De Koning der Nerviërs, terugkeerend van een nieuwe rooftocht naar ’t
Paarden-eiland, was door zeegeesten vervolgd, die zijn schepen met
golven stukbeukten zoodat allen vergingen, behalve één kleine skig, die
ontredderd naar de kust dreef en welks bemanning het bericht van den
ondergang van de prachtige vloot met haar rijke buit overbracht. De
droefheid was groot in zijn rijk en het Ding kwam bijeen om zijn
opvolger te benoemen. Het was bekend, dat de verdronken vorst een zoon
had gehad, die nu op den troon zou verheven worden, maar niemand wist,
waar Sogol zich bevond.
Tweemaal werden herauten door het land gezonden, die in de gemeenten de
lieden opriepen, die inlichtingen konden geven omtrent het verblijf van
Sogol. Maar zij keerden zonder bericht terug. Niemand wist Sogol’s
verblijfplaats en er begonnen geruchten te loopen, dat hij evenals zijn
moeder, en vader, verdronken was. Die geruchten werden slinks verbreid
en gesteund door Kundric, den hertog die, zoo Sogol niet verscheen, tot
Koning zou worden uitgeroepen. Maar Kundric had een vijand, den
priester Myst, die altoos een heilige vereering had bewaard voor Spûr
en vol had gehouden, dat zij geen tooverkol maar een brave, vroede
vrouw was geweest, door den haat van slechte priesters vervolgd. Hij
brandde telken jare van acht dagen vóór, tot acht dagen na den sterfdag
van Spûr, een lichtje voor haar zieleheil en nu de Koning gestorven
was, besloot hij zelf den reisstaf ter hand te nemen om Sogol te gaan
zoeken. Hij nam een jachthoren mede en zou daarop in de streken waar
hij Sogol hoopte te vinden, de wijsjes blazen, die in het land der
Nerviërs door alle kinderen gezongen worden. Op deze wijze zonden
Nerviërs, die in vreemde gouwen huisden toe komen loopen, begeerig om
nieuws uit ’t geboorte-land te vernemen en Myst zou dan hun kunnen
vragen, of zij Sogol kenden en wisten waar hij zich thans bevond.
Zoo begon hij zijn tocht en liep in de richting van het land Renigo,
omdat de groote trek der lieden, die wat zochten of wenschten, daarheen
was. In zijn lange, grijze pij, barrevoets en blootshoofd, steunend op
den langen staf met een aarden drinkkruikje er boven aan vastgebonden,
zijn lange, witte baard tot over zijn borst neerhangend en aan een riem
terzijde zijn jachthoren dragend, liep hij langs de wegen, van oord tot
oord, blazend de wijsjes en als priester overal door priesters gastvrij
ontvangen, van inlichtingen omtrent den te volgen weg voorzien en vaak
wel, wanneer de wegen gevaarlijk waren wegens roofdieren, begeleid door
jonge lieden, die gaarne de gunst van een priester wilden verwerven of
hun moed wilden toonen. Maar in de lente was hij op reis gegaan en nu
liep het al tegen den derden herfst en nog altijd had hij Sogol niet
gevonden. De oude man raakte vermoeid en dikwerf ook moest hij bij
gastvrije lieden dagen neerliggen omdat zijn voeten doorgeloopen waren
of de ruwe winden hem het ademhalen moeielijk maakten. Koppig hield hij
echter vol. Maar nu kwam een tegenspoed, die hij moeielijk te boven kon
komen. Hij had, door het blazen, zijn longen te veel vermoeid en
dikwijls als hij zijn wijsjes had getoeterd, voelde hij steken op de
borst en moest langen tijd rusten. Hij begon asthmatisch te worden,
kreeg benauwde hoestbuien en soms, midden in een wijsje, moest hij den
horen van den mond zetten, door steken in de borst en hoestbuien
daartoe gedwongen.
