De herfst [4] was aangebroken in het land Renigo en bij de heilige haag
maakte men zich gereed om het nieuwjaarsfeest te vieren. Van alle
landen naderden de menschen om Harimona, de heilige maagd, offeranden
en schatting te brengen en haar in ruil daarvoor te vragen, hoe het
nieuwe jaar voor hen en de hunnen zou zijn. Vorsten kwamen om haar
oordeel te vernemen over den afloop van krijgstochten, die zij hoopten
te beginnen en anderen, die naar een ander land met hun volk wilden
trekken, kwamen vragen in welke richting hun ’t geluk wachtte en in
welke richting onheil broeide. Die uit streken kwamen waar slechte
oogsten binnengehaald waren of misgewas heerschte, zouden haar om
amuletten tegen de booze geesten van hun land smeeken. Zeevaarders, die
groote reizen wilden ondernemen, kwamen te voren haar naar de te voeren
koers vragen. Er waren zieken van alle hemelstreken, die bij haar
genezing kwamen zoeken. Er waren moeders, die kinderloos bleven en
vreesden door hun mannen verstooten te zullen worden. En misdadigers,
die wroeging gevoelden en aflaat bij haar zochten; hebzuchtigen, die de
plaatsen wilden weten waar groote schatten verborgen lagen; jonge
krijgslieden, die hun zwaarden wilden doen zegenen en door haar doopen;
lieden uit dorre streken kwamen haar de plaats vragen, waar
onderaardsche wellen barnden; lieden uit landen, waar men door vloeden
geteisterd werd, kwamen bij haar naar het middel om droogte te krijgen,
zoeken. Er kwamen kreupelen, lammen, gebochelden, blinden, dooven,
lijders aan vallende ziekte. Maar die de zwarte ziekte hadden, mochten
niet komen binnen de grens van Renigo, omdat zij verdoemden waren, wier
kwaal alleen met den dood geboet kon worden.
Van alle heerwegen, te water en te land, te voet en te paard, in
huifwagens, op ezels en zelfs op kameelen en mammouths, [5] kwamen de
menschen naar Renigo om hulp en voorlichting en troost. Maar ook waren
er velen, die alleenlijk optrokken om met hun kunsten schatten te
verdienen, dansers, zangers, lierelieden, acrobaten, vuistvechters,
schildvechters, schermmeesters, die jonge krijgslieden kunsttrekken
leerden met de saks of de bijl of het mes; en om hun kracht te toonen,
staken zij hun wapen vóór de tent waarin zij woonden, in een stuk
lindenhout en wie zijn wapen daarnaast stak nam een tweegevecht aan met
den eigenaar van ’t wapen. Er kwamen jagers uit de bosschen, die vellen
te ruil boden of mammouth-tanden, gevonden in holen; boeren met
gelooide huiden, waarvan schilden, riemen en tuigen gemaakt konden
worden; smeden, van den stam der Simnoten, die woonden in ’t verre land
van de reuzen, ruilden zwaarden, bijlen en speren tegen barnsteen en
hadden in de open lucht smidsen opgericht, waar zij voor de oogen van
den kooper, de wapens smeedden uit staven ijzer, die ze op groote
wagens, door krijgsgevangenen getrokken, hadden aangevoerd. En wel
vaak, wanneer koopers de smeden wilden bedriegen of op de hoedanigheid
hunner waar afdongen, ontstonden er gevechten en partijen werden
gevormd, tot aan beide zijden dooden en gewonden waren gevallen. Er
waren groote tenten opgericht, waar meê werd geschonken uit horens of
aarden nappen en kroezen en anderen waar eetwaren te ruil waren,
hammen, gerookt paardevleesch, versch rundvleesch, visch, brood en
honingkoek.
Ook stroomden van alle zijden de mannen toe, die naar de hand van
Harimona dongen en naar de huwelijksvoorwaarden kwamen vernemen. Er
waren veel jongelieden van hooge geboorte, maar ook reeds mannen van
middelbaren leeftijd en zelfs grijsaards, die kinds verlekkerd op de
groote schatten van de priesteres, meenden met meer kans van slagen dan
melkmuilen, den strijd met den draak, den hond en de geit te kunnen
aanbinden. Er waren méér dan honderd aanbidders, velen in
statie-gewaden, begeleid door groot gevolg van krijgers en ruiters en
wagens volgeladen met geschenken. Anderen, heel arm en heel eenvoudig,
met geen anderen uitzet, dan hun wapen, hun gespierd lichaam en hun
jeugdigen moed. Ook wel slanke, kleine lieden van den stam der Sueven,
die vaardig waren in ’t spreken op den Ding of beroemd wegens hun
sproketalent of wegens hun fraaie stem en ’t blazen op den jachthoren
of het tokkelen op den Keltischen lier. [6] Er waren minnaars, die knap
waren in het kerven van runen in plankjes van lindehout en minnaars,
die den Oceaan bevoeren en wachtend op de feestdagen, verhalen deden
aan de lieden, die met hun mêde dronken van de verre landen, die zij
gezien hadden en de monsters, die leefden in de verre zeeën, daar waar
het dieplood schuinhangt, omdat de wereld er eindigt en de baaierd er
aanvangt. Eerwaardige grijsaards kwamen om een uitspraak te hooren in
vragen van meent-recht en grens-geschil.
