HOOFDSTUK XII.

Myst, de oude priester, was den dag nadat hij Sogol in de Ravenstroth

had gevonden, ziek geworden. De lange voetreizen, de gestadige onrust

en de overmatige inspanning van zijn longen, hadden het lichaam van den

ouden man gesloopt. Hij lag nu op een bed van berevellen in de hut van

Sogol, en werd trouw verpleegd door den Nervischen prins en Haun. Sogol

brandde kruiden op houtskool, wanneer de grijsaard hoestte en hij gaf

hem aftreksel te drinken van gekookt zoethout en klaprozen. Hij bracht

gedroogde hanevoet, iring, rosmarijn en vogelkruid in een uitgeholden

steen, stampte deze kruiden fijn tot poeder, vermengde dit met versche

slakken en gaf dit mengsel den priester te slikken, om den hoest losser

te maken. Doch de lijder kreeg koortsen en voelde zijn einde naderen.

Dikwerf speelde Haun uren achtereen wijsjes om de gedachten van den

zieke af te lijden, maar ook de schoonste wijzen werden plotseling door

benauwde hoest-buien onderbroken. Sogol had den priester verteld, hoe

zijn moeder gestorven was en welke schandelijkheden de priesters en

priesteressen in de heilige hagen bedreven. Hij verzweeg hem niet, dat

hij hier, in de Ravenstroth gevlucht was uit menschenvrees en

menschenhaat. Hoe hij hier nu al jaren geleefd had, altoos peinzend

over het bestaan der goden. Dat de Stroth door de menschen gemeden

werd, omdat ze bang waren voor den Nickelman uit de Gröhl, maar dat er

geen Nickelman in was. Ook vertelde hij den priester, dat hij zelf door

de lieden rondom voor een wildeman werd gehouden, dien men zeer

vreesde, hoewel hij toch een zachtaardig en hulpvaardig mensch was, die

alleen omdat hij eenzaam in ’t bosch leefde, zulke lange haren en zulk

een ruwe baard had gekregen.

Waren de werkelijk geesten en goden niet juist zoo ontstaan als de

meening, dat hij een wildeman was? Had het volk zijn moeder niet voor

een tooverkol gehouden, terwijl hij toch maar al te goed wist, welk een

vroede vrouw ze geweest was? De priesters en de priesteressen waren met

elkaar bedriegelijk volk. Zij bedrogen het volk met praatjes, waaraan

zij zelve niet geloofden met geen ander doel dan om te kunnen zwelgen

en in luiheid en onzedelijkheid te leven.

De oude priester lag stil op het leger en luisterde toe. Hijzelf,

hoewel diep in ’t gemoed ook twijfelend, voelde zich bevreesd om den

jongen prins, te sterken in diens twijfel. Daarom verdedigde hij het

geloof. Hij sprak van de voorspellingen, die uit waren gekomen, van de

onbedriegelijke voorteekenen, van de berichten van geloofwaardige

lieden, die toch met eigen oogen elfen, nixen, kabouters en

bosch-geesten hadden gezien. Zijn eigen vader was eens in den

winternacht van een verre reis huiswaarts gekeerd. Hij verdwaalde,

hoewel hij een gewijde fakkel had ontstoken, die zijn pad verlichtte.

Het was beginnen te misten. De nevel om hem heen werd steeds dichter en

natter en eindelijk kwam hij aan een groote woning. Deze trad hij

binnen en nu kwam bij in een ruimen hal, hel verlicht, waar terzijde

vreemde, groote potten stonden. Uit een pot riep een stem: „Ik ben het,

dijn grootvader. Mij heeft het zeewijf in de diepte getrokken en

bewaakt mij in haar oelkenpot. Du bent hier diep in ’t kolle-water en

hadde du de gewijde fakkel niet gedragen, dan zoude du reeds lang

verdronken zijn. Want wat du voor mist hield was water, in welks kolk

du bent gezonken, tot in het huis van het zeewijf. Vlied vóór ze

terugkomt want anders bent du gevangen.” Toen had Myst’s grootvader de

ziel uit den pot bevrijd, die als een lichtje voor hem uit zweefde en

hem den weg wees. Eindelijk zwond de vochtige nevel en de sterren

fonkelden hoog aan de lucht.

