HOOFDSTUK VII.

Koning Goës vond ten laatste een middel om zijn eiland onneembaar te

maken, zonder dat hij zijn vadsige onderdanen tot een verdediging met

het zwaard in de hand behoefde te dwingen.

Hij liet een grooten dijk rondom het eiland aan de zeezijde opwerpen en

deed daarin een sluis aanbrengen. Daardoor was hij in staat het geheele

eiland, behalve de bergloh en de woningen op de terpen en op de palen,

onder water te zetten, zoodat een vijand zeker verdrinken zou, wanneer

hij een inval op ’t eiland had gedaan en de zeesluis werd opengezet.

Hij hief nu opnieuw schatting en toen de zeevaarders, de riviervlotters

en de Velagers weder met een inval dreigden, liet hij een horde

krijgsknechten rustig naderen. Zoodra ze op ’t eiland waren en ze al,

juichend om den geringen wederstand en hopend op de rijke buit, naar de

bergloh wilden trekken, waar de geheele bevolking en de levende have

was heengevlucht, deed hij de sluisdeur opentrekken, de golven

bruischten binnen en binnen het kwartier stond geheel Bedekoog blank.

De Velagers, die met hun kleine, armzalige schuiten in de buurt lagen

en de overstrooming zagen, meenden dat een ramp geschied was en

juichten over het ongeluk hunner rijke buren en weldoeners. Maar toen

het eb werd en het zeewater liep weder weg van ’t eiland, in het dunne

laagje slib de lijken van de verdronken krijgsknechten achterlatend,

waar de krabben al met tastende schaartjes overheen kropen, werden ze

angstig en waren doodsbevreesd voor de wraak van koning Goës. De

zeevaarders en de houtvlotters waren verbaasd en vernederd

tegelijkertijd, zonden gijzelaars, betreurden hun opzet, deden van hun

oprechte bewondering voor den Koning blijken en daar zij beloofden

voortaan de schatting te betalen, werd spoedig de vrede gesloten.

Thans stapelden zich fabelachtige rijkdommen op het eiland op. Uit

vrees, dat de begeerte opgewekt zou worden van machtige vorsten, werden

de rijkdommen deels op de bergloh verborgen, deels aan de burgers

gelijkelijk verdeeld en het bezoeken van ’t eiland werd aan

vreemdelingen verboden. Alleen de zeevaarders en de houtvlotters hadden

verlof zich op een aangewezen gedeelte van ’t eiland op te houden. De

Velagers werden tot dienstbaarheid verplicht en deze lieden gewenden

zich er langzamerhand geheel aan, te leven van ’t geen ze op Bedekoog

verdienden, stalen, kregen of bedelden.

Na koning Goës, die op hoogen leeftijd stierf, regeerde de wijze, maar

uiterst gierige Koning Tsierk en diens zoon en opvolger, Gise was het,

die bekend is geworden als de groote Zeeuw.

Hij begon met het verbod der toelating van vreemdelingen af te schaffen

en schepte er integendeel een groot vermaak in, vreemdelingen zijn

schatten te toonen en ze gastvrij te onthalen. Ook gebood hij den

burgers hetzelfde te doen en weldra werd Bedekoog heinde en verre

bekend als een gelukkig en welvarend rijk, waar ieder gastvrij en in

vrede werd ontvangen. Wanneer dan de vreemdelingen kwamen, noodigde

Koning Gise ze aan zijn tafel, waar zij bediend werden van gouden

schalen, die zij na den maaltijd mochten medenemen. Hij deed keur van

spijzen op tafel brengen en in zoo groote hoeveelheid, dat het scheen

of elke gast honger had voor tien. Ook werd nevens elken gast een

geheele twintig maatszak wijn van ’t vreemde land gezet en driederlei

soort bier in drie kruiken, zoo groot als een vijfjarig kind, zuur geel

bier, bitter zwart bier en zoet, geelgoud, koningsbier. De koning zelf

gaf het voorbeeld en schrokte zoo, dat de gasten vreesden dat hij zou

stikken. Maar het was slechts om de gasten aan te moedigen. Om de

vroolijkheid van het gastmaal te verhoogen, had hij zijn drie opperkoks

gekozen uit den stand der Bedekoogsche geleerden. Het waren ernstige

koks, die in gebonden spraak hun sproken zeiden. De koning was de beste

kenner en wanneer een opperkok-dichter dan zijn sproke zei, sloeg de

koning met een gouden kroes op zijn bord, de rhythmen scandeerend en

wanneer een stafrijm werd gesproken, legde hij den sproke-spreker door

een mes met de punt in de tafel te steken, het zwijgen op en hij maakte

dan de gasten opmerkzaam op de verheven schoonheid van de sproke en het

welgelukte stafrijm. De beste sprokespreker was Hall, die ook in ’t

toebereiden van zeevisch zijn wedergade niet had. De tweede

sprokespreker was Hamm, die behalve in de verskunst, uitmuntte in het

bakken van eierkoeken. De derde sprokespreker was Hann, die belast was

met het toebereiden van de sausen en het rhythmisch noemen van den

prijs van elk gerecht, dat den gasten werd toegediend.

