HOOFDSTUK XI.

Hoe dichter prins Istovar van Mjellego, zoon van Tjilbard, Koning der

Friezen, de haag van Renigo naderde, des te neerslachtiger werd hij.

„Hoe zal ik ooit,” klaagde hij tot Melle, „voor de oogen der schoone

bruid durven te verschijnen, zonder heldendaden bedreven te hebben? Van

zooverre komen wij en geen avontuur dat waard is bezongen te worden,

hebben wij gehad. Thoering’s eerste stoot gold een zwakke vrouw. Zevens

trotsche manen waren oorzaak, dat vier brave lieden opgejaagd werden.

Ik hoop een joncfrou uit de baren te redden en ervaar, dat ik een

medeminnaar aan het leven heb teruggeven. En nu, de heerwegen zijn vol

haaggangers, de roovers houden zich afzijds, de bruidegoms, in stede

van zich met mij te meten, zijn om niets meer bezorgd dan om met een

ongekwetst hachje en onbeschadigde geschenken, de andere hand-dingers

vóór te zijn. Wat blijft mij, ongelukskind anders over, dan weer terug

te reizen en o schande, mijn koninklijken vader te zeggen, dat ik

weergekeerd ben zooals ik vertrokken ben, Thoering beschaamd af te

koppelen, bedenkend dat het gewijde zwaard door vrouwe-bloed is

onteerd, Zeven naar den stal te voeren en te zeggen: Eet rustig dijn

haver. Dijn heer is niet waard, di te berijden!”

De getrouwe Melle, zeer bedroefd omdat de prins bedroefd was, peinsde

over een middel, dat zijn jongen heer de levenslust terug zou geven.

Hij sprak met Sigbert en met Tjeerd en met Reri over den rampspoed van

hun tocht zonder avontuur.

Sigbert raakte vertoornd. „Wat, die prins zocht opzettelijk strijd? Was

’t al niet genoeg, dat de landman, die niets liever wilde, dan zijn

akker in vrede te bebouwen en zijn vee in rust te fokken, telkens

gedwongen werd den ploeg voor den saks te verwisselen. Wanneer de prins

avontuur wenschte, om zijn jeugdige kracht te beproeven, dan zou hij in

den oogsttijd naar de Batouw komen en de aren voor roovers aanzien en

de sikkel, Thoering doopen. Dan kon hij roovers neerslaan van

zonsopgang tot zonsondergang, tot zijn kleeren dropen van ’t zweet en

zijn arm lam was van de slagen en rondom het rooversvolk lag

neergesabeld en nu de buit naar den dorschvloer kon worden gedragen.

Daar mocht hij den vlegel weder Thoering noemen en roovers beuken van

zonsopgang tot zonsondergang en dan de buit opnieuw vergaderen in

wannen en zakken en dragen naar de molen of naar de kuilen, waar ’t

graan gedurende den winter lag bewaard.”

Toen Melle dit gezegde den prins overbracht, lachte hij smadelijk en

zeide, dat deze rooverskamp een Batouwschen hoorige of een boer kon

bevallen, maar dat een Frieschen prins alleen tegen edele en dappere

roovers kon vechten, weerbare mannen, die wisten wat Thoering waard was

en als ze een houw ontvingen, den arm wisten te waardeeren en schatten,

die zoo raak sloeg, maar niet tegen redelooze koren-aren, die als de

mieren, alleen sterk waren door hun aantal.

Tjeerd wilde met den prins een wedstrijd aanbinden in ’t klimmen in

boomen en ’t springen over slooten. Prins Istovar keerde zich droevig

af en liet door Melle zeggen, dat Tjeerd beter deed, een eekhoorn, een

haas en een ree uit te dagen. Een Friesche prins klom alleen, wanneer

hij een schans had te bestormen en hij sprong alleen, wanneer zijn ros

onder hem sprong. Reri had met den prins willen prijsvechten met de

vuist, doch Istovar deed weten, dat hij niet vocht dan met Thoering.

Daar Reri niet met het kortzwaard terecht kon, weigerde hij den

prijskamp.

Sigbert en zijn twee zonen, als zij den prins zagen rijden, keken

elkaar veelbeteekenend aan.

„Ik geloof,” zei de een tot den ander, „dat dien jongen kaerel meer

verstand heeft tusschen zijn knieën dan tusschen zijn schouders.”

