Hoe dichter prins Istovar van Mjellego, zoon van Tjilbard, Koning der
Friezen, de haag van Renigo naderde, des te neerslachtiger werd hij.
„Hoe zal ik ooit,” klaagde hij tot Melle, „voor de oogen der schoone
bruid durven te verschijnen, zonder heldendaden bedreven te hebben? Van
zooverre komen wij en geen avontuur dat waard is bezongen te worden,
hebben wij gehad. Thoering’s eerste stoot gold een zwakke vrouw. Zevens
trotsche manen waren oorzaak, dat vier brave lieden opgejaagd werden.
Ik hoop een joncfrou uit de baren te redden en ervaar, dat ik een
medeminnaar aan het leven heb teruggeven. En nu, de heerwegen zijn vol
haaggangers, de roovers houden zich afzijds, de bruidegoms, in stede
van zich met mij te meten, zijn om niets meer bezorgd dan om met een
ongekwetst hachje en onbeschadigde geschenken, de andere hand-dingers
vóór te zijn. Wat blijft mij, ongelukskind anders over, dan weer terug
te reizen en o schande, mijn koninklijken vader te zeggen, dat ik
weergekeerd ben zooals ik vertrokken ben, Thoering beschaamd af te
koppelen, bedenkend dat het gewijde zwaard door vrouwe-bloed is
onteerd, Zeven naar den stal te voeren en te zeggen: Eet rustig dijn
haver. Dijn heer is niet waard, di te berijden!”
De getrouwe Melle, zeer bedroefd omdat de prins bedroefd was, peinsde
over een middel, dat zijn jongen heer de levenslust terug zou geven.
Hij sprak met Sigbert en met Tjeerd en met Reri over den rampspoed van
hun tocht zonder avontuur.
Sigbert raakte vertoornd. „Wat, die prins zocht opzettelijk strijd? Was
’t al niet genoeg, dat de landman, die niets liever wilde, dan zijn
akker in vrede te bebouwen en zijn vee in rust te fokken, telkens
gedwongen werd den ploeg voor den saks te verwisselen. Wanneer de prins
avontuur wenschte, om zijn jeugdige kracht te beproeven, dan zou hij in
den oogsttijd naar de Batouw komen en de aren voor roovers aanzien en
de sikkel, Thoering doopen. Dan kon hij roovers neerslaan van
zonsopgang tot zonsondergang, tot zijn kleeren dropen van ’t zweet en
zijn arm lam was van de slagen en rondom het rooversvolk lag
neergesabeld en nu de buit naar den dorschvloer kon worden gedragen.
Daar mocht hij den vlegel weder Thoering noemen en roovers beuken van
zonsopgang tot zonsondergang en dan de buit opnieuw vergaderen in
wannen en zakken en dragen naar de molen of naar de kuilen, waar ’t
graan gedurende den winter lag bewaard.”
Toen Melle dit gezegde den prins overbracht, lachte hij smadelijk en
zeide, dat deze rooverskamp een Batouwschen hoorige of een boer kon
bevallen, maar dat een Frieschen prins alleen tegen edele en dappere
roovers kon vechten, weerbare mannen, die wisten wat Thoering waard was
en als ze een houw ontvingen, den arm wisten te waardeeren en schatten,
die zoo raak sloeg, maar niet tegen redelooze koren-aren, die als de
mieren, alleen sterk waren door hun aantal.
Tjeerd wilde met den prins een wedstrijd aanbinden in ’t klimmen in
boomen en ’t springen over slooten. Prins Istovar keerde zich droevig
af en liet door Melle zeggen, dat Tjeerd beter deed, een eekhoorn, een
haas en een ree uit te dagen. Een Friesche prins klom alleen, wanneer
hij een schans had te bestormen en hij sprong alleen, wanneer zijn ros
onder hem sprong. Reri had met den prins willen prijsvechten met de
vuist, doch Istovar deed weten, dat hij niet vocht dan met Thoering.
Daar Reri niet met het kortzwaard terecht kon, weigerde hij den
prijskamp.
Sigbert en zijn twee zonen, als zij den prins zagen rijden, keken
elkaar veelbeteekenend aan.
„Ik geloof,” zei de een tot den ander, „dat dien jongen kaerel meer
verstand heeft tusschen zijn knieën dan tusschen zijn schouders.”
