HOOFDSTUK V.

Sogol, de Nerviër, was een vluchteling, die leefde in de Ravenstroth,

het dichte gevaarlijke bosch, waar ook de Gröhl van den Nickelman ligt

en waarin niemand kan doordringen of hij wordt betooverd.

Zijn vader, een Bellovaaksche hertog, was dikwerf op ’t oorlogspad;

zijn moeder, de beroemde Nervische heelmeesteres Spûr, die eens den

Frieschen koning Verritus genezen had van een beenwond, die hij bij een

val tijdens een hardrijderij op schaatsen, had gekregen. De koning had

Spûr rijk beloond, haar eerste kind, dat Sogol geweest was, als

naamling aangenomen.

Met zijn moeder zocht Sogol reeds als kind geneeskrachtige kruiden in

bosch en veld en spelend leerde hij haar heelkunst en zag hoe zij de

kruiden droogde, ziedde, mengde, tot poeder stampte en hoe zij de

werking beproefde door ze aan konijnen, eekhoorns en honden in te geven

en te onderzoeken of ze braakten of buikloop kregen of bevingen of

krampen of stierven. Toen hij ouder werd, trok hij met haar mede, als

zij bij koningen en hertogen werd geroepen om te heelen en hij had zoo

al jong, toegang gehad tot kringen, waar andere kinderen uit het volk

nooit kwamen en hij had toestanden leeren kennen, die ieder voor

ongeloofelijk zou hebben gehouden. Hij was met zijn moeder geroepen

naar de priesteressenhaag van Nehalennia op Walcheren, waar de

reivoerster, die ’t heilige offer de keel mag doorsnijden, lag met

gezwollen buik en pijnlijke heupen. Zij hadden beiden gedacht, moeder

en zoon, dat de priesteres aan de jicht leed en haar gewreven met

bilzenkruid opgelost in een mengsel van ongeaschte boter en was. Maar

hoe groot was hun verwondering geweest, toen de priesteres begon te

krijten als eene, die in de weeën ligt en een kind ter wereld bracht.

De priesteres had hun een gouden vaas willen geven en een rood-lederen

paardetoom als ze getuigen wilden, dat het kind door de genade van

Nehalennia was geboren, zonder dat er gemeenschap was geweest met een

man, maar Spûr was opgestaan en had haar jongen met zich medevoerende,

de geschenken geweigerd. Dan voor de haag, had ze luide geroepen:

„Liderlicke Hure, fluch si dir!”

Ook was zijn moeder geroepen in de heilige hagen te Mosarik, bij

Dûnebarg, bij Forbarg en Bírtâ. [2] En telkens waren zij verbolgen

huiswaarts gekeerd. De priesteressen en de priesters leden aan ziekten,

gevolgen van ontucht of zwelgerij en altoos weer hadden zij de eerbare

Spûr willen omkoopen en haar bezworen, toch niets aan het volk bekend

te maken en de geboorten als kuische, door de heilige beroering van den

Geest ontstaan, te willen aankondigen. Maar zij had loon geweigerd en

na heur hulp verleend te hebben, had zij ze kloek in heur krachtige

taal gesmaad en was met heur zoon weggegaan, nog langs den weg het volk

vertellend, wat zij ervaren had en het opzettend, de liederlijke bent

van priesters en priesteressen weg te jagen, die zeker den toorn van

Nehalennia over de landen zou brengen.

