Het ging den Velagers slecht, die achter de Bedekauwers aantrokken.
Want de verwachting van koning Mise, dat de roovers den stoet van
koning Gise wel zouden overrompelen en er dan voor hen genoeg zou
afvallen, werd niet vervuld. Het was een bijster slechte tijd voor de
roovers, want de faam van Harimona trok zoovele lieden naar de haag van
Renigo, dat de wegen bij dag en bij nacht dicht bevolkt waren. De
bedevaart-gangers sloten zich bij elkaar aan, vormden groote troepen en
buitendien waren er ook veel krijgslieden op weg naar Renigo, die
verlangend naar avontuur, zeer naar roovers speurden, want menig roover
had in zijn hol groote schatten, die het veroveren wel waard waren.
Enkele bruidegoms voor Harimona vooral, betoonden zich belust op
gevechten met roovers, daar zij wel wisten, dat de faam van een
verschen heldendaad hun werving meer kans zou verleenen. Zoo dan waren
de wegen ongewoon veilig en met verbeten woede zag koning Mise met zijn
gevolg, allen met hongerige oogen, hoe Gise en de zijnen in overdaad en
vreugde leefden en overal, wegens den prachtigen staat, dien hij
tentoonspreidde, als een machtig vorst met veel eerbetuiging werd
begroet.
Wanneer zij een kwartier betrokken en de tenten werden opgeslagen, de
tent van koning Gise met scharlaken voorhang waarop zijn wapen, een
zwemmende leeuw, halverwege boven de golven, met een zwaard in de
klauw, in gouden stiksel was geborduurd, kwamen van alle zijden de
bewoners toeloopen met geschenken en eetwaren. Koning Gise, naar zijn
aard, ontving de lieden hoffelijk en waardig, liet de schatten der
wagens uithaken en de wielen van de assen nemen, zoodat de
wagen-vloeren tafels vormden en dan gaf hij gastmalen, waarbij hij niet
alleen de geschonken eetwaren, door de drie hofdichters heerlijk
toebereid, ten disch liet brengen, maar van zijn grooten voorraad
daarbij liet zetten. Tijdens den maaltijd werd op een der wagens een
zachtgroen kleed uitgespreid en daar op gingen Hall, Hamm en Hann staan
in kostbare kleurige gewaden, met vergulde lieren in de hand en kransen
van gouden eikeblaren in ’t haar en zoo moesten zij voor de gasten hun
schoonste sproken opzeggen, rijk aan alliteraties, de strophen streng
in het rhythme als waren ze de was-cellen in een honingraat en de
groote vorst werd niet moede, zijn gasten te wijzen op de schoonheden
der sproken, soms zelfs met het been van een cotelet op zijn gouden
bord de maat en de scandeering aangevend en zijn dischgenooten
uitnoodigend zijn voorbeeld te volgen, wat iedereen gaarne deed, daar
niemand voor een domoor gehouden wenschte te worden, die de schoonheid
van de sproken niet begreep.
De veertig strandschuimers, als magere duivels met van honger
loenschende oogen uitgetrokken, waren als lijfgarde overbodig geworden.
Gise, in een goeden luim, beval dat ze aan tafel de wacht zouden
houden, opdat de gasten zich tijdens het maal rustig zouden gevoelen.
De goede Koning, die de magere kerels gaarne een hap gunde, had er dan
pret in, midden onder een sproke van zijn koks, de leden dezer wacht,
die neiging gevoelden in slaap te vallen, plotseling op te schrikken
door een gebraden speenvarken of een reebout of een kalfskop met een
zwierigen vaart hun, welgemikt, naar het hoofd te werpen, roepend: „Let
op, let op wachter. Het speentje rent weg!” of „Waak op, wachter, de
ree vliedt!”
