals was, om zich zoo te laten tarten.
Toen was Reri dan buiten de tent gegaan en was op den Sveef
toegeloopen, die met veel stamgenooten daar stond en hij had den Sveef
van den grond getild en hem, ondanks spartelen en wanhopig verzet, als
een pop beurtelings rechts en links van zich neerzettend en weder
optillend en hem daarna met de beide handen boven ’t hoofd houdend
vroeg hij: „Waar de knaap vechten wou, boven den grond of in den
grond?”....
„Op den grond, op den grond!” schreeuwde de Sveef, in machtelooze woede
zich wringend.
„Daar ben di mijn portuur niet, knaap!” lachte Reri en zette hem voor
zich neer. Maar nu trad uit de kring der stamgenooten een reus van
dezelfde grootte als Reri en deze vroeg:
„Ben ik dan dijn portuur!”
„Dat zou al beter gaan... kom maar op, putterke,” antwoordde Reri
onverschrokken.
De Sveef wierp zijn schild en zijn kortzwaard ter zij, maakte zijn
gordel los en alleen met een schaamdoek bekleed, trad hij naar voren,
de zwaargewrongen spieren van ’t welgeoefende lichaam toonend. Reri,
hoewel even groot, maar door de vermoeienissen en de ontbering der
reis, minder krachtig, legde ook zijn schaapsvel af en trad moedig voor
den Sveefschen reus. En nu pakten de twee zware kerels elkaar aan, de
Sveef zijn forsche armen om Reri’s romp heenslaand en zoo diens lichaam
wringend. Maar Reri, die zich schrap gezet had, pakte den Sveef over de
schouders heen in de oksels, waardoor de Sveef zijn armen moest
ontspannen. Toen pakte Reri den Sveef om de romp, maar tegelijk
hurkend, opdat den Sveef niet hem in de oksels kon vatten en de man
optillend van den grond, zwiepte hij hem nu opeens aan de beenen, met
den korten, snellen ruk waarmede hij gewoon was evers te knikken en de
Sveef, hoewel sterker dan Reri, ongewoon aan deze wijze van worstelen,
viel op den grond zonder zich te bezeeren. Maar meteen gaf Reri hem een
stomp tegen de kaak, dat de tanden den man uit den mond vlogen en hij,
met bloedenden mond bewusteloos bleef liggen.
„Dat hebt di van dat tarten; hij kreeg den slag, maar du had hem
verdiend!” zei Sigbert verwijtent tot Hettel, den Sveef, die de oorzaak
van ’t gevecht was geweest.
De Sfeven tilden hun gewonden voorvechter op en droegen hem weg. Maar
’t was gauw in de kampen bekend, dat Reri de Batouwer, den voorvechter
geveld had en toen hij tegen den middag met vader en Tjeerd rondliep,
wierpen vrouwen hem met bloemen en vaders stuurden hun jonge zonen naar
hem om een vlok haar uit zijn oude schaapspels en een Semnonen-hoofdman
liet Reri vragen of hij geneigd was ’t haar op te steken tot een knot
en trouw te zweren aan zijn stammen, dan kon hij als Sveef worden
opgenomen en voortaan Sfevenvoorvechter zijn.
Maar Reri sloeg de hooge eer af. Hij wilde zijn vader niet verlaten.
Wie zou thuis ploegen en maaien en wie zou voor vader en moeder zorgen,
als ze oud waren geworden?
„Batouwers verlaten hun land niet!” liet Reri fier antwoorden.
Doch den volgenden morgen kwam een bode van Maresag, den opperpriester.
„Of de held Reri geneigd was te verschijnen in’t wapenhuis. Hij zou dan
komen met zijn maagschap tegen den noen.”
En toen had Maresag Reri een prachtig kortzwaard geschonken en een
bronzen helm en een jachthemd van koperen schakels met op de borst twee
bronzen bukkels en hem benoemd tot wachter van de schat en lijfschutter
van Harimona. Want er was veel gestolen door slechte lieden en men
wist, dat de Batouwers een trouw en eerlijk volk waren.
