HOOFDSTUK III.

De jonge prins Istovar van Mjellego zoon van Tjilbard, koning der

Frisen, had de mare vernomen van de bruid Harimona, die door veel

dappere daden gewonnen kon worden. De prinsessen van bloede waren

uitgestorven en Tjilbard, de koning had het goedgevonden, dat zijn zoon

de wonderprinses ging ten houwelijk winnen.

Hij had zijn zoon uitgerust met veel praal en staatsie. Prins Istovar

kreeg het witte ros Zeven om te berijden. Het was de zoon van het

beroemde ros Edem, dat in den strijd tegen de Sutoren, die de Frisen

hadden willen verdringen, door zeven speren gewond, zonder berijder,

toch was blijven medestrijden, inrennend op de horden der Sutoren en ze

met zijn hoeven verpletterend. Zeven werd getooid met gouden

schellekens in zijn manen, zoodat het schoone dier bij elke beweging

van den korten hals een liefelijk geklingel deed hooren. Voorts kreeg

Istovar mede, het kortzwaard Thoering, dat gesmeed was door een

toovenaar in het land der zwarte lieden en door een koning van Scandia

aan den vader van Tjilbard was ten geschenke gegeven.

Dit zwaard was met de spits gedoopt in ’t eeuwige vuur en wien met de

spits ook maar de kleinste wonde werd toegebracht, moest sterven. Doch

wie een slag kreeg met de scherpe snee, die kreeg slechts een wond,

gelijk aan de wonden, door gewone zwaarden toegebracht. Dit nu was het

geheim van Thoering. Wanneer men een gevaarlijken vijand had, die met

overmacht, list of toovermiddelen vocht, bracht men hem bij den eersten

strijdgang een kleine wonde toe met de spits van Thoering. Dan kon men

rustig verder strijden en zich alleen tot de verdediging bepalen. Want

zeker zou de vijand sterven aan de kleine wonde, die hij immers geen

aandacht schonk en niet zooals een groote wond deed verbinden of

sluiten met gesmolten was. Op ’t hoofd droeg Istovar den bronzen helm

van zijn geslacht, om de armen de bronzen schermringen, waarop een

zwaard afstuitte, op de borst de twee bronzen bukkels, kegelvormig

waarop de speer of de pijl afgleed. Tot reisgeleide gaf koning Tjilbard

zijn zoon, negen-en-veertig uitgelezen mannen, onder ’t bevel van

Melle, den trouwen Leekenaar, beproefden boogschutter, in ’t

schijfwerpen de beste van alle Frisen en vervaarlijk vechter met de

saks, met de fram en met het steenen mes.

Zij hadden, voor zij in Rijnlanden aankwamen, velerlei avontuur gehad.

Aan de grens van het Batouwsche gebied hadden verarmde Batouwers, die

in drie oogsten al geen graan hadden kunnen binnenhalen, hun opgewacht

en als prijs voor het doortrekken van hun gebied gevraagd voor elken

man zooveel graan als op zijn schild kon liggen en voor den prins zelf

zooveel graan als tusschen de pooten van Zeven kon gestort worden.

Prins Istovar had geweigerd, omdat een prins van Mjellego zich geen

schatting laat opleggen. Hij had daarom zijn mannen in de slagorde

gesteld en Melle stond gereed om den aanval te leiden toen de

Batouwers, anders dappere mannen, die samen met de Frisen tegen de

Sutoren hadden gestreden, zeiden dat zij niet zich te weer zouden

stellen omdat Sigbert, de hoofdman van de ouw, op reis was met zijn

drie zonen.

Zoo trokken zij dan ongehinderd door de Batouw maar toen prins Istovar

zag hoe schriklijk mager de vrouwen ende maagden waren, om nog niet te

spreken van het vee en de huishonden, voelde hij ontferming en bij ’t

verlaten van de Batouw sneed hij een berketak af en kerfde daarop met

zijn mes vier sikkels en gaf dien den Batouwer, die hun uitgeleide deed

met de mare, dat koning Tjilbard den brenger van den kerfstok zooveel

graan zou geven als op één dag met vier sikkels kon gemaaid worden.