Dan schrokken de kerels op, die als echte Velagers geen vermaak vonden
in de Bedekauwsche poëzie en wierpen zich op het gebraad, dat de koning
hun toegezwaaid had en ze pikten het vaardig op met hun spietsen en
zorgden er voor, dat het smeüge speentje of de malsche bout niet
ontsnapte. Groot vermaak schepte de Koning en zijn gasten er in,
wanneer dan de schuimers onderling ruzie kregen om het geschenk des
Konings en met elkaar aan ’t bakkeleiën gingen. Zij grepen elkaar bij
de keel en bij het schaamdeel of trachtten elkaar met de vingers de
oogen uit te steken tot de koning zijn gasten uitnoodigde, zijn
voorbeeld te volgen en aan de twist een einde te maken door van den
disch zooveel eetwaren naar de vechtenden te werpen, dat deze, den
overvloed bemerkende, van elkaar aflieten en begonnen te schrokken
terwijl de gasten, onder groot gejuich, zelve oververzadigd, alles wat
nog op de tafels stond naar de lijfgarde wierpen, gebraad, vruchten,
klieken bier uit de kroezen en horens, gezoden piepkuikens, ballen
gehakt, hambeenen, brooden en stukken honigkoek.
Onderwijl bleven Hall, Hamm en Hann ongestoord doorgaan met het zeggen
van hun sproken, hoewel helaas de schoonste stafrijmen verloren gingen
en niemand lette op de maat, die zij zoo wonderlijk nauwkeurig hielden.
Want de drie hofkoks, onderling op elkaar naijverig, controleerden
elkaar scherp en wanneer een van hen het zou gewaagd hebben een silbe
te smokkelen, zou hij onmiddellijk door den ander terecht gewezen en
zelfs verbeterd geworden zijn.
Daar bijna elken dag gasten kwamen en vaak zelfs dezelfde gasten uit
hetzelfde oord, een bewijs er voor hoezeer het onthaal hun had
bevallen, en Koning Gise niet kon lijden dat, waar allen zich
verzadigden, zijn lijfwacht honger leed, herhaalden zich aan ’t eind
van elk gastmaal dezelfde vroolijke stoeipartij, tengevolge waarvan de
schuimers na eenige weken oververzadigd waren, ronde buikjes hadden
gekregen en zich nog slechts bevochten, wanneer bijzondere lekkernijen
werden toegeworpen. Doch, weldoorvoed, waren ze lui als ossen en vadsig
als varkens tot wanhoop van Koning Mise, die op zijn eigen onderdanen
geen invloed meer had, terwijl de deerntjes, die hij had medegenomen,
gevoed door de schuimers, zich niet lieten vinden om deze tot verraad
over te halen van een vorst, die zoo mild was ten voordeele van een
vorst, die haar honger en koude liet lijden.
Maar nog grootere ellende wachtte Koning Mise en de zijnen. De weg, die
de stoet nam, was in de eerste dagen bezaaid geweest met de
overblijfselen van den disch van Koning Gise en de zijnen. Er lagen
hambeenen, hompen kaas en brood, de gedeelten van het wild en
gevogelte, die minder smaakvol zijn, zoo maar ter zijde van de kampen,
waar de maaltijden waren gehouden. Doch thans was de faam der
milddadigheid van Koning Gise zoo ver verbreid, dat van alle kanten
toegestroomde hongerhalzen als een groote tros, den stoet van Gise
volgden en de arme Koning Mise en de zijnen moest met dat bedelvolk een
strijd om leven en dood volvoeren om de brokken en den afval machtig te
worden en in stede dat de rijke Gise zich tegen roovers te weren had,
moest de arme Mise zich met dat tuig inlaten.
Ook zijn laatste troost en hoop, dat zijn sproke-sprekers meer
waardeering zouden vinden dan die van Koning Gise, vervloog in rook. De
geestigste satiren, de leutigste grollen, de vernuftigste zetten,
werden door het grauw afgekeurd. Dezelfde menschen, die Hall, Hamm en
Hann toejuichten, schudden het hoofd als zijn driemanschap sproken zei,
ja erger, ze begonnen om te toonen, dat zij op ’t gebied der
sproken-sprekerij niet gering te schatten waren, de maat na te gaan
door met dorre takken en knuppels tegen de boomen te slaan en in stede
naar den zin en de bedoeling van de zetten en grollen te hooren, letten
zij alleen op de maat en de scandeering en riepen: Mis!.... Mis!....
