HOOFDSTUK II.

Zij was gevonden nabij den offersteen in de heilige haag van Renigo,

nabij den grooten stroom Rheni, door de Druïdes Anertha, tegen het

vallen van den avond. Naast haar stond een drachtige ree. De priesteres

had de zuigeling opgenomen, het kleine meisje, dat in een doek van een

vreemdkleurig lijnwaad was gewikkeld, welks kleur men niet in ’t

Germanen-land tot dien dag gezien had en dat, al naar ’t licht er op

scheen, andere tinten toonde, naar de wachthut gedragen, waar de

offermessen bewaard werden. De ree was haar gevolgd en toen het kind

begon te schreien, had het dier zich tegen haar aangedrongen, haar

vollen uier blijkbaar aanbiedend. De Druïdes had het kind neergelegd en

de ree was zoo bij het wicht gaan staan, dat dit heur handjes naar den

uier uitstrekte, de speen aan den mond bracht en ging zuigen. En toen,

terwijl het kind zijn dorst stilde, had de priesteres in de oogen van

de ree een vreemde, een onverklaarbare uitdrukking gezien en tusschen

de ooren, op den kop, was een lichtende ster verschenen. Toen het kind

voldaan was, liep de ree zachtjes vooruit, telkens omziende naar de

priesteres en het kind, of ze wel volgden en voor de groote hut van

Maresag, den rijkaard, overste der priesters, was de ree blijven

stilstaan en had geblaat, maar met zulk een vreemde, klagende stem, dat

het leek of niet het dier, maar een jonkvrouw weeklaagde. Maresag was

verschrikt naar buiten gekomen en had bevend geroepen, dat hij bereid

was om den wil der groote geesten te volvoeren en toen hij in de

deuropening verscheen en Anertha, het kind en de ree zag, had hij zijn

beide handen hoog ten hemel geheven en Wotan aangeroepen, om een

teeken. Met blies de God zijn wind door de boomen voor het huis en

bloesems vielen op het hoofd van ’t kind zoo, dat zij een krans

vormden. Toen blaatte de ree nogmaals op dien zelfden weeklagenden

toon, sprong op en verdween in ’t woud.

Het teeken was te duidelijk. De zuigeling was een koningskind, en de

ree was de betooverde moeder geweest. De raad der priesteres uit

Rijnland kwam bijeen en daar vertelde Anertha hoe zij de zuigeling had

gevonden en Maresag verhaalde hoe hij, reeds ter ruste, gedroomd had,

dat de maan van den hemel was gestegen en tot hem gekomen was en zeide:

„Maresag, hoor, hoor, hoor. Dit is de dochter mijner liefde. Ga en

wijde haar mij. Hoor! Hoor! Hoor!” Toen was hij opgestaan en nauw van

zijn leger opgericht, daar had hij de vreemde, weeklagende stem buiten

gehoord en daar stond dan Anertha met het kleine meisje in den doek van

een hemelsche stof, die schemerde met de kleuren van de wolken in ’t

maanlicht of de blauwpaarse schelpen aan ’t zeestrand.

De raad der priesters doopten nu het kind met den naam Harimona en

Maresag werd tot wereldsche vader benoemd en Anertha tot wereldsche

moeder en beide werd opgedragen het kind groot te brengen, dat er een

priesteres ter eere van de Maan van zou groeien. Maar daar waren booze

geesten, zeker daar waren zéér booze geesten. Recka, de voedstermoeder

had het ’t eerst ervaren, want haar eigen kind stierf op denzelfden

dag, dat zij de kleine Harimona voor ’t eerst had gevoed. En,

schrikkelijke toover, de kuische Anertha vond men drie weken later

dood, diep in ’t bosch en o gruwel, zij was geschoffeerd door een

wilden man, die daar sedert menschenheugenis huisde en kwaad bedreef

maar nog nooit gezien was. In haar krampachtig vertrokken handen vonden

de priesters de bossen haar, die de maagd, bij de verdediging harer

eer, den kwaden boschnik had uitgetrokken. En midden op haar boezem had

zij de kruiswonde, die ieder vertoonde, die door den wilden man was

gedood.

