Nabij de zee, naar de richting van het land der Kaninefaten lagen twee
groote eilanden, Veloog en Bedekoog. Ze waren bijna even groot maar
Veloog was zandig en dor en Bedekoog vettig en groen. Veloog was rondom
door zandbanken omgeven en stak hoog boven de zee uit. Bedekoog was
laag aan de zee gelegen, zoodat de bewoners op terpen en in
paalwoningen huisden en op de bergloo, die het eiland naar de landzijde
afsloot, den tempel, den koningshof en de groote veestal hadden
opgericht. Want als de zeegeest woedde, stroomde soms het water over ’t
geheele eiland en dan was ’t alleen veilig op de terpen en in de huizen
en op de bergloo, waar dan al ’t vee van ’t geheele eiland werd
heengedreven. De bewoners van Veloog waren arme lieden en de Velagers
dienden den Bedekauwers als veeknechten, als roeiknechten en als
grasmaaiers en hunne vrouwen en dochters als dienstmaagden, spinsters
en lichtekooien. Velagers en Bedekauwers waren afstammelingen van
dezelfde sipschaft en het was de wil van Nehalennia geweest, dat de
twee stammen zoo van elkaar verschilden.
Naar de heuchenis der priesters was in verre tijden, toen Tuisto de
wereld had geschapen uit den leegen en duisteren afgrond in het land
Iberia, dat nu de Massilianen bereizen om olie en granaatappels, de
held Aujans geboren, die zich paarde met den ievermoer Beerd. Beerd
baarde twee kinderen, Winnô, een jongeling en Harjasi, een maagd, die
dadelijk na hun geboorte huwden en van den zeegeest een waterkoets
kregen, waarin zij op de zeeën rondvoeren, getrokken door de vier witte
meerpaarden. Harjasi baarde Harimella, die bij een storm uit de koets
sloeg en aan de kust van ’t eiland van Nehalennia aandreef. De godin
wekte Harimella op, en gaf haar als woonplaats het eiland Bedekoog, dat
toen nog aan ’t land verbonden was en waarvan Veloog een deel
uitmaakte. De twee zonen van Harimella, die zij baarde zonder door een
man bekend te zijn, groeiden op tot sterke mannen, die zich zeer
onderscheiden van alle lieden, die men in het land der Frisen of
Bataven en verder over den stroom Mesa en den stroom Rîn kende. Zij
hadden blauwzwart haar en zwarte oogen en een okergele huid. Beiden
kozen, toen zij volwassen waren, een gemalin uit de priesteressen van
Nehalennia en weldra ontstond een nieuw, vreemd en schoon geslacht van
menschen met zwarte oogen en blonde haren of blauwe oogen en zwarte
haren. De vrouwen kleedden zich in groene gewaden, die zij verfden door
koperstof in algensap te doen gisten. De mannen scheerden het gelaat
geheel kaal en droegen het haar kort. De twee gemalinnen van Winnô en
Harjasi nu, die afgunstig op elkaar waren, bliezen hun gemalen in,
elkaar te beoorlogen. Elk hoopte zoo, alleenheerschers te worden. Winnô
weigerde zich op zijn broeder te werpen maar Harjasi vatte het plan ’s
nachts Winnô te doorsteken. Doch dit werd Nehalennia onthuld en zij
riep den zeegeest op, die in den nacht, dat de broedermoord zou
gebeuren en Harjasi met zijn gemalin en de geheele sipschaft, kinderen
en kleinkinderen, meer dan vijf honderd, vereenigd waren, zijn hoofd
verhief en de golven deed opzetten en den storm woeden zóó, dat één
golf waarop de sipschaft van Harjasi stond afscheurde van het land,
waar Winnô en de zijnen sliepen. Nu was Harjasi alleen-heerscher op dat
eiland en keerde niet weer, hoewel het eiland arm was en zijn sipschaft
sober, en ten laatste in dienstbaarheid leefde. Winnô bracht Nehalennia
een offer van dankbaarheid, door het kind, dat in den nacht van den
scheidstorm geboren was in zijn sippe haar ter eere, den zeegod te
brengen en deze, om zijn gunst te bewijzen, stak nogmaals zijn hoofd op
en scheurde Winnô’s land van het land der Kaninefaten zoodat nu
voortaan de bergloo niet meer door deze bestormd en beroofd kon worden.
Daar waren nu geslachten na geslachten overheen gegaan en Nehalennia
bleef met haar gunst Bedekoog trouw, want alle weldaden werden over
Bedekoog geschud uit den horen van Nehalennia. De zeevaarders van alle
landen, die van het Paarden-eiland, die van Massilia, die van Belligou,
Galligou en van het „vreemde land”, kwamen met hun schepen in de diepe
fioord van Bedekoog landen om te rusten of om te ruilen of om van
daaruit verder landwaarts in te trekken, hun schepen in de fioord van
Bedekoog onder bewaking achterlatend. En die uit de binnenlanden kwamen
met hun vlotten en kanen langs de Skalde en langs de Rîn, bleven
ankeren in de Bedekoogsche fioord. Boven op de bergloo stond de tempel
en op het dak van den tempel werd het eeuwige vuur gebrand ter eere van
Nehalennia, zoodat die op de skiggen in zee, zoowel als die op vlotten
al van verre konden zien, waarheen zij den steven moesten richten en
waar zij veilig waren.
