De jonge prins Istovar van Mjellego zoon van Tjilbard, koning der
Frisen, had de mare vernomen van de bruid Harimona, die door veel
dappere daden gewonnen kon worden. De prinsessen van bloede waren
uitgestorven en Tjilbard, de koning had het goedgevonden, dat zijn zoon
de wonderprinses ging ten houwelijk winnen.
Hij had zijn zoon uitgerust met veel praal en staatsie. Prins Istovar
kreeg het witte ros Zeven om te berijden. Het was de zoon van het
beroemde ros Edem, dat in den strijd tegen de Sutoren, die de Frisen
hadden willen verdringen, door zeven speren gewond, zonder berijder,
toch was blijven medestrijden, inrennend op de horden der Sutoren en ze
met zijn hoeven verpletterend. Zeven werd getooid met gouden
schellekens in zijn manen, zoodat het schoone dier bij elke beweging
van den korten hals een liefelijk geklingel deed hooren. Voorts kreeg
Istovar mede, het kortzwaard Thoering, dat gesmeed was door een
toovenaar in het land der zwarte lieden en door een koning van Scandia
aan den vader van Tjilbard was ten geschenke gegeven.
Dit zwaard was met de spits gedoopt in ’t eeuwige vuur en wien met de
spits ook maar de kleinste wonde werd toegebracht, moest sterven. Doch
wie een slag kreeg met de scherpe snee, die kreeg slechts een wond,
gelijk aan de wonden, door gewone zwaarden toegebracht. Dit nu was het
geheim van Thoering. Wanneer men een gevaarlijken vijand had, die met
overmacht, list of toovermiddelen vocht, bracht men hem bij den eersten
strijdgang een kleine wonde toe met de spits van Thoering. Dan kon men
rustig verder strijden en zich alleen tot de verdediging bepalen. Want
zeker zou de vijand sterven aan de kleine wonde, die hij immers geen
aandacht schonk en niet zooals een groote wond deed verbinden of
sluiten met gesmolten was. Op ’t hoofd droeg Istovar den bronzen helm
van zijn geslacht, om de armen de bronzen schermringen, waarop een
zwaard afstuitte, op de borst de twee bronzen bukkels, kegelvormig
waarop de speer of de pijl afgleed. Tot reisgeleide gaf koning Tjilbard
zijn zoon, negen-en-veertig uitgelezen mannen, onder ’t bevel van
Melle, den trouwen Leekenaar, beproefden boogschutter, in ’t
schijfwerpen de beste van alle Frisen en vervaarlijk vechter met de
saks, met de fram en met het steenen mes.
Zij hadden, voor zij in Rijnlanden aankwamen, velerlei avontuur gehad.
Aan de grens van het Batouwsche gebied hadden verarmde Batouwers, die
in drie oogsten al geen graan hadden kunnen binnenhalen, hun opgewacht
en als prijs voor het doortrekken van hun gebied gevraagd voor elken
man zooveel graan als op zijn schild kon liggen en voor den prins zelf
zooveel graan als tusschen de pooten van Zeven kon gestort worden.
Prins Istovar had geweigerd, omdat een prins van Mjellego zich geen
schatting laat opleggen. Hij had daarom zijn mannen in de slagorde
gesteld en Melle stond gereed om den aanval te leiden toen de
Batouwers, anders dappere mannen, die samen met de Frisen tegen de
Sutoren hadden gestreden, zeiden dat zij niet zich te weer zouden
stellen omdat Sigbert, de hoofdman van de ouw, op reis was met zijn
drie zonen.
Zoo trokken zij dan ongehinderd door de Batouw maar toen prins Istovar
zag hoe schriklijk mager de vrouwen ende maagden waren, om nog niet te
spreken van het vee en de huishonden, voelde hij ontferming en bij ’t
verlaten van de Batouw sneed hij een berketak af en kerfde daarop met
zijn mes vier sikkels en gaf dien den Batouwer, die hun uitgeleide deed
met de mare, dat koning Tjilbard den brenger van den kerfstok zooveel
graan zou geven als op één dag met vier sikkels kon gemaaid worden.
