Sigbert, de Batouwer en zijn drie zonen, gesterkt door het vleesch van
’t wilde zwijn, waarvan zij drie dagen hadden gegeten, naderden reeds
de grens van Renigo toen zij zéér vreesden te worden ingehaald door den
hun onbekenden vervolger, prins Istovar, zoon van den Frieschen Koning
Tjilbard, die eveneens verdwaald, de sporen van de vier lieden gevolgd
was van wie hij vermoedde, dat ze ook naar Renigo optrokken. De weg
door het dichte woud was moeielijk vooral voor het hooge ros Zeven, dat
gestadig aan het leidsel gevoerd moest worden en waarvoor telkens de
weg werd opengekapt. Hierdoor vooral gelukte het den prins niet, de
vier lieden in te halen, die geoefende woudloopers, achter elkaar
gingen met gelijkmatige stappen. Ook prins Istovar en zijn groot gevolg
begon gebrek aan leeftocht te krijgen en daar zij hoofdzakelijk moesten
leven, van het wild, dat ze onderweg met pijlen of lansen velden, was
het zeer onaangenaam, dat de vier voorgangers het wild opschrikken.
Maar toen, na een jacht op een wild zwijn, dat ontkwam later bleek, dat
de voorgangers den ever hadden opgevangen en toebereid, gaf de prins
bevel met verhaaste schreden op te trekken ten einde de vier in te
halen. Doch het klingelen van de gouden belletjes in de manen van
Zeven, dat het geoefende oor van den fijnbezintuigden Herebaeld in
zijn, door oververmoeidheid onrustigen slaap had vernomen en dat hem
een droom van een met belletjes versierd paard had gegeven,
geheimzinnige resonans-werking van ’s menschen gehoor-zin, was nu ook
door de drie andere mannen vernomen, die gewend aan ’t luisteren op
grooten afstand, hun oor op den grond leggend, ook duidelijk den
hoefslag van een zwaar paard hoorden dreunen. Vol eerbied voor
Herebaelds onbestrijdbaar voorspellingsgenie, geloofden zij, hoewel zij
allerminst laf waren, dat werkelijk onheil van deze zijde te duchten
was en zij haastten zich voorwaarts.
Prins Istovar bemerkte zeer goed, dat de vier voor hem uitvluchtten en
de kleine smalle voetstappen ziende van Herebaeld naast de groote van
Sigbert, Reri en Tjeerd begon hij te vermoeden, dat de drie lieden,
roovers waren die een jonkvrouw ontvoerden. De drie vervolgend, peinsde
hij gestadig over die jonkvrouw zijner verbeelding, voelde zich
geroepen om haar te bevrijden en toen het woud naar den rand minder
dicht werd en hij weder op Zeven kon stijgen, zette hij het paard met
de sporen aan, zoodat zijn gevolg weldra achter bleef behalve de trouwe
Melle, die hoe ook vermoeid, gedachtig aan zijn plicht van bewaker,
zijn wapen op den rug had gebonden en zich vasthoudend aan de langen
staart van Zeven, uren achter het paard bleef aanhollen tot hij dreigde
amechtig neer te vallen, onderwijl den prins smeekend toch zijn vaart
te matigen. Maar Istovar wilde er niet van hooren. Hij rende in
gedachten een blonde jonkvrouw na, die hij had te bevrijden uit de
handen van eerlooze roovers, die haar mishandelden en geen oog hebbende
voor het lijden van zijn trouwen dienaar, die zich door Zeven liet
meesleuren, op gevaar van door een hoefslag van ’t paard gedood te
worden of door miltsteken te sterven, voelde hij zich innig bewogen
door het gefantaiseerde lijden van de jonkvrouw zijner verbeelding. En
toen Melle eindelijk neerviel ten gevolge van uitputting, een bos haar
uit de staart van Zeven gerukt in de hand houdend, reed hij in nog
woesteren draf voort, zelf nu telkens in doodsgevaar, daar de
boschgrond òf glad was zoodat het paard kon uitglijden of door steenen
en takken oneffen, waardoor het kon struikelen. Ook dreigde meermalen
de prins het hoofd te pletter te slaan tegen laaghangende takken,
zoodat hij alleen door zich snel te bukken, tenauwernood een wissen
dood ontging.
