Sogol, de Nerviër, was een vluchteling, die leefde in de Ravenstroth,
het dichte gevaarlijke bosch, waar ook de Gröhl van den Nickelman ligt
en waarin niemand kan doordringen of hij wordt betooverd.
Zijn vader, een Bellovaaksche hertog, was dikwerf op ’t oorlogspad;
zijn moeder, de beroemde Nervische heelmeesteres Spûr, die eens den
Frieschen koning Verritus genezen had van een beenwond, die hij bij een
val tijdens een hardrijderij op schaatsen, had gekregen. De koning had
Spûr rijk beloond, haar eerste kind, dat Sogol geweest was, als
naamling aangenomen.
Met zijn moeder zocht Sogol reeds als kind geneeskrachtige kruiden in
bosch en veld en spelend leerde hij haar heelkunst en zag hoe zij de
kruiden droogde, ziedde, mengde, tot poeder stampte en hoe zij de
werking beproefde door ze aan konijnen, eekhoorns en honden in te geven
en te onderzoeken of ze braakten of buikloop kregen of bevingen of
krampen of stierven. Toen hij ouder werd, trok hij met haar mede, als
zij bij koningen en hertogen werd geroepen om te heelen en hij had zoo
al jong, toegang gehad tot kringen, waar andere kinderen uit het volk
nooit kwamen en hij had toestanden leeren kennen, die ieder voor
ongeloofelijk zou hebben gehouden. Hij was met zijn moeder geroepen
naar de priesteressenhaag van Nehalennia op Walcheren, waar de
reivoerster, die ’t heilige offer de keel mag doorsnijden, lag met
gezwollen buik en pijnlijke heupen. Zij hadden beiden gedacht, moeder
en zoon, dat de priesteres aan de jicht leed en haar gewreven met
bilzenkruid opgelost in een mengsel van ongeaschte boter en was. Maar
hoe groot was hun verwondering geweest, toen de priesteres begon te
krijten als eene, die in de weeën ligt en een kind ter wereld bracht.
De priesteres had hun een gouden vaas willen geven en een rood-lederen
paardetoom als ze getuigen wilden, dat het kind door de genade van
Nehalennia was geboren, zonder dat er gemeenschap was geweest met een
man, maar Spûr was opgestaan en had haar jongen met zich medevoerende,
de geschenken geweigerd. Dan voor de haag, had ze luide geroepen:
„Liderlicke Hure, fluch si dir!”
Ook was zijn moeder geroepen in de heilige hagen te Mosarik, bij
Dûnebarg, bij Forbarg en Bírtâ. [2] En telkens waren zij verbolgen
huiswaarts gekeerd. De priesteressen en de priesters leden aan ziekten,
gevolgen van ontucht of zwelgerij en altoos weer hadden zij de eerbare
Spûr willen omkoopen en haar bezworen, toch niets aan het volk bekend
te maken en de geboorten als kuische, door de heilige beroering van den
Geest ontstaan, te willen aankondigen. Maar zij had loon geweigerd en
na heur hulp verleend te hebben, had zij ze kloek in heur krachtige
taal gesmaad en was met heur zoon weggegaan, nog langs den weg het volk
vertellend, wat zij ervaren had en het opzettend, de liederlijke bent
van priesters en priesteressen weg te jagen, die zeker den toorn van
Nehalennia over de landen zou brengen.