Den volgenden morgen zag hij, dat zijn schoenen vol zeeslik zaten,

hoewel de wegen overal hard bevroren waren.

„Waarom sloeg dijn grootvaêr niet alle potten stuk en nam de scherven

mee? En waarom wachtte hij het zeewijf niet af om de staart af te

houwen en mede te nemen?” vroeg Sogol duister.

„Een voerman zag eens op de weide,” ging Myst voort, „dat nixen heldere

witte wasch aan den rand van een bron te drogen lagen. Eén nix zat bij

de wasch en wiegde haar kind. Zij vroeg hem het kind voor haar te

wiegen en nadat hij het gedaan had, schonk zij hem een zweep met

barnsteen-versiering. Ik zelf heb de zweep gezien.”

„Het waren beter meester, als du de nix gezien had! Hebt di ooit een

geest gezien?”

„Nooit. Zoo gelukkig ben ik al mijn leven niet geweest,” zei Myst

neerslachtig.

„Dat is het meester. Ook ik zoek en ik vind niet. Ik heb gesmeekt,

geroepen, uitgedaagd, gescholden, getart... alles zonder gevolg. De

geesten toonen zich nooit en wat wij voor het werk van geesten houden

is altijd na te gaan en dan blijkt, dat het geen geest geweest is maar

een dier of een vallende tak of een ander zichtbaar ding.

„Ik had hier een grooten houtmijt en ’s nachts hoorde ik daarin

dikwijls vreemde geluiden. Het was alsof daar iemand zuchtte. ’s

Morgens was er niets te zien en ook niets te hooren, maar zoodra het

duister was, begon het zuchten. Ik hoopte, dat er een kobold onder zat

en heb de heele mijt afgedragen en vond nog altijd niets. Toch hoorde

ik ’s nachts het zuchten weer. Toen ben ik midden in den nacht moedig

met een fakkel gaan kijken en nu hoorde ik ’t zuchten weer maar onder

den grond, waarop de mijt had gestaan. Ik stak een puntstok in den

grond. Het zuchten bleef voortduren. Ik riep, maar kreeg geen antwoord.

Toen legde ik mijn oor op den grond en luisterde. Ik hoorde nu niet

alleen het zuchten maar ook een brommerig geruisch, alsof daar beneden

veel geesten te samen waren. „Unhold en getwaas!” riep ik, „het gaat

tusschen di en mi.” Ik greep een spade en wierp met krachtige stooten

den bodem op. Hoe dieper ik kwam, des te meer ik ’t zuchten hoorde en

ik hield mijn celt gereed om toe te slaan, als er een zich vertoonde.

Opeens werd de bodem opgewoeld van onderen op en er sloegen met kracht

steenen naar boven en slik en stralen stinkend helle-water, maar ik

wilde zien en sloeg met mijn celt er op in en riep: „Bij Grendel, kom

er uit, stinkend getwaas!” Doch er kwam een wèl stinkwater opborrelen

en dat bleef zoo doorloopen tot nu. Ik heb lang gezocht in ’t wel-gat

om te vinden, wat daar zat. En ik heb het gevonden.... want later

hoorde ik verder weer gezucht en geruisch en ik sloeg weer den grond

stuk en weer spoot een wèl op van stinkwater. Het zuchten komt van het

opslaan van ’t gesmoorde water tegen de steenen, die den wèl boven

afsluiten. Slaat men den steen stuk, dan schiet de wel uit en ’t

zuchten houdt op en ’t onderaardsch gerommel. Er is daar geen geest....

er is daar niets anders dan een gröhl diep in den grond, zooals de

andere, die vroeger al doorgebroken is, en waarvan toen domme en laffe

lieden verhaalden, dat er een Nickelman inzat. Ik kan hier wel twintig

wellen slaan met Nickelmannen van die soort. Het is alles leugen van de

geesten; godendienst ontstaat door domheid en lafheid en wordt door

luiheid en leugen in leven gehouden.”

Maar de oude priester, hoewel twijfelend, durfde niet toegeven.