Hoewel Melle nauwelijks een beteren uitslag verwachtte bij Herebaeld,

vroeg bij dezen toch, of hij voor den prins een waardigen kampioen

wist, zwak hopend, dat Herebaeld wellicht op ’t kortzwaard trekken wou.

„Er is een sterke vijand in de buurt. Hij heeft ons tijdens de reis

veel kwaads toegevoegd en ons doen dwalen. Maar ik vrees, dat de prins

hem niet met Thoering te lijf zal kunnen gaan.”

Melle sprak over dien vijand tot den prins.

Deze, Thoering vooruitstekend, riep honend, dat hij den vijand

afwachtte, wie hij ook was, al ware hij sterk als een god.

Herebaeld trad naderbij en sprak:

„Prins, op den dag komt de vijand niet, maar tegen den avond kan ik hem

di toonen. Doch ik vrees, hij zal di te sterk zijn.”

„Al ware ik alléén in ’t duister, ik zou hem met Thoering doorsteken.”

„Prins, du spreekt te veel.”

„Ik wed om mijn voorrang bij de bruid.”

„Du hebt het gezegd. Welaan... wij zullen zien.... nog dezen avond.”

Toen het donker was geworden trokken prins Istovar, Thoering, Zeven en

Herebaeld ter zijde van den weg, van verre in stilte gevolgd door

Melle. Aan een kruisweg bleven de twee jongelieden staan.

„Waar is de vijand en hoe is zijn naam?” vroeg de prins.

„Zijn naam is Brendel!” antwoordde Herebaeld.

„Brendel!” riep de prins, zich op zijn ros in postuur zettend en

Thoering opstekend, „hier staat prins Istovar thoe Mjellego zoon van

Tjilbard, koning der Friezen. Kortzwaard tegen kortzwaard... kom op als

du moed hebt!”

Hij wachtte, maar daar niemand antwoordde of zich vertoonde, herhaalde

de prins zijn daging. En daar weder niemand opkwam, riep de prins:

„Herebaeld, ik geloof dat dijn vijand niet durft.”

„Zeker heer... hij staat reeds gereed en wacht.”

„Waar dan?”

„Ginds!”

„Ik zie niets!”

„Maar daar, recht voor di... hij heeft een gouden pantser aan.”

Herebaeld wees op Brendel, die hoog en schitterend in de lucht stond,

vooraan in de strijdlinie der zeven minnaars van Nehalennia.

„Die daar, de voorste, is dat Brendel?” vroeg de prins, met

uitgestrekten arm Thoering voor zich uithoudend en diens betooverden

punt richtend op de schitterende ster.

„Die is het!...” riep Herebaeld.

„Vooruit dan, mijn ros!” kreet de prins en zijn paard de sporen in de

lenden drukkend, reed hij in vollen draf, met uitgestrekt zwaard en

gebogen zijdelings over den fraai gebogen hals van ’t fiere ros, naar

den einder, waar Brendel stond, hoog, klaar, met schitterend kuras en

manmoedig den aanval des jongelings afwachtend.

Herebaeld staarde hem na, hoe hij reed op ’t witte ros door het hooge

gras, moedig op Brendel aan en dacht:

„Zoo waar, ik geloof dat de kloeke jonge vorst ons wreken zal.” En zijn

vuist tegen de ster ballend zeide hij: „Wacht du, misleider. Du zult

weten, dat du ons op dwaalwegen hebt gevoerd.”

Onderwijl reed prins Istovar in woesten galop voort, op den vijand aan.

Maar deze, hoewel voorzien van een gouden kuras, week laf terug en hoe

sneller Zeven draafde, des te sneller vluchtte Brendel.

„Kortzwaard tegen kortzwaard!” riep prins Istovar. „Sta zeg ik, als du

kampen durft!”

Maar Brendel week steeds achterwaarts en Zeven begon reeds te hijgen.

De prins spoorde zijn ros opnieuw aan, toen dit plotseling zijn vaart

inhield, de voorpooten gestrekt voor zich uitspalkend en de

achterpooten inhurkend.

Prins Istovar buitelde schier over den kop van Zeven heen. Hij steeg

af, nam het paard bij den teugel en keek om zich heen om te ontdekken,

wat het paard verschrikt had. Boven aan den hemel was een zware wolk

voor de sterren geschoven. De prins keek op en merkte het:

„Dus zijt du dan toch eindelijk afgestegen! Welaan, kom op, kortzwaard

tegen kortzwaard. Hier staat prins Istovar thoe Mjellego!”