Al deze lieden legerden zich in een wijden kring rondom de heilige haag
in afwachting van het Nieuwjaarsfeest en de verschijning van de groote
priesteres, zoodat men, van de heuvels komend, zoover het oog reikte,
beneden langs den oever van den stroom, welks naam door elken stam
bijna anders uitgesproken werd (doch zelden zonder de R-klank aan ’t
begin, klank-nabootsing van ’t geluid, dat het stroomende water
maakte,) tenten zag en nieuw-opgetrokken hutten en wagenparken en
paarden-stallingen.
Harimona had zich nog niet vertoond aan het volk doch Maresag, de hooge
priester, deed elken dag, hoog op een wagen gezeten, die door hoorigen
getrokken werd, een rondgang door de streek en gaf bevelen en
verwelkomde bekenden en deelde zegeningen of vermaningen uit, troostte
zieken en verminkten, die zich dicht nabij de wagen drongen, smeekend
om spoedig toegelaten te worden. Onderwijl nam hij kennis van de
geschenken, die men had medegebracht en noemde de dagen, waarop
Harimona voor de schenkers te zien en te spreken zou zijn, degenen die
de grootste offers en geschenken met zich voerden, den voorrang gevend
boven de armen maar sluwlijk, opdat geen ontevredenheid zou ontstaan,
enkele zéér armen, doende voorgaan aan prinsen en hertogen, die niet
minder dan drie schepel barnsteen brachten. Zoo kwam de prins van
Abalus, die twaalf stukken barnsteen ter groote van een mansvuist
bracht, eerst na een aan moeraskoorts lijdende Kaninefaat, die niets
dan een kleine koehuid had te schenken. En om vooral tot geven aan te
moedigen en te toonen, hoe weinig ’t geen men schonk beteekende
tegenover ’t geen reeds verzameld was in den haagschuren, verleende hij
verlof tot het bezichtigen van de schatten van Harimona. En van den
vroegen morgen tot zonsondergang schoof een breede rij van zich
opdringende mannen en vrouwen langs de houten schutten, waarachter op
kleurige doeken de schatten van den haag van Renigo lagen uitgestald;
gouden vaatwerk, kannen, schotels, drinkbekers, zilveren platen, gouden
en zilveren kleinoodiën als armringen, polsbanden, borsttooisels van
gouddraad, gouden en zilveren oorringen, hoofd- en voorhoofdspangen,
gewijde zwaarden van brons, bronzen en ijzeren helmen, lansen, speren,
bogen van zeldzaam hout, pijlen met punten van gepolijst agaat,
kettingen van gouden, zilveren en bronzen schakels, schalen vol
barnsteen. Er waren gouden kooien met vreemdkleurige vogels, geschenken
van zeelieden, vellen van leeuwen en panters, gewaden van purper laken,
van gevlochten kameelhaar, van roomblanke lamswol en ook reeds kleine
bakjes met gouden en zilveren munten, die uit „het vreemde land”
stamden. En in een tweede schuur zag men de zegeteekenen van Harimona.
Daar hingen in grooten getale krukken van lieden, die door de
priesteres waren genezen van lamheid en van voeteuvels en plankjes van
lindenhout met ingekerfde runen en de weinigen, die deze lezen konden,
stonden daarbij en lazen tegen loon met luider stemme de beteekenis.
„Dank van Awjones, genezen van de koorts.” „Dank van Thietmar, bevrijd
van den kwaden geest.” „Dank van Baduwini, dochter van den Fries
Tsjick, opgewekt uit den doode.” „Dank van den stam der Nerviërs, door
Harimona ten zegen gevoerd.” „Dank aan Harimona, voor den rijken oogst
in Lekelau.”
