HOOFDSTUK XIV.

Hoewel Sogol het plan had gevat, zoo snel mogelijk naar zijn rijk terug

te keeren om zich aan het Ding voor te stellen, was hij en nog wel op

aandringen van Myst van richting veranderd en naar Renigo opgetrokken

om de beroemde priesteres Harimona te leeren kennen. Want na zijn

extase was weder de twijfel in hem opgekomen. De kleine geesten mochten

dan al alleen in ’s menschen verbeelding bestaan, de groote goden

echter, Thius en Wotan en Donar en Freija en Grendel, zij konden toch

wel leven en over ’s menschen wel en wee beschikken. De oude, zieke

priester, bang om te sterven zonder hoop op een eeuwig leven, streed

tegen zichzelf en uitte zijn zelfstrijd door de gedachten, die in hem

opkwamen tot Sogol te zeggen, hopend door dezen te overtuigen, zelf ook

weer te kunnen gelooven. Ja, hij gaf toe, dat de kleine geesten, de

kobolden, de nixen, de kollen, de weerwolven, de elfen, de brongeesten,

de boschgeesten en de luchtgeesten niet bestonden of tenminste niet

méér op de aarde huisden. Maar hoe kwamen de sterren aan de lucht? En

wat was de zon en wat was de maan? Hoe kwam het, dat de boomen en

planten en bloemen groeiden? En de donder en de bliksem, wanneer dat

niet werkingen van de goden waren, wat waren dat dan? De priesters en

de priesteressen waren maar zelden heilige lieden, dat gaf Myst toe.

Hijzelf, als knaap reeds dienaar bij de offerplechtigheden, wist zelf

maar al te goed hoe priesters en priesteressen leefden in geheime

ontucht; hoe ze, door ’t overmatig gebruik van vleesch en bloed,

slechte gedachten kregen; hoe ze door ’t slachten van dieren, wreed

werden en verhit; hijzelf had in zijn jeugd het nog bijgewoond, dat ze

in de haag van Thius kinderen op het offerblok hadden gelegd en hoe één

oude priester de kleine meisjes schoffeerde vóór hij ze de keel

doorsneed en een ander, had hij ’s nachts betrapt, de kleine lijkjes

schennend.

En verder naar ’t binnenland, daar was een stam geweest, waar zelfs de

geofferde kinderen aan ’t spit geroosterd werden en ’s nachts bij een

feestmaaltijd opgegeten. Maar kon Sogol ontkennen, dat er ook goede

priesters waren en echte heilige mannen? En kwamen de voorteekenen niet

dikwerf uit? Hoe was het geweest met Sogol’s vader. Had hij, Myst, niet

zelf te voren, het ingewand van een kalf ondervraagd en lagen de darmen

niet allen in den vorm van een lus en had hij toen niet daaruit kunnen

voorspellen, dat de tocht naar ’t Paarden-eiland slecht zou afloopen?

Was dat niet uitgekomen? Was hij niet met al zijn schepen door den

zeegeest verzwolgen?

„Wat deed hij op ’t Paarden-eiland?”

„Hij ging buit halen bij de vijanden.”

„Neen, hij ging rooven. Welke god zou een roover bijstaan, indien hij

niet zelf een rooversaard had? Hoelang hadden de goden vader niet

geholpen bij die rooverijen voor ze hem vernietigden.”

„De goden zijn lankmoedig, Sogol!”

„Schoone lankmoedigheid, die gedoogt dat anderen van hun vreedzaam

bezit worden beroofd en worden uitgemoord, door hebgierige

vreemdelingen, die van verre komen om zich te verrijken.”

„Du moogt zoo niet over uw gestorven vader spreken, prins.”