En toen haar voorspelling uitkwam, de zwarte ziekte uitbrak, eerst te

Bírtâ en toen te Dûnebarg en overal waar maar hagen van Nehalennia

waren, werd het volk oproerig en schoolde voor de hagen saam en

vervloekte de ontuchtige priesterschaar. Dat kwam ook ter oore van den

reivoerder in ’t Bosch-van-den-Heertoog en de Hertog riep den Raad der

oude Priesters bijeen, die verantwoordelijk gemaakt werden. Deze nu

beraadslaagden en deden toen kond, dat de godin Nehalennia ondervraagd,

geantwoord had, dat zij de ziekten gezonden had wegens een Nervische

tooverkol met name Spûr, die giftige brouwsels en tooverdranken bereid

had en die aan de priesters en priesteressen had ingegeven. Nu moest

Spûr geofferd worden en men lokte haar naar ’t Bosch-van-den-Heertoog

onder voorwendsel, dat de reivoerster ziek was. Zij kwam, als altoos

bereid tot hulp met haar zoon en toen waren ze gevangen gezet en Spûr

van tooverij beschuldigd, moest de waterproef ondergaan. Voor zijn

oogen had de jongen gezien hoe zijn moeder, zijn goede, eerbare moeder,

wier hoogen zin en groote liefderijkheid hij kende, naakt was geworpen

in de kolk en daar, nadat zij driemaal omzichzelve was gedraaid, haar

handen hoog had gestrekt naar hem en hem had toegeroepen één woord

„Wraak!”, toen was gezonken, na hem nog éénmaal te hebben aangezien.

Dien blik vergat de knaap nooit en voortaan leefde hij voor de wraak.

Maar de priesters waren sterk, hier in ’t land en ver naar het

binnenland waar de hooge bergen zijn en hij was gevlucht, van stede tot

stede, altoos in gevaar omgebracht te worden, want ’s nachts sloop hij

in de heilige hagen en hij sloeg de offerblokken tot gruizels en hij

hing hanen aan één poot in de heilige eiken, om ze de wijding te

ontnemen en hij deed zijn gevoeg voor de hutten, waar de offers werden

bewaard.

Maar nu werden honden bij de hagen vastgelegd, die begonnen te bassen,

als hij naderde en dan kwamen de wachters en vervolgden hem. Toen trok

hij naar zijn vader, die terug was gekomen van het Paarden-eiland, waar

hij al die jaren had gewoond, omdat hij medegestreden had tegen die van

het Groene Eiland, die zoo rijk aan schapen zijn, dezelfde die willen

weten, dat de Velagers aan hen zijn verzwagerd en de Bedekauwers

vreemdelingen heeten, die uitgedreven moesten worden, in stede van

recht op schatting te hebben. Toen hij zijn vader verteld had van het

wedervaren zijner moeder en daarna hoe hij zich gewroken had, was zijn

vader vertoornd geweest, had zijn moeder gevloekt en hem met smaad

weggejaagd. Want de vader, die zeer vroom was, zeide dat hij

leugenpraat sprak en dat zijn moeder een vrouw uit het volk was

geweest, die niet tegen priesters en priesteressen had op te spelen en

dat zij, door het volk op te hitsen een kwalijke daad had gedaan, die

wèl met den dood gestraft had verdiend te worden.

Want hij, de vader, hoewel ook ontsproten uit den stand der hoorigen,

was door vroomheid en moed verheven tot hertog en nu, na den strijd

tegen die van ’t Groene Eiland, waarvan hij drie skiggen buit had

medegebracht, zou hij naar de koningswaardigheid staan en zeker zouden

de priesters op het Ding hem afvallen, als zij wisten, dat hij een zoon

had, als Sogol, die de heilige hagen had ontwijd en nooit als zijn

opvolger geduld zou worden.

Zoo was dan Sogol verjaagd en hij was getrokken naar de Ravenstroth,

die woest lag, omdat geen wezen zich er in waagde, vanwege den

Nickelman en al de vele booze geesten, die er huisden.