De gasten, gewoonlijk na de derde ronde reeds beschonken, lachten luid

en hartelijk om de sprokesprekers en koning Gise, zeer daarmede

ingenomen, begon dan op zijn beurt de verdienste van zijn

sproke-sprekers te roemen. Hoe zwaar Hall was en hoeveel eierkoeken

Hamm reeds in zijn leven had gebakken en dat, wanneer men alle sauzen

die Hann al had toebereid bij elkaar in één kom wierp, die kom zoo diep

zou moeten zijn, dat een os er rechtop in zou kunnen staan en zoo wijd

als den omvang van vier koningsbuiken. Als de gasten niet meer eten

konden, begon de koning ze te tarten, loofde gouden bekers uit voor de

gasten, die nog een hoentje, een duif, een speenvarkentje zouden

verorberen. Hij gaf ook prijzen aan de gasten, die den diksten

buikomvang hadden en was heerlijk-jolig wanneer dan bleek, dat de

koning den diksten buik van allen had.

Na het toonen der schatten werden de gasten naar Veloog geleid en de

Koning had dan groot genot, wanneer de gasten zich verwonderden over de

armoede en de buikloozigheid der Velagers, die zich trachtten te wreken

door geestige spot-verzen en schimpscheuten, waarbij de koning en zijn

drie opperkoks de gasten wezen op het gebrek aan stafrijmen en de

fouten in den rhythmus van de armeluispoëzie.

Op Veloog regeerde in deze tijden de Koning Mise, bekend wegens zijn

rijkdom aan woorden en armoede aan stof. Hij verging van naijver op den

Koning Gise en trachtte ondanks alles, diens roem te overschaduwen. Hij

noodigde van heinde en verre vreemdelingen uit naar Veloog en gaf dan

ook gastmalen. Doch het servies was van gebakken klei en de spijzen

waren sober en mager, terwijl als drank slechts witbier werd toegediend

en dan nog slechts in leege eierdoppen en mosselschelpen, zoodat men

nooit meer dan één teug tegelijk kon nemen. Hij had eveneens drie

hofdichters, armzalige, magere, uitgehongerde kerels, vernuftige,

geestige schoeljes, die met elkaar wedijverden in ’t vinden van grollen

en onuitputtelijk in ’t bespotten van den dikken Gise, die als men hem

hun spotdichten overbracht, verachtelijk de schouders ophaalde, zeggend

dat de rhythmus alles te wenschen overliet, en het stafrijm ontbrak.

Koning Mise voerde zijn gasten na den karigen maaltijd naar een zaal,

die met schelpen was versierd en daar liet hij de mooiste Veloogsche

deerntjes naakt dansen, terwijl zijn drie hofdichters grollen maakten

op de dansende meiskens en hare lichamelijke bekoorlijkheden. Tot slot

noodigde de Koning zijn gasten uit tot een wedstrijd in het

persifleeren en wie de grappigste grollen op den Koning zelf, zijn

gastmaal, zijn hofdichters en zijn danseressen ten beste gaf, werd voor

dien avond en nacht tot Koning van Veloog benoemd en mocht allen

bevelen, tot den Koning zelf. Dit nu had tengevolge, dat de

vreemdelingen niet wisten waar zij zich het best vermaakt hadden, bij

den dikken of bij den mageren Koning, en algemeen luidde het oordeel,

dat wie slechts van één van beiden de gast was geweest, een onvolmaakt

genot had gesmaakt. Koning Mise was met dezen triomf tevreden, maar

Koning Gise beschouwde dit als een nederlaag en hij poogde, door steeds

meer overdadige gastmalen en door steeds strenger gerhythmeerde sproken

tenslotte de overwinning te behalen.

Nu brachten de vreemdelingen naar beide eilanden het bericht van de

wonderdaden van de groote priesteres Harimona en de voorwaarden, waarop

men haar als bruid zou kunnen krijgen. Koning Gise en Koning Mise,

beiden ongehuwd, besloten naar de hand van Harimona te gaan dingen.