In ’t vage duister van den laten avond zag de prins nu uit een boschje

Brendel naderen, maar in zwarte rusting, gelijk roovers die plegen te

dragen. Het was een groote, zware vijand, die vooraf werd gegaan door

een klein, zwart paard. Nu hij nader kwam zag hij, dat Brendel op een

wagen zat en dat achter in de wagen nog drie roovers hadden plaats

genomen.

De prins steeg weder te paard, stuurde Zeven zoo dat het ros met een

sprong midden voor de kar van Brendel stond en met Thoering dreigend

riep hij:

„Bij Baduhenna, stel di te weer, kortzwaard tegen kortzwaard.”

Brendel hield zijn klein ros in en nu, in het vage duister zag de prins

hoe de vier roovers samenspraak hielden.

„Bij Baduhenna... weert di... Thoering tegen één, Thoering tegen twee,

Thoering tegen drie, Thoering tegen vier... Eén tegen vier... hier

staat prins Istovar thoe Mjellego... weert di!”...

Opeens sprongen de vier roovers uit de kar en elk vluchtte naar een

andere zijde.

De prins gaf een ruk aan den teugel van Zeven en rende een roover na.

Deze, zich omkeerend riep:

„Niet ik, de andere draagt het kortzwaard!”

Daarom wendde de prins den teugel en vervolgde nu den tweede. Ook deze

hield stil en riep:

„Niet ik, de andere draagt het kortzwaard!”

En de derde nu naderend, verwees deze hem naar den vierde.

De vierde hield stand en wachtte den ruiter af.

„Kortzwaard tegen kortzwaard!” schreeuwde de prins, blakend van

krijgsvuur.

„Prins!” antwoordde de roover, „niet ik ben di waardig, doch mijn

hoofdman. Hij nadert daar ginds met zijn stoet. Als du moed hebt, kamp

dan met deze. Maar ik vrees, dat du den strijd zult verliezen!”

Prins Istovar antwoordde niet; hij zag in de verte, vaag in ’t half

duister Brendel zitten op een hoogen triomfwagen, ’t kortzwaard aan de

zijde en omgeven door een stoet van piekeniers. Onvervaard snelde hij

op den vijand af en voor diens karos inhoudend, hield hij Thoering

vooruit en schreeuwde:

„Hier staat prins Istovar thoe Mjellego, kortzwaard tegen kortzwaard!”

Een vreeselijke verwarring ontstond in den stoet van Brendel. De

piekeniers wierpen op ’t gezicht van den dapperen prins hoog op Zeven

met Thoering dreigend in de vuist, hun pieken weg en renden naar alle

zijden in ’t hooge gras om zich te redden. Alleen Brendel op den

triomfwagen hield koen stand en trok zijn kortzwaard, terwijl achter

hem drie donkere gestalten oprezen, die in de triomfwagen zich hadden

bevonden.

„Hier staat prins Istovar thoe Mjellego—Vrijheid alle tijd! Noem dijn

kampspreuk!”

„Ik worstel en kom boven!” antwoordde Brendel, van de wagen zich latend

glijden en nu, met getrokken kortzwaard onvervaard toeloopend op den

prins.

De prins steeg nu ook van Zeven en Thoering recht voor zich houdend,

met de punt hemelwaarts, vroeg hij:

„Dappere kampioen—uw strijdnaam?”

„Koning Gise van Bedekoog!” klonk het in ’t half duister van den

stillen nacht.

„Koning, aan u den eersten streek.”

Koning Gise, naar de regelen der schermkunst met het kortzwaard, liet

zijn zwaard glijden langs het zwaard van den prins, zoodat beide

kampioenen zich overtuigen konden, dat de zwaarden even lang waren.

Daarna, eveneens volgens de regelen, bleven de beide hooggeborenen zoo

staan en zeiden elk hun laatsten wensch, opdat, mocht na den eersten

stoot reeds een kampioen vallen, de tegenpartij den laatsten wensch kon

overbrengen of vervullen.

„Dat Harimona wete, dat mijn bloed voor haar vloeide!” riep prins

Istovar.

„Dat Harimona wete, dat mijn bloed voor haar vloeide!” antwoordde

Koning Gise.

„Wat? Ook du?”

„Wat? Ook du?”

De beide kampioenen lieten dadelijk het zwaard zinken.

De prins wilde wel een roover bekampen maar niet een eerlijken

mede-minnaar en daarom stak hij Thoering op, zich verontschuldigend bij

Koning Gise over zijn uitdaging.