Hier, in de eenzame woestenij, was de jongeling opgegroeid, zich

voedend met de vruchten en kruiden, die hij kende, met visch, die hij

ving in de Gröhl van Nickelman en met klein wild, dat hij in strikken

verschalkte. Hij had geen anderen geest om aan te roepen, dan dien van

zijn overleden moeder, voor wien hij een altaar gebouwd had van

steenen, die rondom de Gröhl lagen. Maar hij wijdde hem geen dieren en

geen bloed, doch vruchten en bloemen en kruiden, zooals de blauwe

kolebei en de zoete drakenbloedbes, die hij uitdrukte boven den

offersteen, zoodat het scheen of er bloed langs leek en de stekelige

iringis, ten teeken van de wraak, die hij gezworen had en vogelkruid,

rosmarijn en mierik. Ook waren er kruiden, die gedroogd, tot poeder

gewreven en dan gebrand, een dichte blauwe rook gaven en met kleine

vuursterretjes knetterden en dan, als hij voor den offersteen stond,

werd hij zelf licht en voelde zich zweven van de aarde als een geest en

de geest van zijn moeder verscheen hem en zij doorleefden nogmaals het

leven van vroeger, maar nu nog mooier. Hij herdacht dan met haar heel

zijn schoone jeugd, de dagen dat hij met haar langs bosch en veld had

gedwaald om kruiden te zoeken en de liefelijke wintertijd, als zij in

de groote heilhut woonden, waar de brouwketels stonden; hij stookte het

vuur en den heelen winter door aten zij heerlijke honingkoeken en

gerookte zijden en hesp in brooddeeg, en ’s avonds, voor hij slapen

ging, vertelde moeder mooie sproken van het betooverde slot en van de

prinses Herzeloïde en van den wilden jager. Ook gaf zij hem raadsels op

en die raadsels, al lang vergeten, kwamen hem nu weer in den zin.

Hij zat dan stil bij het rookende offer en hij voelde zich weder als

kind en de oude raadsels sprak hij weer uit, zooals moeder dat gedaan

had en hij gaf zichzelf het antwoord.

Hinder de Haus,

Pfloegt Vetter Kraus,

On Pfloeg, On Peerd,

Is it nit de Moë weert.... [3]

Dat was: de mol.

En dan weer:

Twi Köp en Twi Arme

Zes Bin en zes Tin,

Op vire nar nu gin....

Dat was: de ruiter en ’t peerd.

En dan weer:

Da kommt di Man van Tippen-Tappen,

Hat di Rock mit bonte Lappe,

Darbije nog sin rote Bart,

Rate, Rate, wat vor Art....

Dat was: de haan.

Als hij dan niet kon slapen, had hij moeke om nog een raadsel gevraagd

en nog een, en nog een heel zwaar, dat niet te raden was.

Gâte bi gâte joch,

’t Halt toch!

Dit was moeielijk geweest en peinzend was hij in slaap gevallen en ’s

morgens had hij moeke om ’t antwoord gevraagd, maar hij moest denken

zei ze en den heelen dag had hij gedacht en ’s avonds weer en zoo tot

de week om was en toen had moeke dan de brouwpot van ’t vuur genomen en

rinkele-rinkele tegen de ketting geslagen en ja, dat was het,

Gâte bi gâte joch,

’t Halt toch!

Na die oogenblikken van herinnering, was hij dagen achtereen bedroefd

en weende om zijn moeder. Hij zou het spreken verleerd hebben, wanneer

hij niet de gewoonte had aangenomen veel hardop met haar geest te

praten, want geen sterveling drong in het bosch door, waar hij woonde.

Zoo had hij rust en overvloed, maar de eenzaamheid drukte hem en hij

verlangde naar een vrouw. Daarom was hij ’s nachts gaan rondzwerven

buiten het bosch. Op een nacht was hij wat ver gaan dwalen en vond den

weg niet zoo spoedig terug naar de Ravenstroth. Vermoeid viel hij ten

laatste neder. Toen de zon opging, werd hij slapende ontdekt door een

troep maaiers. Zij waren beangst, begonnen misbaar te maken en riepen

in koor:

Wilde Mân, Wilde Mân,

Du mot gân, du mot gân,

’k Zal din hare stroopen,

Als di nit gaat loopen....

Hij ontwaakte op hun geschrei, stond op en nu vluchtten de maaiers en

maaisters naar alle zijden. Eerst toen zij zagen, dat hij ze niet

najoeg bleven ze staan, eerst de mannen en dan de vrouwen en van verre

begonnen ze weer hun wijsje te zingen.