„Mag ik niet? En waarom niet? Heeft hij niet mijn brave moeder

ongewroken gelaten? Heeft hij mij niet, een jongeling nog, weggejaagd

uit huis en uit ’t land, zoodat ik nu ’t vaderlijk erfdeel misschien

zal moeten heroveren met ’t kortzwaard in de vuist? Wie gebiedt mij de

nagedachtenis van mijn vader te eeren, als die nagedachtenis mij niet

in ’t hart ligt?”

„De goden, prins?”

„En wanneer die goden er niet zijn?”

„Hoe weet di dat?”

„Hoe weet di, dat ze er wel zijn? Hebt di ooit een god gezien?”

„Wie maakte het uitspansel? Hebben dat de menschen gemaakt?”

Sogol peinsde. Ditmaal kon hij den priester niet antwoorden. Nu ze

onderweg zoovelen zagen optrekken naar de haag van Renigo en hoorden

van de wonderen door Harimona verricht, besloot Sogol naar Renigo te

gaan, om daar nogmaals te trachten, den goden nader te treden.

„Lang zullen wij niet blijven, prins. Want anders kon het zijn, dat het

Ding den medestander verkoos.”

„Liever het koninkrijk verloren dan de godheid!” antwoordde Sogol fier.

Hoe dichter zij bij Renigo kwamen, des te grooter werden hun

verwachtingen. Zij ontmoetten reeds terugkeerende genezen blinden en

manken en kreupelen en lieden met geheelde wonden. Ook waren er al

bruidegoms voorbij getrokken, die met grooten staat naar Renigo voeren

om naar de hand der schoone priesteres te dingen. Sogol minachtte die

lieden, lachte om de verhalen van Frango, den draak, Whridlo den hond

en Baza, de geit, die overwonnen moesten worden. Dat zouden wel

sprookjes zijn, zooals al de andere verhalen van monsters en geesten.

Dicht nabij Renigo haalden ze prins Istovar thoe Mjellego in, die door

een val van zijn ros zich het been had verwond en had moeten

achterbleven en kampeeren. Melle zat dag en nacht bij hem in de tent,

had veel moeite om den vurigen prins tot rust te dwingen. Want de prins

kon de langzame genezing niet afwachten en wilde, op gevaar van de

wonde weder open te rijten, Zeven bestijgen om verder te rijden.

Toen Melle den jongen horenblazer in ’t gezelschap van den priester en

Sogol zag, liep hij op Haun toe en vroeg of hij schoon kon blazen.

Haun, gelukkig dat een zoo aanzienlijk krijgsman hem toesprak, zette

dadelijk het instrument aan den mond en blies een wijsje.

„Jongen, du speelt als een meester!” zei Melle. „Hier in de tent ligt

prins Istovar thoe Mjellego ziek. Wilt di hem voorspelen en bij hem

bleven? Het loon is hoog en du kan di vrij spelen.”

„’k Ben een vrije Nerviër en mijn vader en mijn moeder en mijn broers

en mijn zusters, allemaal zijn we vrijen!” antwoordde Haun fier. „Mijn

heer, die daar voor ons, is ook een groote prins en ik trek met hem

mede.”

Melle snelde nu Sogol achterna en zich voor hem op de knie buigend, zei

hij:

„Prins, een vraag.”

„Wat is ’t, krijgsman?”

„Mijn heer, prins Istovar thoe Mjellego, zoon van Tjilbard Koning der

Frisen, is door een val van zijn ros gewond aan ’t been. Hij ligt in

gindsche tent ziek en verveelt zich. Zoudt di dijn smukke horenblazer

willen leenen om mijn heer te vermaken?”