„En wat denkt du dan van Wotan en van Thor en van Frija en van de Asen?

Zou du dan ook die willen verklaren voor bedrog?”

„De groote goden heb ik nog niet onderzocht. Als ik kon vliegen gelijk

de adelaar en opstijgen hoog in de luchten, altoos maar hooger tot daar

waar de zonneschijf staat, dan zoude ik kunnen weten wat de waarheid is

omtrent de groote goden. Als ik teruggekeerd ben in mijn land en ik ben

tot Koning gekozen, zal ik een vloot van groote schepen doen bouwen.

Maar niet om zooals vader naar ’t Paarden-eiland te gaan om buit en

roem, maar ik neem reuzenzwaarden mee en knappe speerwerpers en dan

vaar ik den verren oceaan in, tot daar waar de wereld eindigt en de

groote hel begint, waar de zeeslangen kruipen en de draken dreigen en

de Nevelingen zweven. Daar meester wil ik zien, zoeken en weten.”

„Bent di niet bang?” vroeg de meester ontzet.

„Ik ben het geweest meester, toen ik den beukengeest naspoorde en een

eekhoorn vond; toen ik den Nickelman zocht en een aal ving; toen ik den

zuchtenden kobold wilde verlossen en een stinkwel zag opspuiten. Daar

ginds meester, zal ik voor op de plecht gereed staan met mijn speer en

ze in den ondergrond drillen. Ik ben wel zeker al, dat de neveling een

groote visch zal blijken te zijn en de afgrond een groote gröhl, die

naar een nieuw land voert....”

„En als du met dijne schepen dan eens afvalt van de wereld en stort in

’t niet?”

„Het is dapperder zoo te vallen, dan zooals vader, verzwolgen door den

storm met roofgoed of met de saks in de hand tegenover een vijand, die

dijn vriend had kunnen zijn. Want of zij er zijn of niet zijn, de

groote goden, dat weet ik nog niet. Maar wèl weet ik, meester, dat zij,

zoo zij er zijn, ons slechts kwaad willen en als vijanden bekampt

moeten worden. Een vriend maakt zich bekend maar een vijand verbergt

zich en verstopt zich in geheimen....”

Terwijl de eenzame denker zoo sprak met den zieken grijsaard, liep Haun

in het woud en zocht naar noten en vruchten of schoot met zijn speer

naar kleinwild en zette strikken op voor vossen en wilde hoenders. Maar

’t liefste toch blies hij op zijn horen, zich verbeeldend dat hij

krijgers aanvoerde in den oorlog of dat hij de reidansen mocht blazen

bij de offermaagden. Op een dag, vroolijk toeterend door de stroth

loopend, daar hoorde hij weder denzelfden geest, die ook kon toeteren

op den horen. Hij blies een wijsje en elke toon werd tot drie maal toe

herhaald. Den ganschen dag bleef hij hier spelen, beproevend den

boschgeest er toe te brengen met hem samen te toeteren zooals de

Dingher gedaan had. Maar de boschgeest begreep hem niet, speelde geen

eigen ranken en loovertjes, doch bleef maar altoos driemaal naspelen

wat Haun voorspeelde. Hij riep den boschgeest toe, dat deze zou

aanvangen met de elfenstem en dat hij dan zou invallen met het

reckengeluid, doch de boschgeest riep driemaal terug, dat Haun zou

aanvangen met de elfenstem en hij zou invallen met het reckengeluid.

Toen Haun toegaf en begon met de zoete, hooge tonen begon echter de

boschgeest ook. Dat maakte Haun moedig en hij begon met den boschgeest

te spotten, die niets uit zichzelf kon en altoos na-blies. Hij werd

elken dag moediger Haun, hoewel hij niets ervan zeide tot den meester

en tot Sogol, vreezend dat zij hem zouden bestraffen wegens zijn

spotternij. Haun begon naar den boschgeest te zoeken, beloofde hem

vossevellen en versche eieren, wanneer hij zich liet zien. Toen de

boschgeest niet kwam, legde hij drie vellen van vossen neer en daarop

twaalf versche eieren en riep, dat hij weg zou gaan en dat de

boschgeest ze ongezien mocht wegnemen. De boschgeest antwoordde

hetzelfde terug, maar toch ging Haun naar de woning. Den volgenden

morgen echter lagen de eieren er niet meer, maar waren leeggegeten,

doch de vellen waren er nog.

