HOOFDSTUK IX.

De Koning der Nerviërs, terugkeerend van een nieuwe rooftocht naar ’t

Paarden-eiland, was door zeegeesten vervolgd, die zijn schepen met

golven stukbeukten zoodat allen vergingen, behalve één kleine skig, die

ontredderd naar de kust dreef en welks bemanning het bericht van den

ondergang van de prachtige vloot met haar rijke buit overbracht. De

droefheid was groot in zijn rijk en het Ding kwam bijeen om zijn

opvolger te benoemen. Het was bekend, dat de verdronken vorst een zoon

had gehad, die nu op den troon zou verheven worden, maar niemand wist,

waar Sogol zich bevond.

Tweemaal werden herauten door het land gezonden, die in de gemeenten de

lieden opriepen, die inlichtingen konden geven omtrent het verblijf van

Sogol. Maar zij keerden zonder bericht terug. Niemand wist Sogol’s

verblijfplaats en er begonnen geruchten te loopen, dat hij evenals zijn

moeder, en vader, verdronken was. Die geruchten werden slinks verbreid

en gesteund door Kundric, den hertog die, zoo Sogol niet verscheen, tot

Koning zou worden uitgeroepen. Maar Kundric had een vijand, den

priester Myst, die altoos een heilige vereering had bewaard voor Spûr

en vol had gehouden, dat zij geen tooverkol maar een brave, vroede

vrouw was geweest, door den haat van slechte priesters vervolgd. Hij

brandde telken jare van acht dagen vóór, tot acht dagen na den sterfdag

van Spûr, een lichtje voor haar zieleheil en nu de Koning gestorven

was, besloot hij zelf den reisstaf ter hand te nemen om Sogol te gaan

zoeken. Hij nam een jachthoren mede en zou daarop in de streken waar

hij Sogol hoopte te vinden, de wijsjes blazen, die in het land der

Nerviërs door alle kinderen gezongen worden. Op deze wijze zonden

Nerviërs, die in vreemde gouwen huisden toe komen loopen, begeerig om

nieuws uit ’t geboorte-land te vernemen en Myst zou dan hun kunnen

vragen, of zij Sogol kenden en wisten waar hij zich thans bevond.

Zoo begon hij zijn tocht en liep in de richting van het land Renigo,

omdat de groote trek der lieden, die wat zochten of wenschten, daarheen

was. In zijn lange, grijze pij, barrevoets en blootshoofd, steunend op

den langen staf met een aarden drinkkruikje er boven aan vastgebonden,

zijn lange, witte baard tot over zijn borst neerhangend en aan een riem

terzijde zijn jachthoren dragend, liep hij langs de wegen, van oord tot

oord, blazend de wijsjes en als priester overal door priesters gastvrij

ontvangen, van inlichtingen omtrent den te volgen weg voorzien en vaak

wel, wanneer de wegen gevaarlijk waren wegens roofdieren, begeleid door

jonge lieden, die gaarne de gunst van een priester wilden verwerven of

hun moed wilden toonen. Maar in de lente was hij op reis gegaan en nu

liep het al tegen den derden herfst en nog altijd had hij Sogol niet

gevonden. De oude man raakte vermoeid en dikwerf ook moest hij bij

gastvrije lieden dagen neerliggen omdat zijn voeten doorgeloopen waren

of de ruwe winden hem het ademhalen moeielijk maakten. Koppig hield hij

echter vol. Maar nu kwam een tegenspoed, die hij moeielijk te boven kon

komen. Hij had, door het blazen, zijn longen te veel vermoeid en

dikwijls als hij zijn wijsjes had getoeterd, voelde hij steken op de

borst en moest langen tijd rusten. Hij begon asthmatisch te worden,

kreeg benauwde hoestbuien en soms, midden in een wijsje, moest hij den

horen van den mond zetten, door steken in de borst en hoestbuien

daartoe gedwongen.

