HOOFDSTUK VIII.

Sigbert, de Batouwer en zijn drie zonen, gesterkt door het vleesch van

’t wilde zwijn, waarvan zij drie dagen hadden gegeten, naderden reeds

de grens van Renigo toen zij zéér vreesden te worden ingehaald door den

hun onbekenden vervolger, prins Istovar, zoon van den Frieschen Koning

Tjilbard, die eveneens verdwaald, de sporen van de vier lieden gevolgd

was van wie hij vermoedde, dat ze ook naar Renigo optrokken. De weg

door het dichte woud was moeielijk vooral voor het hooge ros Zeven, dat

gestadig aan het leidsel gevoerd moest worden en waarvoor telkens de

weg werd opengekapt. Hierdoor vooral gelukte het den prins niet, de

vier lieden in te halen, die geoefende woudloopers, achter elkaar

gingen met gelijkmatige stappen. Ook prins Istovar en zijn groot gevolg

begon gebrek aan leeftocht te krijgen en daar zij hoofdzakelijk moesten

leven, van het wild, dat ze onderweg met pijlen of lansen velden, was

het zeer onaangenaam, dat de vier voorgangers het wild opschrikken.

Maar toen, na een jacht op een wild zwijn, dat ontkwam later bleek, dat

de voorgangers den ever hadden opgevangen en toebereid, gaf de prins

bevel met verhaaste schreden op te trekken ten einde de vier in te

halen. Doch het klingelen van de gouden belletjes in de manen van

Zeven, dat het geoefende oor van den fijnbezintuigden Herebaeld in

zijn, door oververmoeidheid onrustigen slaap had vernomen en dat hem

een droom van een met belletjes versierd paard had gegeven,

geheimzinnige resonans-werking van ’s menschen gehoor-zin, was nu ook

door de drie andere mannen vernomen, die gewend aan ’t luisteren op

grooten afstand, hun oor op den grond leggend, ook duidelijk den

hoefslag van een zwaar paard hoorden dreunen. Vol eerbied voor

Herebaelds onbestrijdbaar voorspellingsgenie, geloofden zij, hoewel zij

allerminst laf waren, dat werkelijk onheil van deze zijde te duchten

was en zij haastten zich voorwaarts.

Prins Istovar bemerkte zeer goed, dat de vier voor hem uitvluchtten en

de kleine smalle voetstappen ziende van Herebaeld naast de groote van

Sigbert, Reri en Tjeerd begon hij te vermoeden, dat de drie lieden,

roovers waren die een jonkvrouw ontvoerden. De drie vervolgend, peinsde

hij gestadig over die jonkvrouw zijner verbeelding, voelde zich

geroepen om haar te bevrijden en toen het woud naar den rand minder

dicht werd en hij weder op Zeven kon stijgen, zette hij het paard met

de sporen aan, zoodat zijn gevolg weldra achter bleef behalve de trouwe

Melle, die hoe ook vermoeid, gedachtig aan zijn plicht van bewaker,

zijn wapen op den rug had gebonden en zich vasthoudend aan de langen

staart van Zeven, uren achter het paard bleef aanhollen tot hij dreigde

amechtig neer te vallen, onderwijl den prins smeekend toch zijn vaart

te matigen. Maar Istovar wilde er niet van hooren. Hij rende in

gedachten een blonde jonkvrouw na, die hij had te bevrijden uit de

handen van eerlooze roovers, die haar mishandelden en geen oog hebbende

voor het lijden van zijn trouwen dienaar, die zich door Zeven liet

meesleuren, op gevaar van door een hoefslag van ’t paard gedood te

worden of door miltsteken te sterven, voelde hij zich innig bewogen

door het gefantaiseerde lijden van de jonkvrouw zijner verbeelding. En

toen Melle eindelijk neerviel ten gevolge van uitputting, een bos haar

uit de staart van Zeven gerukt in de hand houdend, reed hij in nog

woesteren draf voort, zelf nu telkens in doodsgevaar, daar de

boschgrond òf glad was zoodat het paard kon uitglijden of door steenen

en takken oneffen, waardoor het kon struikelen. Ook dreigde meermalen

de prins het hoofd te pletter te slaan tegen laaghangende takken,

zoodat hij alleen door zich snel te bukken, tenauwernood een wissen

dood ontging.