„Waarom nam di die vellen niet?” riep Haun.

„Waarom nam di die vellen niet?” riep de boschgeest driemaal terug.

„Du bent een ouden praatvaâr!” riep Han.

„Du bent een ouden praatvaâr!” riep de boschgeest driemaal.

„Du bent een blaaskaak!” riep Haun.

„Du bent een blaaskaak!” riep de boschgeest

„Dijn moeder is verdobbeld!” schold Haun.

„Dijn moeder is verdobbeld!” schold de boschgeest

„Dat liegt du. Ik heb bij den Dingher de schat gelaten en zij is al

lange weder vrij!”....

„Dat liegt du. Ik heb bij den Dingher de schat gelaten en zij is al

lange weder vrij!” riep de boschgeest.

„Du.. du bent nooit bij den Dingher geweest. Die zou di gauw den schop

hebben gegeven, omdat du zoo slecht toetert.”

Toen de boschgeest ook dat herhaalde en zeggen dorst, dat Haun slecht

toeterde sprong hij, zijn speer gereed houdend, in ’t hout en zocht en

riep en sloeg, en tartte en schimpte, maar de boschgeest antwoordde

wel, doch telkens van een andere zijde.

Nu eerst ging Haun er toe over, zijn avontuur aan Sogol te vertellen.

Die lachte en toen de jongen hem zeide, hoe hij den boschgeest had

uitgescholden en hoe hij hem met den speer was nagerend, maar dat deze

niets anders had gedaan, dan zich verstoppen en de schimpen herhalen,

nam Sogol het hoofd van den knaap tusschen de handen en kuste hem op

voorhoofd en wangen en zeide:

„Braaf zoo mijn jongen. Du bent een echte Nerviër. Ik zal di tot

krijgstoeter verheffen op mijn groote reis en di een wapenspreuk

geven.”

„Welke?” vroeg Haun.

„Vreezeloos en trouw!”

Dien dag gingen Sogol en Haun samen naar den boschgeest. Sogol liet

Haun enkele tonen blazen, dan hier, dan daar, dan verder en hij

luisterde scherp naar het antwoord.

’s Avonds, bij ’t haardvuur, sprak hij met Myst over den boschgeest,

den eenige in den stroth, dien hij niet had kunnen verklaren. Hij

bewoonde een zeker deel van den stroth, onder den grond of terzijde van

twee dikke eiken. Zijn gebied was niet heel groot en Sogol wist precies

waar de geest antwoordde en waar niet. Ook had hij, juist als Haun, den

geest op velerlei wijzen genoodigd om zich te vertoonen, eveneens

zonder gevolg. Nu de jongen vertelde, dat de geest de vossevellen niet

had genomen, maar de eieren had uitgezogen, begon Sogol na te denken.

Hij legde op dezelfde plaats nu ook eieren neder en met een celt

gewapend, bleef hij met Haun dien avond en dien nacht de wacht houden

achter een beuk, dicht bij de eieren, besloten om als de boschgeest de

eieren kwam halen, hem staande te houden of neer te vellen.

Midden in den nacht hoorde zij een geritsel in de dorre bladeren op den

grond. Haun, bevend van vrees, drukte zich tegen Sogol aan, die

onbewegelijk, den steel van den celt vast in de vuist geklemd, gereed

was voor den aanval. Toen zagen zij den boschgeest naar de eieren

sluipen.

„Sta geest!” schreeuwde Sogol op de eieren toespringend.

„Sta geest!”, schalde het driemaal, maar meteen sprong een gedaante op

en vluchtte.

Sogol wierp haar de celt na en raakte haar zoo, dat zij neerstortte.

Haun was Sogol nagesprongen, maar nu zij den geest zagen vallen,

juichten zij beiden een: Ojo, Ojo!

Doch de boschgeest antwoordde van een andere zijde met een ojo! en de

gedaante kon dus niet de boschgeest zijn geweest.