Sogol, die nu bij ’t daglicht den rechten weg dadelijk vond, liep naar

de Ravenstroth terug, maar in zijn hut gekomen, hoorde hij nog altijd

in gedachten het tergende wijsje.

Zij hielden hem dus voor een wilden man en spraken bezwerings-spreuken.

Hij kende die wijsjes, had ze als kleine jongen wel meegezongen met de

kinderen van het dorp, als ze wisten waar een kwaden geest zat, die ze

allen te samen gingen tergen om hem het verblijf onhoudbaar te maken.

Waren wellicht die andere kwade geesten ook menschen, gewone menschen,

zooals hij, geweest? Een twijfel kwam in zijn gemoed sluipen. Als eens

alle geesten menschen waren? En de nikkers, en de asen en de recken en

de elfen? Wat hij van de priesters, de priesteressen en hun verhalen

denken moest, wist hij. Hij lag lang na te denken. Vreemd, zoolang

leefde hij nu al hier, wel zesmaal was ’t al winter geweest en hoewel

hij op alle uren van den dag en den nacht in de Ravenstroth had

gewaakt, nog nooit had hij een nix of een elf gezien en Nickelman, die

bij elke nieuwe maan heette uit de Gröhl op te stijgen, had hij ook

nooit ontwaard hoewel hij toch vaak bij nieuwe maan zijn fuik had

uitgezet.

Hij had dikwerf zonderlinge geluiden gehoord in ’t dichte loover maar

zoo vaak als hij had gespeurd naar den geest, had hij ervaren, dat het

geluid een zichtbare oorzaak had, het knagen van een eekhoorn of het

afbreken van een zwaren tak of het vallen van een nest of ook wel ’t

geluid van vechtende vogels of balgende herten. Nu kende hij bijna alle

geluiden van ’t bosch, hij wist wanneer de uil schreide of de ever

snuffelde of de raven krijschten; of ver de herten galoppeerden of de

hazen lepelden op den maanavond. En soms, wanneer hij ’s nachts door

zoo’n bekend geluid werd gewekt en hij wist meteen, de ever gaat

drinken aan de Gröhl of de vos heeft een fazant verschalkt, dan dacht

hij ook aan ’t geen hij vroeger bij zoo’n geluid zich zou verbeeld

hebben.

Langzamerhand begon hij moediger door te dringen in het geheim van de

stroth en nu hij ondervonden had, hoe lichtvaardig de menschen, een

huns gelijke voor een wildeman hielden, wanneer hij er maar wat woest

uitzag, durfde hij het laatste geheim van de wildernis gaan

doorgronden. Hij brak een lange gevorkte tak van een boom en scherpte

de twee punten van den vork door ze met een steen te slijpen en in ’t

vuur te harden. Toen wachtte hij tot het nieuwe maan was en sloop naar

de Gröhl.