Want de Frisen hadden overvloed daar zij vee ruilden met de volkeren
links van de Sutoren en van de Sutoren zelf schatting hieven, vier
sikkels van elken vrije gedurende den geheelen oogstmaand zoodat zij
zelfs de pronkbeesten met haver voederden in plaats van gras, dat
overigens rijkelijk groeide in ’t geheele land der Frisen en ver
daarover heen op de eilanden. In het bosch der Widigensen waren ze ’s
nachts overvallen door den hoofdman Aspriaan met zijn zeventig
gezellen. Hem was de reis van prins Istovar niet aangezegd omdat hij
van alle eer vervallen was verklaard, sedert hij ’t gastrecht
geschonden had. Aspriaan had den hoofdman Jelle, die vee zou brengen
naar Renegouw bij zich genoodigd en wetende dat Jelle een groot drinker
was, had hij hem vele horens Widigenser meê te drinken aangeboden, dat
met wilden honing en galappels gebrouwen wordt. Toen Jelle beschonken
was, had Aspriaan hem zijn vee afgekocht, zeventig koppels uitgezochte
beesten voor twee pak wonderkruiden, die op de borst gedragen
waarborgen tegen het zwarte water, de ziekte die alle drinkers krijgen
als ze oud worden. Toen nu Jelle den volgenden ochtend weer nuchter was
en zijn mannen verzamelde en zijn vee zocht om verder te drijven, zeide
Aspriaan, dat het vee reeds weg was gebracht naar zijn weiden en
Jelle’s eigen mannen erkenden, dat hij ’t vee verkocht had voor twee
pak wonderkruiden. Jelle, ziende welk een ramp door de dronkenschap
ontstaan was, zond zijn mannen terug met zijn kortzwaard, gaf hun
bevel, dit zwaard aan zijn zoon te geven, wanneer hij zweren wilde,
nooit een droppel meê te zullen drinken en aan koning Tjilbard mede te
deelen, wat zij gezien hadden. Nèt nam Jelle een steen op en sloeg
dezen met de vuist met zoo zwaren slag tegen den eigen slaap, dat hij
dood neerviel als geveld door een godsoordeel.
Koning Tjilbard had gerouwd om Jelle, die behalve grooten dorst geen
andere ondeugden had, eerlijk, trouw en dapper was geweest. Aspriaan
was wegens dit gedragen jegens een gast in den ban gedaan en onwaardig
verklaard om beoorlogd te worden of in verbond mede ten oorlog te
trekken.
Nu had hij prins Istovar een tijdlang in ’t woud gevolgd en gewacht tot
allen de tenten hadden opgeslagen en rustten om ze zoo te overvallen,
te vermoorden en te plunderen. Toen allen sliepen, wilde hij nader
sluipen met zijn mannen. Maar Melle, hoewel moe van de dagreis, was
gedachtig aan de opdracht van zijn koning, blijven waken over den
prins. Hij was buiten de tent gegaan om te luisteren naar de geluiden
van den nacht. Hij hoorde het krassen van den uil en het heesche
blaffen van de wolven en het zingen van een nachtegaal. Hij wilde nu
gerustgesteld slapen gaan, toen hij een kautsje zijn klagend
oehoe-oehoe hoorde roepen. Als het kautsje ’s nachts roept, waart de
dood rond en die het hoort weet, dat er iemand in zijn naaste omgeving
moet sterven. Daarom klopte Melle’s hart van angst, want in hem kwam de
gedachte op, dat wellicht prins Istovar op deze reis zou sterven en hij
voelde zijn borst beklemd als hij bedacht hoe groot dan de droefenis
van den koning zou zijn. Maar het kautsje huilde al weer, nu dichterbij
en om het te verschrikken wierp hij een steen in de richting, vanwaar
’t geluid kwam. Doch geen vogel vloog op, maar een man in het donkere
loof vloekte. Meteen had Melle den horen al van zijn gordel en aan den
mond gebracht en hij blies het wek-signaal.... „Pahoen.... Pa....
hoen.... Pa.... hoen!” En nu kwamen zijn mannen uit hun tenten en Melle
riep: „Te weer, Te weer!” en hijzelf stelde zich voor de tent van prins
Istovar en ’t kortzwaard zwaaiend in ’t duister van ’t woud riep hij
zijn daging: „Eén zwaard tegen één zwaard, twee saksen tegen één saks,
hier staat Melle de Fries!”
Onderwijl waren de mannen al aan ’t vechten in ’t donker. Men wist niet
wie vriend of vijand was, want de roovers riepen de Friesche
krijgskreten na om verwarring te stichten. Maar Melle kon ’t
hooren—wist wèl wie Friesch sprak als Fries en wie ’t sprak als
Widigens en ziende, dat hier geen eerlijken strijd met wederzijdsche
daging en getuigen gevraagd werd maar ’t laaghartige roovershandwerk
werd gedreven, liet hij zijn mannen dien arbeid over en sprong in de
tent om zijn prins weg te dragen. Toen, o schrik, prins Istovar was
niet in de tent. Hij riep en kreeg geen antwoord. Hij blies op zijn
horen hoewel de angst zijn adem beklemde, maar de prins antwoordde
niet. Hij liep de tent weer uit en rende midden in ’t gevecht waar hij
het sjirpen van de zwaarden en het vloeken van de roovers en de kreten
der getroffenen hoorde. Daar sloeg een zwaard plat op zijn rug en hij
zich omkeerend riep: „Een zwaard tegen een zwaard. Hier staat Melle de
Fries.”
„Grendeldebliksem, waar is Zeven!”
