Hoewel Sogol het plan had gevat, zoo snel mogelijk naar zijn rijk terug
te keeren om zich aan het Ding voor te stellen, was hij en nog wel op
aandringen van Myst van richting veranderd en naar Renigo opgetrokken
om de beroemde priesteres Harimona te leeren kennen. Want na zijn
extase was weder de twijfel in hem opgekomen. De kleine geesten mochten
dan al alleen in ’s menschen verbeelding bestaan, de groote goden
echter, Thius en Wotan en Donar en Freija en Grendel, zij konden toch
wel leven en over ’s menschen wel en wee beschikken. De oude, zieke
priester, bang om te sterven zonder hoop op een eeuwig leven, streed
tegen zichzelf en uitte zijn zelfstrijd door de gedachten, die in hem
opkwamen tot Sogol te zeggen, hopend door dezen te overtuigen, zelf ook
weer te kunnen gelooven. Ja, hij gaf toe, dat de kleine geesten, de
kobolden, de nixen, de kollen, de weerwolven, de elfen, de brongeesten,
de boschgeesten en de luchtgeesten niet bestonden of tenminste niet
méér op de aarde huisden. Maar hoe kwamen de sterren aan de lucht? En
wat was de zon en wat was de maan? Hoe kwam het, dat de boomen en
planten en bloemen groeiden? En de donder en de bliksem, wanneer dat
niet werkingen van de goden waren, wat waren dat dan? De priesters en
de priesteressen waren maar zelden heilige lieden, dat gaf Myst toe.
Hijzelf, als knaap reeds dienaar bij de offerplechtigheden, wist zelf
maar al te goed hoe priesters en priesteressen leefden in geheime
ontucht; hoe ze, door ’t overmatig gebruik van vleesch en bloed,
slechte gedachten kregen; hoe ze door ’t slachten van dieren, wreed
werden en verhit; hijzelf had in zijn jeugd het nog bijgewoond, dat ze
in de haag van Thius kinderen op het offerblok hadden gelegd en hoe één
oude priester de kleine meisjes schoffeerde vóór hij ze de keel
doorsneed en een ander, had hij ’s nachts betrapt, de kleine lijkjes
schennend.
En verder naar ’t binnenland, daar was een stam geweest, waar zelfs de
geofferde kinderen aan ’t spit geroosterd werden en ’s nachts bij een
feestmaaltijd opgegeten. Maar kon Sogol ontkennen, dat er ook goede
priesters waren en echte heilige mannen? En kwamen de voorteekenen niet
dikwerf uit? Hoe was het geweest met Sogol’s vader. Had hij, Myst, niet
zelf te voren, het ingewand van een kalf ondervraagd en lagen de darmen
niet allen in den vorm van een lus en had hij toen niet daaruit kunnen
voorspellen, dat de tocht naar ’t Paarden-eiland slecht zou afloopen?
Was dat niet uitgekomen? Was hij niet met al zijn schepen door den
zeegeest verzwolgen?
„Wat deed hij op ’t Paarden-eiland?”
„Hij ging buit halen bij de vijanden.”
„Neen, hij ging rooven. Welke god zou een roover bijstaan, indien hij
niet zelf een rooversaard had? Hoelang hadden de goden vader niet
geholpen bij die rooverijen voor ze hem vernietigden.”
„De goden zijn lankmoedig, Sogol!”
„Schoone lankmoedigheid, die gedoogt dat anderen van hun vreedzaam
bezit worden beroofd en worden uitgemoord, door hebgierige
vreemdelingen, die van verre komen om zich te verrijken.”
„Du moogt zoo niet over uw gestorven vader spreken, prins.”
„Mag ik niet? En waarom niet? Heeft hij niet mijn brave moeder
ongewroken gelaten? Heeft hij mij niet, een jongeling nog, weggejaagd
uit huis en uit ’t land, zoodat ik nu ’t vaderlijk erfdeel misschien
zal moeten heroveren met ’t kortzwaard in de vuist? Wie gebiedt mij de
nagedachtenis van mijn vader te eeren, als die nagedachtenis mij niet
in ’t hart ligt?”