Het luide roepen van de runen-lezers klonk tot buiten de schuur, waar
de zieken en gebrekkigen lagen, luisterend naar de hoopgevende klanken
en—o wonderkracht der heilige maagd Harimona, geboren uit den heiligen
geest,—het gebeurde al dat enkele, bezeten van een demon of lijdend aan
een verstijfd been of een ongeneeselijke wond, plotseling opsprongen,
juichend riepen, dat zij genezen waren door de nabijheid der priesteres
alleen en men zag menschen, die zooeven nog strompelden, hun kruk
wegwerpen en wegrennen dwars over den weg heen naar hun hut of anderen,
die zooeven nog een etterende wond op den arm of de heup of den
schouder getoond hadden, nu genezen, met niet anders dan een roode moet
op de plaats, waar zooeven de wonde nog was en rondom hen drong zich de
menigte om te zien en te bewonderen; men wierp geschenken toe aan den
geheelde, sandalen, gespen, riemen, hoofddoeken, ja er waren er, die
hun nieuw hemelsblauw statie-overkleed ruilden voor een stukje van het
grauwe, vervuilde overkleed van den geheelde of zelfs voor een stukje
van de beëtterde wondlap, om een toonbaar bewijs te hebben van ’t
wonder, dat onder hun oogen geschied was.
Men begon, toen dit alles bekend werd, in ’t geheele reusachtige kamp
met ongeduldig verlangen te zien naar de heilige haag, waar de groote
priesteres woonde. Lange poozen achtereen stonden groepen te kijken
naar het wuiven van het loover der hooge eiken, die de haag afsloten.
Moedigen slopen ’s nachts tot heel dichtbij, legden hun oor op den
grond om beter te kunnen hooren en dan vernamen zij vreemde geluiden
als van heel vèr koorgezang of ook wel kreten of het sjirpen van een
zwaard, dat gewet werd. Enkelen, die getracht hadden eikels te rapen
van de heilige boomen, waren betrapt door de wachters of door de groote
waakhonden, die zich woedend op hen wierpen en hun levend verscheurd
zouden hebben, als de wachters ze niet hadden bevrijd. Dan kregen ze
met het plat van de korte zwaarden slagen op den rug en op de
handpalmen en zij bleven dagen lang verscholen in hun wagen of hun hut,
zich schamend herkend te worden als betrapte dieven. Gelukte het echter
een eikel te stelen, dan werd die als amulet gedragen of sommigen
sneden ze in kleine stukjes, die ze ruilden door brood en vleesch en
bier en de koopers aten de stukjes op, omdat ze voorbehoedmiddelen
tegen de kwade geesten en ziekten waren. Harimona, in haar groote hut,
versierd met loover, bloemen en vruchten, lag vermoeid en apathisch op
haar leger van eiderdons. Haar priesteressen brachten haar bericht van
den grooten toeloop buiten, zoo groot als nog nooit te voren en
verhaalden van de vele bruidegoms, van de rijke geschenken, van de
wonderdadige genezingen. En Maresag, na zijn dagelijksche rondgang,
kwam bij haar, vertelde van de nieuwe geschenken en offers, roemde de
rijke en voorname bruidegoms en vroeg dan angstig of zij zich al door
den geest bezield voelde.
Maar zij schudde moe het hoofd, en zei droevig, dat de heilige geest
uitbleef. Dan keef Maresag ongeduldig, bezwoer haar, dat zij een begin
zou maken, wees haar op het rijzen van de nieuwe maan, die bloedrood en
zwaar aan den hemel stond en die de laatste maan van dit jaar zou zijn.
Vóór de winter aanbrak, moest het feest gevierd worden.
Zij bleef lusteloos en treurig. Hij stak een vuur van twijgjes aan en
brandde er kruiden en poeiers op, die de extase bevorderen. Doch zij
hoestte, stiet een luik open, kreet dat de visioenen niet wilden komen.
Als hij dan alleen met haar was, begon hij haar verwijten te doen,
schold haar uit, spuwde haar in ’t gelaat, noemde haar een hure, een
iverskind, stompte haar, trapte haar, dreigde haar met een zwaard, dat
hij voor haar oogen aanzette, te onthoofden.
Zij bleef hem lusteloos aanzien, verzette zich niet en hij trad dan
naar buiten, opeens weder kalm, met waardigen tred en ’t hoofd met den
langen, grijzenden baard opgeheven, deelde hij de op een afstand bij de
offersteenen wachtende druïdessen mede, dat de heilige geest gekomen
was, maar door booze geesten was verdreven, doch morgennacht weer zou
keeren. En als hij waardig en statig zijn donkere hut intrad, begonnen
de druïdessen de zachte wijzen in koor te zingen, die den heiligen
geest moesten bekoren en verleiden om in de haag te blijven toeven.
Zij dan, Harimona, zat eenzaam op haar leger en luisterde droevig naar
dien zang en wierp zich plotseling neder en begon te weenen, snikte,
kreet, trilde, griste met gekromde vingers door haar volle haren en na
dien aanval van woede, viel ze weer moede neder en starend door het
open luik naar de maan, die uit wazen van rossig parelmoeren wolkjes
oprees, zuchtte ze: O, dat du min god waret.... Alles, alles is
leugen!....