Hoewel Melle nauwelijks een beteren uitslag verwachtte bij Herebaeld,
vroeg bij dezen toch, of hij voor den prins een waardigen kampioen
wist, zwak hopend, dat Herebaeld wellicht op ’t kortzwaard trekken wou.
„Er is een sterke vijand in de buurt. Hij heeft ons tijdens de reis
veel kwaads toegevoegd en ons doen dwalen. Maar ik vrees, dat de prins
hem niet met Thoering te lijf zal kunnen gaan.”
Melle sprak over dien vijand tot den prins.
Deze, Thoering vooruitstekend, riep honend, dat hij den vijand
afwachtte, wie hij ook was, al ware hij sterk als een god.
Herebaeld trad naderbij en sprak:
„Prins, op den dag komt de vijand niet, maar tegen den avond kan ik hem
di toonen. Doch ik vrees, hij zal di te sterk zijn.”
„Al ware ik alléén in ’t duister, ik zou hem met Thoering doorsteken.”
„Prins, du spreekt te veel.”
„Ik wed om mijn voorrang bij de bruid.”
„Du hebt het gezegd. Welaan... wij zullen zien.... nog dezen avond.”
Toen het donker was geworden trokken prins Istovar, Thoering, Zeven en
Herebaeld ter zijde van den weg, van verre in stilte gevolgd door
Melle. Aan een kruisweg bleven de twee jongelieden staan.
„Waar is de vijand en hoe is zijn naam?” vroeg de prins.
„Zijn naam is Brendel!” antwoordde Herebaeld.
„Brendel!” riep de prins, zich op zijn ros in postuur zettend en
Thoering opstekend, „hier staat prins Istovar thoe Mjellego zoon van
Tjilbard, koning der Friezen. Kortzwaard tegen kortzwaard... kom op als
du moed hebt!”
Hij wachtte, maar daar niemand antwoordde of zich vertoonde, herhaalde
de prins zijn daging. En daar weder niemand opkwam, riep de prins:
„Herebaeld, ik geloof dat dijn vijand niet durft.”
„Zeker heer... hij staat reeds gereed en wacht.”
„Waar dan?”
„Ginds!”
„Ik zie niets!”
„Maar daar, recht voor di... hij heeft een gouden pantser aan.”
Herebaeld wees op Brendel, die hoog en schitterend in de lucht stond,
vooraan in de strijdlinie der zeven minnaars van Nehalennia.
„Die daar, de voorste, is dat Brendel?” vroeg de prins, met
uitgestrekten arm Thoering voor zich uithoudend en diens betooverden
punt richtend op de schitterende ster.
„Die is het!...” riep Herebaeld.
„Vooruit dan, mijn ros!” kreet de prins en zijn paard de sporen in de
lenden drukkend, reed hij in vollen draf, met uitgestrekt zwaard en
gebogen zijdelings over den fraai gebogen hals van ’t fiere ros, naar
den einder, waar Brendel stond, hoog, klaar, met schitterend kuras en
manmoedig den aanval des jongelings afwachtend.
Herebaeld staarde hem na, hoe hij reed op ’t witte ros door het hooge
gras, moedig op Brendel aan en dacht:
„Zoo waar, ik geloof dat de kloeke jonge vorst ons wreken zal.” En zijn
vuist tegen de ster ballend zeide hij: „Wacht du, misleider. Du zult
weten, dat du ons op dwaalwegen hebt gevoerd.”
Onderwijl reed prins Istovar in woesten galop voort, op den vijand aan.
Maar deze, hoewel voorzien van een gouden kuras, week laf terug en hoe
sneller Zeven draafde, des te sneller vluchtte Brendel.
„Kortzwaard tegen kortzwaard!” riep prins Istovar. „Sta zeg ik, als du
kampen durft!”
Maar Brendel week steeds achterwaarts en Zeven begon reeds te hijgen.
De prins spoorde zijn ros opnieuw aan, toen dit plotseling zijn vaart
inhield, de voorpooten gestrekt voor zich uitspalkend en de
achterpooten inhurkend.
Prins Istovar buitelde schier over den kop van Zeven heen. Hij steeg
af, nam het paard bij den teugel en keek om zich heen om te ontdekken,
wat het paard verschrikt had. Boven aan den hemel was een zware wolk
voor de sterren geschoven. De prins keek op en merkte het:
„Dus zijt du dan toch eindelijk afgestegen! Welaan, kom op, kortzwaard
tegen kortzwaard. Hier staat prins Istovar thoe Mjellego!”