„De goden, prins?”
„En wanneer die goden er niet zijn?”
„Hoe weet di dat?”
„Hoe weet di, dat ze er wel zijn? Hebt di ooit een god gezien?”
„Wie maakte het uitspansel? Hebben dat de menschen gemaakt?”
Sogol peinsde. Ditmaal kon hij den priester niet antwoorden. Nu ze
onderweg zoovelen zagen optrekken naar de haag van Renigo en hoorden
van de wonderen door Harimona verricht, besloot Sogol naar Renigo te
gaan, om daar nogmaals te trachten, den goden nader te treden.
„Lang zullen wij niet blijven, prins. Want anders kon het zijn, dat het
Ding den medestander verkoos.”
„Liever het koninkrijk verloren dan de godheid!” antwoordde Sogol fier.
Hoe dichter zij bij Renigo kwamen, des te grooter werden hun
verwachtingen. Zij ontmoetten reeds terugkeerende genezen blinden en
manken en kreupelen en lieden met geheelde wonden. Ook waren er al
bruidegoms voorbij getrokken, die met grooten staat naar Renigo voeren
om naar de hand der schoone priesteres te dingen. Sogol minachtte die
lieden, lachte om de verhalen van Frango, den draak, Whridlo den hond
en Baza, de geit, die overwonnen moesten worden. Dat zouden wel
sprookjes zijn, zooals al de andere verhalen van monsters en geesten.
Dicht nabij Renigo haalden ze prins Istovar thoe Mjellego in, die door
een val van zijn ros zich het been had verwond en had moeten
achterbleven en kampeeren. Melle zat dag en nacht bij hem in de tent,
had veel moeite om den vurigen prins tot rust te dwingen. Want de prins
kon de langzame genezing niet afwachten en wilde, op gevaar van de
wonde weder open te rijten, Zeven bestijgen om verder te rijden.
Toen Melle den jongen horenblazer in ’t gezelschap van den priester en
Sogol zag, liep hij op Haun toe en vroeg of hij schoon kon blazen.
Haun, gelukkig dat een zoo aanzienlijk krijgsman hem toesprak, zette
dadelijk het instrument aan den mond en blies een wijsje.
„Jongen, du speelt als een meester!” zei Melle. „Hier in de tent ligt
prins Istovar thoe Mjellego ziek. Wilt di hem voorspelen en bij hem
bleven? Het loon is hoog en du kan di vrij spelen.”
„’k Ben een vrije Nerviër en mijn vader en mijn moeder en mijn broers
en mijn zusters, allemaal zijn we vrijen!” antwoordde Haun fier. „Mijn
heer, die daar voor ons, is ook een groote prins en ik trek met hem
mede.”
Melle snelde nu Sogol achterna en zich voor hem op de knie buigend, zei
hij:
„Prins, een vraag.”
„Wat is ’t, krijgsman?”
„Mijn heer, prins Istovar thoe Mjellego, zoon van Tjilbard Koning der
Frisen, is door een val van zijn ros gewond aan ’t been. Hij ligt in
gindsche tent ziek en verveelt zich. Zoudt di dijn smukke horenblazer
willen leenen om mijn heer te vermaken?”