„Hoe kwam du er toe jongeling, mij uit te dagen?” vroeg Koning Gise.

„Die voor di uit reden, zeiden mij, dat du Brendel waart, den grooten

roover, den vijand van Sigbert, den Batouwer. En daar ik avonturen

zoek, wilde ik di te lijf.”

„Hoe jammer, dat du niet vroeger mijn weg gekruist hebt. Want dan hadde

du uw kloeken arm kunnen leenen in het groote gevecht, dat ik en mijn

mannen gevoerd heb met Fridbold, den beruchten roover uit het woud van

Gibick en zijn veertig rotgenooten.”

„Waar is de roover?” vroeg de prins, Thoering al weder trekkend.

„Du komt te laat, moedige borst. Ik zelf heb den gruwelijken booswicht

en zijn gezellen verjaagd. Maar als du wilt, zoo sluit di aan bij mijn

stoet en neem het opperbevel over mijn garde. Ook zal ik di dan

bekostigen en grooten lof doen toezingen door mijn drie koks. Doch het

is al laat vriend. Mijn stoet is vermoeid en de dagreizen zijn lang.

Kom mede en leg di ter ruste.”

Onderwijl was Melle, doodelijk bevreesd voor ’t lot van den prins, die

alleen in den laten avond op een ster was toegerend, zijn heer gevolgd.

Hij liep langen tijd een eind achter Zeven aan, maar het gelukte hem

niet, het paard in te halen. Toen de prins door de ontmoeting met

Koning Mise en zijn drie dichters eenig oponthoud had, kwam de waakzame

dienaar, eindelijk buiten adem bij den prins en hoorde juist hoe Koning

Mise, den moedigen jonkman alleen op een troep gevaarlijke roovers

afzond, het verderf te gemoet. Daar Melle, ademloos, Zeven die weder in

galop verder rende, niet vermocht te volgen, keerde al zijn

verbittering zich tegen Koning Mise, dien hij, bij den schouder vattend

toeriep:

„Sta ellendige. Werwaarts zondt di mijn heer?”

„Naar den grooten roover Brendel, ginds!” antwoordde Mise.

De drie dichters, hun Koning in gevaar ziende en wel wetend, dat een

strijd van vier tegen één, veel stof tot grollen en heldendichten zou

opleveren voor elk der vier, kwamen voorzichtig nader. Melle, de drie

uitgehongerde kerels ziende in hun gescheurde en besmeurde grijze

pijen, twijfelde nu in ’t geheel niet meer er aan, of deze vier

schoeljes behoorden zelf tot de troep roovers, waarover zij spraken en

was er van overtuigd, dat zij den prins in een hinderlaag gezonden

hadden.

Hij greep daarom ook Pimm bij de schouder en hem tegen den Koning met

kracht aankwakkend riep hij: „Grendeldebliksem, geboefte, du hebt mijn

heer verraden. Wacht, dat zult di met den dood boeten.”

Weder schudde hij den Koning tegen zijn dichter en met zooveel geweld,

dat beiden neusbloedingen kregen.

„Koning!” riep Pimm, „help mij!”

Pill en Pinn wisten niet wat zij zouden doen. Melle had wel is waar nu

zijn beide handen vol, doch toen Pill tot ontzet naderde, gaf hij hem

zulk een schop, dat de magere, verzwakte dichter achterover tuimelde en

zijn handen voor den buik houdend, kreet van pijn.

En weer kwakte Melle den Koning met kracht tegen zijn dichter aan,

zoodat beiden zich voelden bezwijmen.

Nu naderde Pinn, maar de les, die Pill gekregen had, zich ter harte

nemend, bedenkend, dat wie niet sterk is, slim moet zijn, riep hij:

„Sta, du eerlooze. Kampt men zoo tegen vrije lieden? Kortzwaard tegen

kortzwaard, indien du een vrije man zijt en niet een hoorige hond!”

Melle, op den wapenroep, greep instinctmatig meteen naar ’t gevest van

zijn zwaard. Daardoor liet hij Koning Mise los, die snel terzijde

springend, liep wat hij loopen kon naar den eerstvolgenden boom en zich

niet om de drie dichters bekommerend, klom hij in den boom,

vastbesloten dezen aanvaller op dezelfde wijze in ’t zand te doen

bijten als hij het den roover Fridbold had gedaan. Doch een katuil

vloog verschrikt op en liet een angstig „oehoe!” hooren. Melle, dit

geluid vernemend, dat den dood van een bloedverwant of na-staande kond,

verging opeens alle lust tot gevecht en in een hartstochtelijk snikken

uitbarstend jammerde hij: „O Baduhenna, ontferm u over uw armen

knecht... O Baduhenna, dat het toch mijn prins niet zijn mochte.... O

Baduhenna, neem mij en spaar hem!”