Maar er was nog een andere reden, waarom zij de priesteres wilden

spreken. Er was een zeegeest in de buurt gekomen, die volgens Gise een

slechten smaak en volgens Mise een goeden smaak had. Hij werkte

namelijk den bodem voor de fioord van Bedekoog omhoog, waardoor deze

dreigde te verzanden, zoodat vaak reeds schepen, die zwaarbeladen waren

en daardoor grooten diepgang hadden, niet binnen konden vallen.

Daarentegen diepte de zeegeest de haven van Veloog uit, zoodat daar

reeds enkele lichtbeladen schepen ongehinderd waren binnengeloopen, wat

bij menschenheugenis te voren nooit geschied was. De Bedekauwers

vreesden voor ’t verloopen van hun zeehandel en de Velagers juichten

over de toeneming van het verkeer. Koning Gise nu zou de priesteres

gaan vragen, den zeegeest te bezweren, dat hij de fioord van Bedekoog

weder op de noodige diepte bracht en Koning Mise zou smeeken, dat

Harimona den zeegeest bezwoer, voort te gaan met de uitdieping van de

haven van Veloog.

Over en weer werden groote toebereidselen voor de reis naar de heilige

haag van Renigo gemaakt en de sprokesprekers der beide eilanden, die de

lijfwachten van hun Koningen zouden vormen, bestookten elkaar met

sproken en grollen.

Koning Gise, die gehoord had, dat de opperpriester Maresag gevoelig was

voor geschenken en offers, besloot groote schatten mede te nemen en met

veel statie op te treden. Vijftig wagens liet hij bouwen, versierd met

kunstig snijwerk, hoog op sierlijke, slanke wielen. In de grootste en

schoonste wagen zat hijzelf op een troon van purper met een gouden

kroon op ’t hoofd en een gouden schepter in de hand. Achter zijn zetel

stonden, ook in kostbare hemelsblauwe gewaden Hall, Hamm en Hann, met

in de rechterhand gouden spatels, braadspitten en sauskwirrels en in de

linkerhand rotten met gouden snaren. De wagen werd getrokken door

twaalf edele rossen van ’t Paarden-eiland, met purperen dekkleeden en

gouden hoefijzers en in de wagen lagen heerlijke eetwaren als ronde,

purper geverfde kazen, gerookte hammen, dikke worsten, korven vol

honing en de beroemde gebrande molleboontjes van ’t eiland Fabarix

(Burcanx, Borkum.) [7]

De andere wagens waren eveneens gevuld met de heerlijkste eetwaren,

geborgen in zilveren en gouden vaatwerk, overzeesche wijnen,

dubbelgebrouwde bieren en honingkoeken. In een groote, gouden kooi werd

op een statie-wagen de wereldberoemde sprekende vogel Lorre

medegevoerd, die als bruidsgeschenk bestemd was.

Hoe armzalig en ellendig zag tegenover dezen vorstelijken stoet het

karretje van Koning Mise er uit. Het was een lage schelpenkar op twee

massieve wielen zonder spaken waarvoor, daar de Velagers geen paarden

mochten bezitten, een mager ezeltje was gespannen. Koning Mise zelf zat

op de bok, zijn magere, naakte voet tegen den stuurboom en zijn drie

hofdichters in grauwe lompenplunje, zaten achter in de hobbelige kar.

Leeftocht namen zij niet mede, want het was juist een slechten tijd

tegen den winter en eieren en visch bedierven te spoedig. Koning Mise

had besloten, dat hij achter den stoet van Koning Gise zou rijden niet

uit nederigheid, maar in de welberekende overtuiging, dat er dan genoeg

leeftocht zou afvallen.

Koning Mise nam geen offers of geschenken mede. Hij hoopte mede te

deelen van de buit, die onderweg roovers zeker zouden maken van de

schatten van Koning Gise en in ’t uiterste geval vertrouwde hij op den

geest van de drie schoeljes, die al bezig waren grollen op de magerheid

van het ezeltje te maken, zeker dat zij den priester en de priesteres

in een goede luim zouden brengen en op zijn eigen radde tong, waarmede

hij meer schatten en offers zou kunnen beloven dan ooit in geheel

Renigo waren bijeen te brengen.

Koning Gise, wel wetend dat bij onderweg anders menige veer aan roovers

zou moeten laten, riep zijn burgers op om een vrijwillige lijfwacht te

vormen. Geen enkele burger verscheen. Daarna gaf hij verlof, dat de

burgers plaatsvervangers mochten zenden. Maar daar alle burgers rijk

waren, wilde geen voor schatten zijn leven in de waagschaal stellen.

