HOOFDSTUK IV.

Nabij de zee, naar de richting van het land der Kaninefaten lagen twee

groote eilanden, Veloog en Bedekoog. Ze waren bijna even groot maar

Veloog was zandig en dor en Bedekoog vettig en groen. Veloog was rondom

door zandbanken omgeven en stak hoog boven de zee uit. Bedekoog was

laag aan de zee gelegen, zoodat de bewoners op terpen en in

paalwoningen huisden en op de bergloo, die het eiland naar de landzijde

afsloot, den tempel, den koningshof en de groote veestal hadden

opgericht. Want als de zeegeest woedde, stroomde soms het water over ’t

geheele eiland en dan was ’t alleen veilig op de terpen en in de huizen

en op de bergloo, waar dan al ’t vee van ’t geheele eiland werd

heengedreven. De bewoners van Veloog waren arme lieden en de Velagers

dienden den Bedekauwers als veeknechten, als roeiknechten en als

grasmaaiers en hunne vrouwen en dochters als dienstmaagden, spinsters

en lichtekooien. Velagers en Bedekauwers waren afstammelingen van

dezelfde sipschaft en het was de wil van Nehalennia geweest, dat de

twee stammen zoo van elkaar verschilden.

Naar de heuchenis der priesters was in verre tijden, toen Tuisto de

wereld had geschapen uit den leegen en duisteren afgrond in het land

Iberia, dat nu de Massilianen bereizen om olie en granaatappels, de

held Aujans geboren, die zich paarde met den ievermoer Beerd. Beerd

baarde twee kinderen, Winnô, een jongeling en Harjasi, een maagd, die

dadelijk na hun geboorte huwden en van den zeegeest een waterkoets

kregen, waarin zij op de zeeën rondvoeren, getrokken door de vier witte

meerpaarden. Harjasi baarde Harimella, die bij een storm uit de koets

sloeg en aan de kust van ’t eiland van Nehalennia aandreef. De godin

wekte Harimella op, en gaf haar als woonplaats het eiland Bedekoog, dat

toen nog aan ’t land verbonden was en waarvan Veloog een deel

uitmaakte. De twee zonen van Harimella, die zij baarde zonder door een

man bekend te zijn, groeiden op tot sterke mannen, die zich zeer

onderscheiden van alle lieden, die men in het land der Frisen of

Bataven en verder over den stroom Mesa en den stroom Rîn kende. Zij

hadden blauwzwart haar en zwarte oogen en een okergele huid. Beiden

kozen, toen zij volwassen waren, een gemalin uit de priesteressen van

Nehalennia en weldra ontstond een nieuw, vreemd en schoon geslacht van

menschen met zwarte oogen en blonde haren of blauwe oogen en zwarte

haren. De vrouwen kleedden zich in groene gewaden, die zij verfden door

koperstof in algensap te doen gisten. De mannen scheerden het gelaat

geheel kaal en droegen het haar kort. De twee gemalinnen van Winnô en

Harjasi nu, die afgunstig op elkaar waren, bliezen hun gemalen in,

elkaar te beoorlogen. Elk hoopte zoo, alleenheerschers te worden. Winnô

weigerde zich op zijn broeder te werpen maar Harjasi vatte het plan ’s

nachts Winnô te doorsteken. Doch dit werd Nehalennia onthuld en zij

riep den zeegeest op, die in den nacht, dat de broedermoord zou

gebeuren en Harjasi met zijn gemalin en de geheele sipschaft, kinderen

en kleinkinderen, meer dan vijf honderd, vereenigd waren, zijn hoofd

verhief en de golven deed opzetten en den storm woeden zóó, dat één

golf waarop de sipschaft van Harjasi stond afscheurde van het land,

waar Winnô en de zijnen sliepen. Nu was Harjasi alleen-heerscher op dat

eiland en keerde niet weer, hoewel het eiland arm was en zijn sipschaft

sober, en ten laatste in dienstbaarheid leefde. Winnô bracht Nehalennia

een offer van dankbaarheid, door het kind, dat in den nacht van den

scheidstorm geboren was in zijn sippe haar ter eere, den zeegod te

brengen en deze, om zijn gunst te bewijzen, stak nogmaals zijn hoofd op

en scheurde Winnô’s land van het land der Kaninefaten zoodat nu

voortaan de bergloo niet meer door deze bestormd en beroofd kon worden.

Daar waren nu geslachten na geslachten overheen gegaan en Nehalennia

bleef met haar gunst Bedekoog trouw, want alle weldaden werden over

Bedekoog geschud uit den horen van Nehalennia. De zeevaarders van alle

landen, die van het Paarden-eiland, die van Massilia, die van Belligou,

Galligou en van het „vreemde land”, kwamen met hun schepen in de diepe

fioord van Bedekoog landen om te rusten of om te ruilen of om van

daaruit verder landwaarts in te trekken, hun schepen in de fioord van

Bedekoog onder bewaking achterlatend. En die uit de binnenlanden kwamen

met hun vlotten en kanen langs de Skalde en langs de Rîn, bleven

ankeren in de Bedekoogsche fioord. Boven op de bergloo stond de tempel

en op het dak van den tempel werd het eeuwige vuur gebrand ter eere van

Nehalennia, zoodat die op de skiggen in zee, zoowel als die op vlotten

al van verre konden zien, waarheen zij den steven moesten richten en

waar zij veilig waren.