Melle bracht de slip van zijn jachthemd aan de oogen en van dit

oogenblik maakte Pinn gebruik om den slag, dien hij lang beraamd had,

toe te brengen. Melle met zijn vuist een stomp tegen de slapen gevend,

dat de toch al oververmoeide man omtuimelde, kreet hij: „Vaar naar

Balduwina, Friesche stijfkop!”

Toen verdwenen de drie dichters met snelle passen in de richting van

den boom, waaruit de kauts was opgevlogen en troffen hun Koning, die

bezig was met de voorbereiding van zijn aanval.

„Spil geen kracht!” riep Pinn, „ik heb den woesteling neergeveld. Het

was een Fries, want hij roept Balduwina aan. Maar ik gaf hem iets tegen

zijn Friesche kop, dat nog harder was.”

„Is hij goed dood?” vroeg Koning Mise, van boven uit het loover.

„De slag kwam zoo aan,” antwoordde Pinn, „dat hij met zijn kop naar den

grond boog.”

„Is dijn vuist nog heel?”

„Ja, Koning.”

„Dan moeten wij maken, dat wij ver zijn voor hij weer ontwaakt.

Friesche koppen buigen niet—die breken.”

Zelf langs den stam naar beneden glijdend, gaf hij zijn drie dichters

het waardige voorbeeld en vluchtte naar de zijde, vanwaar de prins op

Brendel was aangereden. Zij liepen als lieden, die weten dat het leven

van hun snelheid afhangt. Terugkeeren naar ’t kamp van Koning Gise

dorsten zij niet, voor zij bij helderen dag konden zien, hoe den afloop

geweest was van ’t gevecht des dolzinnigen prinsen met den dikken

Koning Gise. Blijven was al even gevaarlijk, daar de prins kon

terugkeeren of Melle zijn bezinning herkrijgen. Daarom renden zij

steeds voorwaarts tot aan het woud, waar Herebaeld wachtte op de

terugkomst van prins Istovar thoe Mjellego, die Brendel was gaan

bekampen.

De blonde jongeling in zijn hemelsblauw overkleed, stond tegen een eik

geleund en staarde naar de schoone ster, die nog altijd helder en

ongekwetst aan de lucht straalde.

„Pas op!” riep Koning Mise, „daar staat het gevolg van den dollen

prins.”

„Kortzwaard tegen kortzwaard!” gilde Pinn moedig, bedenkend dat vier

man tegen één knaap veel stof voor sproken, heldendichten, sagen,

grollen en boerten zou kunnen opleveren.

Herebaeld, de vier magere schooiers ontwarend, verschrok.

„Vrienden!” zeide hij smeekend, „hoewel ik eens heerschen zal, ben ik

nu nog maar een boerenzoon en niet gerechtigd ’t kortzwaard te voeren

en te strijden met zulke hooge lieden als du zijt. Maar als du kamp

zoekt, helpt dan mijn beschermer en medeminnaar prins Istovar thoe

Mjellego die kloekmoedig is uitgetrokken om Brendel te tuchtigen.”

„Staat gij hier alleen jongeling?” vroeg Koning Mise streng en waardig.

„Ja heer, mijn vader Sigbert de Batouwer en mijn twee dappere en kloeke

broers zijn ginds in ’t veld en slapen. Ook ’t gevolg van den prins is

daar, veertig uitgelezen lieden onder leiding van den behoedzamen en

onvervaarden Melle, alle Friezen, vaardig met de saks, de fram, het

kortzwaard en de celt.”

„Verwacht du ze niet spoedig hier?”

„Dezen nacht niet, heer. Zij zijn allen zeer vermoeid en slapen en

Melle, die de wacht hield, is opgetrokken om zijn heer bij te staan bij

de tuchtiging van Brendel, die ons op dwaalwegen heeft gevoerd.”