En alle die dan, brachten offers naar dan tempel en de koningen kregen
geschenken, zooveel en zoo rijkelijk, want het zeevarende volk was gul,
dat Bedekoog vermaardheid had tot ver in de wereld wegens de schatten
en ook wegens de vele vreemdsoortige dingen, die daar te zien waren en
die tweemaal ’s jaars, bij ’t begin van ’t jaar in den winter en bij ’t
begin van het voorjaar, als de stroomen ontdooiden en de vlotten weder
kwamen uit het binnenland, werden getoond met groote feestelijkheden.
Daar waren dan wonderen, zooals in de wereld niet meer te zien zijn,
zooals de heilige vogel Lorre, prachtig van vederen als geen andere,
met een rooden staart en groene vleugels, die sprak en zong en floot
als een mensch. De gevlekte wonderkoe, die een hals had zoo hoog als
een boom en niet van den grond at maar van de boomen. Dan de betooverde
prins „Kórj”, die in het „vreemde land” was gevonden met drie van zijn
vrouwen en door een Massiliaan medegebracht. De drie vrouwen waren
gestorven maar „Kórj” leefde. Hij was geheel bebaard gelijk een wilde
man of een dier en hij had geen voeten maar twee paar handen, een paar
zooals de mensch en een paar, daar waar de mensch voeten heeft. Hij kon
spreken maar wegens een betoovering deed hij het niet en hij kon in
boomen klimmen, beter dan eenig mensch en hij was sterker dan een man
en zéér boosaardig, zoodat hij achter traliën van brons was opgesloten.
Dan waren er gouden drinkvaten en het Massiliaansche vuurglas, dat in
de zon gehouden een lijnwaad in brand zette en waarmede op zonnewenddag
het heilige vuur in den tempel werd ontstoken.
Hoewel het land der Bedekauwers vruchtbaar was en er behalve gras ook
graan kon groeien, behoefden de Bedekauwers al sinds lang niet meer te
zaaien of te maaien. Want hun rijkdommen waren zoo groot, dat zij alles
wat zij wenschten, konden ruilen en nog merkten zij niet, dat hun
schatten verminderden. Daarom, wanneer er genoeg gemaaid was voor het
vee der Bedekauwers, kregen de Velagers als loon al ’t overige gras dat
te maaien was, ’t welk zij dan op kleine skiggen naar het arme Veloog
roeiden.
Daar groeide alleen dor, spits gras, goed slechts om geiten en bokken
te voederen. De Velagers leefden van schelpdieren, van vogeleieren, van
visch, van garnalen, van geitevleesch en van den afval van de
Bedekauwers. Daarom ook werden ze door de Bedekauwers geminacht en door
de geheele streek noemde men hen schraaiers of hompeloopers of
grisebarden, omdat ze lange baarden droegen en allen in grauwe
kleederen gingen, daar zij geen purperen of groenen of witten konden
ruilen.
De Velagers waren bekend als spitsboeven en dieven en roovers, en als
er een skig door den storm werd geworpen op hun zandbank, dan snelden
zij toe en doodden de zeelieden en roofden alles. Ook hadden zij een
kwade, scherpe tong en onder hen waren ook veel zonderlinge
sprooksprekers, die liederen zongen waarom men moest lachen. Hun
maagden waren onkuisch en kenden opwekkende dansen en soms, als er veel
zeelieden in de fioord van Bedekoog lagen, dan gingen zij te samen naar
Veloog over om naar de dansen te zien en met de maagden hun spel te
drijven en de Massilianen kochten er lustknapen om mede te voeren naar
het vreemde land. Maar welgeteld gingen de zeelieden er heen, om te
weten, wanneer ze terugkwamen, dat geen hunner was achtergehouden of
verstoken vermoord en geroofd en niets was gevaarlijker dan te
luisteren naar de boerterij van de sprokezeggers. Want als men dan
toehoorde en lachte en in zijn vroolijkheid aan niets dacht, dan om de
grollen, dan kwamen de Velaagsche maagden en óók wel oude wijven of
kleine kinderen en zij brachten groote schelpen met meê en de zeelieden
dronken en hoe meer ze dronken, hoe meer ze lachten en dan slopen die
wijven en die kinderen zachtjes nabij en stalen wat ze maar stelen
konden van de beschonken zeelieden en als die dan ’t merkten en
opspeelden, kwamen de Velagers en gingen vechten met die dronken mannen
en staken ze overhoop. Maar met nuchtere lieden vochten ze nooit en ook
niet als ze wisten, dat er nog één nuchter was, want die meldde het
naar den koning van Bedekoog en die hield dan streng gericht. Zoo kwam
het, dat men onder de Velagers veel mannen vond met één hand of één
voet of één oog en lichtekooien, die men een borst had afgesneden omdat
zij zich geleend hadden tot de onkuischheid van het „vreemde land”. Dit
wisten de zeelieden en die lichtekooien werden dikwerf juist begeerd en
zij liepen met bloote armen en soms naakt tot op den gordel en droegen
lange kussens om de heupen. Zoo zag men ze op de twee feesten ook op
Bedekoog, wanneer ’t recht was opgeheven en de ban. Maar op de andere
tijden mocht geen vrouw of man van Veloog den voet op Bedekoog zetten
zonder den verlofring, die ze zichtbaar aan de slapen moesten dragen.