„Aan den boom achter den tent, prins!” antwoordde Melle en hij trok den
prins mede uit het gewoel, hem met zijn breed lichaam dekkend en aldoor
zijn zwaard opgestoken om slagen te weren en roepend: „Hier staat Melle
de Fries!” En achter de tent gekomen bleek Zeven al losgesneden en
geroofd. Melle legde zijn oor op den grond en nu, in de verte hoorde
hij de klingeltjes in de manen zacht tinken en de twee schreden door ’t
duister naar dien kant, met de zwaarden vooruit om niet tegen de boomen
te loopen en toen na een poos, als zij nu helderder de schelletjes
hoorden, blies Melle op zijn horen het signaal en Zeven antwoordde met
een angstig gehinnik alsof hij wel wilde maar niet kon komen.
Zij nu weer, liepen op ’t hinniken aan en Melle blies nogmaals, maar nu
kwam er geen antwoord. Men scheen het edele dier gedood te hebben. Doch
neen, de schelletjes kinkelden nog, nu dichterbij en nu heel dichtbij
en Melle sprong vooruit, maar hij greep in een bos wier, waarin de
belletjes hingen, doch ’t paard was weggevoerd en de roovers hadden
listig hun van den goeden weg gebracht.
Toen riep dan prins Istovar, voor ’t eerst, terwijl Melle van angst
beefde voor hem: „Hier staat der Friezen prins, Thoering staat nevens
hem.”
En opeens werd het licht van rossen fakkel-schijn en zij zagen Zeven
staan, die ze doeken om den neus hadden gebonden, zoodat hij niet
hinniken kon en Aspriaan zelf was de roover en veel roovers om hem heen
hielden nu fakkels en zwaarden hoog.
„Kom op met Thoering, melkknaap!” riep Aspriaan, op den prins
toetredend met een langzwaard.
„Langzwaard tegen kortzwaard, Roovers-aard!” riep Melle, zich voor den
prins stellend en toen Aspriaan opdrong sloeg Melle met zijn zwaard een
zoo zwaren slag op dat van den roover, dat een stuk van de kling
afbrak.
„Grendeldebliksem, dat is trouw!” riep de prins.
Maar nu week de roover terug en riep zijn mannen op om aan te vallen.
„Istovar der Friezen prins staat hier met Thoering. Man tegen man!”
gebood de prins.
Maar de roovers erkenden geen wet en wilden moorden. Daarom snelde nu
Melle vooruit en begon den aanval geducht en onverwacht en onderwijl
sloop Aspriaan met een speer op den prins af, die zich met Thoering
weerde.
„Doof de vuren!” riep Aspriaan. De mannen staken de fakkels in den
grond maar nu sprong de prins in de richting waar hij Aspriaan het
laatst gezien had en stak met Thoering en raakte en nu, op den roep van
Melle afgaande, begon hij ook daar te steken en raakte weer en nog eens
en nog eens tot Melle riep: Houdt op prins, of du raakt mij....
Zij raapten de fakkels op, vonden er een die nog smeulde, bliezen deze
aan tot ze opvlamde en nu zagen ze, dat drie mannen dood lagen, ook
Aspriaan en de anderen waren gevloden. Zeven lag spartelend bij den
boom, in gevaar van te stikken, tot zij hem haastig de doeken afrukten
en het edele dier hun herkende en mak medeliep.
Bij de tenten was de strijd afgeloopen. Zeven roovers waren gedood en
twaalf van de Frisen. Zij brachten de rest van den nacht wakend door en
eerst tegen den morgen konden zij de mannen begraven en een zendbode
sturen met de mare aan koning Tjilbard.
Toen zij de roovers gingen begraven en Aspriaan ontkleedden, daar
verschrikten zij, want de roover bleek geen man geweest te zijn maar
een vrouw en prins Istovar weende zeer omdat de eerste vijand, die hij
gedood had met Thoering, een weerlooze vrouw was geweest, wier bloed
het zwaard ontheiligde.
Zij trokken ’s middags verder en reisden zeven dagen zonder ongevallen
verder, toen zij in het groote woud de sporen van vier menschen
bemerkten, drie van mannen en één van een vrouw. Zij volgden de sporen
en liepen in dezelfde richting als hun reisdoel. Gingen die vier ook
naar Harimona? Of waren het dwaalsporen van dolende reizigers. Zij
bleven op hun hoede, waakten ’s nachts met tweeën tegelijk, altoos het
zwaard naast zich, gereed tot plotselinge weer. Maar na vier dagen
volgens, daar begonnen de sporen zich te kruisen en men zag, dat de
mannen den weg zochten, her en der speurden, in de boomen klommen en
dikwerf de vrouw over lange afstanden droegen, want dan zag men het
spoor van haar smalle, kleine voeten niet terwijl de sporen van een der
mannen dieper was, als droeg hij een last.
En onrustig vroeg de kleine bent zich af, wat deze vier lieden wel
beoogden, hier alleen dwalend in de gevaarlijke wildernis.