Mis!.... bij de raakste zetten, omdat er geen alliteraties in waren.
Toen Koning Gise dat vernam, werd hij nog guller en opgewekter en om
zijn drie koks te beloonen, vergunde hij hun een bijtitel te kiezen.
Hall noemde zich de Gids, omdat hij de menschen naar den weg van ’t
ware schoon leidde. Hamm noemde zich des Gidsen Gids, omdat hij dikwerf
Hall verbeterde en Hann noemde zich de Gids der Gidsen, omdat hij
volgens den Koning boven de twee andere koks uitblonk.
Koning Mise, dit hoorende en bemerkende dat deze wijze van beloonen den
vorsten niets kost en de dienaren bovenmate gelukkig maakt, stond zijn
drie sproke-sprekers toe, eveneens eere-titels te nemen. Pill, Pimm en
Pinn overlegde welke titels zij zouden kiezen en vroegen ten slotte hun
vorst, hun liever zonder eere-titel te laten maar voor een vettere
keuken te zorgen. Koning Mise liet zich hun lederen gordels geven,
sneed er een stuk van af, gaf ze hun terug en zeide, dat nu zijn keuken
vetter was, omdat ze hun gordels nauwer toe konden halen.
Hierop zeide Pill:
Vet
Smet.
En Pimm:
Eet
Leed.
En Pinn:
Maal,
Schraal.
Want zoo zwak waren de drie van honger, dorst en ontbering, dat zij nog
maar heele kleine sproken konden spreken bij gebrek aan brood en bier.
Koning Mise antwoordde wel:
Boet,
Moed,
maar onderwijl overlegde hij, hoe hij zich en de zijnen van leeftocht
kon voorzien. Hoe zouden zij ooit de heilige haag bereiken, wanneer zij
zoo door moesten sjokken en welke hoop kon hij koesteren op de
verwerving van de rijke bruid, wanneer hij en zijn dichters bij
aankomst te uitgeput zouden zijn om zelfs woorden ten geschenke te
brengen.
Ook de vernedering, die hij onderweg ondervond, drukte hem zeer. De
rijke Gise werd niet alleen naar den stof maar ook naar den geest
geprezen. Was het niet schande, dat de geest zijner sproke-sprekers zoo
werd geminacht en misverstaan? Maar zoo zijn de menschen. Wie een
purperen voorhang voor zijn tent heeft, is meteen geestig en wie
kampeeren moet onder een ezelwagentje is meteen dom. Laffe groots hoop,
die altoos hun aanbidt, die ze door schijnschoon verblindt en door
geschenken en gastmalen vleit. Ellendig grauw, dat de geestigste werken
miskent, omdat de dichter meer waarde legt op den inhoud, op de ziel,
dan op den stijven vorm; de makkelijke kunstgrepen, die zijn genius
minacht, verwaarloost en de onbenullige weetjes, die iedereen met wat
vlijt kan verzamelen, verwerpt voor de heilige verbeelding, die het
leven aller tijden uit het niet der vergetelheid weder opwekt.
Zoo sprak koning Mise tot de drie dichters, wier keuken hij vetter had
gemaakt door hun gordels te verkorten, zoodat zij hun maag konden
insnoeren.
Pill, Pimm en Pinn hoorden hem aan en Pill sprak:
De kleinste koek,
Verliest nog een hoek.
Pimm sprak:
Wie veel al heeft,
Dien ieder geeft.
Pinn sprak:
Wie arm verrekt,
Wordt nog begekt.
Koning Mise, goedkeurend knikkend, sprak:
Hoe grooter geest,
Hoe meer verweesd.