En toen haar voorspelling uitkwam, de zwarte ziekte uitbrak, eerst te
Bírtâ en toen te Dûnebarg en overal waar maar hagen van Nehalennia
waren, werd het volk oproerig en schoolde voor de hagen saam en
vervloekte de ontuchtige priesterschaar. Dat kwam ook ter oore van den
reivoerder in ’t Bosch-van-den-Heertoog en de Hertog riep den Raad der
oude Priesters bijeen, die verantwoordelijk gemaakt werden. Deze nu
beraadslaagden en deden toen kond, dat de godin Nehalennia ondervraagd,
geantwoord had, dat zij de ziekten gezonden had wegens een Nervische
tooverkol met name Spûr, die giftige brouwsels en tooverdranken bereid
had en die aan de priesters en priesteressen had ingegeven. Nu moest
Spûr geofferd worden en men lokte haar naar ’t Bosch-van-den-Heertoog
onder voorwendsel, dat de reivoerster ziek was. Zij kwam, als altoos
bereid tot hulp met haar zoon en toen waren ze gevangen gezet en Spûr
van tooverij beschuldigd, moest de waterproef ondergaan. Voor zijn
oogen had de jongen gezien hoe zijn moeder, zijn goede, eerbare moeder,
wier hoogen zin en groote liefderijkheid hij kende, naakt was geworpen
in de kolk en daar, nadat zij driemaal omzichzelve was gedraaid, haar
handen hoog had gestrekt naar hem en hem had toegeroepen één woord
„Wraak!”, toen was gezonken, na hem nog éénmaal te hebben aangezien.
Dien blik vergat de knaap nooit en voortaan leefde hij voor de wraak.
Maar de priesters waren sterk, hier in ’t land en ver naar het
binnenland waar de hooge bergen zijn en hij was gevlucht, van stede tot
stede, altoos in gevaar omgebracht te worden, want ’s nachts sloop hij
in de heilige hagen en hij sloeg de offerblokken tot gruizels en hij
hing hanen aan één poot in de heilige eiken, om ze de wijding te
ontnemen en hij deed zijn gevoeg voor de hutten, waar de offers werden
bewaard.
Maar nu werden honden bij de hagen vastgelegd, die begonnen te bassen,
als hij naderde en dan kwamen de wachters en vervolgden hem. Toen trok
hij naar zijn vader, die terug was gekomen van het Paarden-eiland, waar
hij al die jaren had gewoond, omdat hij medegestreden had tegen die van
het Groene Eiland, die zoo rijk aan schapen zijn, dezelfde die willen
weten, dat de Velagers aan hen zijn verzwagerd en de Bedekauwers
vreemdelingen heeten, die uitgedreven moesten worden, in stede van
recht op schatting te hebben. Toen hij zijn vader verteld had van het
wedervaren zijner moeder en daarna hoe hij zich gewroken had, was zijn
vader vertoornd geweest, had zijn moeder gevloekt en hem met smaad
weggejaagd. Want de vader, die zeer vroom was, zeide dat hij
leugenpraat sprak en dat zijn moeder een vrouw uit het volk was
geweest, die niet tegen priesters en priesteressen had op te spelen en
dat zij, door het volk op te hitsen een kwalijke daad had gedaan, die
wèl met den dood gestraft had verdiend te worden.
Want hij, de vader, hoewel ook ontsproten uit den stand der hoorigen,
was door vroomheid en moed verheven tot hertog en nu, na den strijd
tegen die van ’t Groene Eiland, waarvan hij drie skiggen buit had
medegebracht, zou hij naar de koningswaardigheid staan en zeker zouden
de priesters op het Ding hem afvallen, als zij wisten, dat hij een zoon
had, als Sogol, die de heilige hagen had ontwijd en nooit als zijn
opvolger geduld zou worden.
Zoo was dan Sogol verjaagd en hij was getrokken naar de Ravenstroth,
die woest lag, omdat geen wezen zich er in waagde, vanwege den
Nickelman en al de vele booze geesten, die er huisden.