Maresag was sedert dien gebeurtenis nog norscher en eenzelviger dan te

voren. Hij drong met dappere mannen ’s avonds en ’s nachts in ’t woud,

liet den horen blazen om den wilden man uit te dagen tot een gevecht,

met gekozen of ongekozen tegenpartij, op de saks, op de speer, op het

kortzwaard, op het mes of op de vuist. Maar de wilde man verscheen

niet. De Raad der priesters besloot nu, dat de wilde man gebannen zou

worden met de drie vloeken, den eersten vloek van de aarde, den tweeden

van het water en den derde van het vuur. Maar Maresag had geweigerd den

ban uit te spreken. Liever wilde hij eerst door beloften den wilden man

trachten te verzoenen. En zij hadden, op de plaats waar Anertha

verkracht gevonden was, neergelegd eerst een korf met vruchten van den

notenboom en den beuk. Doch de dieven van ’t woud hadden de vruchten

weggeroofd. Toen een korf met gerstekoeken in honig gebakken. Ook die

was door dieven leeggegeten. Eindelijk een korf met kostbare

geschenken, waarbij een stuk barnsteen, dat den vorm had van een

kindervoet; een kortzwaard van gehard brons met de drie heilige

teekens, het kruis, het driebeen, en het klaverblad versierd; een

wollen overkleed met franjes, geknoopt door Druïdessen, die in elken

knoop een zegespreuk hadden gesproken.

En ziet, die geschenken waren weggehaald en op de plaats lag een kroon

van gouden linde-bloesems en midden in de kroon een gouden plaat met

het gelaat van de Maan. Terzijde van de kroon staken twee speren met de

punt in den grond ten teeken, dat de schenker den vrede aanbood.

De kroon van Harimona, want het was blijkbaar, dat dit het geschenk van

den wilden man beduidde, werd bewaard in het heilige huis, dat stond

boven op den berg Wittewa, waar de geest des winters huisde. De kroon

werd daar bewaakt door de zeven bergreuzen, den draak Frango, den

reuzenhond Whridlo en de geit Baza. Wie de kroon zou weten te veroveren

en haar kon brengen aan Harimona, die was waardig naar haar hand te

dingen en de betoovering van haar en haar sipschaft zou wijken en haar

vader, de koning zou komen en haar en den bruidegom voeren naar zijn

rijk, dat lag op het eiland Scandia, waar de zeevaarders wonen, die

over de wateren voerden tot in de landen van de eeuwige zon, waar de

menschen huiden hebben, zwart als de nacht.

Harimona groeide op tot een slanke jonkvrouw maar haar wonderlijke

afkomst was voor ieder zichtbaar. Zij had haar, zoo wit als sneeuw en

oogen, rood als smeulend houtvuur, waarmede zij ’s nachts kon zien. Als

de nieuwe Maan scheen stond zij op en liep vèr, vèr weg van de heilige

haag en de woningen der menschen en sprak met de Maan en ondervroeg de

toekomst. Als zij dan weerkeerde, lag zij dagen en nachten lang op haar

rustbed en krampen schokten door haar leden en wit schuim kwam op haar

mond en zij schreeuwde rauwe klanken uit, die niemand wist te duiden

dan de oude Maresag.

En groot werd de roep van Harimona in de Rijnlanden en veel verder dan

in die landen, tot ver over de zee op het Paarden-eiland en bij de

zeevaarders van Scandia en in de Ouwen der riviermonden en in de landen

der bergen, die tot in Walhalla reiken. Van al die streken kwamen

afgezanten naar Harimona om haar te ondervragen over het leven en den

dood, over de toekomst en het recht, over de kansen van den oogst, de

jacht, den oorlog, over het gevaar van de overstroomingen en over de

verborgenheden der aarde en der stroomen, waar de begraven schatten

lagen en waar de waterwellen borrelden, die afgeleefde menschen de

jeugd wedergeven en over ziekten van menschen en dieren.