De vier hoorden onderwijl het klingelen van de schelletjes steeds nader
komen en hadden, zich vervolgd wetend, het nu op een loopen gezet. Bij
de buiging van een weg, dwars door een graanland, zag de prins in ’t
hooge graan de hoofden der drie mannen en het blondgelokte haar der
geroofde jonkvrouw met een baret van hemelsblauw laken.
„Honden! Honden! Honden!” riep hij zijn paard tot bloedens toe sporend.
„Een arme, zwakke maid zoo te doen loopen. Is het geen gruwel. Wacht,
wanneer ik di daar krijg, kwaad gespuis. Thoering zal di straffen.”
En hij trok het kortzwaard en dreigde er de vluchtende mannen mede, die
nu aan een stroom komend zich daarin wierpen. Sigbert en Tjeerd konden
zwemmen en Reri de zeeman, was wegens zijn zwemkunst befaamd. Maar
Herebaeld, het zwakke moederszoontje, had nooit zich in spelen van
kracht geoefend en kon niet zwemmen. Daarom legde Reri hem op den zijn
rug en zwom zoo, met krachtigen, gelijken slag, naast vader en broer.
Maar midden in den stroom begon opeens Tjeerd „hulp!” te roepen en ook
Sigbert hief zijn handen op. Er was daar een draaikolk en een
ondervaartsche stroomversnelling, zoodat de twee dreigden te
verdrinken. Reri, hoewel reeds bezwaard door Herebaeld greep zijn vader
bij den rechterschouder en zijn broer Tjeerd bij de haren en krachtig
de forsche beenen uitslaand, trachtte hij over de strooming heen te
komen. Doch ook zijn kracht was niet toereikend en reeds begon Tjeerd,
die veel water binnenkreeg mede te geven en dreigde bewusteloos te
worden. Reri nu, wetende dat hij te kiezen had tusschen de twee broers,
snel besluitend, wierp dien hij ’t minst lief had, den zwakken,
hoogmoedigen Herebaeld van zijn rug en nu, vrijer in zijn bewegingen,
wierp hij zichzelf om in ’t water tot hij op den rug lag, sloeg met
zware beenslagen het water weg en zoo gelukte het hem met Sigbert en
Tjeerd over den kolk been te komen. Maar Herebaeld, schreiend met hooge
kreten als een kind, werd door de strooming medegesleurd en scheen
reddeloos verloren. Aan den oever verscheen nu prins Istovar op Zeven.
„Boeven! boeven!” kreet hij, „zulde di min scone joncfrou vor min ohgen
supen!”
Mèt joeg hij Zeven te water en stuurde het edele ros in de richting van
Herebaeld. Dicht bij hem verzonk de jongeling en prins Istovar, zonder
zich te bedenken, sprong van ’t paard, dook in de diepte en greep zijn
scone joncfrou bij de blonde lokken. De slanke Fries trachtte nu met
zijn geredde schat naar de overzijde te zwemmen, maar de strooming naar
den oever, vanwaar hij ter redding was toegesneld was te sterk en zoo,
na veel vergeefsche pogingen, dreef hij met Herebaeld weder naar dien
oever aan. Herebaeld was reeds bewusteloos en Sigbert, Tjeerd en Reri
zagen van de overzijde met verwondering hoe de ruiter, dien zij zoo
gevreesd hadden, na Herebaeld gered te hebben, hem met radelooze
bewegingen in zijn armen drukte en voorhoofd, wangen en haren met wilde
kussen bedekte.