Hij bleef verborgen achter de eikestronk wachten en keek naar het diepe

stroompje, dat tusschen de twee rotsige oevers met kleine kabbeltjes

geulde, blauwzilverig in ’t maanlicht. Maar... daar kwam de

Nickelman.... hij zag de twee gloeiende oogen in ’t kreupelhout. Hij

beefde, hield zijn vork stevig vast om bereid te zijn, wanneer de

Nickelman hem kwaad wilde doen. Doch opeens lachte hij luid-op en door

dien lach verschrikt, sprong een lynx op, die had willen drinken maar

nu vluchtte. Moediger door deze nieuwe ontnuchtering, liep hij naar den

rand van ’t water en riep: „Nickelman, Nickelman!” Doch de Gröhlgeest

dook niet op en nu begon hij hem te tarten en te sarren en uit te

dagen. De watergeest dook nog steeds niet op. Hij sloeg met zijn vork

op ’t water, schold Nickelman uit, beloofde hem dan weer eeuwige

verknochtheid en trouwen dienst, als hij zich liet zien. Nu, geheel

moedig, stapte hij in de Gröhl en sloeg met zijn vork in de golfjes en

stak de vork naar alle zijden heen om hem te treffen, zoo de Gröhlgeest

op den bodem zat. Opeens trilde hij door al zijn leden en uitte een

kreet. Zijn vork werd beetgepakt en naar beneden getrokken. Hij hield

stevig vast, rukte en met alle kracht trok hij de vork naar den kant en

stapte uit het water. Maar de vork werd stevig vastgehouden en ’t was

alsof de geest hem zijn wapen uit de handen wilde wringen. Nu hij

echter op den vasten grond stond, zette hij den voet schrap tegen een

zwaren steen en trok met alle krachten. Die daar beneden verzwakte en

toen Sogol de vork boven ’t water haalde, krinkelde zich om den steel

een armdikke aal, die hij tusschen de vork had vastgespietst.

Hij liet de vork los, die de aal weder in ’t water trok. Maar hij deed

geen moeite om de buit terug te halen. Een diepe gedachte hield hem

bezig. „Er is geen Nickelman!” dacht hij, zoomin als er elfen en nixen

en asen zijn; zoomin als de priesteressen kinderen krijgen van de

geesten, zoomin als er tooverkollen of wilde menschen zijn. Alles is

zichtbaar en wat niet te zien is, bestaat ook niet. En zoo greep de

gedachte hem aan, dat hij dien nacht in de stroth bleef rondloopen,

luide roepend: „Alles is zichtbaar! Alles is zichtbaar!” opzettelijk

daar loopend waar hij de geluiden hoorde, waarvoor hij vroeger angst

had gehad en dan luid schallend roepend: „Alles is zichtbaar!” Op eens

hoorde hij een stem, die hem antwoordde... maar luider, dieper...

„Alles is zichtbaar!”... en toen nogmaals een stem, zwakker en teerder

maar toch duidelijk verstaanbaar: „Alles is zichtbaar!”

Wie riep dat? Moedig drong hij door de dikke struiken en riep opnieuw.

Weer hoorde hij twee stemmen, die antwoordden. Hij dreigde ze. Ze

dreigden terug. Hij riep ze op. Ze riepen hem weder op. En steeds met

zijn zelfde woorden. Voorwaarts drong hij en sloeg met een tak tegen

een boom... een holle slag dreunde en kort daarop zonder dat hij nu

sloeg, hoorde hij eveneens den dreun van een slag en een zachteren slag

daarna. Hij kon niet ontdekken, wie daar sloeg en wie hem antwoordde en

nu weer angstig, liep hij naar zijn hut en legde zich op zijn leger van

vellen en bleef den heelen nacht peinzen. Dus was alles dan toch niet

zichtbaar? Er waren dan toch geesten, die leefden, spraken, riepen,

bedreigden en toch zich onzichtbaar konden maken? Toen het dag was

geworden, haalde hij zijn vork uit de gröhl. Die dreef boven en nog

altijd krinkelde de aal zich vergeefs om zich los te wringen. Hij sloeg

den kop van het dier plat met een steen en droeg het naar de hut om

later te braden. Nu, met zijn wapen, in ’t heldere daglicht, ging hij

weer naar de plaats, waar dien nacht de geest had geroepen. Hij riep

opnieuw: „Alles is zichtbaar!” Het antwoord schalde terug en het tweede

opnieuw. Hij sprong in ’t kreupelhout, prikte met zijn vork naar alle

zijden, maar ditmaal stak hij niet in een dier, doch slechts in ’t ijle

of in bladeren of hagedissen.

En tegen den middag, heesch van ’t roepen en moe van ’t zoeken en

denken, keerde hij naar de hut terug.

Eén enkele gedachten hield hem bezig. „De geest was ten laatste ook

schor geworden, dus was hij ook vermoeid van ’t roepen... Maar als hij

vermoeid raakte, was hij een mensch en geen geest... Morgen zou hij

weer gaan zoeken en overmorgen weer, tot hij hem gevonden had en te

weer kon staan: „Alles is zichtbaar!””

Germania(#73888) · 第 8 / 44 题