HOOFDSTUK VI.

De herfst [4] was aangebroken in het land Renigo en bij de heilige haag

maakte men zich gereed om het nieuwjaarsfeest te vieren. Van alle

landen naderden de menschen om Harimona, de heilige maagd, offeranden

en schatting te brengen en haar in ruil daarvoor te vragen, hoe het

nieuwe jaar voor hen en de hunnen zou zijn. Vorsten kwamen om haar

oordeel te vernemen over den afloop van krijgstochten, die zij hoopten

te beginnen en anderen, die naar een ander land met hun volk wilden

trekken, kwamen vragen in welke richting hun ’t geluk wachtte en in

welke richting onheil broeide. Die uit streken kwamen waar slechte

oogsten binnengehaald waren of misgewas heerschte, zouden haar om

amuletten tegen de booze geesten van hun land smeeken. Zeevaarders, die

groote reizen wilden ondernemen, kwamen te voren haar naar de te voeren

koers vragen. Er waren zieken van alle hemelstreken, die bij haar

genezing kwamen zoeken. Er waren moeders, die kinderloos bleven en

vreesden door hun mannen verstooten te zullen worden. En misdadigers,

die wroeging gevoelden en aflaat bij haar zochten; hebzuchtigen, die de

plaatsen wilden weten waar groote schatten verborgen lagen; jonge

krijgslieden, die hun zwaarden wilden doen zegenen en door haar doopen;

lieden uit dorre streken kwamen haar de plaats vragen, waar

onderaardsche wellen barnden; lieden uit landen, waar men door vloeden

geteisterd werd, kwamen bij haar naar het middel om droogte te krijgen,

zoeken. Er kwamen kreupelen, lammen, gebochelden, blinden, dooven,

lijders aan vallende ziekte. Maar die de zwarte ziekte hadden, mochten

niet komen binnen de grens van Renigo, omdat zij verdoemden waren, wier

kwaal alleen met den dood geboet kon worden.

Van alle heerwegen, te water en te land, te voet en te paard, in

huifwagens, op ezels en zelfs op kameelen en mammouths, [5] kwamen de

menschen naar Renigo om hulp en voorlichting en troost. Maar ook waren

er velen, die alleenlijk optrokken om met hun kunsten schatten te

verdienen, dansers, zangers, lierelieden, acrobaten, vuistvechters,

schildvechters, schermmeesters, die jonge krijgslieden kunsttrekken

leerden met de saks of de bijl of het mes; en om hun kracht te toonen,

staken zij hun wapen vóór de tent waarin zij woonden, in een stuk

lindenhout en wie zijn wapen daarnaast stak nam een tweegevecht aan met

den eigenaar van ’t wapen. Er kwamen jagers uit de bosschen, die vellen

te ruil boden of mammouth-tanden, gevonden in holen; boeren met

gelooide huiden, waarvan schilden, riemen en tuigen gemaakt konden

worden; smeden, van den stam der Simnoten, die woonden in ’t verre land

van de reuzen, ruilden zwaarden, bijlen en speren tegen barnsteen en

hadden in de open lucht smidsen opgericht, waar zij voor de oogen van

den kooper, de wapens smeedden uit staven ijzer, die ze op groote

wagens, door krijgsgevangenen getrokken, hadden aangevoerd. En wel

vaak, wanneer koopers de smeden wilden bedriegen of op de hoedanigheid

hunner waar afdongen, ontstonden er gevechten en partijen werden

gevormd, tot aan beide zijden dooden en gewonden waren gevallen. Er

waren groote tenten opgericht, waar meê werd geschonken uit horens of

aarden nappen en kroezen en anderen waar eetwaren te ruil waren,

hammen, gerookt paardevleesch, versch rundvleesch, visch, brood en

honingkoek.

Ook stroomden van alle zijden de mannen toe, die naar de hand van

Harimona dongen en naar de huwelijksvoorwaarden kwamen vernemen. Er

waren veel jongelieden van hooge geboorte, maar ook reeds mannen van

middelbaren leeftijd en zelfs grijsaards, die kinds verlekkerd op de

groote schatten van de priesteres, meenden met meer kans van slagen dan

melkmuilen, den strijd met den draak, den hond en de geit te kunnen

aanbinden. Er waren méér dan honderd aanbidders, velen in

statie-gewaden, begeleid door groot gevolg van krijgers en ruiters en

wagens volgeladen met geschenken. Anderen, heel arm en heel eenvoudig,

met geen anderen uitzet, dan hun wapen, hun gespierd lichaam en hun

jeugdigen moed. Ook wel slanke, kleine lieden van den stam der Sueven,

die vaardig waren in ’t spreken op den Ding of beroemd wegens hun

sproketalent of wegens hun fraaie stem en ’t blazen op den jachthoren

of het tokkelen op den Keltischen lier. [6] Er waren minnaars, die knap

waren in het kerven van runen in plankjes van lindehout en minnaars,

die den Oceaan bevoeren en wachtend op de feestdagen, verhalen deden

aan de lieden, die met hun mêde dronken van de verre landen, die zij

gezien hadden en de monsters, die leefden in de verre zeeën, daar waar

het dieplood schuinhangt, omdat de wereld er eindigt en de baaierd er

aanvangt. Eerwaardige grijsaards kwamen om een uitspraak te hooren in

vragen van meent-recht en grens-geschil.