Sogol was medegegaan naar de tent van prins Istovar en toen hij den
armen Fries zag liggen met koortsige oogen en bleeke, ingevallen
wangen, begreep hij, dat hier andere hulp noodig was dan het steken van
den horen. Hij onderzocht de wonde van den Fries. Het was een scheur in
de kuitspier, die dreigde tot ontsteking over te gaan, omdat Melle,
naar ’t oude gebruik, spinrag op de wonde had gelegd om ze snel te doen
heelen. Sogol wilde den prins behandelen, op de wijze, welke hij van
zijn moeder had geleerd, de wonde met gekookt water zuiver uitwasschen,
ze droogen, bedekken met geplozen lijnwaad en ze afsluiten met een laag
zuivere was. Doch prins Istovar verzette zich. Hij wilde opstaan, Zeven
bestijgen en spoorslags naar Harimona rijden. Die zou hem door hare
aanraking en gebeden onmiddellijk genezen, daarvan was hij overtuigd.
„Du zult dijn been verliezen, neef” waarschuwde Sogol ernstig. Maar de
Fries wilde niet hooren, lachte Melle uit, die aandrong op Sogol’s
behandeling. „Hoeveel lieden hadden ze nu al niet ontmoet, die door
Harimona waren geheeld. En dan zou men aan hare tooverkracht
twijfelen?”
Nog dienzelfden dag liet prins Istovar zich op Zeven tillen en in zijn
verrukking, de pijnen niet achtend, reed hij snel naar Renigo en liet
allen ver achter zich, behalve Melle, die al reeds in ’t hard loopen
geoefend, met koppigen wil, achter het paard aandraafde, wel afstand
verliezende maar toch den aan hem toevertrouwden zoon van Koning
Tjilbard in ’t oog houdend.
En Sogol met Myst en Haun hun weg langzaam voortzettend, spraken
opnieuw over de priesteres en hare kracht. Sogol hield vol, dat geen
genezing mogelijk was, dan door de natuur en de heelmiddelen. Maar Myst
wist van wonderbaarlijke genezingen te verhalen, die hij bijgewoond had
in de haag van Ferno en in de haag van Sidotho en in de haag van
Harloeng en in de haag van Juthung en in de haag van Tiwazermna en in
de haag van Zive. In al die hagen waren wijze vrouwen geweest, die
heelden door handoplegging, die kwade geesten konden bannen en hij,
Myst zelf, had gezien hoe een vorst der Gemnoten bij de vroede vrouw
van de haag van Zive was gekomen; hij was bij een berenjacht, door een
beer gegrepen en op den schouder gewond en bijna gedood als niet op ’t
laatste oogenblik een jachtgenoot den beer een speer in ’t oog had
geworpen. De wonde op den schouder was genezen maar de Gemnoot had den
geest van den stervenden beer opgevangen en meende nu zelf een beer te
zijn. Hij danste naar berenaard, brulde, kroop op handen en voeten en
viel op kinderen aan, die hij trachtte te dooden door ze tegen zijn
borst vast te klemmen.
Myst was als jongeling naar de haag van Zive gekomen om den ritus te
leeren. Toen had hij gezien, en hij herinnerde het zich alsof ’t
vandaag gebeurd was, hoe de Gemnotenvorst was binnengekomen, kruipend
op handen en voeten en wild was toegesprongen op de vroede vrouw. Maar
die was niet teruggedeinsd, doch had zich bukkend den vorst bij de
schouders gegrepen en hem toen vast en scherp in de oogen gezien,
zoolang als men noodig heeft om een pijl op een boog te spannen. Daarna
was de Gemnotenvorst stil geworden en had haar als een klein kind
gehoorzaamd, toen zij hem bevolen had op een pels zich neer te
strekken. Daar was hij gaan slapen en de vroede vrouw was alleen met
hem gebleven om den berengeest uit te drijven. Dat wat toen verder
gebeurd was, wist Myst niet. Maar wel wist hij, en ’t was overal bekend
ook bij alle Gemnoten, dat de vorst terug was gekeerd zooals hij
vroeger was geweest, voor de berengeest in hem was gevaren. En de vorst
wist zich niets meer te herinneren van zijn vreemde gedragingen en ook
niet van de berenjacht en toen men hem vertelde, dat hij kinderen had
doodgedrukt, had hij daar verdriet van gehad, want hij was een
zachtaardig man.