In ’t vage duister van den laten avond zag de prins nu uit een boschje
Brendel naderen, maar in zwarte rusting, gelijk roovers die plegen te
dragen. Het was een groote, zware vijand, die vooraf werd gegaan door
een klein, zwart paard. Nu hij nader kwam zag hij, dat Brendel op een
wagen zat en dat achter in de wagen nog drie roovers hadden plaats
genomen.
De prins steeg weder te paard, stuurde Zeven zoo dat het ros met een
sprong midden voor de kar van Brendel stond en met Thoering dreigend
riep hij:
„Bij Baduhenna, stel di te weer, kortzwaard tegen kortzwaard.”
Brendel hield zijn klein ros in en nu, in het vage duister zag de prins
hoe de vier roovers samenspraak hielden.
„Bij Baduhenna... weert di... Thoering tegen één, Thoering tegen twee,
Thoering tegen drie, Thoering tegen vier... Eén tegen vier... hier
staat prins Istovar thoe Mjellego... weert di!”...
Opeens sprongen de vier roovers uit de kar en elk vluchtte naar een
andere zijde.
De prins gaf een ruk aan den teugel van Zeven en rende een roover na.
Deze, zich omkeerend riep:
„Niet ik, de andere draagt het kortzwaard!”
Daarom wendde de prins den teugel en vervolgde nu den tweede. Ook deze
hield stil en riep:
„Niet ik, de andere draagt het kortzwaard!”
En de derde nu naderend, verwees deze hem naar den vierde.
De vierde hield stand en wachtte den ruiter af.
„Kortzwaard tegen kortzwaard!” schreeuwde de prins, blakend van
krijgsvuur.
„Prins!” antwoordde de roover, „niet ik ben di waardig, doch mijn
hoofdman. Hij nadert daar ginds met zijn stoet. Als du moed hebt, kamp
dan met deze. Maar ik vrees, dat du den strijd zult verliezen!”
Prins Istovar antwoordde niet; hij zag in de verte, vaag in ’t half
duister Brendel zitten op een hoogen triomfwagen, ’t kortzwaard aan de
zijde en omgeven door een stoet van piekeniers. Onvervaard snelde hij
op den vijand af en voor diens karos inhoudend, hield hij Thoering
vooruit en schreeuwde:
„Hier staat prins Istovar thoe Mjellego, kortzwaard tegen kortzwaard!”
Een vreeselijke verwarring ontstond in den stoet van Brendel. De
piekeniers wierpen op ’t gezicht van den dapperen prins hoog op Zeven
met Thoering dreigend in de vuist, hun pieken weg en renden naar alle
zijden in ’t hooge gras om zich te redden. Alleen Brendel op den
triomfwagen hield koen stand en trok zijn kortzwaard, terwijl achter
hem drie donkere gestalten oprezen, die in de triomfwagen zich hadden
bevonden.
„Hier staat prins Istovar thoe Mjellego—Vrijheid alle tijd! Noem dijn
kampspreuk!”
„Ik worstel en kom boven!” antwoordde Brendel, van de wagen zich latend
glijden en nu, met getrokken kortzwaard onvervaard toeloopend op den
prins.
De prins steeg nu ook van Zeven en Thoering recht voor zich houdend,
met de punt hemelwaarts, vroeg hij:
„Dappere kampioen—uw strijdnaam?”
„Koning Gise van Bedekoog!” klonk het in ’t half duister van den
stillen nacht.
„Koning, aan u den eersten streek.”
Koning Gise, naar de regelen der schermkunst met het kortzwaard, liet
zijn zwaard glijden langs het zwaard van den prins, zoodat beide
kampioenen zich overtuigen konden, dat de zwaarden even lang waren.
Daarna, eveneens volgens de regelen, bleven de beide hooggeborenen zoo
staan en zeiden elk hun laatsten wensch, opdat, mocht na den eersten
stoot reeds een kampioen vallen, de tegenpartij den laatsten wensch kon
overbrengen of vervullen.
„Dat Harimona wete, dat mijn bloed voor haar vloeide!” riep prins
Istovar.
„Dat Harimona wete, dat mijn bloed voor haar vloeide!” antwoordde
Koning Gise.
„Wat? Ook du?”
„Wat? Ook du?”
De beide kampioenen lieten dadelijk het zwaard zinken.
De prins wilde wel een roover bekampen maar niet een eerlijken
mede-minnaar en daarom stak hij Thoering op, zich verontschuldigend bij
Koning Gise over zijn uitdaging.