Sigbert kreeg een nieuwen pels van marterbont en Tjeerd een lijnwaad en
Herebaeld een blauw wollen overkleed en een purperen broek. Zij mochten
wonen in een loofhut en Maresag beloofde, dat Sigbert zeker een van de
eersten zou zijn, die zijn smeekbede om een goeden oogst voor ’t
aanstaande voorjaar tot Harimona zou mogen richten. Zoo wachtten zij
vol ongeduld den dag af, dat de groote vroede vrouw zou verschijnen
terwijl Reri, de Batouwsche held met getrokken zwaard, de wacht hield
bij de haag van Renigo.
Hij meldde de komst van koning Gise van ’t Skalde eiland, die verzoeken
kwam tot Harimona toegelaten te worden om haar te smeeken, de haven van
zijn eiland niet te doen verzanden en naar de hand der schoone
priesteres kwam dingen, bereid om de drie heldendaden te volvoeren.
Maar Maresag liet zeggen, dat bij de looze streken van de smuigerts van
de Skalde-eilanden kende en dat bij, wanneer zij, zich nogmaals
vertoonden, niet aarzelen zou, ze met stokslagen te doen verdrijven.
Koning Gise ten hoogste verbaasd, liet door Reri zeggen, dat hij
wondervolle en rijke geschenken medebracht, zoovele als nog nooit te
voren bijeen waren gezien.
Maresag liet antwoorden, dat bij wel wist welke wonderschatten de
koningen van de Skalde-eilanden brachten en dat hij van de Friesche
sandaal geen paar wenschte te maken. De koning moest zijn sandalen maar
behouden en ze gebruiken om zoo snel mogelijk den terugtocht te
aanvaarden, daar hij er anders wel toe zou gedwongen worden. Koning
Gise zond Reri terug met de boodschap, dat hij ook de wondervogel Lorre
ten geschenke bracht, die spreken kon als een mensch en roovers op de
vlucht joeg.
De opper-priester Maresag liet weten, dat die wondervogel dan zeker
niet gemist zou kunnen worden op de Skalde-eilanden, waar het
wonderdier zonder twijfel dag- en nachtwerk zou hebben.
Koning Gise liet, ten einde raad, antwoorden, dat hij in zijn gevolg
drie sprokesprekers had, zoo kundig, dat zij hun wedergade niet hadden,
Hall de gids, Hamm, de nieuwe gids en Hann, de gids der gidsen,
onnavolgbaar in ’t houden van de maat en befaamd wegens hun
stafrijm-kunst.
Reri kwam terug met de boodschap, dat als de drie sprokesprekers zich
vertoonden, Maresag hun de oogen zou doen uitsteken, opdat ze dan ook
geblinddoekt naar hun schoone sproken zouden kunnen hooren. Toen Koning
Gise Reri nogmaals wilde terugzenden, pakte Reri den dikken koning op
en gaf hem, naar het bevel van Maresag, met het plat van zijn mooi
kortzwaard een dracht op zeker, welgevleescht deel, zéér in de maat,
zoodat de koning zich haastte weg te komen en vol verontwaardiging van
de slechte ontvangst mededeeling deed aan de drie gidsen.
Die waren vol verwondering blijven staan voor de tent van koning Mise
en zijn drie grollengraaiers. Was dat de magere, arme koning Mise met
zijn drie popeltwijgen? Zij waren alle vier weldoorvoed en dik geworden
en droegen purperen gewaden en zwaarden in scheeden versierd met
barnsteen en prachtige armspangen van gedraaid brons en op de borst
groote bronzen spiraal-hangers. De tent zelf was behangen met kostbare
marter- en dassenpelzen en koning Mise droeg een mantel van hermelijn
en een bronzen kroon met steenen van agaat versierd.
Voor zooveel rijkdom en schoonheid in bewondering, vroeg koning Gise
eerbiedig, hoe zijn vorstelijke buurman in zoo weinige dagen tot zulk
een staat was gekomen.