Want de Frisen hadden overvloed daar zij vee ruilden met de volkeren

links van de Sutoren en van de Sutoren zelf schatting hieven, vier

sikkels van elken vrije gedurende den geheelen oogstmaand zoodat zij

zelfs de pronkbeesten met haver voederden in plaats van gras, dat

overigens rijkelijk groeide in ’t geheele land der Frisen en ver

daarover heen op de eilanden. In het bosch der Widigensen waren ze ’s

nachts overvallen door den hoofdman Aspriaan met zijn zeventig

gezellen. Hem was de reis van prins Istovar niet aangezegd omdat hij

van alle eer vervallen was verklaard, sedert hij ’t gastrecht

geschonden had. Aspriaan had den hoofdman Jelle, die vee zou brengen

naar Renegouw bij zich genoodigd en wetende dat Jelle een groot drinker

was, had hij hem vele horens Widigenser meê te drinken aangeboden, dat

met wilden honing en galappels gebrouwen wordt. Toen Jelle beschonken

was, had Aspriaan hem zijn vee afgekocht, zeventig koppels uitgezochte

beesten voor twee pak wonderkruiden, die op de borst gedragen

waarborgen tegen het zwarte water, de ziekte die alle drinkers krijgen

als ze oud worden. Toen nu Jelle den volgenden ochtend weer nuchter was

en zijn mannen verzamelde en zijn vee zocht om verder te drijven, zeide

Aspriaan, dat het vee reeds weg was gebracht naar zijn weiden en

Jelle’s eigen mannen erkenden, dat hij ’t vee verkocht had voor twee

pak wonderkruiden. Jelle, ziende welk een ramp door de dronkenschap

ontstaan was, zond zijn mannen terug met zijn kortzwaard, gaf hun

bevel, dit zwaard aan zijn zoon te geven, wanneer hij zweren wilde,

nooit een droppel meê te zullen drinken en aan koning Tjilbard mede te

deelen, wat zij gezien hadden. Nèt nam Jelle een steen op en sloeg

dezen met de vuist met zoo zwaren slag tegen den eigen slaap, dat hij

dood neerviel als geveld door een godsoordeel.

Koning Tjilbard had gerouwd om Jelle, die behalve grooten dorst geen

andere ondeugden had, eerlijk, trouw en dapper was geweest. Aspriaan

was wegens dit gedragen jegens een gast in den ban gedaan en onwaardig

verklaard om beoorlogd te worden of in verbond mede ten oorlog te

trekken.

Nu had hij prins Istovar een tijdlang in ’t woud gevolgd en gewacht tot

allen de tenten hadden opgeslagen en rustten om ze zoo te overvallen,

te vermoorden en te plunderen. Toen allen sliepen, wilde hij nader

sluipen met zijn mannen. Maar Melle, hoewel moe van de dagreis, was

gedachtig aan de opdracht van zijn koning, blijven waken over den

prins. Hij was buiten de tent gegaan om te luisteren naar de geluiden

van den nacht. Hij hoorde het krassen van den uil en het heesche

blaffen van de wolven en het zingen van een nachtegaal. Hij wilde nu

gerustgesteld slapen gaan, toen hij een kautsje zijn klagend

oehoe-oehoe hoorde roepen. Als het kautsje ’s nachts roept, waart de

dood rond en die het hoort weet, dat er iemand in zijn naaste omgeving

moet sterven. Daarom klopte Melle’s hart van angst, want in hem kwam de

gedachte op, dat wellicht prins Istovar op deze reis zou sterven en hij

voelde zijn borst beklemd als hij bedacht hoe groot dan de droefenis

van den koning zou zijn. Maar het kautsje huilde al weer, nu dichterbij

en om het te verschrikken wierp hij een steen in de richting, vanwaar

’t geluid kwam. Doch geen vogel vloog op, maar een man in het donkere

loof vloekte. Meteen had Melle den horen al van zijn gordel en aan den

mond gebracht en hij blies het wek-signaal.... „Pahoen.... Pa....

hoen.... Pa.... hoen!” En nu kwamen zijn mannen uit hun tenten en Melle

riep: „Te weer, Te weer!” en hijzelf stelde zich voor de tent van prins

Istovar en ’t kortzwaard zwaaiend in ’t duister van ’t woud riep hij

zijn daging: „Eén zwaard tegen één zwaard, twee saksen tegen één saks,

hier staat Melle de Fries!”

Onderwijl waren de mannen al aan ’t vechten in ’t donker. Men wist niet

wie vriend of vijand was, want de roovers riepen de Friesche

krijgskreten na om verwarring te stichten. Maar Melle kon ’t

hooren—wist wèl wie Friesch sprak als Fries en wie ’t sprak als

Widigens en ziende, dat hier geen eerlijken strijd met wederzijdsche

daging en getuigen gevraagd werd maar ’t laaghartige roovershandwerk

werd gedreven, liet hij zijn mannen dien arbeid over en sprong in de

tent om zijn prins weg te dragen. Toen, o schrik, prins Istovar was

niet in de tent. Hij riep en kreeg geen antwoord. Hij blies op zijn

horen hoewel de angst zijn adem beklemde, maar de prins antwoordde

niet. Hij liep de tent weer uit en rende midden in ’t gevecht waar hij

het sjirpen van de zwaarden en het vloeken van de roovers en de kreten

der getroffenen hoorde. Daar sloeg een zwaard plat op zijn rug en hij

zich omkeerend riep: „Een zwaard tegen een zwaard. Hier staat Melle de

Fries.”

„Grendeldebliksem, waar is Zeven!”