„Hoe kwam du er toe jongeling, mij uit te dagen?” vroeg Koning Gise.
„Die voor di uit reden, zeiden mij, dat du Brendel waart, den grooten
roover, den vijand van Sigbert, den Batouwer. En daar ik avonturen
zoek, wilde ik di te lijf.”
„Hoe jammer, dat du niet vroeger mijn weg gekruist hebt. Want dan hadde
du uw kloeken arm kunnen leenen in het groote gevecht, dat ik en mijn
mannen gevoerd heb met Fridbold, den beruchten roover uit het woud van
Gibick en zijn veertig rotgenooten.”
„Waar is de roover?” vroeg de prins, Thoering al weder trekkend.
„Du komt te laat, moedige borst. Ik zelf heb den gruwelijken booswicht
en zijn gezellen verjaagd. Maar als du wilt, zoo sluit di aan bij mijn
stoet en neem het opperbevel over mijn garde. Ook zal ik di dan
bekostigen en grooten lof doen toezingen door mijn drie koks. Doch het
is al laat vriend. Mijn stoet is vermoeid en de dagreizen zijn lang.
Kom mede en leg di ter ruste.”
Onderwijl was Melle, doodelijk bevreesd voor ’t lot van den prins, die
alleen in den laten avond op een ster was toegerend, zijn heer gevolgd.
Hij liep langen tijd een eind achter Zeven aan, maar het gelukte hem
niet, het paard in te halen. Toen de prins door de ontmoeting met
Koning Mise en zijn drie dichters eenig oponthoud had, kwam de waakzame
dienaar, eindelijk buiten adem bij den prins en hoorde juist hoe Koning
Mise, den moedigen jonkman alleen op een troep gevaarlijke roovers
afzond, het verderf te gemoet. Daar Melle, ademloos, Zeven die weder in
galop verder rende, niet vermocht te volgen, keerde al zijn
verbittering zich tegen Koning Mise, dien hij, bij den schouder vattend
toeriep:
„Sta ellendige. Werwaarts zondt di mijn heer?”
„Naar den grooten roover Brendel, ginds!” antwoordde Mise.
De drie dichters, hun Koning in gevaar ziende en wel wetend, dat een
strijd van vier tegen één, veel stof tot grollen en heldendichten zou
opleveren voor elk der vier, kwamen voorzichtig nader. Melle, de drie
uitgehongerde kerels ziende in hun gescheurde en besmeurde grijze
pijen, twijfelde nu in ’t geheel niet meer er aan, of deze vier
schoeljes behoorden zelf tot de troep roovers, waarover zij spraken en
was er van overtuigd, dat zij den prins in een hinderlaag gezonden
hadden.
Hij greep daarom ook Pimm bij de schouder en hem tegen den Koning met
kracht aankwakkend riep hij: „Grendeldebliksem, geboefte, du hebt mijn
heer verraden. Wacht, dat zult di met den dood boeten.”
Weder schudde hij den Koning tegen zijn dichter en met zooveel geweld,
dat beiden neusbloedingen kregen.
„Koning!” riep Pimm, „help mij!”
Pill en Pinn wisten niet wat zij zouden doen. Melle had wel is waar nu
zijn beide handen vol, doch toen Pill tot ontzet naderde, gaf hij hem
zulk een schop, dat de magere, verzwakte dichter achterover tuimelde en
zijn handen voor den buik houdend, kreet van pijn.
En weer kwakte Melle den Koning met kracht tegen zijn dichter aan,
zoodat beiden zich voelden bezwijmen.
Nu naderde Pinn, maar de les, die Pill gekregen had, zich ter harte
nemend, bedenkend, dat wie niet sterk is, slim moet zijn, riep hij:
„Sta, du eerlooze. Kampt men zoo tegen vrije lieden? Kortzwaard tegen
kortzwaard, indien du een vrije man zijt en niet een hoorige hond!”
Melle, op den wapenroep, greep instinctmatig meteen naar ’t gevest van
zijn zwaard. Daardoor liet hij Koning Mise los, die snel terzijde
springend, liep wat hij loopen kon naar den eerstvolgenden boom en zich
niet om de drie dichters bekommerend, klom hij in den boom,
vastbesloten dezen aanvaller op dezelfde wijze in ’t zand te doen
bijten als hij het den roover Fridbold had gedaan. Doch een katuil
vloog verschrikt op en liet een angstig „oehoe!” hooren. Melle, dit
geluid vernemend, dat den dood van een bloedverwant of na-staande kond,
verging opeens alle lust tot gevecht en in een hartstochtelijk snikken
uitbarstend jammerde hij: „O Baduhenna, ontferm u over uw armen
knecht... O Baduhenna, dat het toch mijn prins niet zijn mochte.... O
Baduhenna, neem mij en spaar hem!”