Waarop weder Pill:
De ware kunst,
Die heeft geen gunst.
En Pimm:
Wie vleit en likt,
Het beste bikt.
En Pinn:
Wien honger striemt,
Wordt eng geriemd.
Koning Mise, nadenkend, antwoordde:
De grootste dief,
Heeft ’t grootst gerief.
En Pill:
Het diefje klein,
Lijdt grootste pijn.
En Pimm:
Steel,
Maar veel!
En Pinn:
Steel een land,
’t Is geen schand,
Steel een touw,
Gij hangt gauw!
Nadenkend hoorde Koning Mise toe en antwoordde:
Laat and’ren wagen,
Neem zelf de buit,
Zij krijgen de slagen,
Uw lijden is uit.
Na deze beraadslaging bespraken de vier het schoone plan, dat zij
wisten tegelijk in elks hoofd broeiend. In het woud van Gibick huisden
gevaarlijke roovers, die wel wat aandorsten als er veel bij te winnen
was. Hun weg voer nu door dat woud. Wanneer zij zich met de roovers in
verbinding stelden, hun aanspoorden om Gise te overvallen en te dooden
en zich met diens schatten te verrijken, dan zouden zij in den buit
kunnen deelen en voortaan van alle vernedering bevrijd zijn.
Koning Mise bleef opzettelijk met zijn karretje achter, doende alsof
zijn ezeltje niet meer voortkon, hoewel het dier de eenige dienaar van
Koning Mise was, die ’t naar den vleesche ging, want hij vond langs de
wegen rijkelijk distels. Toen de stoet van Koning Gise uit het gezicht
was, snelde Koning Mise met de drie sproke-sprekers naar het hol van
den roover Fridbold en vertelde hem van de schatten die Koning Gise in
zijn vele wagens medevoerde en van de lafheid zijner wachten. Fridbold
riep zijn gezellen bijeen, hield raad en besloten werd nog dien middag
den overval te wagen.
Koning Mise en zijn drie trawanten keerden nu terug naar hun karretje
en reden zoo snel, dat het ezeltje meende, hij was in een paard
omgetooverd. Zij waren weder spoedig bij Koning Gise, die juist bevel
tot het avondmaal had gegeven.
Koning Gise, die al gevreesd had, dat zijn mede-minnaar met zijn drie
sproke-sprekers was achtergebleven, begroette den Koning met
vriendschap en hun magere gelaten en holle oogen ziende, voelde hij
medelijden en noodigde hen aan zijn disch.
Koning Mise nam het aanbod aan en zei tot zijn sproke-sprekers:
„Let op. Dat doet hij alleen om tegenover ons te pralen. Maar wij
zullen ons niet ergeren en bedenken, dat wie ’t laatst lacht, de ware
pret heeft.”
Zoodra waren ze gezeten of de drie hofkoks van Koning Gise klommen op
den dichtwagen en begonnen hun sproken te spreken. Pill, Pimm en Pinn
hadden te grooten honger om niet aan den disch te blijven, maar
naarmate hun honger gestild werd, kregen zij grootere lust om Hall,
Hamm en Hann met grollen te bespotten en toen Hamm sprak:
„Weet di, wanneer één zwijn drie hammen had?”
kon Pimm zich niet weerhouden, den kok te onderbreken hem toeroepend:
„Toen du op Koning Gise’s schouders zat!”
Koning Mise barstte in een hartelijk gelach uit, maar Koning Gise, zich
richtend tot de dischgasten zeide:
„Hebt di het gemerkt!”
„Ja heer.... het is schande, heer!”
„Ongeloofelijk!”
„’t Is schaamteloos.... hij verdiende gehangen te worden.... het is
bepaald grof.”
„En dat tegenover zijn gastheer....”
Koning Gise knikte goedkeurend, toen hij de verontwaardiging der gasten
uit deze uitroepen merkte en hij zeide triomfantelijk:
„Ja.... zoo is het! Du.... op—is fout.... twee klinkers vormend een
gaping....”