„Door wie anders dan door de groote priesteres Harimona en haar grooten
opperpriester Maresag?”
„Heeft hij di dan ontvangen?”
„Zou hij koning Mise niet ontvangen?” vroeg de vorst verwonderd.
„Maar ons wees hij af!” antwoordde koning Gise beschaamd.
„Dan hebt di den goeden weg niet gekozen. Hebt di al de geschenken
gebracht?”
„Ik bood ze aan, maar hij wilde ze niet ontvangen.”
„Dat is dijn fout. Denkt di, dat de groote priesteres en de groote
priester geschenken zullen ontvangen als du ze geeft naar dijn aard,
die mij ook altijd mishaagd heeft.
„Du moet ’s nachts stil de geschenken in een schuur brengen, die ik di
zal wijzen. Als Maresag ze dan ’s morgens vindt, is hij tevreden en zal
di zeker danken.”
„Ach, als du mi helpen woudt. Alles zal ik di geven, als wij terug
zijn.”
„Ja, nu bent di goed met woorden. Nu du mij noodig hebt. Nu smeekt di
maar toen ik van di afhing, hebt di mi altoos veracht.”
„Vergeef mi—ik zal mi beteren.”
„Heb ik mij niet altijd grootmoedig gedragen? Heb ik den grooten roover
niet verslagen, die dijn schatten belaagde? Ben ik di op den weg niet
vooruitgegaan om dijn aankomst te konden...”
„Dat hebt di zeker... dat erken ik...”
„Zeg mi, welke dichters zijn grooter... zij die veel hebben of zij die
veel kunnen?”
„Die veel kunnen.”
„Maar kan het ook, dat die veel kunnen, veel hebben tegelijk...”
„Ik weet het niet...”
„Zeker... als zij het verstaan, voorwaarts te komen door achteruit te
gaan.”
„Ik begrijp di niet”
„Erken dan, dat mijn woorden en mijn daden wijzer zijn dan de dijne.
Nog een vraag, voor ik di helpe. Welke weg is de korste, de rechte of
de kromme?”
„De rechte.”
„Neen, dikzak, de kromme. Want de speer, die recht op het doel afgaat
mist het, maar de speer, die een boog beschrijft, stuit in de roos. Du
bent recht op Maresag toegeschoten; nu zal ik di den krommen weg
wijzen... du zult mij eeuwig dankbaar zijn.”
Koning Mise begaf zich nu eerst naar Maresag en liet door Reri vragen
of hij den priester kon spreken.
Maresag hoorende dat er weder een koning der Skalde-eilanden was trad
thans zelf naar buiten, vast besloten om ditmaal streng te richten.
Zoodra hij Mise zag, donderde hij hem toe:
„Bedrieger... wat... nogmaals waagt di te komen.”
„Heer, ik kom hooren of de sandaal reeds zijn schatten heeft
opgebracht.”
„Wat... du wilt met mi spotten?”
„Ei heer... is het spotten als men aan de wonderkracht van Harimona
gelooft!”
„Zij heeft zich de schuur, die gij leeg hebt gestolen, weder vol
gewenscht. Maar de schuur blijft leeg.”
„Heer, dat is niet mijn schuld en niet die van den wonderschoen, maar
van Harimona. En ik zal overal bekend maken, dat zij geen gunst heeft
bij Wotan.....”
„Ik zal di hier doen dooden door mijn Reck!”
„Beproef het nog éénmaal, heer. Zet heden nacht den wonderschoen weder
onder de schouw en laat Harimona nog eenmaal bidden... Als dat zonder
gevolg blijft is Harimona zonder godengunst en mij moogt di dooden.”
Maresag had onderwijl het plan gevat om, zoo ditmaal Wotan, Harimona’s
smeekbede niet zou verhooren, slim de schuur zelf te vullen, opdat
koning Mise van Harimona’s godengunst zou getuigen.
Hij zette de sandaal ’s avonds onder de schouw en liet Harimona Wotan
smeeken, de schuur weder vol schatten doen dragen.