Daarom nam hij een jongeling in zijn dienst, een flinken borst, zoon

van een Nerviër, die zijn vrouw en zijn kinderen verdobbeld had. Hij

beloofde den jongeling vrij te zullen maken, wanneer hij goed diende en

leerde hem op den horen blazen. De knaap oefende zich vlijtig en weldra

blies hij zoo mooi, dat Myst zelf met genoegen er naar luisterde en

erkende, dat de leerling den meester overtrof. Toen zij in Lagdun

waren, de groote Dingplaats aan den Rîn, liet hij Haun, zoo was de naam

van den jongeling, blazen voor den Dingher, die toezicht hield op het

Dingveld en de woonhutten daaromheen, bestemd voor Dinglieden, die van

verre kwamen en moesten overnachten. Deze Dingher, die zelf als

horenblazer beroemd was, en die de Dinglieden door signalen bij elkaar

blies en de verst staanden door horenstooten inlichtte, omtrent den

uitslag der stemmingen op het Ding, was zoo ingenomen met Haun’s

talent, dat hij hem als leerling wilde aannemen en daar Lagdun groot

was en uitgestrekt en Myst hier lang moest blijven om naar Sogol te

vragen, kreeg Haun lessen. Hij leerde op den kleinen horen spelen en

daarna samen met zijn leermeester. En als dan de Dingher op den grooten

horen de wijs aangaf, blies Haun naar zijn ingeving de onder-wijs met

de loovers, de ranken, de nimfenstemmen en de koboldenstemmen. Het

geheele Dingveld stond vol lieden, die luisterden naar de schoone

muziek en daar bekend was geworden, dat Haun’s zusters, broers en

moeder verdobbeld waren, wierpen de voorname mannen en vrouwen bronzen

knoopen en agrafen en zelfs stukken barnsteen voor de voeten van den

kleinen muzikant, opdat hij vaders schuld zou kunnen delgen.

Toen Myst, die al weder zonder gevolg, Lagdun had rond gezocht naar

Sogol, zijn beschermeling weder medenam, belovend later den jongen bij

den Dingher te zullen terug brengen, weende de Dingher bij ’t afscheid

en ook vrouwen en maagden en zelfs mannen schreiden, zoo lief hadden

zij den horenblazer gekregen. Daarom nam hij, bij den kruisweg nogmaals

zijn horen, nu alleen, en blies een geheel nieuwe wijs, die niemand nog

ooit gehoord had, een wijs van zoete, droeve tonen met fijne, klagende

geluiden er tusschen en heel op ’t eind stak hij, hetgeen nog nooit te

voren vertoond was, zijn vuist in de opening van den horen, zoodat de

schal gedempt werd en het klonk toen alsof de horen zachtjes weeklaagde

en de toon teeder verstierf.

Toen zij door het bosch trokken, stroomafwaarts vroeg Myst den

jongeling, waar hij die wijs geleerd had en wie hem gezegd had, dat men

door zijn vuist in den horen te steken, den schal kon dempen.

De jongeling dacht na en wist niet wat te antwoorden. Eindelijk zei

hij, dat hij ’t niet wist. Het was zoo in hem opgekomen, terwijl hij

speelde en zich dankbaar voelde, nu de lieden zoo mild waren geweest.

„Dan is het een ingeving van de goede goden geweest, knaap!” zei Myst

ernstig.

Wanneer nu onderweg de grijsaard vermoeid raakte, rusten moest en weder

last had van kortademigheid en hoestmiddelen, dan ging Haun naast hem

zitten, gaf hem te drinken en speelde om zich te oefenen en te vermeien

op zijn horen. De priester luisterde toe en vaak speelde Haun zoo mooi,

dat de oude man vermoeienis en borstpijn vergat, zoo was hij door de

muziek verkwikt. Het gebeurde ook eens, dat Haun spelend, plotseling

verschrikt werd door een gedruisch in het lage hout. Hij meende, dat

het een boschgeest was, die luisteren kwam en blies nu, hoewel zijn

hart klopte, met nog diepere tonen en teederder ranken en loovers. Hij

zag hoe in ’t hout de boschgeest opstond en met genoegen luisterde.

Myst, die een eind achter was gebleven, kwam nu nader en ook hij zag de

bewegingen van den grooten boschgeest, die achter het hout schaduwde.

Zoolang leefde de oude priester, en zoovele bosschen had hij doorkruist

en nog nooit had hij een boschgeest gezien, zoodat wel eens heel diep

in zijn gemoed hij aan hun bestaan had getwijfeld. Doch die twijfel had

hij zichzelf niet durven te bekennen en dubbel aandachtig daarna de

lofgebeden opgezegd.

En nu was hij er blijde om, want stond daar in de schaduw niet een

zichtbaren boschgeest en zoowaar op de wijs van den horen, begon hij nu

trampelend te dansen.

„Speel door mijn jongen, speel door!” riep hij, verrukt.

Daar ging het loover uiteen en nu, terwijl zijn hart beefde van

ontzetting, stapte de boschgeest naar voren... Myst week terug, neen

het was geen boschgeest, ook dit keer niet, maar een groote bruine

beer, die staande op de achterpooten, her en der waggelend met het

zware lijf, danste naar de maat van de horenwijs.

Toen Haun verschrikt ophield, liet het dier zich op de voorpooten

vallen en scheen geduldig te wachten op een nieuwe wijs.