Daarom nam hij een jongeling in zijn dienst, een flinken borst, zoon
van een Nerviër, die zijn vrouw en zijn kinderen verdobbeld had. Hij
beloofde den jongeling vrij te zullen maken, wanneer hij goed diende en
leerde hem op den horen blazen. De knaap oefende zich vlijtig en weldra
blies hij zoo mooi, dat Myst zelf met genoegen er naar luisterde en
erkende, dat de leerling den meester overtrof. Toen zij in Lagdun
waren, de groote Dingplaats aan den Rîn, liet hij Haun, zoo was de naam
van den jongeling, blazen voor den Dingher, die toezicht hield op het
Dingveld en de woonhutten daaromheen, bestemd voor Dinglieden, die van
verre kwamen en moesten overnachten. Deze Dingher, die zelf als
horenblazer beroemd was, en die de Dinglieden door signalen bij elkaar
blies en de verst staanden door horenstooten inlichtte, omtrent den
uitslag der stemmingen op het Ding, was zoo ingenomen met Haun’s
talent, dat hij hem als leerling wilde aannemen en daar Lagdun groot
was en uitgestrekt en Myst hier lang moest blijven om naar Sogol te
vragen, kreeg Haun lessen. Hij leerde op den kleinen horen spelen en
daarna samen met zijn leermeester. En als dan de Dingher op den grooten
horen de wijs aangaf, blies Haun naar zijn ingeving de onder-wijs met
de loovers, de ranken, de nimfenstemmen en de koboldenstemmen. Het
geheele Dingveld stond vol lieden, die luisterden naar de schoone
muziek en daar bekend was geworden, dat Haun’s zusters, broers en
moeder verdobbeld waren, wierpen de voorname mannen en vrouwen bronzen
knoopen en agrafen en zelfs stukken barnsteen voor de voeten van den
kleinen muzikant, opdat hij vaders schuld zou kunnen delgen.
Toen Myst, die al weder zonder gevolg, Lagdun had rond gezocht naar
Sogol, zijn beschermeling weder medenam, belovend later den jongen bij
den Dingher te zullen terug brengen, weende de Dingher bij ’t afscheid
en ook vrouwen en maagden en zelfs mannen schreiden, zoo lief hadden
zij den horenblazer gekregen. Daarom nam hij, bij den kruisweg nogmaals
zijn horen, nu alleen, en blies een geheel nieuwe wijs, die niemand nog
ooit gehoord had, een wijs van zoete, droeve tonen met fijne, klagende
geluiden er tusschen en heel op ’t eind stak hij, hetgeen nog nooit te
voren vertoond was, zijn vuist in de opening van den horen, zoodat de
schal gedempt werd en het klonk toen alsof de horen zachtjes weeklaagde
en de toon teeder verstierf.
Toen zij door het bosch trokken, stroomafwaarts vroeg Myst den
jongeling, waar hij die wijs geleerd had en wie hem gezegd had, dat men
door zijn vuist in den horen te steken, den schal kon dempen.
De jongeling dacht na en wist niet wat te antwoorden. Eindelijk zei
hij, dat hij ’t niet wist. Het was zoo in hem opgekomen, terwijl hij
speelde en zich dankbaar voelde, nu de lieden zoo mild waren geweest.
„Dan is het een ingeving van de goede goden geweest, knaap!” zei Myst
ernstig.
Wanneer nu onderweg de grijsaard vermoeid raakte, rusten moest en weder
last had van kortademigheid en hoestmiddelen, dan ging Haun naast hem
zitten, gaf hem te drinken en speelde om zich te oefenen en te vermeien
op zijn horen. De priester luisterde toe en vaak speelde Haun zoo mooi,
dat de oude man vermoeienis en borstpijn vergat, zoo was hij door de
muziek verkwikt. Het gebeurde ook eens, dat Haun spelend, plotseling
verschrikt werd door een gedruisch in het lage hout. Hij meende, dat
het een boschgeest was, die luisteren kwam en blies nu, hoewel zijn
hart klopte, met nog diepere tonen en teederder ranken en loovers. Hij
zag hoe in ’t hout de boschgeest opstond en met genoegen luisterde.
Myst, die een eind achter was gebleven, kwam nu nader en ook hij zag de
bewegingen van den grooten boschgeest, die achter het hout schaduwde.
Zoolang leefde de oude priester, en zoovele bosschen had hij doorkruist
en nog nooit had hij een boschgeest gezien, zoodat wel eens heel diep
in zijn gemoed hij aan hun bestaan had getwijfeld. Doch die twijfel had
hij zichzelf niet durven te bekennen en dubbel aandachtig daarna de
lofgebeden opgezegd.
En nu was hij er blijde om, want stond daar in de schaduw niet een
zichtbaren boschgeest en zoowaar op de wijs van den horen, begon hij nu
trampelend te dansen.
„Speel door mijn jongen, speel door!” riep hij, verrukt.
Daar ging het loover uiteen en nu, terwijl zijn hart beefde van
ontzetting, stapte de boschgeest naar voren... Myst week terug, neen
het was geen boschgeest, ook dit keer niet, maar een groote bruine
beer, die staande op de achterpooten, her en der waggelend met het
zware lijf, danste naar de maat van de horenwijs.
Toen Haun verschrikt ophield, liet het dier zich op de voorpooten
vallen en scheen geduldig te wachten op een nieuwe wijs.