Sogol was medegegaan naar de tent van prins Istovar en toen hij den

armen Fries zag liggen met koortsige oogen en bleeke, ingevallen

wangen, begreep hij, dat hier andere hulp noodig was dan het steken van

den horen. Hij onderzocht de wonde van den Fries. Het was een scheur in

de kuitspier, die dreigde tot ontsteking over te gaan, omdat Melle,

naar ’t oude gebruik, spinrag op de wonde had gelegd om ze snel te doen

heelen. Sogol wilde den prins behandelen, op de wijze, welke hij van

zijn moeder had geleerd, de wonde met gekookt water zuiver uitwasschen,

ze droogen, bedekken met geplozen lijnwaad en ze afsluiten met een laag

zuivere was. Doch prins Istovar verzette zich. Hij wilde opstaan, Zeven

bestijgen en spoorslags naar Harimona rijden. Die zou hem door hare

aanraking en gebeden onmiddellijk genezen, daarvan was hij overtuigd.

„Du zult dijn been verliezen, neef” waarschuwde Sogol ernstig. Maar de

Fries wilde niet hooren, lachte Melle uit, die aandrong op Sogol’s

behandeling. „Hoeveel lieden hadden ze nu al niet ontmoet, die door

Harimona waren geheeld. En dan zou men aan hare tooverkracht

twijfelen?”

Nog dienzelfden dag liet prins Istovar zich op Zeven tillen en in zijn

verrukking, de pijnen niet achtend, reed hij snel naar Renigo en liet

allen ver achter zich, behalve Melle, die al reeds in ’t hard loopen

geoefend, met koppigen wil, achter het paard aandraafde, wel afstand

verliezende maar toch den aan hem toevertrouwden zoon van Koning

Tjilbard in ’t oog houdend.

En Sogol met Myst en Haun hun weg langzaam voortzettend, spraken

opnieuw over de priesteres en hare kracht. Sogol hield vol, dat geen

genezing mogelijk was, dan door de natuur en de heelmiddelen. Maar Myst

wist van wonderbaarlijke genezingen te verhalen, die hij bijgewoond had

in de haag van Ferno en in de haag van Sidotho en in de haag van

Harloeng en in de haag van Juthung en in de haag van Tiwazermna en in

de haag van Zive. In al die hagen waren wijze vrouwen geweest, die

heelden door handoplegging, die kwade geesten konden bannen en hij,

Myst zelf, had gezien hoe een vorst der Gemnoten bij de vroede vrouw

van de haag van Zive was gekomen; hij was bij een berenjacht, door een

beer gegrepen en op den schouder gewond en bijna gedood als niet op ’t

laatste oogenblik een jachtgenoot den beer een speer in ’t oog had

geworpen. De wonde op den schouder was genezen maar de Gemnoot had den

geest van den stervenden beer opgevangen en meende nu zelf een beer te

zijn. Hij danste naar berenaard, brulde, kroop op handen en voeten en

viel op kinderen aan, die hij trachtte te dooden door ze tegen zijn

borst vast te klemmen.

Myst was als jongeling naar de haag van Zive gekomen om den ritus te

leeren. Toen had hij gezien, en hij herinnerde het zich alsof ’t

vandaag gebeurd was, hoe de Gemnotenvorst was binnengekomen, kruipend

op handen en voeten en wild was toegesprongen op de vroede vrouw. Maar

die was niet teruggedeinsd, doch had zich bukkend den vorst bij de

schouders gegrepen en hem toen vast en scherp in de oogen gezien,

zoolang als men noodig heeft om een pijl op een boog te spannen. Daarna

was de Gemnotenvorst stil geworden en had haar als een klein kind

gehoorzaamd, toen zij hem bevolen had op een pels zich neer te

strekken. Daar was hij gaan slapen en de vroede vrouw was alleen met

hem gebleven om den berengeest uit te drijven. Dat wat toen verder

gebeurd was, wist Myst niet. Maar wel wist hij, en ’t was overal bekend

ook bij alle Gemnoten, dat de vorst terug was gekeerd zooals hij

vroeger was geweest, voor de berengeest in hem was gevaren. En de vorst

wist zich niets meer te herinneren van zijn vreemde gedragingen en ook

niet van de berenjacht en toen men hem vertelde, dat hij kinderen had

doodgedrukt, had hij daar verdriet van gehad, want hij was een

zachtaardig man.