Sogol liep tot daar, waar de gedaante was neergevallen en greep er

naar.

„Grendeldebliksem!” kreet hij, „’t Is een vos!”

En toen zij een toorts hadden aangestoken door een stuk droog hout te

draaien in een doorboord houtblok, zagen zij bij den vlam dat een

magere oude vos, schier tandeloos, die geen dieren meer kon aanvallen,

zich aan de eieren wilde te goed doen.

„Zoo zal de boschgeest ook dijn eieren hebben opgepeuzeld Haun en de

vossevellen hebben laten liggen... hij had er zelf een en dat was hem

genoeg... Ik geloof, dat er geen boschgeest is...”

„Maar wie zou dan hier toeteren?” vroeg Haun.

„Dat zullen wij morgen nog eens onderzoeken.”

Zij gingen met den dooden vos naar de hut. Doch al ’s morgens vroeg

liepen ze weer beiden naar den boschgeest. Nogmaals liet Sogol Haun

toeten.. nu hier, dan daar, dan op een boom en met een punthout trok

hij lijnen langs den grond en maakte teekens om te onthouden, waar de

geest driemaal antwoordde en waar tweemaal en waar eenmaal en waar de

geest niet antwoordde.

Bij de twee eiken was ’t geluid altoos het sterkst.

„Als hij hier is, moet hij hier wonen. Ik zal die eiken omwerpen.”

En nu zag Haun hoe Sogol alleen, gedurende dagen bezig was om de twee

eiken om te werpen. Dat deed hij heel vreemd, niet zooals in ’t land

der Nerviërs, waar zij met lange bronzen messen heen en weer sneden,

doch Sogol groef een geul rondom den stam en wierp deze vol stukken

hars, die hij dan met een grooten steen fijnstampte. Ook boorde hij in

den stam beneden diepe gaten en stopte die vol met harspoeder.

Onderwijl vermaakte Haun zich met toeteren en nu bij de grenzen van het

gebied van den boschgeest wist, vond hij een aardig spel uit. Hij blies

eerst een wijsje, daar waar de boschgeest niet antwoordde. Dan blies

hij in ’t gebied van den boschgeest ’t zelfde wijsje gedempt, door zijn

vuist in den horen te steken en daarna weer snelde hij buiten ’t gebied

en speelde weder zonder drieschal. En nog voor Sogol de beide eiken

zoover gereed had, dat het hars kon worden aangestoken was Haun zoover,

dat hij, beurtelings op en buiten ’t gebied van den boschgeest loopend

en hij alleen zijn horen blazend, den indruk wekte, alsof er vier

mannen op vier horens speelden.

En weer kuste Sogol den jongen, toen deze hem zijn kunststuk vertoonde.

Dien dag stak hij het hars niet aan, maar wilde denken en spreken met

Myst, die zich wat beter begon te gevoelen en op vertrekken aandrong.

Sogol vertelde Myst van ’t geen hij en Haun beleefd hadden, sprak over

de onverklaarbare snaakschheid van den geest en hoe hij hoopte, door

het vellen der eiken, hem uit zijn gebied op te jagen en hen zoo te

zien te krijgen... als hij te zien is en als hij werkelijk bestaat.

„Maar aan hem is het niet mogelijk te twijfelen. Hij laat zich toch

hooren.”

„Dat is de vraag juist. Hij laat zich hooren, maar nooit anders dan

wanneer een ander zich heeft doen hooren. Hoewel wij zijn stem

vernemen, zegt die stem niets anders dan een herhaling van ’t geen wij

gezegd hebben. Met dezen boschgeest gaat het al niet anders dan met de

andere goden, die hun stem niet doen hooren. Deze schalt onze stem

terug.. de anderen zijn herhalingen van verbeeldingen. Deze twee eiken

vormen mijn laatste proefneming. Zie ik ditmaal niet een echten geest,

dan is ’t met mijn geloof voor goed gedaan en ik zal uit mijn rijk de

priesters verjagen.”