„Aan den boom achter den tent, prins!” antwoordde Melle en hij trok den

prins mede uit het gewoel, hem met zijn breed lichaam dekkend en aldoor

zijn zwaard opgestoken om slagen te weren en roepend: „Hier staat Melle

de Fries!” En achter de tent gekomen bleek Zeven al losgesneden en

geroofd. Melle legde zijn oor op den grond en nu, in de verte hoorde

hij de klingeltjes in de manen zacht tinken en de twee schreden door ’t

duister naar dien kant, met de zwaarden vooruit om niet tegen de boomen

te loopen en toen na een poos, als zij nu helderder de schelletjes

hoorden, blies Melle op zijn horen het signaal en Zeven antwoordde met

een angstig gehinnik alsof hij wel wilde maar niet kon komen.

Zij nu weer, liepen op ’t hinniken aan en Melle blies nogmaals, maar nu

kwam er geen antwoord. Men scheen het edele dier gedood te hebben. Doch

neen, de schelletjes kinkelden nog, nu dichterbij en nu heel dichtbij

en Melle sprong vooruit, maar hij greep in een bos wier, waarin de

belletjes hingen, doch ’t paard was weggevoerd en de roovers hadden

listig hun van den goeden weg gebracht.

Toen riep dan prins Istovar, voor ’t eerst, terwijl Melle van angst

beefde voor hem: „Hier staat der Friezen prins, Thoering staat nevens

hem.”

En opeens werd het licht van rossen fakkel-schijn en zij zagen Zeven

staan, die ze doeken om den neus hadden gebonden, zoodat hij niet

hinniken kon en Aspriaan zelf was de roover en veel roovers om hem heen

hielden nu fakkels en zwaarden hoog.

„Kom op met Thoering, melkknaap!” riep Aspriaan, op den prins

toetredend met een langzwaard.

„Langzwaard tegen kortzwaard, Roovers-aard!” riep Melle, zich voor den

prins stellend en toen Aspriaan opdrong sloeg Melle met zijn zwaard een

zoo zwaren slag op dat van den roover, dat een stuk van de kling

afbrak.

„Grendeldebliksem, dat is trouw!” riep de prins.

Maar nu week de roover terug en riep zijn mannen op om aan te vallen.

„Istovar der Friezen prins staat hier met Thoering. Man tegen man!”

gebood de prins.

Maar de roovers erkenden geen wet en wilden moorden. Daarom snelde nu

Melle vooruit en begon den aanval geducht en onverwacht en onderwijl

sloop Aspriaan met een speer op den prins af, die zich met Thoering

weerde.

„Doof de vuren!” riep Aspriaan. De mannen staken de fakkels in den

grond maar nu sprong de prins in de richting waar hij Aspriaan het

laatst gezien had en stak met Thoering en raakte en nu, op den roep van

Melle afgaande, begon hij ook daar te steken en raakte weer en nog eens

en nog eens tot Melle riep: Houdt op prins, of du raakt mij....

Zij raapten de fakkels op, vonden er een die nog smeulde, bliezen deze

aan tot ze opvlamde en nu zagen ze, dat drie mannen dood lagen, ook

Aspriaan en de anderen waren gevloden. Zeven lag spartelend bij den

boom, in gevaar van te stikken, tot zij hem haastig de doeken afrukten

en het edele dier hun herkende en mak medeliep.

Bij de tenten was de strijd afgeloopen. Zeven roovers waren gedood en

twaalf van de Frisen. Zij brachten de rest van den nacht wakend door en

eerst tegen den morgen konden zij de mannen begraven en een zendbode

sturen met de mare aan koning Tjilbard.

Toen zij de roovers gingen begraven en Aspriaan ontkleedden, daar

verschrikten zij, want de roover bleek geen man geweest te zijn maar

een vrouw en prins Istovar weende zeer omdat de eerste vijand, die hij

gedood had met Thoering, een weerlooze vrouw was geweest, wier bloed

het zwaard ontheiligde.

Zij trokken ’s middags verder en reisden zeven dagen zonder ongevallen

verder, toen zij in het groote woud de sporen van vier menschen

bemerkten, drie van mannen en één van een vrouw. Zij volgden de sporen

en liepen in dezelfde richting als hun reisdoel. Gingen die vier ook

naar Harimona? Of waren het dwaalsporen van dolende reizigers. Zij

bleven op hun hoede, waakten ’s nachts met tweeën tegelijk, altoos het

zwaard naast zich, gereed tot plotselinge weer. Maar na vier dagen

volgens, daar begonnen de sporen zich te kruisen en men zag, dat de

mannen den weg zochten, her en der speurden, in de boomen klommen en

dikwerf de vrouw over lange afstanden droegen, want dan zag men het

spoor van haar smalle, kleine voeten niet terwijl de sporen van een der

mannen dieper was, als droeg hij een last.

En onrustig vroeg de kleine bent zich af, wat deze vier lieden wel

beoogden, hier alleen dwalend in de gevaarlijke wildernis.

Germania(#73888) · 第 6 / 44 题