Melle bracht de slip van zijn jachthemd aan de oogen en van dit
oogenblik maakte Pinn gebruik om den slag, dien hij lang beraamd had,
toe te brengen. Melle met zijn vuist een stomp tegen de slapen gevend,
dat de toch al oververmoeide man omtuimelde, kreet hij: „Vaar naar
Balduwina, Friesche stijfkop!”
Toen verdwenen de drie dichters met snelle passen in de richting van
den boom, waaruit de kauts was opgevlogen en troffen hun Koning, die
bezig was met de voorbereiding van zijn aanval.
„Spil geen kracht!” riep Pinn, „ik heb den woesteling neergeveld. Het
was een Fries, want hij roept Balduwina aan. Maar ik gaf hem iets tegen
zijn Friesche kop, dat nog harder was.”
„Is hij goed dood?” vroeg Koning Mise, van boven uit het loover.
„De slag kwam zoo aan,” antwoordde Pinn, „dat hij met zijn kop naar den
grond boog.”
„Is dijn vuist nog heel?”
„Ja, Koning.”
„Dan moeten wij maken, dat wij ver zijn voor hij weer ontwaakt.
Friesche koppen buigen niet—die breken.”
Zelf langs den stam naar beneden glijdend, gaf hij zijn drie dichters
het waardige voorbeeld en vluchtte naar de zijde, vanwaar de prins op
Brendel was aangereden. Zij liepen als lieden, die weten dat het leven
van hun snelheid afhangt. Terugkeeren naar ’t kamp van Koning Gise
dorsten zij niet, voor zij bij helderen dag konden zien, hoe den afloop
geweest was van ’t gevecht des dolzinnigen prinsen met den dikken
Koning Gise. Blijven was al even gevaarlijk, daar de prins kon
terugkeeren of Melle zijn bezinning herkrijgen. Daarom renden zij
steeds voorwaarts tot aan het woud, waar Herebaeld wachtte op de
terugkomst van prins Istovar thoe Mjellego, die Brendel was gaan
bekampen.
De blonde jongeling in zijn hemelsblauw overkleed, stond tegen een eik
geleund en staarde naar de schoone ster, die nog altijd helder en
ongekwetst aan de lucht straalde.
„Pas op!” riep Koning Mise, „daar staat het gevolg van den dollen
prins.”
„Kortzwaard tegen kortzwaard!” gilde Pinn moedig, bedenkend dat vier
man tegen één knaap veel stof voor sproken, heldendichten, sagen,
grollen en boerten zou kunnen opleveren.
Herebaeld, de vier magere schooiers ontwarend, verschrok.
„Vrienden!” zeide hij smeekend, „hoewel ik eens heerschen zal, ben ik
nu nog maar een boerenzoon en niet gerechtigd ’t kortzwaard te voeren
en te strijden met zulke hooge lieden als du zijt. Maar als du kamp
zoekt, helpt dan mijn beschermer en medeminnaar prins Istovar thoe
Mjellego die kloekmoedig is uitgetrokken om Brendel te tuchtigen.”
„Staat gij hier alleen jongeling?” vroeg Koning Mise streng en waardig.
„Ja heer, mijn vader Sigbert de Batouwer en mijn twee dappere en kloeke
broers zijn ginds in ’t veld en slapen. Ook ’t gevolg van den prins is
daar, veertig uitgelezen lieden onder leiding van den behoedzamen en
onvervaarden Melle, alle Friezen, vaardig met de saks, de fram, het
kortzwaard en de celt.”
„Verwacht du ze niet spoedig hier?”
„Dezen nacht niet, heer. Zij zijn allen zeer vermoeid en slapen en
Melle, die de wacht hield, is opgetrokken om zijn heer bij te staan bij
de tuchtiging van Brendel, die ons op dwaalwegen heeft gevoerd.”