Tenslotte veroorloofde Koning Gise zijn burgers een lijfwacht te vormen

uit bewoners van Veloog. Toen verschenen veertig uitgehongerde

strandschuimers en Koning Gise beval dat de lieden onderweg gemest

zouden worden, opdat bij de aankomst in Renigo de leden van zijn

lijfwacht zoodanig in achtbaarheid van statuur zouden zijn toegenomen,

dat hij ze het burgerrecht van Bedekoog zou kunnen verleenen.

Koning Mise, die geen vrees voor roovers behoefde te koesteren, peinsde

erover op welke wijze hij de veertig strandschuimers, berucht wegens

hun liederlijkheid en ongebondenheid en deswege zelfs op zijn eiland

naar een duin verbannen, onder zijn invloed zou kunnen brengen ten

einde de buit, die zij zouden maken, in zijn bezit te krijgen. Hij riep

daarom twaalf van de heetbloedigste deerntjes van zijn eiland op als

zijn lijfwacht en voorziende, dat zij onderweg wel iets van de

purperen, groene en hemelsblauwe gewaden zich zouden verwerven, die in

een viertal wagens van Koning Gise opgestapeld lagen, liet hij ze

geheel naakt, te voet zijn karretje volgen.

Toen dan de twee stoeten vertrokken, deden de burgers der beide

eilanden hun Koningen met de beste wenschen uitgeleide en langs de

wegen geschaard, zongen ze de wederzijdsche schimpdichten, die de

sproke-sprekers der beide rijken in omloop gebracht hadden. De

Bedekoogers zeiden, zuiver scandeerend:

Rul rólt de kár des kléinen ármen-vorst,

Zij hébben wéinig wáter voor den dorst,

Zij hébben voor den honger weinig worst,

Een griéz’lig gráuwtje ’t géile góedje torscht.

En Koning Gise sloeg met den steel van de zweep op den krommen

stuurboom, scandeerend het rhythme en hield telkens de paarden in,

knalde met de zweep om stilte te gebieden en riep luide tot zijn

burgers: „Let op het stafrijm: Rul rolt, kar-klein, weinig water,

hebben honger, weinig worst, griez’lig grauwtje, geile goedje!”

Toen reed hij weder voort maar een eind verder wees hij opnieuw nog bij

’t allerlaatste afscheid zijn burgers op de schoonheden van de gebonden

taal.

Maar de drie hongerhalzen in ’t karretje van Koning Gise hadden den

Velagers een grol geleerd, die luidde:

Ken je wel de hollebollewagen,

Waar die dikke Gijs op zat,

Hij kon schrokken, groote brokken,

Een koe en een kalf, een heel paard half,

Een kar vol schapen,

En nog kon Gijs van den honger niet slapen.

De naakte deerntjes achter de kar, begonnen het in koor te zingen en

elkaar de hand gevend en een kring vormend, dansten zij al zingend in

de ronde, zoodat de lijfwachten van Koning Gise, die leutige deerntjes

ziende, een gat in den bodem van een wagen sneden en daardoor nu

vielen, terwijl de wagen voortrolde, getrokken door vier prachtige

schimmels, heerlijke oliebollen, zoete mikjes, goudbruine

honigballetjes, ronde roomkaasjes en gezoden oesterpastijtjes, die de

maagden onder gejuich opbeurden, terwijl de toekomstige burgers van

Bedekoog met vervaarlijke lansen en strenge gezichten naast de kar

liepen. Koning Gise zich omkeerend om de oorzaak van ’t gejuich te

ontdekken, bemerkte hoe licht en fier de schimmels de van zijn last

bevrijde wagen trokken. Hij knikte de leden zijner lijfwacht

goedkeurend toe, waarop Hall dichtte:

Zij trokken traag de last die wichtig woog,

Tot licht de last werd onder ’s Konings oog.

waarna de drie in ’t karretje, de wangen bol van mikjes, schimpten:

Daar waren vier wielen,

Bewaakt door vier zielen,

Die droegen een buik,

En een lollig luik,

Lol had de Koning,

Lol had de wacht,

Lol hadden de deerns,

Van de kar zonder vracht.

Tot ver waar de weg een bocht maakt, zagen de menschen de twee stoeten

met de koninklijke bruidegoms na en hoorden het zingen en zoo

aanstekelijk was de pret van ’t afscheid, dat op de beide eilanden tot

diep in den nacht gejoold en gefeest werd.

Germania(#73888) · 第 10 / 44 题