Maresag hield dien nacht de wacht bij de schouw en toen tot den vroegen
morgen, geen schatten werden binnengebracht, sleepte hij zelf uit de
andere schuren schatten naar de leege schuur, vastbesloten om den
volgenden dag tot koning Mise te zeggen, dat Wotan, Harimona’s
smeekbeden verhoord had.
Toen de priester zich eindelijk te slapen had gelegd, kwamen Koning
Gise en Koning Mise, vergezeld van hun zes trawanten met een kar vol
schatten aanrijden en snel en stil stapelden ze de schuur vol. Toen
Koning Mise merkte, dat de schuur reeds schatten herbergde, lachte hij
fijntjes en beval, dat deze schatten weggereden moesten worden om ze
door kostbaarder te vervangen, welke kiesche wijze van geven naar hij
zeide, voortaan Koning Gise, zich tot voorbeeld zou stellen. De
schatten, die zij mede terugnamen, liet Koning Mise in de tent van
Koning Gise opstellen en na dezen nachttaak, legde ook hij zich te
ruste.
Het was noen, toen Koning Mise een kondschapper ontving, die hem
uitnoodigde den opperpriester een bezoek te brengen. Maresag ontving
hem plechtig en verklaarde, dat hedennacht werkelijk Wotan, de
smeekbeden van Harimona had verhoord. Koning Mise geliefde hem slechts
mede naar de schuur te volgen. Toen de priester met Mise de schuur
binnenging en daar een overdaad van schatten vond, maar geheel andere,
dan hij er had ingebracht ontstelde hij, maar zich bedwingend, zeide
hij tot Mise:
„Ziehier wat Wotan hedennacht hier heeft gebracht!”
Mise sloeg, hoewel hij fijn glimlachte, de handen in elkaar.
„Nu erken ik, dat Harimona de gunst der goden bezit. Overal zal ik het
verkonden!”
Maresag had onderwijl de schatten nauwkeuriger bekeken. Maar opeens
schrikte hij, want achter een gouden bekken stond een gouden kooi,
waarin een wondervogel zat, die begon te spreken.
„Wat is dat!” kreet hij.
„Dat is de wondervogel Lorre, waarin de geest van de Suntevogel zit.
Schenk hem aan den Koning, die u beroofd heeft en hij zal diens verderf
worden.”
„Welke Koning heeft mij beroofd?” vroeg de grijsaard.
„Ei, weet du dat niet? Hebt di niet gehoord van den grooten
Skaldekoning Gise, die met veertig wagens roof hierheen is gekomen om
met dien buit de gunst en de hand van Harimona te koopen? Hij woont in
de groote tent van het Hertogenkamp en als du dijn wachter Reri zendt,
zal hij in de tent den buit zien, dien hij ook in uwe schuren heeft
gemaakt.”
„Hij krijgt geen toegang tot Harimona!” riep de priester.
„Du moest hem tuchtigen laten en hem zijn roof doen afnemen!”....
„Dat zal ik!” antwoordde Maresag.
„En mi den roof dan schenken!”
De oude vrek zette een gelaat, waarop Mise duidelijk las, dat hij tot
zooveel gulheid niet in staat was.
„Wat, du schenkt mi niets... ik die di zoo trouw ben... ik die di den
wonderschoen heb gegeven?...”
„Kies di hier wat uit!”
Mise blikte rond en nam de kostbaarste voorwerpen in zijn hand,
beschouwde ze nauwkeurig en zag hoe Maresag angstig toekeek, vreezend
een kostbaar stuk te moeten wegschenken. Nadat hij den vrek zoo lang in
duizend vreezen had gehouden, nam hij ten laatste een klein bikkeltje
van albast.
„Du mag het behouden,” antwoordde Maresag grootmoedig, gelukkig met de
bescheiden keus van den koning.
„Waarom neemt di zoo weinig?” kon hij zich toch niet weerhouden te
vragen.