Hier, in de eenzame woestenij, was de jongeling opgegroeid, zich
voedend met de vruchten en kruiden, die hij kende, met visch, die hij
ving in de Gröhl van Nickelman en met klein wild, dat hij in strikken
verschalkte. Hij had geen anderen geest om aan te roepen, dan dien van
zijn overleden moeder, voor wien hij een altaar gebouwd had van
steenen, die rondom de Gröhl lagen. Maar hij wijdde hem geen dieren en
geen bloed, doch vruchten en bloemen en kruiden, zooals de blauwe
kolebei en de zoete drakenbloedbes, die hij uitdrukte boven den
offersteen, zoodat het scheen of er bloed langs leek en de stekelige
iringis, ten teeken van de wraak, die hij gezworen had en vogelkruid,
rosmarijn en mierik. Ook waren er kruiden, die gedroogd, tot poeder
gewreven en dan gebrand, een dichte blauwe rook gaven en met kleine
vuursterretjes knetterden en dan, als hij voor den offersteen stond,
werd hij zelf licht en voelde zich zweven van de aarde als een geest en
de geest van zijn moeder verscheen hem en zij doorleefden nogmaals het
leven van vroeger, maar nu nog mooier. Hij herdacht dan met haar heel
zijn schoone jeugd, de dagen dat hij met haar langs bosch en veld had
gedwaald om kruiden te zoeken en de liefelijke wintertijd, als zij in
de groote heilhut woonden, waar de brouwketels stonden; hij stookte het
vuur en den heelen winter door aten zij heerlijke honingkoeken en
gerookte zijden en hesp in brooddeeg, en ’s avonds, voor hij slapen
ging, vertelde moeder mooie sproken van het betooverde slot en van de
prinses Herzeloïde en van den wilden jager. Ook gaf zij hem raadsels op
en die raadsels, al lang vergeten, kwamen hem nu weer in den zin.
Hij zat dan stil bij het rookende offer en hij voelde zich weder als
kind en de oude raadsels sprak hij weer uit, zooals moeder dat gedaan
had en hij gaf zichzelf het antwoord.
Hinder de Haus,
Pfloegt Vetter Kraus,
On Pfloeg, On Peerd,
Is it nit de Moë weert.... [3]
Dat was: de mol.
En dan weer:
Twi Köp en Twi Arme
Zes Bin en zes Tin,
Op vire nar nu gin....
Dat was: de ruiter en ’t peerd.
En dan weer:
Da kommt di Man van Tippen-Tappen,
Hat di Rock mit bonte Lappe,
Darbije nog sin rote Bart,
Rate, Rate, wat vor Art....
Dat was: de haan.
Als hij dan niet kon slapen, had hij moeke om nog een raadsel gevraagd
en nog een, en nog een heel zwaar, dat niet te raden was.
Gâte bi gâte joch,
’t Halt toch!
Dit was moeielijk geweest en peinzend was hij in slaap gevallen en ’s
morgens had hij moeke om ’t antwoord gevraagd, maar hij moest denken
zei ze en den heelen dag had hij gedacht en ’s avonds weer en zoo tot
de week om was en toen had moeke dan de brouwpot van ’t vuur genomen en
rinkele-rinkele tegen de ketting geslagen en ja, dat was het,
Gâte bi gâte joch,
’t Halt toch!
Na die oogenblikken van herinnering, was hij dagen achtereen bedroefd
en weende om zijn moeder. Hij zou het spreken verleerd hebben, wanneer
hij niet de gewoonte had aangenomen veel hardop met haar geest te
praten, want geen sterveling drong in het bosch door, waar hij woonde.
Zoo had hij rust en overvloed, maar de eenzaamheid drukte hem en hij
verlangde naar een vrouw. Daarom was hij ’s nachts gaan rondzwerven
buiten het bosch. Op een nacht was hij wat ver gaan dwalen en vond den
weg niet zoo spoedig terug naar de Ravenstroth. Vermoeid viel hij ten
laatste neder. Toen de zon opging, werd hij slapende ontdekt door een
troep maaiers. Zij waren beangst, begonnen misbaar te maken en riepen
in koor:
Wilde Mân, Wilde Mân,
Du mot gân, du mot gân,
’k Zal din hare stroopen,
Als di nit gaat loopen....
Hij ontwaakte op hun geschrei, stond op en nu vluchtten de maaiers en
maaisters naar alle zijden. Eerst toen zij zagen, dat hij ze niet
najoeg bleven ze staan, eerst de mannen en dan de vrouwen en van verre
begonnen ze weer hun wijsje te zingen.