Haun keek den ouden priester vragend aan.

„Blaas jongen, blaas!” riep deze.

Haun zette den horen weder aan den mond en hoewel nu zijn tanden

klapperden, blies hij toch een wijs en weer ging de beer op de

achterpooten staan en danste opnieuw.

Nu liep Myst zachtjes vooruit en beval Haun hem altoosdoor blazend, te

volgen. Achter hen aan, dansend op de achterpooten, volgde de beer hem

en toen Haun, bevangen van schrik, niet verder kon blazen, volgde de

beer hem op de vier pooten, haastte zich naar de twee toe te komen,

doch in plaats van hun leed te doen, streek hij zijn ruigen kop tegen

de pij van den grijsaard en liep als een hond mede.

„Het zal een betooverde zijn,” zei de priester. In hem kwam een vreemde

gedachte. Was dit wellicht Sogol, betooverd door den een of anderen kol

of misschien, misschien, misschien.... wel door zijn eigen moeder? Was

zij dan toch werkelijk een kol geweest?

Myst, hoewel vermoeid en kortademig wilde het beproeven. Hij zette zijn

horen aan den mond en blies het oude Nervische wijsje, waarbij de

kinderen zingen:

Ais winde side,

’s Ander schnätzlet Chride,

’s Dritt schnidet Haberstrau,

B’huet mer Wôt nûs Chindli au. [8]

De beer bleef, de tong uit den muil, toehooren en scheen niet te

begrijpen. Maar heel, heel van verre, daar was het of hetzelfde wijsje

werd herhaald en toen.... heel veel zachter nog eens en daarop alleen

de laatste tonen weer...

„Hoordet di dat?” vroeg de jongen, die met zijn scherp gehoor, ’t nog

duidelijker had vernomen, dan Myst.

„Hoordet di dat ook?” vroeg de grijsaard, die meende, dat hij droomde.

„Of ik.”

„En wat hoordet di dan?”

„Ik hoorde dat wijsje tweemaal en nog een derde maal half.”

„Blaas jongen, blaas.... ’t zelfde wijske.”

Maar nu Haun blies, hoorden zij geen antwoord of geen herhaling.

De grijsaard zette den horen aan den mond, maar hij kon niet blazen,

werd door een hevigen hoestbui overvallen. Toen, o vreemd wonder,

hoestte er daar ook een in de verte en nogmaals en een derde maal....

Haun begon van angst te schreien.

„Meester, meester, wij zijn in een betooverd woud verdwaald. Laat ons

weer teruggaan, naar den Dingher!”

Maar de grijsaard, moedig en verlangend echte tooverij te ontdekken,

hij die zijn leven lang daarop gehoopt had, antwoordde:

„Neen mijn jongen. Wij gaan verder!”

Hij liep met groote schreden vooruit en Haun, bevreesd voor de tooverij

vóór zich en den grooten beer achter hem, die als een hond volgde,

drong zich tegen den ouden man.

„Kom, mijn jongen. Wat? Heb-di angst? Een goed mensch vreest niet.”

Toen zij een ver eind weegs waren voortgeloopen werd het struikgewas

dichter, maar er waren toch smalle paadjes en den ouden man zag wel,

dat deze wildernis zekerlijk bewoond moest zijn. Want er lag op enkele

plaatsen menschendrek en er waren zwakke sporen van menschenvoeten en

zelfs vond hij een hertelans, die zeker geworpen was en niet

teruggevonden. Een breeder pad, zéér platgetreden, herkende hij

dadelijk als het pad van wouddieren, die naar een bron gaan. Hij volgde

het pad en stond weldra dicht bij de bron, een kristalheldere gröhl,

die daar midden in de wildernis kwam opwellen.

De beer liep hun nu wat vooruit, boog zijn kop over den rand en begon

te drinken.

De grijsaard bond zijn kruikje los aan den staf en stak het vooruit, om

’t vol water te laten loopen. Zoodra de beer de beweging van den stok

merkte, zette hij zich met een sprong over den welbron en kroop van de

overzijde, zichtbaar bevreesd geslagen te worden, in elkaar, naar de

gewoonte van dieren, die veel getuchtigd worden en door inelkaar te

krimpen, de slagen minder voelen en het mededoogen van den tuchtiger

afsmeeken.

„Ziet eens, ziet eens!” riep Haun verwonderd. „Hij is bang!”

„Dat is geen tooverij!” zei de grijsaard, teleurgesteld. „Dat beest

behoort bij menschen. Dat is geen wilde beer....”