En wonder na wonder deed zij geschieden. De vorst der Chatten had een

eenig kind, een dochter, dat door de booze geesten was bezield en

telkens in krampen neerviel en alleen vermaak vond in dieren en slaven

martelen. Het kind werd voor Harimona gebracht. De priesteres gebood

dat allen zouden uitgaan en alleen de vorst der Chatten voor haar zou

verschijnen. Toen hij voor haar stond, vroeg zij:

„Weet di niet, vanwaar dijn dochter den boozen geest gehaald heeft?”

Zij keek hem met hare vurige oogen scherp aan en hij aarzelde, den

leugen te zeggen, die hem op de lippen lag.

„Sintilaz, de vrucht der bloedschande, dat is haar naam!”

De vorst was ter aarde gevallen en had vergiffenis gesmeed. Zij had hem

als boete opgelegd blootsvoets en steeds achterwaarts gaande naar zijn

rijk terug te keeren. Daar aangekomen, was hij van uitputting

gestorven, niet vóór dat hij openlijk zijn zonde had beleden. En toen

was zijn dochter gedood en daarmede was het geslacht der groote

Chatten-vorsten ten einde en het rijk was gekomen onder een vorst uit

’t Rijnlandsche geslacht.

In het land der Brukteren was een vruchtbare streek, een groot, groot

land maar het bleef woest en onbewoond, hoewel de stam der Brukteren

zoo veel mannen telde, dat vrijen en edelen zich als hoorigen

verpandden in de andere ouwen, daar ze in ’t eigen land verhongerden.

Die vruchtbare streek dan bleef onbewoond en onbebouwd omdat Thor ze

haatte. Niet zoodra waren er woningen gebouwd of de bliksem sloeg uit

de lucht en doodde menschen en vee en zette de huizen in brand.

Harimona had toen bevolen, dat voor elk huis en in elke weide een speer

zou worden opgesteld zoo hoog als drie mannen boven elkaar en geheel

van ijzer. De spits moest gewijd worden met het heilige teeken van het

driebeen en de voet met het heilige teeken van het klaverblad. De

speren zonden allen gewijd zijn aan de Harjazzi, de donkere ruiters van

over de bergen, die Thors lijfwacht vormen.

En hoewel menigeen twijfelde, toch bleek het waar en een ieder kon zich

er van overtuigen, gelijk menigeen deed, dat de gouden speren van Thor

nu niet meer in de woningen sloegen en niet meer de menschen en de

dieren doodden, maar vochten met de speren aan de Harjazzi gewijd en in

de diepe aarde zonken en daar verdwenen. Dat kon ieder zien, die

twijfelde aan de goddelijke gaven van Harimona. [1]

Want er waren ook twijfelaars en er waren er zelfs, die zeiden dat

Harimona een vaderloos kind was voor allen, behalve voor dien

aartsschelm van een Maresag, die groote schuren moest bouwen om de

rijke offergaven te bergen, die van aller heeren landen werden

aangedragen, goud en zilver en brons en wapens en lijnwaad en barnsteen

en kostbare houtsoorten en prachtige pelzen. Ook ging het gerucht, dat

Anertha vermoord was geworden evenals het kind van Recka, de

voedstermoeder. Wie kon bewijzen, dat Anertha door den wilden man was

geschoffeerd?

Maar dat zeide men alleen, wanneer er véél gedronken was of ’s winters,

als men dagen achtereen in de hutten voor ’t haardvuur zat en niets

meer wist te vertellen en nu in de vertrouwde sipschaft wel waagde te

spreken over iets, dat daarbuiten geuit en aan Maresag overgebracht,

zeker met het uitsnijden van de tong des lasteraars zou bestraft

worden.

Germania(#73888) · 第 5 / 44 题