En alle die dan, brachten offers naar dan tempel en de koningen kregen

geschenken, zooveel en zoo rijkelijk, want het zeevarende volk was gul,

dat Bedekoog vermaardheid had tot ver in de wereld wegens de schatten

en ook wegens de vele vreemdsoortige dingen, die daar te zien waren en

die tweemaal ’s jaars, bij ’t begin van ’t jaar in den winter en bij ’t

begin van het voorjaar, als de stroomen ontdooiden en de vlotten weder

kwamen uit het binnenland, werden getoond met groote feestelijkheden.

Daar waren dan wonderen, zooals in de wereld niet meer te zien zijn,

zooals de heilige vogel Lorre, prachtig van vederen als geen andere,

met een rooden staart en groene vleugels, die sprak en zong en floot

als een mensch. De gevlekte wonderkoe, die een hals had zoo hoog als

een boom en niet van den grond at maar van de boomen. Dan de betooverde

prins „Kórj”, die in het „vreemde land” was gevonden met drie van zijn

vrouwen en door een Massiliaan medegebracht. De drie vrouwen waren

gestorven maar „Kórj” leefde. Hij was geheel bebaard gelijk een wilde

man of een dier en hij had geen voeten maar twee paar handen, een paar

zooals de mensch en een paar, daar waar de mensch voeten heeft. Hij kon

spreken maar wegens een betoovering deed hij het niet en hij kon in

boomen klimmen, beter dan eenig mensch en hij was sterker dan een man

en zéér boosaardig, zoodat hij achter traliën van brons was opgesloten.

Dan waren er gouden drinkvaten en het Massiliaansche vuurglas, dat in

de zon gehouden een lijnwaad in brand zette en waarmede op zonnewenddag

het heilige vuur in den tempel werd ontstoken.

Hoewel het land der Bedekauwers vruchtbaar was en er behalve gras ook

graan kon groeien, behoefden de Bedekauwers al sinds lang niet meer te

zaaien of te maaien. Want hun rijkdommen waren zoo groot, dat zij alles

wat zij wenschten, konden ruilen en nog merkten zij niet, dat hun

schatten verminderden. Daarom, wanneer er genoeg gemaaid was voor het

vee der Bedekauwers, kregen de Velagers als loon al ’t overige gras dat

te maaien was, ’t welk zij dan op kleine skiggen naar het arme Veloog

roeiden.

Daar groeide alleen dor, spits gras, goed slechts om geiten en bokken

te voederen. De Velagers leefden van schelpdieren, van vogeleieren, van

visch, van garnalen, van geitevleesch en van den afval van de

Bedekauwers. Daarom ook werden ze door de Bedekauwers geminacht en door

de geheele streek noemde men hen schraaiers of hompeloopers of

grisebarden, omdat ze lange baarden droegen en allen in grauwe

kleederen gingen, daar zij geen purperen of groenen of witten konden

ruilen.

De Velagers waren bekend als spitsboeven en dieven en roovers, en als

er een skig door den storm werd geworpen op hun zandbank, dan snelden

zij toe en doodden de zeelieden en roofden alles. Ook hadden zij een

kwade, scherpe tong en onder hen waren ook veel zonderlinge

sprooksprekers, die liederen zongen waarom men moest lachen. Hun

maagden waren onkuisch en kenden opwekkende dansen en soms, als er veel

zeelieden in de fioord van Bedekoog lagen, dan gingen zij te samen naar

Veloog over om naar de dansen te zien en met de maagden hun spel te

drijven en de Massilianen kochten er lustknapen om mede te voeren naar

het vreemde land. Maar welgeteld gingen de zeelieden er heen, om te

weten, wanneer ze terugkwamen, dat geen hunner was achtergehouden of

verstoken vermoord en geroofd en niets was gevaarlijker dan te

luisteren naar de boerterij van de sprokezeggers. Want als men dan

toehoorde en lachte en in zijn vroolijkheid aan niets dacht, dan om de

grollen, dan kwamen de Velaagsche maagden en óók wel oude wijven of

kleine kinderen en zij brachten groote schelpen met meê en de zeelieden

dronken en hoe meer ze dronken, hoe meer ze lachten en dan slopen die

wijven en die kinderen zachtjes nabij en stalen wat ze maar stelen

konden van de beschonken zeelieden en als die dan ’t merkten en

opspeelden, kwamen de Velagers en gingen vechten met die dronken mannen

en staken ze overhoop. Maar met nuchtere lieden vochten ze nooit en ook

niet als ze wisten, dat er nog één nuchter was, want die meldde het

naar den koning van Bedekoog en die hield dan streng gericht. Zoo kwam

het, dat men onder de Velagers veel mannen vond met één hand of één

voet of één oog en lichtekooien, die men een borst had afgesneden omdat

zij zich geleend hadden tot de onkuischheid van het „vreemde land”. Dit

wisten de zeelieden en die lichtekooien werden dikwerf juist begeerd en

zij liepen met bloote armen en soms naakt tot op den gordel en droegen

lange kussens om de heupen. Zoo zag men ze op de twee feesten ook op

Bedekoog, wanneer ’t recht was opgeheven en de ban. Maar op de andere

tijden mocht geen vrouw of man van Veloog den voet op Bedekoog zetten

zonder den verlofring, die ze zichtbaar aan de slapen moesten dragen.