Sogol wist niet wat hij van het verhaal moest denken en keek den ouden

priester eens van terzij aan en in hem kwam de gedachte op, dat de

grijsaard, als zoovele oude lieden, zwak van geest was geworden en

twazelde.

Toen hij aan den top van den berg was gekomen en benedenwaarts naar den

stroom zag en tot aan den horizont de tenten, bruin en wit op ’t groen

van de weilanden en naar de andere zijde van den heuvel, waar de kampen

waren en de laan der loofhutten en daarachter het geboomte van de

heilige haag, voelde hij ontzetting. Die allen, allen geloofden dus in

haar en in de goden? En al die menschen, die hij daar beneden zag

krielen, allen, allen kwamen in haar de godheid aanbidden... en hier

die eerwaardige grijsaard naast zich, de oude Myst, zou in haar

goddelijkheid gelooven en Haun, die al den horen nam om te gaan blazen,

zou aan haar goddelijkheid niet twijfelen... En ver, in zijn rijk, in

’t land der Nerviërs, zou hij ook het geloof vinden en alleen hij,

Sogol, twijfelde, hij alleen was zonder geloof. Hij gevoelde zich

bedroefd en eenzaam; diep in zichzelf voelde hij zich op dit oogenblik

vijandig tegen dien twijfelenden geest in zich en een oogenblik rees in

hem de gedachte, dat die twijfelzucht wellicht juist een kwaden geest

was, een die te gevaarlijker en slechter, omdat hij hem niet herkend

had. Was hij wellicht een door Grendel gedoemde, die hem dat

vreeselijke lot beschoren had, om levenslang dàt ten sterkste te

ontkennen, waarvan hij zelf juist den meest uitverkoren drager was?

Haun, onder den indruk van ’t schoone landschap daar beneden, met de

breede Rinstroom in ’t glinsterende licht van den vroegen ochtend als

de zilveren zoom, plooiend naar de bochten van ’t wijd uitgespreide

groene aarde-kleed en tegen den einder de verwazende bergtoppen en

dichterbij ’t ruige al gelende boschage van de haag en voor hem, in de

dalkom, het ontwakende leger van zoovele geloovigen en dat alles onder

den wijden hal van den lichtblauwen hemel, zette zijn horen aan den

mond en begon te blazen, zachte doedelende tonen, met zoet-weeklagende

geluiden als van verre tortels in hooge boomen, en dan, toen de zon

geheel van boven een wolk opsteeg en straalde opeens over het landouw

en sloeg spartelende starren in de kabbels van den breeden,

kronkelenden stroom en blankte hèl het lijnwaad van de tenten, toen

stond hij op en den horen hoog aan den mond, ’t gelaat richtend naar de

zon, blies hij opeens de volle, warme tonen van den Nervischen

barditus...

Sogol, thans ook opspringend, opgewekt door die tonen van den jongen

kunstenaar, zijn vorstelijke waardigheid herdenkend, voelde nu moed en

kracht en fierheid in zich als dreef er een bloedstroom met geweld door

zijn aderen en zijn speer met een zwaai opstekend in de lucht en ook

zijn linkerhand wijd in de hoogte, als ten groet, riep hij in

vervoering:

„Blaas mijn jongen, blaas! Hier nadert Sogol, de vorst der Nerviërs!”

En licht in ’t zonnezilver, dat blonk in zijn oogen en guldde in zijn

baard, zijn behaard, naakt lichaam van de schouders tot de voeten

beglansd, dat het scheen of er licht van hem uitstraalde, liep hij het

bergpad af met naast hem den toeterenden knaap. Ver naar achteren

volgde Myst, oververmoeid, leunend op zijn langen staf, die hij

rechtstandig tastend vooruitzette, maar toch ook hij hopend op de

gouden toekomst van licht en geloof, die daar aan hun voeten in ’t

Rindal zich voor hen opende.

Germania(#73888) · 第 17 / 44 题