Sogol wist niet wat hij van het verhaal moest denken en keek den ouden
priester eens van terzij aan en in hem kwam de gedachte op, dat de
grijsaard, als zoovele oude lieden, zwak van geest was geworden en
twazelde.
Toen hij aan den top van den berg was gekomen en benedenwaarts naar den
stroom zag en tot aan den horizont de tenten, bruin en wit op ’t groen
van de weilanden en naar de andere zijde van den heuvel, waar de kampen
waren en de laan der loofhutten en daarachter het geboomte van de
heilige haag, voelde hij ontzetting. Die allen, allen geloofden dus in
haar en in de goden? En al die menschen, die hij daar beneden zag
krielen, allen, allen kwamen in haar de godheid aanbidden... en hier
die eerwaardige grijsaard naast zich, de oude Myst, zou in haar
goddelijkheid gelooven en Haun, die al den horen nam om te gaan blazen,
zou aan haar goddelijkheid niet twijfelen... En ver, in zijn rijk, in
’t land der Nerviërs, zou hij ook het geloof vinden en alleen hij,
Sogol, twijfelde, hij alleen was zonder geloof. Hij gevoelde zich
bedroefd en eenzaam; diep in zichzelf voelde hij zich op dit oogenblik
vijandig tegen dien twijfelenden geest in zich en een oogenblik rees in
hem de gedachte, dat die twijfelzucht wellicht juist een kwaden geest
was, een die te gevaarlijker en slechter, omdat hij hem niet herkend
had. Was hij wellicht een door Grendel gedoemde, die hem dat
vreeselijke lot beschoren had, om levenslang dàt ten sterkste te
ontkennen, waarvan hij zelf juist den meest uitverkoren drager was?
Haun, onder den indruk van ’t schoone landschap daar beneden, met de
breede Rinstroom in ’t glinsterende licht van den vroegen ochtend als
de zilveren zoom, plooiend naar de bochten van ’t wijd uitgespreide
groene aarde-kleed en tegen den einder de verwazende bergtoppen en
dichterbij ’t ruige al gelende boschage van de haag en voor hem, in de
dalkom, het ontwakende leger van zoovele geloovigen en dat alles onder
den wijden hal van den lichtblauwen hemel, zette zijn horen aan den
mond en begon te blazen, zachte doedelende tonen, met zoet-weeklagende
geluiden als van verre tortels in hooge boomen, en dan, toen de zon
geheel van boven een wolk opsteeg en straalde opeens over het landouw
en sloeg spartelende starren in de kabbels van den breeden,
kronkelenden stroom en blankte hèl het lijnwaad van de tenten, toen
stond hij op en den horen hoog aan den mond, ’t gelaat richtend naar de
zon, blies hij opeens de volle, warme tonen van den Nervischen
barditus...
Sogol, thans ook opspringend, opgewekt door die tonen van den jongen
kunstenaar, zijn vorstelijke waardigheid herdenkend, voelde nu moed en
kracht en fierheid in zich als dreef er een bloedstroom met geweld door
zijn aderen en zijn speer met een zwaai opstekend in de lucht en ook
zijn linkerhand wijd in de hoogte, als ten groet, riep hij in
vervoering:
„Blaas mijn jongen, blaas! Hier nadert Sogol, de vorst der Nerviërs!”
En licht in ’t zonnezilver, dat blonk in zijn oogen en guldde in zijn
baard, zijn behaard, naakt lichaam van de schouders tot de voeten
beglansd, dat het scheen of er licht van hem uitstraalde, liep hij het
bergpad af met naast hem den toeterenden knaap. Ver naar achteren
volgde Myst, oververmoeid, leunend op zijn langen staf, die hij
rechtstandig tastend vooruitzette, maar toch ook hij hopend op de
gouden toekomst van licht en geloof, die daar aan hun voeten in ’t
Rindal zich voor hen opende.