Onderwijl was Zeven naar den oever doorgezwommen waar Sigbert en zijn
twee zonen stonden en Reri trok het paard op de helling, dat reeds van
de lange ritten vermoeid, tenauwernood deze laatste moeielijke
zwemtocht tot een goed einde had gebracht.
Prins Istovar zag nu hoe aan de overzijde de drie roovers zijn edel
paard vasthielden en het zwaard Thoering, dat hij schuin door het zadel
had gestoken vóór hij zich in den vloed stortte, door Tjeerd werd
buitgemaakt.
Onderwijl had hij Herebaeld voorzichtig op ’t gras van den oever gezet
en hem met liefelijke koos-naampjes overladend, trachtte hij de scone
joncfrou in het leven terug te roepen. Toen deze de oogen opsloeg
hurkte de prins bij hem neder en zijn arm om de hals van Herebaeld
slaande, zeide hij: „Mine liefste, ik heb di uit twee gevaren gered,
dat van de roovers en dat van het water.... Nu zult di mijn bruid
worden, in stede van de priesteres Harimona....”
Hij bracht zijn hand aan den boezem der joncfrou en nu ervarend, dat
zijn scone joncfrou een man was, sprong hij op en riep: „Bij Hloedana,
de watergeest heeft di omgetooverd en van een maget in een jonclinck
verwandelt! Dat zal ik wreken!” Zonder zich te bedenken, sprong hij in
woede weer in den stroom, zwom met forsche slagen naar de plaats, waar
de draaikolk dreigde, ondanks het waarschuwend geroep van de drie
mannen, die den dwazen waaghals, een zekeren dood zagen te gemoet gaan.
Deze nu bij de draaikolk, voelde zijn woede toenemen naarmate hij
meende, dat de booze watergeest zijn beenen omslingerd hield en met
slagen van de vuist, sloeg hij in ’t ziedende water. Maar zijn woede
werd door uitputting gevolgd en te fier om hulp te roepen zagen
Herebaeld en aan de overzijde Sigbert en zijn zonen, den prins voor hun
oogen zinken.
„Dat zal ik niet lijden!” riep Reri, toch wat bedroefd omdat hij zijn
jongsten broeder had moeten afwerpen en dankbaar aan den vreemdeling
voor diens redding, hoewel zij diens zonderling gedrag zich niet konden
verklaren.
Reri sprong in den stroom en zwom naar de plaats waar de prins was
verdwenen. Het duurde geruimen tijd voor hij hem gevonden had. Want de
onderstrooming had hem onder het water een eind weggedreven en toen
Reri, na langen tijd onder water gebleven te zijn, eindelijk opdook,
zagen zijn vader en Tjeerd, die al gevreesd hadden, dat ook Reri was
verdronken, dat de koene zwemmer een eind benedenwaarts met den prins
opdook, aan de overzijde, waar Herebaeld zat, die al vrij wel zich
hersteld had.
Nu was het aan Herebaeld en Reri om den prins in ’t leven terug te
roepen. Reri, die als zeeman wist hoe hij drenkelingen moest
behandelen, legde het hoofd van den prins op de knieën van Herebaeld,
hem gelastende diens neus en mond van slijm te zuiveren. Daarna trok
hij de beenen van den prins op en neer, wreef krachtig langs dien
heupen en zoo, na een poosje, sloeg de prins de oogen weer op. Hij
hikte, braakte een golf water uit en daarna, ziende dat hij met ’t
hoofd in de schoot van Herebaeld lag, zei hij zwak: „Heb dank, mijn
lieve, betooverde bruid,” en nu Reri ziende, riep hij, zich trachtend
in postuur te zetten: „Wacht, dou roover! Let geen haar mijner bruid of
het is met di kwalijk gedaan!”
„Hij meent, dat ik een maagd ben!” zei Herebaeld ietwat verlegen.