Koning Goës de Groote, had de schatten van Bedekoog nog willen
vermeerderen. Daar de zeelieden na slechte vaart wel vaak kleine
geschenken gaven en anderen, door groote geschenken, onrechtvaardige
voordeelen bedongen, stelde hij een vaste schatting in. De geschenken
voor die van de zee kwamen werden vastgesteld naar het aantal riemen of
de grootte der zeilen. En de geschenken van die van het land kwamen,
naar het aantal der boomen en hun lengte.
Die van de zee en die van het land hadden dat niet gewild, maar toen
had koning Goës een groot zeil rondom het eeuwige vuur gehangen en ’s
nachts waren wel zeven schepen gestrand op de kust van de Velagers, die
de bemanningen hadden uitgemoord en beroofd en toen hadden hun
sprooksprekers grollen gemaakt op ’t heilige vuur, dat geen licht gaf
en één grol werd tot ver in ’t land bekend.
„Vier en fioord wàs in een land,
Waar zijn toen de skigge gestrand?
Eén op de plaat en twee op de plaats tot zeven,
Lustig alle Velagers leven!”
Toen hadden die van de zee toegestemd, maar die van ’t land, die den
weg al wel wisten en ’s nachts niet voeren besloten een krijgsmacht op
de been te brengen en zij zonden zendboden naar de Katten, en de
Broekteren en de Frisen en de Kaninefaten. Die hadden allen hun legers
gestuurd, want zij wisten wel dat de buit groot zou zijn behalve de
Frisen, die alleen strijden als ze worden aangevallen maar niet op
buit-gevecht uitgaan.
Toen de Bedekauwers de groote krijgsmacht zagen, werden zij beangst
voor hun schatten en de zeelieden begonnen te mooren en zeiden, dat zij
de schatting te hoog vonden.
De Velagers maakten zich gereed om over te komen om mede te deelen als
de buit loskwam en hun vrouwen gingen al naar de framgo’s van den
vijand om op te hitsen en vertelden van de groote rijkdommen.
Toen zei Koning Goës, de Bedekauwers zouden zich wapenen om zich te
weer te stellen, maar deze begonnen te morren. Zij hadden al die jaren
geen wapenoefeningen meer gehouden en zij hadden het leven te lief.
Waarom zouden zij strijden en zich aan ’t gevaar van wonden
blootstellen. Waren zij al niet rijk genoeg. Hadden zij geen overvloed
ook zonder de vaste schatting? Zij wilden niet strijden en wenschten,
dat de koning gijzelaars zou zenden naar de benden en zou doen vreezen,
wat ze eischten om af te trekken.
De koning schimpte zijn onderdanen voor lafaards en oude wijven, maar
hij kon niet anders dan voorloopig toegeven en zond gijzelaars bood een
losprijs aan. Dit brachten de vrouwen van Veloog dadelijk aan hun
koning over en zoodra was de lafheid der Bedekauwers op Veloog bekend
geworden, daar begonnen de Velagers met veel misbaar eveneens een deel
van den losprijs te eischen. Zij dreigden zoowaar met een aanval en een
hunner vrouwen wist een aanvoerder der Kaninefaten om te praten, dat
hij zeggen zoude, dat de Velagers ook rechten hadden op den losprijs.
En zoo dan deelden de Velagers in ’t losgeld. Zij bekwamen veertig
runderen, tachtig zakken graan, vier purperen en twee groene
overkleederen, een gouden ring voor den koning, drie vederen uit de
staart van den wondervogel Lorre behalve nog honig, kaas, acht vaten
wijn uit Massilia, en ’t recht om aan de fioord een meê-schenke te
openen, waar hun vrouwen zouden bedienen.
Toen was er groote vreugde op Veloog, waar men, aan armoede en
soberheid gewend, levende van de hand in de tand, voortaan hoopte
altoos door veel geschreeuw en en misbaar, de Bedekauwers tot schatting
te kunnen dwingen. De runderen werden geslacht, een groot gastmaal
aangericht en vier dagen achtereen was het feesten en zwelgen op
Veloog, waarbij de sproke-sprekers voor de pret zorgden en tot ver in
’t land werd één grol bekend, luidende:
„Wie riepen meer! meer! uit het meer!
Tot meer van ’t meer nam een keer,
En Lorre liet zijn veer
Aan des Velagers heer?”
Maar koning Goës waakte en zon, want hij was zeer verbeten en belust op
schatten.