Koning Mise als zijn drie hofdichters, nu geheel gerust gesteld, zeide:
„Jongeling, wij zijn vier helden, die op avontuur zijn uitgegaan. Het
zou ons weinig moeite kosten di neer te slaan, maar wij zijn
grootmoedig. Blijf hier en wacht tot de dappere prins terugkeert en
zoodra du hem ziet, haast di ons het te voren te melden, opdat wij hem
waardig kunnen ontvangen. Wij zijn in zijn kamp.”
De vier schoeljes, na zich aldus voor verrassingen behoed te hebben,
slopen naar ’t kamp waar het gevolg van prins Istovar sliep. Zij
naderden voorzichtig en na zich wel overtuigd te hebben, dat niemand
waakte, begonnen zij de slapende krijgslieden te bestelen. Zij sneden
de bronzen knoopen van hun jachtrokken, haakten de bronzen sluitspelden
van de mantels, sneden voorzichtig stukken bont uit de nachtpelzen,
ledigden de lederen tasschen met de kleine stukjes barnsteen,
oostersche kralen, schelpjes en schijven albast, die als pasmunt
gebruikt werden en de sterke, schoongewerkte riemsandalen ziende, die
de Friesche krijgslieden droegen, kwam in den Koning zoowel als in zijn
drie dichters, het verlangen op, er een paar mede te nemen, daar hun
voeten, door het vele loopen, reeds pijnlijk waren en ook omdat zij wel
wisten, dat als zij Friesche sandalen droegen, meer eerbied af te
zullen dwingen in Renigo dan wanneer zij als hoorigen of slaven
barrevoets liepen. Voorzichtig trokken zij een viertal slapers de
sandalen van de voeten en nu, bevreesd betrapt te worden, namen de drie
dichters en hun Koning elk een pak buit en slopen het kamp uit.
Toen zij weder bij Herebaeld kwamen, liep Koning Mise vooruit en sprak
tot den jongeling:
„Vriend, haast di naar het kamp. Wij zijn gevlucht voor de overmacht,
na ons dapper geweerd te hebben. De verfoeielijke Brendel waart rond in
’t kamp in de gedaante van een kobold met wel honderd dwergen. Zij
kruipen en sluipen en berooven de getrouwe lieden. Ik zelf trachtte
drie kobolden neer te slaan, maar nauw had ik mijn kortzwaard
getrokken, daar veranderden die schurken zich in muizen en ratten en
waren weg voor ik ze kon treffen.”
Herebaeld voelde ’t hart van angst kloppen. „Hebben zij mijn vader ook
bestolen en mijn broers?”
„Wie zijn dat?” vroeg Koning Mise.
„Sigbert de Batouwer, Reri de zwemmer en Tjeerd, de springer.”
„Waren het die drie groote lieden, die naakt sliepen op berehuiden met
bloote voeten en onder een dek van grauwe wol?”
„Ja... die zijn het.”
„Vriend, haast di. Ik geloof, dat de kobolden hun nog niet beroofd
hebben... Maar haast di, als dijn erfdeel di heilig is!”...
Toen Herebaeld wegsnelde, konden de drie dichters zich niet weerhouden
te lachen en Pill sprak:
De koningen wel gaarne ’t erfdeel laten,
Aan wie, behalve ’t leven, niets bezaten.
Pimm sprak:
Hier snelt een bloed te hulp, beangst om wat?
Daar vâar noch broer een luttel schelpje had.
Pinn sprak:
Wijl Mise weet, hier was geen zool te halen,
Zegt hij den bloed: Red vaderliefs sandalen!
Koning Mise besloot:
Den rijke zult di stelen,
Den arme zult di deelen.
En hij stapte waardig voorwaarts op een paar schoonbewerkte Friesche
snoer-sandalen, gevolgd door zijn drie dichters, die eveneens flink
stapten in de geroofde schoenen.
Een eind verder, terzijde van den weg, veilig voor overval, vloten zij
’t ezeltje, legden den buit neder in ’t karretje, ontstaken een vuur,
hulden zich in hun overkleederen en vleiden zich ter ruste. Maar voor
zij, vroolijk na den welgelukten rooftocht insliepen, sprak Pill:
Wie eerlijk barvoets gaat is maar een poen,
Maar eere werft, wie draagt geroofden schoen.
Pimm sprak:
Geroofde schoen,
Geeft ook fatsoen.
Pinn sprak:
Al kan men niet betalen,
Dan draagt men toch sandalen.
Koning Mise besloot:
In schoenen staand van eerelijke lieden,
Zal men ons voortaan nu veel eere bieden.