En zich tot Hamm richtend, riep hij:
„Gids, geef dezen strompelenden sproke-spreker een spraakles!”
Hamm keek verachtelijk naar Pimm en zeide:
„Weet du, wanneer een zwijn drie hammen had?
Toen Hamm op Koning Gise’s schouders zat.”
Koning Gise sprong op van vreugde, toen hij deze nederlaag van Pimm
bijwoonde. Alle gasten juichten den Gids toe, die door één woord te
veranderen opeens de geheele sproke van den hiaat gezuiverd had.
Koning Mise keek Pimm aan, Pimm keek Pill en Pill, Pinn aan en deze
vier, in stede van beschaamd te zijn door zulk een nederlaag op
sproke-gebied, verstoutten zich grollen te spreken, die nog meer
aantoonden, dat zij geen maat wisten te houden.
Pill zeide:
Zoo zwijnig was een zwijn, dat toen men zwijn zei,
Hij riep: Te weinig zwijn, en voegd’er nog een Hamm bij.
Pimm zeide:
Twee hammen en één Hamm,
Alle drie aan één kram!
Pinn sprak:
Tel op, daar waren hammen vijfen,
Eén op de schouders, vier aan de lijven.
Koning Mise besloot:
Hamm op, Hamm onder, is ’t niet fijn,
Dat heet ik toch een dubbel zwijn.
Koning Gise wilde juist zijn koks opdragen te antwoorden, toen opeens
onder een luid geschreeuw Fridbold en zijn gezellen kwamen aanstormen.
Koning Mise gevolgd door zijn drie sproke-sprekers vluchtten en met
groote schreden zich reddend, klommen zij in een hoogen eik en bleven,
beschermd door het loover, toezien naar het bedrijf der roovers
beneden.
Deze waren gewapend met steenen bijlen en dreigden allen, die zich
wilden verdedigen, neer te slaan. De gasten vluchtten naar alle zijden.
Hall, Hamm en Hann waren de eersten, die door de roovers vastgebonden
werden aan hun wagen en terwijl zij bedreigd door de bijlen der roovers
om genade smeekten, riepen de drie boven uit den boom hun spotdichten
toe.
Koning Gise wilde zijn zwaard trekken, maar daar zijn hand nog vet was
van een kluif, gleed deze van ’t gevest af, zoodat hij tegen Fridbold
een zwaardstoot uitvoerde zonder een zwaard in de hand te hebben,
waarop Fridbold in lachen uitbarstte. Uit den boom klonk:
Wie trok zijn zwaard en stak temet,
In andrer niet, in ’t eigen vet?
Gise keek omhoog in den eik, maar daar de drie dichters hooger waren
geklommen, geheel in ’t loover verscholen zaten en koning Mise door het
rijke maal en de spanning van ’t oogenblik verrast, juist zijn
overkleed had opgetrokken om aan een natuurlijke behoefte te voldoen,
ontdekte koning Gise niet, wie hem deze grol toeriep.
Fridbold wilde nu op koning Gise aanvallen, deed een stap voorwaarts
maar net op dit oogenblik viel ’t gevoeg van koning Mise uit de takken
naar beneden, juist op ’t gelaat van den roover, die ’t gezicht
overstroomd en met de oogen verblind in woesten drift tegen den stam
van den eik opsprong en onder vreeselijke vloeken koning Mise
bedreigde, meenende dat hier opzet in ’t spel was en verraad duchtend.
Koning Mise riep zijn drie dichters te hulp en de vier verdedigden zich
wanhopig tegen den roover, die zijn gelaat met een slip van zijn
jachthemd afwisschend, bezwoer de verraders te zullen ophangen aan den
eigensten drekboom.