Daar sloeg Reri, de naakte reus, zijn handen in de lucht en lachte gul
met zijn breeden mond en met zijn onverhulde schaamte vlak staande voor
den prins, die nog altijd te zwak om zich op te richten op de
rechterknie gebogen lag, zich steunend op den schouder van Herebaeld
riep hij: „Als die een maagd is, ben ik ’r ook een!” Zich wendend naar
den oever waar vader en broer wachtten, bracht hij de beide handen aan
den mond en riep vroolijk naar de overzijde:
„Hij wil met Herebaeld trouwen!” waarop Tjeerd, terugroepend
antwoordde:
„Hum gonst wel een bij in den kop!”
Heel in de verte scheen die roep te weerschallen. Zij keken naar den
einder en nu weerklonk opnieuw een roep, gevolgd door het zoete
toeteren van een horensignaal.
„Dat is mijn gevolg!” zei de prins zwak. En nu kwam uit de verte in
gestrekten pas onder aanvoering van Melle het gevolg van den prins
toeloopen. Weldra sloot Melle den prins in zijn armen en deze verhaalde
kort wat geschied was. Maar toen hij nogmaals Herebaeld voor een
betooverde jonkvrouw wilde doen doorgaan, trad een der boogschutters
naar voren en in eerbiedige houding, verklaarde hij Sigbert en zijn
zonen wel te kennen.
Daar de weg naar Rinego over den stroom voerde, deed Melle een lange
rol stevig geweven linnen uitbreiden. Twee uit het gevolg die zwemmen
konden, brachten het eene eind over den stroom, nadat Reri beiden
gewaarschuwd had voor de kolk en de onderstrooming en gewezen, welke
richting ze moesten kiezen om veilig over te komen. Aan de overzijde
bonden de twee zwemmers het lijnwaad vast aan een boomstronk, zoo dat
het nu over den stroom een brug vormde. Melle zond eerst twee knechten
over de brug. Zij schreden haastig, met wijde sprongen over het strak
gespannen, verende doek en toen ze veilig over waren gekomen, nam Melle
den prins op en liep met hem naar de overzijde. De andere lieden van ’t
geleide, naar rang en aanzien, volgden en voor de twee laatsten gingen,
die zich vasthoudend aan ’t eind, door de mannen aan de overzijde met
dat eind werden naar den weder-oever ingepalmd, wilde Reri ook
beproeven, zooals Melle met den Prins, met Herebaeld in zijn armen,
over de verende brug te snellen. Maar de reus, ongeoefend in ’t dansen
over de Friesche brug, wankelde, maakte zotte sprongen, dreigde nu naar
de linksche dan naar de rechtsche zijde in den stroom te tuimelen, ’t
geen een zoo zotten aanblik opleverde, dat allen, Sigbert en Tjeerd
niet uitgezonderd, schaterden en schudde-buikten van lachen. Toen Reri
met Herebaeld eindelijk toch veilig en droog den overkant bereikten,
stemde hij goedhartig en gul met de algemeene vroolijkheid in.
De prins noodigde de vier mannen uit met hem en de zijnen te eten en
terwijl men aanzat, verhaalde men elkaar over en weer het doel van de
reis en de prins, in een vroolijke stemming, in zichzelf er van
overtuigd, dat de zwakke, arme jongeling door hem als geen ernstige
mededinger naar de hand van de priesteres beschouwd behoefde te worden,
noodigde Sigbert en zijn zonen uit met hen mede naar de heilige haag op
trekken en toen deze dit aanbod van harte graag aannamen, zei prins
Istovar van Mjellego, zoon van Tjilbard, koning der Friezen,
grootmoedig en luimig tot Herebaeld:
„Dat is een keer. Ik meende, een joncfrou te verlossen en te winnen en
voer nu een medeminnaar herwaards!” waarop allen lachten, zelfs Melle,
die Zeven onderwijl had naderbij gevoerd en aan den teugel vasthield,
wachtende tot zijn heer zou opstijgen.