Al deze lieden legerden zich in een wijden kring rondom de heilige haag

in afwachting van het Nieuwjaarsfeest en de verschijning van de groote

priesteres, zoodat men, van de heuvels komend, zoover het oog reikte,

beneden langs den oever van den stroom, welks naam door elken stam

bijna anders uitgesproken werd (doch zelden zonder de R-klank aan ’t

begin, klank-nabootsing van ’t geluid, dat het stroomende water

maakte,) tenten zag en nieuw-opgetrokken hutten en wagenparken en

paarden-stallingen.

Harimona had zich nog niet vertoond aan het volk doch Maresag, de hooge

priester, deed elken dag, hoog op een wagen gezeten, die door hoorigen

getrokken werd, een rondgang door de streek en gaf bevelen en

verwelkomde bekenden en deelde zegeningen of vermaningen uit, troostte

zieken en verminkten, die zich dicht nabij de wagen drongen, smeekend

om spoedig toegelaten te worden. Onderwijl nam hij kennis van de

geschenken, die men had medegebracht en noemde de dagen, waarop

Harimona voor de schenkers te zien en te spreken zou zijn, degenen die

de grootste offers en geschenken met zich voerden, den voorrang gevend

boven de armen maar sluwlijk, opdat geen ontevredenheid zou ontstaan,

enkele zéér armen, doende voorgaan aan prinsen en hertogen, die niet

minder dan drie schepel barnsteen brachten. Zoo kwam de prins van

Abalus, die twaalf stukken barnsteen ter groote van een mansvuist

bracht, eerst na een aan moeraskoorts lijdende Kaninefaat, die niets

dan een kleine koehuid had te schenken. En om vooral tot geven aan te

moedigen en te toonen, hoe weinig ’t geen men schonk beteekende

tegenover ’t geen reeds verzameld was in den haagschuren, verleende hij

verlof tot het bezichtigen van de schatten van Harimona. En van den

vroegen morgen tot zonsondergang schoof een breede rij van zich

opdringende mannen en vrouwen langs de houten schutten, waarachter op

kleurige doeken de schatten van den haag van Renigo lagen uitgestald;

gouden vaatwerk, kannen, schotels, drinkbekers, zilveren platen, gouden

en zilveren kleinoodiën als armringen, polsbanden, borsttooisels van

gouddraad, gouden en zilveren oorringen, hoofd- en voorhoofdspangen,

gewijde zwaarden van brons, bronzen en ijzeren helmen, lansen, speren,

bogen van zeldzaam hout, pijlen met punten van gepolijst agaat,

kettingen van gouden, zilveren en bronzen schakels, schalen vol

barnsteen. Er waren gouden kooien met vreemdkleurige vogels, geschenken

van zeelieden, vellen van leeuwen en panters, gewaden van purper laken,

van gevlochten kameelhaar, van roomblanke lamswol en ook reeds kleine

bakjes met gouden en zilveren munten, die uit „het vreemde land”

stamden. En in een tweede schuur zag men de zegeteekenen van Harimona.

Daar hingen in grooten getale krukken van lieden, die door de

priesteres waren genezen van lamheid en van voeteuvels en plankjes van

lindenhout met ingekerfde runen en de weinigen, die deze lezen konden,

stonden daarbij en lazen tegen loon met luider stemme de beteekenis.

„Dank van Awjones, genezen van de koorts.” „Dank van Thietmar, bevrijd

van den kwaden geest.” „Dank van Baduwini, dochter van den Fries

Tsjick, opgewekt uit den doode.” „Dank van den stam der Nerviërs, door

Harimona ten zegen gevoerd.” „Dank aan Harimona, voor den rijken oogst

in Lekelau.”