Myst maakte zwakke tegenwerpingen. Hij zelf was geneigd Sogol gelijk te

geven, maar hij voelde zijn dood naderen en het denkbeeld, dat er

wellicht geen Walhalla zou zijn, verschrikte hem zoo zeer, dat hij in

stilte begon te bidden tot Wotan en Donar en offers beloofde, wanneer

de boschgeest zich zou vertoonen.

Den volgenden morgen wilde de grijsaard met Sogol en Haun medegaan.

Daar hij nog te zwak was om veel te loopen, legde Sogol hem op een baar

en spande er den beer voor, die na een paar fiksche slagen begreep, dat

hij trekken moest. Haun mocht nu niet toeten, want de beer, door Sogol

in zijn uren van eenzaamheid afgericht op ’t dansen naar de wijs van

den horen, zou ondanks slaag, het trekken er aan geven om den dans uit

te voeren, denzelfde, die Myst en Haun eens zoo verschrikt hadden. Maar

nu was Haun met den beer vertrouwd en hij bracht hem dikwerf wilde

honing mee uit het woud en de beer duwde gaarne zijn ruige kop speelsch

tegen den jongen muzikant aan.

Bij de twee eiken werd de beer losgemaakt en met een stokslag naar huis

gejaagd. Toen moest Haun nog eens toeteren, opdat Sogol zich de teekens

wel zou herinneren, waar de boschgeest driemaal antwoordde, waar

tweemaal, waar éénmaal en waar zijn gebied uit was. Nu draaide Sogol

een drogen stok tot vlam en stak het hars aan rondom in de geul om de

eiken en in de gaten in den stam. De drie mannen gingen nu op een

afstand staan, opdat zij niet door de vallende boomen zouden kunnen

worden getroffen of door den rook stikken.

Langzaam begon de hars te branden. Een fijne, aromatische geur

verbreidde zich in ’t bosch, tot daar zelfs waar de drie mannen

stonden, hoewel ze boven den wind naar den brand stonden te kijken. In

den kring van zwarten walm beneden aan den voet der stammen, vuurde het

rosse licht van de vlammen. Het hars in de gaten vatte nu ook vuur en

na een poos stonden de twee reusachtige eiken aan den voet in brand. De

vochtige boomen vatten geen vlam maar verkoolden langzaam en in de

boorgaten, waar de gloeiende hars gesmolten kwam uitvloeien, sisten de

vochten smorend in ’t roet.

„Blaas nog eens Haun,” zei Sogol.

De jongen blies op zijn hoorn en nog altijd klonken driemaal dezelfde

tonen terug.

De eiken begonnen aan de voeten der stammen doorgebrand te raken. De

trage smook krinkelde en walmde langs de stammen op en dreef als een

nevel van roet onder het loover. Daaruit vielen nu vogeltjes, bedwelmd

door den rook, die Haun snel opraapte en door ze te beademen, weder

wilde opwekken. Maar hoewel de lijfjes nog warm waren, met de vreemde

warmte van vogels, bleven de oogjes geloken en alleen een trekje met de

pooten toonde soms, dat ’t leven nog natrilde.

„Achteruit Haun... Meester, een beetje achterwaarts... ze zullen naar

die zij vallen...”

Met de punt van een lans, hoopte Sogol het hars dat afvloeide, weder

tegen de stamvoeten op, die nu zwart en verkolend door ’t vuur

ingevreten, begonnen over te hellen. Myst was terzij op een stronk gaan

zitten en wachtte angstig maar met groote verwachting op ’t verschijnen

van den boschgeest. Opeens begon een der eiken te hellen en plotseling

nu, eenmaal aan ’t vallen, zonk de zware boom neer, sleurde met de

takken den tweeden mede, die hoewel nog in den kern vast, met een knak

afbrak en meeviel...

„Blaas mijn jongen, blaas!” riep Sogol, verrijzend midden tusschen het

groen der takken, zelf een boschgod gelijkend met zijn bruin gelaat,

zijn donkere, ernstige, glimmende oogen, zijn ruwe, lange, zwarte baard

en zijn lang donkerbruin hoofdhaar, dat den machtigen rechterschouder

gedeeltelijk bedekte, over den linkerschouder, waar ’t berevel met een

fibel was vastgestoken, naar achteren was geworpen.