Sogol, die nu bij ’t daglicht den rechten weg dadelijk vond, liep naar
de Ravenstroth terug, maar in zijn hut gekomen, hoorde hij nog altijd
in gedachten het tergende wijsje.
Zij hielden hem dus voor een wilden man en spraken bezwerings-spreuken.
Hij kende die wijsjes, had ze als kleine jongen wel meegezongen met de
kinderen van het dorp, als ze wisten waar een kwaden geest zat, die ze
allen te samen gingen tergen om hem het verblijf onhoudbaar te maken.
Waren wellicht die andere kwade geesten ook menschen, gewone menschen,
zooals hij, geweest? Een twijfel kwam in zijn gemoed sluipen. Als eens
alle geesten menschen waren? En de nikkers, en de asen en de recken en
de elfen? Wat hij van de priesters, de priesteressen en hun verhalen
denken moest, wist hij. Hij lag lang na te denken. Vreemd, zoolang
leefde hij nu al hier, wel zesmaal was ’t al winter geweest en hoewel
hij op alle uren van den dag en den nacht in de Ravenstroth had
gewaakt, nog nooit had hij een nix of een elf gezien en Nickelman, die
bij elke nieuwe maan heette uit de Gröhl op te stijgen, had hij ook
nooit ontwaard hoewel hij toch vaak bij nieuwe maan zijn fuik had
uitgezet.
Hij had dikwerf zonderlinge geluiden gehoord in ’t dichte loover maar
zoo vaak als hij had gespeurd naar den geest, had hij ervaren, dat het
geluid een zichtbare oorzaak had, het knagen van een eekhoorn of het
afbreken van een zwaren tak of het vallen van een nest of ook wel ’t
geluid van vechtende vogels of balgende herten. Nu kende hij bijna alle
geluiden van ’t bosch, hij wist wanneer de uil schreide of de ever
snuffelde of de raven krijschten; of ver de herten galoppeerden of de
hazen lepelden op den maanavond. En soms, wanneer hij ’s nachts door
zoo’n bekend geluid werd gewekt en hij wist meteen, de ever gaat
drinken aan de Gröhl of de vos heeft een fazant verschalkt, dan dacht
hij ook aan ’t geen hij vroeger bij zoo’n geluid zich zou verbeeld
hebben.
Langzamerhand begon hij moediger door te dringen in het geheim van de
stroth en nu hij ondervonden had, hoe lichtvaardig de menschen, een
huns gelijke voor een wildeman hielden, wanneer hij er maar wat woest
uitzag, durfde hij het laatste geheim van de wildernis gaan
doorgronden. Hij brak een lange gevorkte tak van een boom en scherpte
de twee punten van den vork door ze met een steen te slijpen en in ’t
vuur te harden. Toen wachtte hij tot het nieuwe maan was en sloop naar
de Gröhl.
Hij bleef verborgen achter de eikestronk wachten en keek naar het diepe
stroompje, dat tusschen de twee rotsige oevers met kleine kabbeltjes
geulde, blauwzilverig in ’t maanlicht. Maar... daar kwam de
Nickelman.... hij zag de twee gloeiende oogen in ’t kreupelhout. Hij
beefde, hield zijn vork stevig vast om bereid te zijn, wanneer de
Nickelman hem kwaad wilde doen. Doch opeens lachte hij luid-op en door
dien lach verschrikt, sprong een lynx op, die had willen drinken maar
nu vluchtte. Moediger door deze nieuwe ontnuchtering, liep hij naar den
rand van ’t water en riep: „Nickelman, Nickelman!” Doch de Gröhlgeest
dook niet op en nu begon hij hem te tarten en te sarren en uit te
dagen. De watergeest dook nog steeds niet op. Hij sloeg met zijn vork
op ’t water, schold Nickelman uit, beloofde hem dan weer eeuwige
verknochtheid en trouwen dienst, als hij zich liet zien. Nu, geheel
moedig, stapte hij in de Gröhl en sloeg met zijn vork in de golfjes en
stak de vork naar alle zijden heen om hem te treffen, zoo de Gröhlgeest
op den bodem zat. Opeens trilde hij door al zijn leden en uitte een
kreet. Zijn vork werd beetgepakt en naar beneden getrokken. Hij hield
stevig vast, rukte en met alle kracht trok hij de vork naar den kant en
stapte uit het water. Maar de vork werd stevig vastgehouden en ’t was
alsof de geest hem zijn wapen uit de handen wilde wringen. Nu hij
echter op den vasten grond stond, zette hij den voet schrap tegen een
zwaren steen en trok met alle krachten. Die daar beneden verzwakte en
toen Sogol de vork boven ’t water haalde, krinkelde zich om den steel
een armdikke aal, die hij tusschen de vork had vastgespietst.