Nadat hij en de jongen het kruikje leeg hadden gedronken, zeide de

priester:

„Wilt di nu nog eens blazen?” En wat plagend: „Of bent di nog bang?”

„Neen meester.... niet meer.... Ik wil zoo moedig worden als du....”

„Braaf zoo, knaap.... En nu blaas....”

Haun zette den horen aan zijn mond en begon weer ’t wijsje:

Ais winde side....

Maar toen hij geëindigd had, schalden de laatste tonen weg, zonder dat

ze de herhaling hoorden.

„Ik zal weer blazen!” zei de grijsaard. Hij nam zijn horen en blies.

Haar ook nu schalde geen antwoord. Hij riep.... maar de schal domde dof

weg in ’t woud.

„Hoorde di niets?” vroeg de priester.

„Neen.... nu niet!”

„Gansch en al niets?”

„Neen, meester.”

„Vreemd.... dat is hier toch niet zûver, jóng. Iets moet er hier zijn.

Maar wat?”

„Roep nog eens jong.... maar hard!”

„Wat zal ik roepen meester?”

„Wat du wilt. Al was ’t den nieuwen Koning der Nerviërs, dien ik zoek.”

„Sogol?”

„Ja.... Sogol. Krijt op!”....

Haun zette de handen aan den mond en riep met lange halen: So....

gòl.... So.... gòòòlll....

Hij zweeg opeens.... Keek zijn meester verschrikt aan. De beer was met

zijn kop op den grond gaan liggen, wentelde zich op zijn rug en toonde

zichtbare teekenen van grooten angst. En mèt daar sprong een wildeman

naar voren en pakte het beest bij de keel....

Haun, zonder na te denken, wierp zijn horen weg en vluchtte.... De oude

priester, ontzet, wilde den jongen volgen, maar het verschijnen van den

wildeman boeide hem te zeer, zoodat de vrees werd teruggedrongen door

zijn weetgierigheid.

Hij zag den wildeman, die den beer met een dikken knods tuchtigde, dat

het dier gromde van pijn. Toen bond de wildeman den beer een riem om

den muil, zoodat deze niet meer geopend kon worden. Daarna wierp hij

hem een andere riem om den nek en ’t eene einde vastleggend aan een

boomstronk, bond hij den beer vast.

Nu eerst keek de wildeman op en den rijzigen grijsaard ontwarend in

zijn pij, blootshoofd en barrevoets, met den reisstaf in de hand, zag

hij hem met verbazing aan en vroeg, in de taal der Nerviërs:

„Wat zoekt di?”

De priester begreep onmiddellijk. En op de knie vallend en zich

bukkend, het hoofd alleen opwaarts, zoodat de baard waaierend

uitgespreid lag op den bodem, zei hij:

„Sogol, zoon des konings, ik kom u roepen naar uw land.”

Met een sprong was de wildeman over de gröhl bij den priester en deze

omhelzend en hem zacht optillend riep hij:

„Is het waar? Is het waar? Zijt di het? Myst.... meester Myst... de

vriend van moeder?...

„Ik ben het!” antwoordde de priester bewogen, nu Sogol omhelzend en hem

kussend op mond en wangen.

„En waar toeft vader?” vroeg Sogol.

„In Walhalla...”

„Is hij dood?”

„De zeegeest verslond hem en zijn skig, toen hij terugkeerde van het

Paarden-eiland. Nu is het dijn beurt om te regeeren... Het Ding wacht

op dijn komst.”

Haun was weer naderbij gekomen en hoorde de twee spreken.

„Dit is mijn jonge leerling,” zeide Myst. „Hij heeft zich wèl

gedragen... al was hij wat bang voor den beer.... niet?”

Haun zag verwonderd naar den beer, die als een waakhond vastgelegd aan

den boomstronk met sluwe, kleine oogen keek naar de vreemden.

„Dat is mijn gezel,” zei Sogol. „Ik heb hem jong medegenomen uit zijn

hol, waar de moer was verrekt en hem een hond gelijk gemaakt. Maar hij

wordt al wat ouder en zoekt zijn vrijheid...”

„Het staat kwalijk met mij prins. Als du gekozen zijt, zal ik dijn

vader spoedig opzoeken om hem het nieuws te melden....”

„Komt mede meester... en du ook, knaap. Ik heb in mijn hut versch

wildbraad, vruchten, honig en voor du meester een kruid, dat de

hoest-kramp stilt... Zoo gauw als du vreest, zult di mij niet

verlaten...”

Hij liep vooruit, bond den beer los en trok hem aan de lijn mede. De

grijsaard en de knaap volgden zwijgend.

Germania(#73888) · 第 12 / 44 题