Koning Gise, zich buiten gevaar ziende, had nu na eenige moeite zijn
zwaard toch nog uit de scheede gekregen en het manmoedig zwaaiend, liep
hij statig naar den wagen, waar zijn drie koks waren vastgebonden,
sneed ze met het zwaard los en beval hen, hem te volgen en wèl op te
letten, opdat later hun heldendicht geen leemten zou aanwijzen. De vier
stormden nu naar den wagen waar de kogelronde Alkmeersche kazen bewaard
lagen en terwijl de roovers, in vereeniging met de zeeschuimers, die
hoe ook weldoorvoed, hun ouden aard voelden bovenkomen nu er te rooven
viel, en zich niet kunnend bedwingen en werkloos toezien, de andere
wagens plunderden, juichend over zulk een rijken buit, om Fridbold
riepen, die wanhopig vocht tegen de vier verraders in ’t eike-loover,
gaf koning Gise waardig en koen zijn bevelen aan zijn drie trouwe koks,
die hij de kazen met kracht liet werpen naar de roovers. Deze, zich
eerst bedreigd meenend, maar nu den dikken koning ziende die met zijn
drie dikke koks de kazen uit den wagen wierp, zonder iemand te treffen,
begonnen te lachen, werden overmoedig, bevalen de deerntjes van koning
Mise nader te treden, zetten de wijnzakken aan den mond en begonnen een
groot drinkgelag, daar Fridbold de hoofdman nog altijd niet verschenen
was en hierdoor alle tucht bij zijn gezellen ontbrak. Maar toen de
beschonken roovers zich aan de deerntjes wilden vergrijpen begonnen de
schuimers, die ook braaf mede gedronken hadden, zich te verzetten en
weldra waren de roovers en de schuimers met elkaar aan ’t bakkelaaien,
terwijl de deerntjes, gillend en ontdaan, naar den wagen van koning
Gise kwamen loopen en hem smeekten om bescherming.
De koning liet zich daarom op den kaaswagen hijschen en zijn zwaard met
de punt in een kaas stekend, daarna met kracht het zwaard door de lucht
zwierend naar de zijde van de bakkelaaiers, suisde de kaas met een
vaart door de lucht, viel te midden van de troep neer en raakte een
roover zoo op ’t achterhoofd, dat de man bewusteloos neerviel. Een
tweede kaas, door den grooten koning Gise op dezelfde wijze
weggeslingerd, trof een zeeschuimer voor den neus, zoodat de man een
gil van pijn uitend, bloedend neerzeeg.
Nu eerst bemerkten schuimers en roovers den nieuwen vijand en wilden
vereenigd op koning Gise aanvallen, die zijn zwaard met een kaas op de
punt vooruitgestoken, gereed om weder te slingeren, dapper stand hield.
De drie koks echter, niet weinig verstoord dat de Alkmeersche kazen zoo
maar werden weggeslingerd, ten prooi aan rooversgespuis, want eenige
roovers, die achteraf stonden, hadden de twee door koning Gise geworpen
kazen opgeraapt en sneden er met hun messen hompen van af, die zij
opschrokten, smeekten hun koning aan de keuken te denken.
„Zijn dat dichters, die zulks zeggen?” vroeg de koning verontwaardigd.
„Neen—koks!” antwoordde Hamm.
„Dan hebt du gelijk!” erkende de koning en de kaas van de punt zijns
zwaards nemend, reikte hij haar Hamm over. Dit nu verbitterde de
roovers, die toe kwamen stormen onder ’t geroep van: „Hier de
kazen!—Wij moeten de kazen hebben!”
Nu week koning Gise en zijn drie koks weer terug in den kaas-wagen. De
roovers klommen ook op den wagen en wilden den koning te lijf, toen zij
iets ontdekten, dat hun allen terug deed afdeinzen.
Op de bok van den wagen stond een gouden kooi en daarin zat een grooten
vogel, maar zoo vreemd van pluim en veer als nog nooit gezien was. Hij
had een grijzen kop, een purper lichaam en een blauwen staart.