„Ik heb nog een wondersandaal... Hij is een deel van de groote schat
Sat-Iré. Wie hem bezit kan zich troosten over alle wonden, die hem
geslagen zijn door de laagheid, wreedheid, hebzucht,
onrechtvaardigheid, nijd, afgunst, zelfzucht, grofheid, gevoelloosheid,
achterstelling en miskenning der menschen. Wie de schat Hoe-Moor bezit
heeft nog maar een deel van de groote troost, die alle goede menschen
blijft, als zij veel hebben geleden van de slechte menschen. Maar wie
zich de schat Sat-Iré er bij verwerft, kan zich niet alleen troosten
maar hij kan zich ook wreken, door de slechten te tuchtigen met
snerpende striemen en krampende steken, die tot diep in ’t hart gaan...
Hoe zoude ik mij schatten kiezen, ossenhuiden-schilden, bronzen wapens,
koperen bukkels, vuursteenen, pijlspitsen en eiken frammen, ik, die een
beter en scherper wapen dan al deze bezit, den schrijnenden schat
Sat-Iré die schild en wapen, verdediging en aanval tegelijkertijd
is...”
„Geef mi dat wapen!” smeekte Maresag.
„Nog dezen nacht. Zorg dat de schuur open blijft staan en dat niemand
in de nabijheid is. Hier hebt di den tweeden wonderschoen. Zet ze naast
den andere heden avond onder de schouw en laat Harimona smeeken om den
gunst van Grendel. Want hij is het, die dit wapen verleent.”
Koning Mise gaf den hoogepriester zijn tweeden sandaal en verliet den
priester.
Hij ging naar zijn drie sprokesprekers en vertelde hun zijn ervaringen.
De drie luisterden oplettend.
Pimm sprak:
’t Gaat wonder toe bij al dees wond’ren,
Daar ze elkaar om strijd bedond’ren.
Pinn sprak:
Wat is gebouwd van leugen en bedrog,
En heet des levens heiligst toch?
Pill sprak:
Ik ken een huis,
Dat is een kruis,
Wat kan men zoeken
Aan de vier hoeken?
Koning Mise antwoordde:
Draai dat kruis al naar de maat,
Heerschzucht, Hebzucht, Strijd en Haat.
Zij hoorden een groot geschrei en buiten de tent gaande, zagen zij den
armen Koning Gise, die door Reri met het plat van zijn mooi, nieuw
zwaard zoo duchtig werd geslagen, dat de dikzak plots zoo mager dreigde
te worden, dat men zijn knoken door ’t vel heenzag. Onderwijl laadden
knechten al de schatten, die uit de schuur waren gestolen en die in
zijn tent waren gevonden op een wagen en reden daarmede naar de heilige
haag. Vervolgens werd Koning Gise door Reri met zwaardslagen buiten de
kampen gedreven en Reri dreigde hem, dat hij hem dooden zou als roover,
wanneer hij zich weer op ’t gebied van Renigo vertoonde.
Koning Mise volgde den onfortuinlijken buurman en bood hem zijn
ezelkarretje grootmoedig aan.
Tegen den avond dan reed de ongelukkige Koning Gise terug, eenzaam met
zijn drie koks in ’t ezelwagentje van Koning Mise. En toen hij dacht
aan de verloren schatten, de mislukte reis en den smadelijken uittocht
zuchtte hij. Toen hij dacht aan de verloren bruid, snikte hij. Maar
toen hij dacht aan zijn fioord, die nu geheel zou verzanden, viel een
traan langs zijn wang.
Zijn drie koks begonnen hem met schoone verzen, rijk aan alliteratie en
bijzonder goed in de maat, te troosten. Treurig sloeg de Koning de maat
met zijn stok op den rug van ’t ezeltje, dat gewoon aan de rake en
lustige grollen van Pill, Pimm en Pinn, zoo ’n afkeer kreeg van de drie
sombere koks, dat het ’t op een draf zette, alleen om de woordkunst van
de drie gidsen te ontgaan.
En ziet—toen Koning Gise het ezeltje zoo flink draven zag en hij dacht
aan zijn thuis.... toen glimlachte bij door zijn tranen heen!