De vier hoorden onderwijl het klingelen van de schelletjes steeds nader

komen en hadden, zich vervolgd wetend, het nu op een loopen gezet. Bij

de buiging van een weg, dwars door een graanland, zag de prins in ’t

hooge graan de hoofden der drie mannen en het blondgelokte haar der

geroofde jonkvrouw met een baret van hemelsblauw laken.

„Honden! Honden! Honden!” riep hij zijn paard tot bloedens toe sporend.

„Een arme, zwakke maid zoo te doen loopen. Is het geen gruwel. Wacht,

wanneer ik di daar krijg, kwaad gespuis. Thoering zal di straffen.”

En hij trok het kortzwaard en dreigde er de vluchtende mannen mede, die

nu aan een stroom komend zich daarin wierpen. Sigbert en Tjeerd konden

zwemmen en Reri de zeeman, was wegens zijn zwemkunst befaamd. Maar

Herebaeld, het zwakke moederszoontje, had nooit zich in spelen van

kracht geoefend en kon niet zwemmen. Daarom legde Reri hem op den zijn

rug en zwom zoo, met krachtigen, gelijken slag, naast vader en broer.

Maar midden in den stroom begon opeens Tjeerd „hulp!” te roepen en ook

Sigbert hief zijn handen op. Er was daar een draaikolk en een

ondervaartsche stroomversnelling, zoodat de twee dreigden te

verdrinken. Reri, hoewel reeds bezwaard door Herebaeld greep zijn vader

bij den rechterschouder en zijn broer Tjeerd bij de haren en krachtig

de forsche beenen uitslaand, trachtte hij over de strooming heen te

komen. Doch ook zijn kracht was niet toereikend en reeds begon Tjeerd,

die veel water binnenkreeg mede te geven en dreigde bewusteloos te

worden. Reri nu, wetende dat hij te kiezen had tusschen de twee broers,

snel besluitend, wierp dien hij ’t minst lief had, den zwakken,

hoogmoedigen Herebaeld van zijn rug en nu, vrijer in zijn bewegingen,

wierp hij zichzelf om in ’t water tot hij op den rug lag, sloeg met

zware beenslagen het water weg en zoo gelukte het hem met Sigbert en

Tjeerd over den kolk been te komen. Maar Herebaeld, schreiend met hooge

kreten als een kind, werd door de strooming medegesleurd en scheen

reddeloos verloren. Aan den oever verscheen nu prins Istovar op Zeven.

„Boeven! boeven!” kreet hij, „zulde di min scone joncfrou vor min ohgen

supen!”

Mèt joeg hij Zeven te water en stuurde het edele ros in de richting van

Herebaeld. Dicht bij hem verzonk de jongeling en prins Istovar, zonder

zich te bedenken, sprong van ’t paard, dook in de diepte en greep zijn

scone joncfrou bij de blonde lokken. De slanke Fries trachtte nu met

zijn geredde schat naar de overzijde te zwemmen, maar de strooming naar

den oever, vanwaar hij ter redding was toegesneld was te sterk en zoo,

na veel vergeefsche pogingen, dreef hij met Herebaeld weder naar dien

oever aan. Herebaeld was reeds bewusteloos en Sigbert, Tjeerd en Reri

zagen van de overzijde met verwondering hoe de ruiter, dien zij zoo

gevreesd hadden, na Herebaeld gered te hebben, hem met radelooze

bewegingen in zijn armen drukte en voorhoofd, wangen en haren met wilde

kussen bedekte.