„Dat is een betooverde boschgeest!” riep koning Gise, toen een der
roovers naderde. Deze, moediger dan de anderen, wilde zijn hand in de
kooi steken om den vogel te grijpen. Doch de vogel gaf een flinke beet
in de hand van den roover, zoodat deze terugweek. Maar een doodsschrik
beving hem, toen de betooverde boschgeest zijn bek bewoog en duidelijk
verneembaar zei: „Grendeldebliksem... hangen zal je!”
De roover sprong met een zet van den wagen, zwikte zijn voet op een der
kazen, die op den grond lagen en nu hinkend van pijn, zoo snel hij kon
wegstrompelend, riep hij: „Vlucht, vlucht, vlucht! De boschgeest is
los!...”
De vogel, was door de geopende kooi ontsnapt en op den rand der wagen
gaan zitten, gestadig herhalend: „Grendeldebliksem... hangen zal je!”
De andere roovers op den wagen vluchtten nu ook en die beneden stonden
en ver bij ’t bosch, ziende hoe hun spietsgezellen in wilden vlucht
kwamen aanstormen, hun hoofdman nog steeds niet bemerkend, vermoedend
dat alles verloren was, begonnen ’t ook op een loopen te zetten en de
vlucht was nu algemeen.
Koning Gise, met uitgetrokken zwaard gevolgd door de drie koks, die hem
van zijn dolzinnig plan, alléén de roovers te vervolgen wilden
weerhouden, stortte de vluchtenden na, die omkijkend, de vier mannen
kloek op zich ziende aanstormen, in radeloozen vaart, voorwaarts
renden. Een enkele, door ’t ongewone wijngenot, zwaar ter been, viel
spoedig neer en koning Gise dezen naderend, hief zijn zwaard op en
beval zijn drie koks, wel op deze houding te letten ter wille van de
nauwkeurigheid van het heldendicht.
Hall, vol geestdrift door dit dapper bedrijf sprak:
Held Gise vocht er fier als vechtersbaas,
Hij spaarde ’s vijands bloed en d’ eigen kaas.
Waarop Hamm sprak:
Toen koning Gise was in ’t grootst gevaar,
Zag men de roovers rollen met elkaar,
En Hann besloot:
Reeds raakt ’s lands lot beslist, toen drâ het neemt een draai,
Daar ’t rooversrot verschrikt, vlucht voor een papegaai.
Koning Gise, in stede van den beschonken roover te doorsteken, sloeg
met het plat van zijn zwaard de maat bij deze sproken, doch zoo
manmoedig en van krijgsvuur bezield, dat de roover, zijn handen aan ’t
murw geslagen achterdeel brengend, ontnuchterd door de pijn en de
smart, om genade smeekte.
„Genade schenk ik!” zei koning Gise grootmoedig, „maar behoud deze
herinnering.” Zich nu keerend tot zijn koks, zeide de edele koning:
„Alzoo moest de maat worden geslagen, op elken dichter, die geen maat
weet te houden!” En de drie koks, keken beangst, wel wetend dat het
heldendicht, dat zij zouden te maken hebben, streng door den koning zou
worden beoordeeld en dat hun een zelfde straf wachtte, indien zij
zondigden tegen de maat en de geboden van de alliteratie.
De zeeschuimers, de overwinning van Koning Gise ziend, begonnen
inderhaast al de uit de wagens geworpen schatten weder op te laden en
de deerntjes legden onder leiding der drie koks de kazen weder op
stapels zoo netjes, als men ze op de markt te Alkmeer aan ’t meer Flevo
niet schooner en sierlijker gestapeld zou kunnen zien.