Haun keek den ouden priester vragend aan.
„Blaas jongen, blaas!” riep deze.
Haun zette den horen weder aan den mond en hoewel nu zijn tanden
klapperden, blies hij toch een wijs en weer ging de beer op de
achterpooten staan en danste opnieuw.
Nu liep Myst zachtjes vooruit en beval Haun hem altoosdoor blazend, te
volgen. Achter hen aan, dansend op de achterpooten, volgde de beer hem
en toen Haun, bevangen van schrik, niet verder kon blazen, volgde de
beer hem op de vier pooten, haastte zich naar de twee toe te komen,
doch in plaats van hun leed te doen, streek hij zijn ruigen kop tegen
de pij van den grijsaard en liep als een hond mede.
„Het zal een betooverde zijn,” zei de priester. In hem kwam een vreemde
gedachte. Was dit wellicht Sogol, betooverd door den een of anderen kol
of misschien, misschien, misschien.... wel door zijn eigen moeder? Was
zij dan toch werkelijk een kol geweest?
Myst, hoewel vermoeid en kortademig wilde het beproeven. Hij zette zijn
horen aan den mond en blies het oude Nervische wijsje, waarbij de
kinderen zingen:
Ais winde side,
’s Ander schnätzlet Chride,
’s Dritt schnidet Haberstrau,
B’huet mer Wôt nûs Chindli au. [8]
De beer bleef, de tong uit den muil, toehooren en scheen niet te
begrijpen. Maar heel, heel van verre, daar was het of hetzelfde wijsje
werd herhaald en toen.... heel veel zachter nog eens en daarop alleen
de laatste tonen weer...
„Hoordet di dat?” vroeg de jongen, die met zijn scherp gehoor, ’t nog
duidelijker had vernomen, dan Myst.
„Hoordet di dat ook?” vroeg de grijsaard, die meende, dat hij droomde.
„Of ik.”
„En wat hoordet di dan?”
„Ik hoorde dat wijsje tweemaal en nog een derde maal half.”
„Blaas jongen, blaas.... ’t zelfde wijske.”
Maar nu Haun blies, hoorden zij geen antwoord of geen herhaling.
De grijsaard zette den horen aan den mond, maar hij kon niet blazen,
werd door een hevigen hoestbui overvallen. Toen, o vreemd wonder,
hoestte er daar ook een in de verte en nogmaals en een derde maal....
Haun begon van angst te schreien.
„Meester, meester, wij zijn in een betooverd woud verdwaald. Laat ons
weer teruggaan, naar den Dingher!”
Maar de grijsaard, moedig en verlangend echte tooverij te ontdekken,
hij die zijn leven lang daarop gehoopt had, antwoordde:
„Neen mijn jongen. Wij gaan verder!”
Hij liep met groote schreden vooruit en Haun, bevreesd voor de tooverij
vóór zich en den grooten beer achter hem, die als een hond volgde,
drong zich tegen den ouden man.
„Kom, mijn jongen. Wat? Heb-di angst? Een goed mensch vreest niet.”
Toen zij een ver eind weegs waren voortgeloopen werd het struikgewas
dichter, maar er waren toch smalle paadjes en den ouden man zag wel,
dat deze wildernis zekerlijk bewoond moest zijn. Want er lag op enkele
plaatsen menschendrek en er waren zwakke sporen van menschenvoeten en
zelfs vond hij een hertelans, die zeker geworpen was en niet
teruggevonden. Een breeder pad, zéér platgetreden, herkende hij
dadelijk als het pad van wouddieren, die naar een bron gaan. Hij volgde
het pad en stond weldra dicht bij de bron, een kristalheldere gröhl,
die daar midden in de wildernis kwam opwellen.
De beer liep hun nu wat vooruit, boog zijn kop over den rand en begon
te drinken.
De grijsaard bond zijn kruikje los aan den staf en stak het vooruit, om
’t vol water te laten loopen. Zoodra de beer de beweging van den stok
merkte, zette hij zich met een sprong over den welbron en kroop van de
overzijde, zichtbaar bevreesd geslagen te worden, in elkaar, naar de
gewoonte van dieren, die veel getuchtigd worden en door inelkaar te
krimpen, de slagen minder voelen en het mededoogen van den tuchtiger
afsmeeken.
„Ziet eens, ziet eens!” riep Haun verwonderd. „Hij is bang!”
„Dat is geen tooverij!” zei de grijsaard, teleurgesteld. „Dat beest
behoort bij menschen. Dat is geen wilde beer....”