Het luide roepen van de runen-lezers klonk tot buiten de schuur, waar

de zieken en gebrekkigen lagen, luisterend naar de hoopgevende klanken

en—o wonderkracht der heilige maagd Harimona, geboren uit den heiligen

geest,—het gebeurde al dat enkele, bezeten van een demon of lijdend aan

een verstijfd been of een ongeneeselijke wond, plotseling opsprongen,

juichend riepen, dat zij genezen waren door de nabijheid der priesteres

alleen en men zag menschen, die zooeven nog strompelden, hun kruk

wegwerpen en wegrennen dwars over den weg heen naar hun hut of anderen,

die zooeven nog een etterende wond op den arm of de heup of den

schouder getoond hadden, nu genezen, met niet anders dan een roode moet

op de plaats, waar zooeven de wonde nog was en rondom hen drong zich de

menigte om te zien en te bewonderen; men wierp geschenken toe aan den

geheelde, sandalen, gespen, riemen, hoofddoeken, ja er waren er, die

hun nieuw hemelsblauw statie-overkleed ruilden voor een stukje van het

grauwe, vervuilde overkleed van den geheelde of zelfs voor een stukje

van de beëtterde wondlap, om een toonbaar bewijs te hebben van ’t

wonder, dat onder hun oogen geschied was.

Men begon, toen dit alles bekend werd, in ’t geheele reusachtige kamp

met ongeduldig verlangen te zien naar de heilige haag, waar de groote

priesteres woonde. Lange poozen achtereen stonden groepen te kijken

naar het wuiven van het loover der hooge eiken, die de haag afsloten.

Moedigen slopen ’s nachts tot heel dichtbij, legden hun oor op den

grond om beter te kunnen hooren en dan vernamen zij vreemde geluiden

als van heel vèr koorgezang of ook wel kreten of het sjirpen van een

zwaard, dat gewet werd. Enkelen, die getracht hadden eikels te rapen

van de heilige boomen, waren betrapt door de wachters of door de groote

waakhonden, die zich woedend op hen wierpen en hun levend verscheurd

zouden hebben, als de wachters ze niet hadden bevrijd. Dan kregen ze

met het plat van de korte zwaarden slagen op den rug en op de

handpalmen en zij bleven dagen lang verscholen in hun wagen of hun hut,

zich schamend herkend te worden als betrapte dieven. Gelukte het echter

een eikel te stelen, dan werd die als amulet gedragen of sommigen

sneden ze in kleine stukjes, die ze ruilden door brood en vleesch en

bier en de koopers aten de stukjes op, omdat ze voorbehoedmiddelen

tegen de kwade geesten en ziekten waren. Harimona, in haar groote hut,

versierd met loover, bloemen en vruchten, lag vermoeid en apathisch op

haar leger van eiderdons. Haar priesteressen brachten haar bericht van

den grooten toeloop buiten, zoo groot als nog nooit te voren en

verhaalden van de vele bruidegoms, van de rijke geschenken, van de

wonderdadige genezingen. En Maresag, na zijn dagelijksche rondgang,

kwam bij haar, vertelde van de nieuwe geschenken en offers, roemde de

rijke en voorname bruidegoms en vroeg dan angstig of zij zich al door

den geest bezield voelde.

Maar zij schudde moe het hoofd, en zei droevig, dat de heilige geest

uitbleef. Dan keef Maresag ongeduldig, bezwoer haar, dat zij een begin

zou maken, wees haar op het rijzen van de nieuwe maan, die bloedrood en

zwaar aan den hemel stond en die de laatste maan van dit jaar zou zijn.

Vóór de winter aanbrak, moest het feest gevierd worden.

Zij bleef lusteloos en treurig. Hij stak een vuur van twijgjes aan en

brandde er kruiden en poeiers op, die de extase bevorderen. Doch zij

hoestte, stiet een luik open, kreet dat de visioenen niet wilden komen.

Als hij dan alleen met haar was, begon hij haar verwijten te doen,

schold haar uit, spuwde haar in ’t gelaat, noemde haar een hure, een

iverskind, stompte haar, trapte haar, dreigde haar met een zwaard, dat

hij voor haar oogen aanzette, te onthoofden.

Zij bleef hem lusteloos aanzien, verzette zich niet en hij trad dan

naar buiten, opeens weder kalm, met waardigen tred en ’t hoofd met den

langen, grijzenden baard opgeheven, deelde hij de op een afstand bij de

offersteenen wachtende druïdessen mede, dat de heilige geest gekomen

was, maar door booze geesten was verdreven, doch morgennacht weer zou

keeren. En als hij waardig en statig zijn donkere hut intrad, begonnen

de druïdessen de zachte wijzen in koor te zingen, die den heiligen

geest moesten bekoren en verleiden om in de haag te blijven toeven.

Zij dan, Harimona, zat eenzaam op haar leger en luisterde droevig naar

dien zang en wierp zich plotseling neder en begon te weenen, snikte,

kreet, trilde, griste met gekromde vingers door haar volle haren en na

dien aanval van woede, viel ze weer moede neder en starend door het

open luik naar de maan, die uit wazen van rossig parelmoeren wolkjes

oprees, zuchtte ze: O, dat du min god waret.... Alles, alles is

leugen!....

Germania(#73888) · 第 9 / 44 题