Tijdens deze bedreven was er op den eik waar Koning Mise en zijn drie
dichters zich tegen den aanval van Fridbold verdedigden, wat
vreeselijks gebeurd. Mise en zijn drie dichters, wijkend voor Fridbold,
waren steeds hooger in den eik geklommen. Maar boven in den boom werden
de takken fijner en dunner en ten laatste konden zij niet verder,
zonder gevaar te loopen, dat de takken zouden breken en zij naar
beneden zouden storten. Nu eerst leerden zij de voordeelen van de
magere keuken huns heers waardeeren, want indien zij zoo verachtelijk
dik waren geweest als de drie koks van Koning Gise, zouden zij zeker
reeds veel vroeger uit den boom zijn gestort. Thans echter werden zij
door hun licht gewicht gered, want Sigbold, hun steeds volgend, bedacht
niet, dat dezelfde tak, die den mageren Koning en zijn magerder
dichters nog droeg, zijn gewicht niet kon torschen. Zoo dan brak een
tak boven in den top, de rooverhoofdman viel naar beneden en van tak op
tak stortend, greep hij zich ten laatste eerst aan den ondersten vast
en zeker zou hij zijn leven gered hebben, ware het niet, dat juist op
dezen tak Koning Mise een deel van zijn gevoegsel had achtergelaten. De
gladheid maakte den rooverhoofdman ’t onmogelijk zich vast te klemmen
met zijn handen, die losgleden en met den kreet: „Verrader!” stortte
hij nu op den grond en bleef dood liggen in een hoop drek.
Dat was het einde van Fridbold, den rooverhoofdman, eens gevreesd als
woudkoning, thans verlaten en ellendig, roemloos gestorven, overwonnen
niet door den saks of de speer of den aakst maar door verradelijk
gevoegsel.
Toen nu Koning Gise bij het lijk stond en er geen gevaar meer te
duchten was, kwam Koning Mise langzaam naar beneden gekropen, gevolgd
door zijn drie dichters.
„Hoe heb ik dien neergeveld?” vroeg Koning Mise, de slip van zijn grauw
overkleed met een beweging niet zonder waardigheid, zoo om de heup
slaande, dat een gele en kwalijk riekende vlek verborgen werd.
„Hebt di dat gedaan?” vroeg Koning Gise.
„Ik en mijn drie getrouwen.”
Koning Gise keek naar den eik, langs welks stam Pill, Pimm en Pinn zich
onder elkaar langzaam lieten afglijden. Doch minder gevat dan hun heer
en vreezend, dat nu de gerechte wraak hun zou treffen, begonnen zij,
zoodra zij den voet op den vasten grond hadden, met zulk een vaart weg
te rennen, dat zij zelfs den terugroep van Koning Gise niet hoorden,
die in de meening, dat zij de gevluchte roovers wilden achtervolgen,
hun van het overbodige dezer heldhaftige poging meende te moeten
overtuigen, door de verzekering, dat de roovers reeds te ver weg waren.
Het was onderwijl laat geworden en na de veelbewogen stonden had Koning
Gise honger. Dankbaar voor de hulp die Koning Mise hem verleend had,
noodigde hij deze aan zijn tafel uit, tevens echter zich er op
beroemend, dat zijn drie koks een heldendicht zouden maken, zoo lang en
zoo schoon, zuiver in de maat en rijk aan alliteratie, dat tot in het
verre nageslacht gesproken zou worden van den heldhaftigen strijd van
Koning Gise tegen den vervaarlijken roover Fridbold en zijn gezellen.
Pill, Pinn en Pimm, uit de verte bemerkend, dat de disschen aangerecht
werden, slopen weder nader. Nu vernamen zij het kloekmoedig gedrag van
Koning Gise en om niet voor de drie koks onder te doen, vroegen zij
Koning Mise verlof een dierenfabel te mogen dichten op het manhaftig
bedrijf van Koning Mise, den grooten held, die den gruwelijken roover
Fridbold had in ’t zand doen bijten.
„In ’t zand?” vroeg Koning Mise en keek naar het lijk van den roover
aan zijn voeten en diens nog altijd besmeerd aangezicht.
Dien avond eindigde vroolijk en Pill sprak ten slotte:
Wie snoerden lang de gordels toe,
Tot redding kwam door kaka-toe?