Koning Goës de Groote, had de schatten van Bedekoog nog willen

vermeerderen. Daar de zeelieden na slechte vaart wel vaak kleine

geschenken gaven en anderen, door groote geschenken, onrechtvaardige

voordeelen bedongen, stelde hij een vaste schatting in. De geschenken

voor die van de zee kwamen werden vastgesteld naar het aantal riemen of

de grootte der zeilen. En de geschenken van die van het land kwamen,

naar het aantal der boomen en hun lengte.

Die van de zee en die van het land hadden dat niet gewild, maar toen

had koning Goës een groot zeil rondom het eeuwige vuur gehangen en ’s

nachts waren wel zeven schepen gestrand op de kust van de Velagers, die

de bemanningen hadden uitgemoord en beroofd en toen hadden hun

sprooksprekers grollen gemaakt op ’t heilige vuur, dat geen licht gaf

en één grol werd tot ver in ’t land bekend.

„Vier en fioord wàs in een land,

Waar zijn toen de skigge gestrand?

Eén op de plaat en twee op de plaats tot zeven,

Lustig alle Velagers leven!”

Toen hadden die van de zee toegestemd, maar die van ’t land, die den

weg al wel wisten en ’s nachts niet voeren besloten een krijgsmacht op

de been te brengen en zij zonden zendboden naar de Katten, en de

Broekteren en de Frisen en de Kaninefaten. Die hadden allen hun legers

gestuurd, want zij wisten wel dat de buit groot zou zijn behalve de

Frisen, die alleen strijden als ze worden aangevallen maar niet op

buit-gevecht uitgaan.

Toen de Bedekauwers de groote krijgsmacht zagen, werden zij beangst

voor hun schatten en de zeelieden begonnen te mooren en zeiden, dat zij

de schatting te hoog vonden.

De Velagers maakten zich gereed om over te komen om mede te deelen als

de buit loskwam en hun vrouwen gingen al naar de framgo’s van den

vijand om op te hitsen en vertelden van de groote rijkdommen.

Toen zei Koning Goës, de Bedekauwers zouden zich wapenen om zich te

weer te stellen, maar deze begonnen te morren. Zij hadden al die jaren

geen wapenoefeningen meer gehouden en zij hadden het leven te lief.

Waarom zouden zij strijden en zich aan ’t gevaar van wonden

blootstellen. Waren zij al niet rijk genoeg. Hadden zij geen overvloed

ook zonder de vaste schatting? Zij wilden niet strijden en wenschten,

dat de koning gijzelaars zou zenden naar de benden en zou doen vreezen,

wat ze eischten om af te trekken.

De koning schimpte zijn onderdanen voor lafaards en oude wijven, maar

hij kon niet anders dan voorloopig toegeven en zond gijzelaars bood een

losprijs aan. Dit brachten de vrouwen van Veloog dadelijk aan hun

koning over en zoodra was de lafheid der Bedekauwers op Veloog bekend

geworden, daar begonnen de Velagers met veel misbaar eveneens een deel

van den losprijs te eischen. Zij dreigden zoowaar met een aanval en een

hunner vrouwen wist een aanvoerder der Kaninefaten om te praten, dat

hij zeggen zoude, dat de Velagers ook rechten hadden op den losprijs.

En zoo dan deelden de Velagers in ’t losgeld. Zij bekwamen veertig

runderen, tachtig zakken graan, vier purperen en twee groene

overkleederen, een gouden ring voor den koning, drie vederen uit de

staart van den wondervogel Lorre behalve nog honig, kaas, acht vaten

wijn uit Massilia, en ’t recht om aan de fioord een meê-schenke te

openen, waar hun vrouwen zouden bedienen.

Toen was er groote vreugde op Veloog, waar men, aan armoede en

soberheid gewend, levende van de hand in de tand, voortaan hoopte

altoos door veel geschreeuw en en misbaar, de Bedekauwers tot schatting

te kunnen dwingen. De runderen werden geslacht, een groot gastmaal

aangericht en vier dagen achtereen was het feesten en zwelgen op

Veloog, waarbij de sproke-sprekers voor de pret zorgden en tot ver in

’t land werd één grol bekend, luidende:

„Wie riepen meer! meer! uit het meer!

Tot meer van ’t meer nam een keer,

En Lorre liet zijn veer

Aan des Velagers heer?”

Maar koning Goës waakte en zon, want hij was zeer verbeten en belust op

schatten.

Germania(#73888) · 第 7 / 44 题