Hij liet de vork los, die de aal weder in ’t water trok. Maar hij deed
geen moeite om de buit terug te halen. Een diepe gedachte hield hem
bezig. „Er is geen Nickelman!” dacht hij, zoomin als er elfen en nixen
en asen zijn; zoomin als de priesteressen kinderen krijgen van de
geesten, zoomin als er tooverkollen of wilde menschen zijn. Alles is
zichtbaar en wat niet te zien is, bestaat ook niet. En zoo greep de
gedachte hem aan, dat hij dien nacht in de stroth bleef rondloopen,
luide roepend: „Alles is zichtbaar! Alles is zichtbaar!” opzettelijk
daar loopend waar hij de geluiden hoorde, waarvoor hij vroeger angst
had gehad en dan luid schallend roepend: „Alles is zichtbaar!” Op eens
hoorde hij een stem, die hem antwoordde... maar luider, dieper...
„Alles is zichtbaar!”... en toen nogmaals een stem, zwakker en teerder
maar toch duidelijk verstaanbaar: „Alles is zichtbaar!”
Wie riep dat? Moedig drong hij door de dikke struiken en riep opnieuw.
Weer hoorde hij twee stemmen, die antwoordden. Hij dreigde ze. Ze
dreigden terug. Hij riep ze op. Ze riepen hem weder op. En steeds met
zijn zelfde woorden. Voorwaarts drong hij en sloeg met een tak tegen
een boom... een holle slag dreunde en kort daarop zonder dat hij nu
sloeg, hoorde hij eveneens den dreun van een slag en een zachteren slag
daarna. Hij kon niet ontdekken, wie daar sloeg en wie hem antwoordde en
nu weer angstig, liep hij naar zijn hut en legde zich op zijn leger van
vellen en bleef den heelen nacht peinzen. Dus was alles dan toch niet
zichtbaar? Er waren dan toch geesten, die leefden, spraken, riepen,
bedreigden en toch zich onzichtbaar konden maken? Toen het dag was
geworden, haalde hij zijn vork uit de gröhl. Die dreef boven en nog
altijd krinkelde de aal zich vergeefs om zich los te wringen. Hij sloeg
den kop van het dier plat met een steen en droeg het naar de hut om
later te braden. Nu, met zijn wapen, in ’t heldere daglicht, ging hij
weer naar de plaats, waar dien nacht de geest had geroepen. Hij riep
opnieuw: „Alles is zichtbaar!” Het antwoord schalde terug en het tweede
opnieuw. Hij sprong in ’t kreupelhout, prikte met zijn vork naar alle
zijden, maar ditmaal stak hij niet in een dier, doch slechts in ’t ijle
of in bladeren of hagedissen.
En tegen den middag, heesch van ’t roepen en moe van ’t zoeken en
denken, keerde hij naar de hut terug.
Eén enkele gedachten hield hem bezig. „De geest was ten laatste ook
schor geworden, dus was hij ook vermoeid van ’t roepen... Maar als hij
vermoeid raakte, was hij een mensch en geen geest... Morgen zou hij
weer gaan zoeken en overmorgen weer, tot hij hem gevonden had en te
weer kon staan: „Alles is zichtbaar!””