Nadat hij en de jongen het kruikje leeg hadden gedronken, zeide de
priester:
„Wilt di nu nog eens blazen?” En wat plagend: „Of bent di nog bang?”
„Neen meester.... niet meer.... Ik wil zoo moedig worden als du....”
„Braaf zoo, knaap.... En nu blaas....”
Haun zette den horen aan zijn mond en begon weer ’t wijsje:
Ais winde side....
Maar toen hij geëindigd had, schalden de laatste tonen weg, zonder dat
ze de herhaling hoorden.
„Ik zal weer blazen!” zei de grijsaard. Hij nam zijn horen en blies.
Haar ook nu schalde geen antwoord. Hij riep.... maar de schal domde dof
weg in ’t woud.
„Hoorde di niets?” vroeg de priester.
„Neen.... nu niet!”
„Gansch en al niets?”
„Neen, meester.”
„Vreemd.... dat is hier toch niet zûver, jóng. Iets moet er hier zijn.
Maar wat?”
„Roep nog eens jong.... maar hard!”
„Wat zal ik roepen meester?”
„Wat du wilt. Al was ’t den nieuwen Koning der Nerviërs, dien ik zoek.”
„Sogol?”
„Ja.... Sogol. Krijt op!”....
Haun zette de handen aan den mond en riep met lange halen: So....
gòl.... So.... gòòòlll....
Hij zweeg opeens.... Keek zijn meester verschrikt aan. De beer was met
zijn kop op den grond gaan liggen, wentelde zich op zijn rug en toonde
zichtbare teekenen van grooten angst. En mèt daar sprong een wildeman
naar voren en pakte het beest bij de keel....
Haun, zonder na te denken, wierp zijn horen weg en vluchtte.... De oude
priester, ontzet, wilde den jongen volgen, maar het verschijnen van den
wildeman boeide hem te zeer, zoodat de vrees werd teruggedrongen door
zijn weetgierigheid.
Hij zag den wildeman, die den beer met een dikken knods tuchtigde, dat
het dier gromde van pijn. Toen bond de wildeman den beer een riem om
den muil, zoodat deze niet meer geopend kon worden. Daarna wierp hij
hem een andere riem om den nek en ’t eene einde vastleggend aan een
boomstronk, bond hij den beer vast.
Nu eerst keek de wildeman op en den rijzigen grijsaard ontwarend in
zijn pij, blootshoofd en barrevoets, met den reisstaf in de hand, zag
hij hem met verbazing aan en vroeg, in de taal der Nerviërs:
„Wat zoekt di?”
De priester begreep onmiddellijk. En op de knie vallend en zich
bukkend, het hoofd alleen opwaarts, zoodat de baard waaierend
uitgespreid lag op den bodem, zei hij:
„Sogol, zoon des konings, ik kom u roepen naar uw land.”
Met een sprong was de wildeman over de gröhl bij den priester en deze
omhelzend en hem zacht optillend riep hij:
„Is het waar? Is het waar? Zijt di het? Myst.... meester Myst... de
vriend van moeder?...
„Ik ben het!” antwoordde de priester bewogen, nu Sogol omhelzend en hem
kussend op mond en wangen.
„En waar toeft vader?” vroeg Sogol.
„In Walhalla...”
„Is hij dood?”
„De zeegeest verslond hem en zijn skig, toen hij terugkeerde van het
Paarden-eiland. Nu is het dijn beurt om te regeeren... Het Ding wacht
op dijn komst.”
Haun was weer naderbij gekomen en hoorde de twee spreken.
„Dit is mijn jonge leerling,” zeide Myst. „Hij heeft zich wèl
gedragen... al was hij wat bang voor den beer.... niet?”
Haun zag verwonderd naar den beer, die als een waakhond vastgelegd aan
den boomstronk met sluwe, kleine oogen keek naar de vreemden.
„Dat is mijn gezel,” zei Sogol. „Ik heb hem jong medegenomen uit zijn
hol, waar de moer was verrekt en hem een hond gelijk gemaakt. Maar hij
wordt al wat ouder en zoekt zijn vrijheid...”
„Het staat kwalijk met mij prins. Als du gekozen zijt, zal ik dijn
vader spoedig opzoeken om hem het nieuws te melden....”
„Komt mede meester... en du ook, knaap. Ik heb in mijn hut versch
wildbraad, vruchten, honig en voor du meester een kruid, dat de
hoest-kramp stilt... Zoo gauw als du vreest, zult di mij niet
verlaten...”
Hij liep vooruit, bond den beer los en trok hem aan de lijn mede. De
grijsaard en de knaap volgden zwijgend.