Onderwijl was Zeven naar den oever doorgezwommen waar Sigbert en zijn

twee zonen stonden en Reri trok het paard op de helling, dat reeds van

de lange ritten vermoeid, tenauwernood deze laatste moeielijke

zwemtocht tot een goed einde had gebracht.

Prins Istovar zag nu hoe aan de overzijde de drie roovers zijn edel

paard vasthielden en het zwaard Thoering, dat hij schuin door het zadel

had gestoken vóór hij zich in den vloed stortte, door Tjeerd werd

buitgemaakt.

Onderwijl had hij Herebaeld voorzichtig op ’t gras van den oever gezet

en hem met liefelijke koos-naampjes overladend, trachtte hij de scone

joncfrou in het leven terug te roepen. Toen deze de oogen opsloeg

hurkte de prins bij hem neder en zijn arm om de hals van Herebaeld

slaande, zeide hij: „Mine liefste, ik heb di uit twee gevaren gered,

dat van de roovers en dat van het water.... Nu zult di mijn bruid

worden, in stede van de priesteres Harimona....”

Hij bracht zijn hand aan den boezem der joncfrou en nu ervarend, dat

zijn scone joncfrou een man was, sprong hij op en riep: „Bij Hloedana,

de watergeest heeft di omgetooverd en van een maget in een jonclinck

verwandelt! Dat zal ik wreken!” Zonder zich te bedenken, sprong hij in

woede weer in den stroom, zwom met forsche slagen naar de plaats, waar

de draaikolk dreigde, ondanks het waarschuwend geroep van de drie

mannen, die den dwazen waaghals, een zekeren dood zagen te gemoet gaan.

Deze nu bij de draaikolk, voelde zijn woede toenemen naarmate hij

meende, dat de booze watergeest zijn beenen omslingerd hield en met

slagen van de vuist, sloeg hij in ’t ziedende water. Maar zijn woede

werd door uitputting gevolgd en te fier om hulp te roepen zagen

Herebaeld en aan de overzijde Sigbert en zijn zonen, den prins voor hun

oogen zinken.

„Dat zal ik niet lijden!” riep Reri, toch wat bedroefd omdat hij zijn

jongsten broeder had moeten afwerpen en dankbaar aan den vreemdeling

voor diens redding, hoewel zij diens zonderling gedrag zich niet konden

verklaren.

Reri sprong in den stroom en zwom naar de plaats waar de prins was

verdwenen. Het duurde geruimen tijd voor hij hem gevonden had. Want de

onderstrooming had hem onder het water een eind weggedreven en toen

Reri, na langen tijd onder water gebleven te zijn, eindelijk opdook,

zagen zijn vader en Tjeerd, die al gevreesd hadden, dat ook Reri was

verdronken, dat de koene zwemmer een eind benedenwaarts met den prins

opdook, aan de overzijde, waar Herebaeld zat, die al vrij wel zich

hersteld had.

Nu was het aan Herebaeld en Reri om den prins in ’t leven terug te

roepen. Reri, die als zeeman wist hoe hij drenkelingen moest

behandelen, legde het hoofd van den prins op de knieën van Herebaeld,

hem gelastende diens neus en mond van slijm te zuiveren. Daarna trok

hij de beenen van den prins op en neer, wreef krachtig langs dien

heupen en zoo, na een poosje, sloeg de prins de oogen weer op. Hij

hikte, braakte een golf water uit en daarna, ziende dat hij met ’t

hoofd in de schoot van Herebaeld lag, zei hij zwak: „Heb dank, mijn

lieve, betooverde bruid,” en nu Reri ziende, riep hij, zich trachtend

in postuur te zetten: „Wacht, dou roover! Let geen haar mijner bruid of

het is met di kwalijk gedaan!”

„Hij meent, dat ik een maagd ben!” zei Herebaeld ietwat verlegen.