Koning Mise als zijn drie hofdichters, nu geheel gerust gesteld, zeide:

„Jongeling, wij zijn vier helden, die op avontuur zijn uitgegaan. Het

zou ons weinig moeite kosten di neer te slaan, maar wij zijn

grootmoedig. Blijf hier en wacht tot de dappere prins terugkeert en

zoodra du hem ziet, haast di ons het te voren te melden, opdat wij hem

waardig kunnen ontvangen. Wij zijn in zijn kamp.”

De vier schoeljes, na zich aldus voor verrassingen behoed te hebben,

slopen naar ’t kamp waar het gevolg van prins Istovar sliep. Zij

naderden voorzichtig en na zich wel overtuigd te hebben, dat niemand

waakte, begonnen zij de slapende krijgslieden te bestelen. Zij sneden

de bronzen knoopen van hun jachtrokken, haakten de bronzen sluitspelden

van de mantels, sneden voorzichtig stukken bont uit de nachtpelzen,

ledigden de lederen tasschen met de kleine stukjes barnsteen,

oostersche kralen, schelpjes en schijven albast, die als pasmunt

gebruikt werden en de sterke, schoongewerkte riemsandalen ziende, die

de Friesche krijgslieden droegen, kwam in den Koning zoowel als in zijn

drie dichters, het verlangen op, er een paar mede te nemen, daar hun

voeten, door het vele loopen, reeds pijnlijk waren en ook omdat zij wel

wisten, dat als zij Friesche sandalen droegen, meer eerbied af te

zullen dwingen in Renigo dan wanneer zij als hoorigen of slaven

barrevoets liepen. Voorzichtig trokken zij een viertal slapers de

sandalen van de voeten en nu, bevreesd betrapt te worden, namen de drie

dichters en hun Koning elk een pak buit en slopen het kamp uit.

Toen zij weder bij Herebaeld kwamen, liep Koning Mise vooruit en sprak

tot den jongeling:

„Vriend, haast di naar het kamp. Wij zijn gevlucht voor de overmacht,

na ons dapper geweerd te hebben. De verfoeielijke Brendel waart rond in

’t kamp in de gedaante van een kobold met wel honderd dwergen. Zij

kruipen en sluipen en berooven de getrouwe lieden. Ik zelf trachtte

drie kobolden neer te slaan, maar nauw had ik mijn kortzwaard

getrokken, daar veranderden die schurken zich in muizen en ratten en

waren weg voor ik ze kon treffen.”

Herebaeld voelde ’t hart van angst kloppen. „Hebben zij mijn vader ook

bestolen en mijn broers?”

„Wie zijn dat?” vroeg Koning Mise.

„Sigbert de Batouwer, Reri de zwemmer en Tjeerd, de springer.”

„Waren het die drie groote lieden, die naakt sliepen op berehuiden met

bloote voeten en onder een dek van grauwe wol?”

„Ja... die zijn het.”

„Vriend, haast di. Ik geloof, dat de kobolden hun nog niet beroofd

hebben... Maar haast di, als dijn erfdeel di heilig is!”...

Toen Herebaeld wegsnelde, konden de drie dichters zich niet weerhouden

te lachen en Pill sprak:

De koningen wel gaarne ’t erfdeel laten,

Aan wie, behalve ’t leven, niets bezaten.

Pimm sprak:

Hier snelt een bloed te hulp, beangst om wat?

Daar vâar noch broer een luttel schelpje had.

Pinn sprak:

Wijl Mise weet, hier was geen zool te halen,

Zegt hij den bloed: Red vaderliefs sandalen!

Koning Mise besloot:

Den rijke zult di stelen,

Den arme zult di deelen.

En hij stapte waardig voorwaarts op een paar schoonbewerkte Friesche

snoer-sandalen, gevolgd door zijn drie dichters, die eveneens flink

stapten in de geroofde schoenen.

Een eind verder, terzijde van den weg, veilig voor overval, vloten zij

’t ezeltje, legden den buit neder in ’t karretje, ontstaken een vuur,

hulden zich in hun overkleederen en vleiden zich ter ruste. Maar voor

zij, vroolijk na den welgelukten rooftocht insliepen, sprak Pill:

Wie eerlijk barvoets gaat is maar een poen,

Maar eere werft, wie draagt geroofden schoen.

Pimm sprak:

Geroofde schoen,

Geeft ook fatsoen.

Pinn sprak:

Al kan men niet betalen,

Dan draagt men toch sandalen.

Koning Mise besloot:

In schoenen staand van eerelijke lieden,

Zal men ons voortaan nu veel eere bieden.

Germania(#73888) · 第 14 / 44 题