Haun blies... ditmaal weerklonk geen schal.

„Hij is gevlucht!” riep Myst... „Hebt di hem gezien?”

Sogol sprong door de takken heen en den hoorn van Haun nemend, liep hij

een eind terzijde en blies... Nu kwam de schal flauw éénmaal terug...

Hij snelde naar een andere plaats, daar waar de stem van den boschgeest

gewoonlijk uit de diepte scheen te komen, en blies. Maar geen schal

antwoordde. Hij liep in rechte lijn naar de tegenovergestelde plaats.

Nu weerklonk de hoornstoot eerst luid en dan iets verder heel zacht

„Wat denkt di ervan?” vroeg Myst, half hopend, dat Sogol in de vlucht

van den boschgeest zou gelooven: „Zou hij gevlucht zijn?”

Sogol lachte bitter.

„Wij zijn dwazen en lafbekken bij elkaar, meester. Er is geen

boschgeest. De boschgeest ligt hier, hier, hier!”

Hij trapte met driftige verachting op de takken der twee gevelde eiken.

„Als ik ze weer oprichten kon, zooals ik ze heb geveld, dan zou de

boschgeest weer terug komen. Ik heb nu ik zelf blies, het te duidelijk

gehoord. Niet een ander blaast, maar de toon, die ik blies, denzelfden

toon meester, schalde terug. En hier, tegen deze eiken is de toon

altoos aangebotst, zooals een zwaard, dat op een schild stuit en door

de kracht van den slag, terugdrilt. De eigen toon viel terug en

nogmaals terug en nogmaals terug, steeds zwakker omdat zijn kracht

verminderde. Hier tegen den eik en dan tegen dien eik en dan tegen den

grond, zoodat het scheen of ’t geluid uit den grond kwam, terwijl het

van den grond terugsloeg, zooals de bikkel terugslaat bij het

kootjes-spel. Dit is mijn laatste proef geweest meester—er zijn geen

geesten en er zijn geen goden...”

„Sogol wacht di!” riep de oude priester ontzet.

Sogol knarsetandde en zijn borst verheffend alsof hij tegen onbekende

machten met kloeken moed zich ten strijd zette, trappend op de ameren

van ’t vuur:

„Neen meester... er zijn geen goden... noch in, noch op, noch boven de

aarde... Wat daar leeft is de weerklank van ons leven, is de schal die

terugvalt op onzen roep... Wijzelf zijn de goden en als een god zal ik

voortaan strijden tegen hen, die den weerschal hooger stellen dan den

toon des horens zelf...”

Hij plukte eikenloof van de takken der gevallen reuzen, vlocht er

kronen van, zette er een op de witte haren van den priester, een op de

blonde lokken van den jongeling en toen, zichzelf kronend, riep hij in

vervoering uit:

„Blaas den barditus, den Nervischen barditus mijn jongen. Wij zijn drie

goden, grijsheid, wijsheid en jeugd. Hier aan onze voeten liggen de

twee slechte reuzen, die ik geveld heb, vrees en domheid... Wij zijn de

goden en wat daar anders bestaat is de weerklank van ons zelf... Blaas

mijn jongen, blaas, den strijdzang tegen de valsche goden...!”

En terwijl Haun, blijde met zijn eikenkrans, den Nervischen barditus

blies, met krachtige stooten, die nu niet meer angstig driemaal

weerschalden, liep Sogol, hoog de celt boven zijn hoofd zwaaiend als

snelde hij ten strijd tegen een onzichtbaren vijand vooruit, dansend

van overmoed, roepend in de holle linkerhand, luide het: „Wij zijn de

goden, wij, wij, wij alleen,” tartend omziende tusschen ’t hout en

boven in ’t loover, terwijl achteraan, angstig en nog altoos

twijfelend, de oude priester liep, biddend inzichzelf voor ’t heil van

den jongen prins en toch, diep-in, diep-in nog altijd met vreeze

verwachtend, dat daar een bliksem zou neerslaan uit de lucht van de

groote goden, die de hoovaardij immers bestraffen!...

Germania(#73888) · 第 15 / 44 题