Daar sloeg Reri, de naakte reus, zijn handen in de lucht en lachte gul

met zijn breeden mond en met zijn onverhulde schaamte vlak staande voor

den prins, die nog altijd te zwak om zich op te richten op de

rechterknie gebogen lag, zich steunend op den schouder van Herebaeld

riep hij: „Als die een maagd is, ben ik ’r ook een!” Zich wendend naar

den oever waar vader en broer wachtten, bracht hij de beide handen aan

den mond en riep vroolijk naar de overzijde:

„Hij wil met Herebaeld trouwen!” waarop Tjeerd, terugroepend

antwoordde:

„Hum gonst wel een bij in den kop!”

Heel in de verte scheen die roep te weerschallen. Zij keken naar den

einder en nu weerklonk opnieuw een roep, gevolgd door het zoete

toeteren van een horensignaal.

„Dat is mijn gevolg!” zei de prins zwak. En nu kwam uit de verte in

gestrekten pas onder aanvoering van Melle het gevolg van den prins

toeloopen. Weldra sloot Melle den prins in zijn armen en deze verhaalde

kort wat geschied was. Maar toen hij nogmaals Herebaeld voor een

betooverde jonkvrouw wilde doen doorgaan, trad een der boogschutters

naar voren en in eerbiedige houding, verklaarde hij Sigbert en zijn

zonen wel te kennen.

Daar de weg naar Rinego over den stroom voerde, deed Melle een lange

rol stevig geweven linnen uitbreiden. Twee uit het gevolg die zwemmen

konden, brachten het eene eind over den stroom, nadat Reri beiden

gewaarschuwd had voor de kolk en de onderstrooming en gewezen, welke

richting ze moesten kiezen om veilig over te komen. Aan de overzijde

bonden de twee zwemmers het lijnwaad vast aan een boomstronk, zoo dat

het nu over den stroom een brug vormde. Melle zond eerst twee knechten

over de brug. Zij schreden haastig, met wijde sprongen over het strak

gespannen, verende doek en toen ze veilig over waren gekomen, nam Melle

den prins op en liep met hem naar de overzijde. De andere lieden van ’t

geleide, naar rang en aanzien, volgden en voor de twee laatsten gingen,

die zich vasthoudend aan ’t eind, door de mannen aan de overzijde met

dat eind werden naar den weder-oever ingepalmd, wilde Reri ook

beproeven, zooals Melle met den Prins, met Herebaeld in zijn armen,

over de verende brug te snellen. Maar de reus, ongeoefend in ’t dansen

over de Friesche brug, wankelde, maakte zotte sprongen, dreigde nu naar

de linksche dan naar de rechtsche zijde in den stroom te tuimelen, ’t

geen een zoo zotten aanblik opleverde, dat allen, Sigbert en Tjeerd

niet uitgezonderd, schaterden en schudde-buikten van lachen. Toen Reri

met Herebaeld eindelijk toch veilig en droog den overkant bereikten,

stemde hij goedhartig en gul met de algemeene vroolijkheid in.

De prins noodigde de vier mannen uit met hem en de zijnen te eten en

terwijl men aanzat, verhaalde men elkaar over en weer het doel van de

reis en de prins, in een vroolijke stemming, in zichzelf er van

overtuigd, dat de zwakke, arme jongeling door hem als geen ernstige

mededinger naar de hand van de priesteres beschouwd behoefde te worden,

noodigde Sigbert en zijn zonen uit met hen mede naar de heilige haag op

trekken en toen deze dit aanbod van harte graag aannamen, zei prins

Istovar van Mjellego, zoon van Tjilbard, koning der Friezen,

grootmoedig en luimig tot Herebaeld:

„Dat is een keer. Ik meende, een joncfrou te verlossen en te winnen en

voer nu een medeminnaar herwaards!” waarop allen lachten, zelfs Melle,

die Zeven onderwijl had naderbij gevoerd en aan den teugel vasthield,

wachtende tot zijn heer zou opstijgen.

Germania(#73888) · 第 11 / 44 题