Zij was gevonden nabij den offersteen in de heilige haag van Renigo,
nabij den grooten stroom Rheni, door de Druïdes Anertha, tegen het
vallen van den avond. Naast haar stond een drachtige ree. De priesteres
had de zuigeling opgenomen, het kleine meisje, dat in een doek van een
vreemdkleurig lijnwaad was gewikkeld, welks kleur men niet in ’t
Germanen-land tot dien dag gezien had en dat, al naar ’t licht er op
scheen, andere tinten toonde, naar de wachthut gedragen, waar de
offermessen bewaard werden. De ree was haar gevolgd en toen het kind
begon te schreien, had het dier zich tegen haar aangedrongen, haar
vollen uier blijkbaar aanbiedend. De Druïdes had het kind neergelegd en
de ree was zoo bij het wicht gaan staan, dat dit heur handjes naar den
uier uitstrekte, de speen aan den mond bracht en ging zuigen. En toen,
terwijl het kind zijn dorst stilde, had de priesteres in de oogen van
de ree een vreemde, een onverklaarbare uitdrukking gezien en tusschen
de ooren, op den kop, was een lichtende ster verschenen. Toen het kind
voldaan was, liep de ree zachtjes vooruit, telkens omziende naar de
priesteres en het kind, of ze wel volgden en voor de groote hut van
Maresag, den rijkaard, overste der priesters, was de ree blijven
stilstaan en had geblaat, maar met zulk een vreemde, klagende stem, dat
het leek of niet het dier, maar een jonkvrouw weeklaagde. Maresag was
verschrikt naar buiten gekomen en had bevend geroepen, dat hij bereid
was om den wil der groote geesten te volvoeren en toen hij in de
deuropening verscheen en Anertha, het kind en de ree zag, had hij zijn
beide handen hoog ten hemel geheven en Wotan aangeroepen, om een
teeken. Met blies de God zijn wind door de boomen voor het huis en
bloesems vielen op het hoofd van ’t kind zoo, dat zij een krans
vormden. Toen blaatte de ree nogmaals op dien zelfden weeklagenden
toon, sprong op en verdween in ’t woud.
Het teeken was te duidelijk. De zuigeling was een koningskind, en de
ree was de betooverde moeder geweest. De raad der priesteres uit
Rijnland kwam bijeen en daar vertelde Anertha hoe zij de zuigeling had
gevonden en Maresag verhaalde hoe hij, reeds ter ruste, gedroomd had,
dat de maan van den hemel was gestegen en tot hem gekomen was en zeide:
„Maresag, hoor, hoor, hoor. Dit is de dochter mijner liefde. Ga en
wijde haar mij. Hoor! Hoor! Hoor!” Toen was hij opgestaan en nauw van
zijn leger opgericht, daar had hij de vreemde, weeklagende stem buiten
gehoord en daar stond dan Anertha met het kleine meisje in den doek van
een hemelsche stof, die schemerde met de kleuren van de wolken in ’t
maanlicht of de blauwpaarse schelpen aan ’t zeestrand.
De raad der priesters doopten nu het kind met den naam Harimona en
Maresag werd tot wereldsche vader benoemd en Anertha tot wereldsche
moeder en beide werd opgedragen het kind groot te brengen, dat er een
priesteres ter eere van de Maan van zou groeien. Maar daar waren booze
geesten, zeker daar waren zéér booze geesten. Recka, de voedstermoeder
had het ’t eerst ervaren, want haar eigen kind stierf op denzelfden
dag, dat zij de kleine Harimona voor ’t eerst had gevoed. En,
schrikkelijke toover, de kuische Anertha vond men drie weken later
dood, diep in ’t bosch en o gruwel, zij was geschoffeerd door een
wilden man, die daar sedert menschenheugenis huisde en kwaad bedreef
maar nog nooit gezien was. In haar krampachtig vertrokken handen vonden
de priesters de bossen haar, die de maagd, bij de verdediging harer
eer, den kwaden boschnik had uitgetrokken. En midden op haar boezem had
zij de kruiswonde, die ieder vertoonde, die door den wilden man was
gedood.
Maresag was sedert dien gebeurtenis nog norscher en eenzelviger dan te
voren. Hij drong met dappere mannen ’s avonds en ’s nachts in ’t woud,
liet den horen blazen om den wilden man uit te dagen tot een gevecht,
met gekozen of ongekozen tegenpartij, op de saks, op de speer, op het
kortzwaard, op het mes of op de vuist. Maar de wilde man verscheen
niet. De Raad der priesters besloot nu, dat de wilde man gebannen zou
worden met de drie vloeken, den eersten vloek van de aarde, den tweeden
van het water en den derde van het vuur. Maar Maresag had geweigerd den
ban uit te spreken. Liever wilde hij eerst door beloften den wilden man
trachten te verzoenen. En zij hadden, op de plaats waar Anertha
verkracht gevonden was, neergelegd eerst een korf met vruchten van den
notenboom en den beuk. Doch de dieven van ’t woud hadden de vruchten
weggeroofd. Toen een korf met gerstekoeken in honig gebakken. Ook die
was door dieven leeggegeten. Eindelijk een korf met kostbare
geschenken, waarbij een stuk barnsteen, dat den vorm had van een
kindervoet; een kortzwaard van gehard brons met de drie heilige
teekens, het kruis, het driebeen, en het klaverblad versierd; een
wollen overkleed met franjes, geknoopt door Druïdessen, die in elken
knoop een zegespreuk hadden gesproken.
En ziet, die geschenken waren weggehaald en op de plaats lag een kroon
van gouden linde-bloesems en midden in de kroon een gouden plaat met
het gelaat van de Maan. Terzijde van de kroon staken twee speren met de
punt in den grond ten teeken, dat de schenker den vrede aanbood.
De kroon van Harimona, want het was blijkbaar, dat dit het geschenk van
den wilden man beduidde, werd bewaard in het heilige huis, dat stond
boven op den berg Wittewa, waar de geest des winters huisde. De kroon
werd daar bewaakt door de zeven bergreuzen, den draak Frango, den
reuzenhond Whridlo en de geit Baza. Wie de kroon zou weten te veroveren
en haar kon brengen aan Harimona, die was waardig naar haar hand te
dingen en de betoovering van haar en haar sipschaft zou wijken en haar
vader, de koning zou komen en haar en den bruidegom voeren naar zijn
rijk, dat lag op het eiland Scandia, waar de zeevaarders wonen, die
over de wateren voerden tot in de landen van de eeuwige zon, waar de
menschen huiden hebben, zwart als de nacht.
Harimona groeide op tot een slanke jonkvrouw maar haar wonderlijke
afkomst was voor ieder zichtbaar. Zij had haar, zoo wit als sneeuw en
oogen, rood als smeulend houtvuur, waarmede zij ’s nachts kon zien. Als
de nieuwe Maan scheen stond zij op en liep vèr, vèr weg van de heilige
haag en de woningen der menschen en sprak met de Maan en ondervroeg de
toekomst. Als zij dan weerkeerde, lag zij dagen en nachten lang op haar
rustbed en krampen schokten door haar leden en wit schuim kwam op haar
mond en zij schreeuwde rauwe klanken uit, die niemand wist te duiden
dan de oude Maresag.
En groot werd de roep van Harimona in de Rijnlanden en veel verder dan
in die landen, tot ver over de zee op het Paarden-eiland en bij de
zeevaarders van Scandia en in de Ouwen der riviermonden en in de landen
der bergen, die tot in Walhalla reiken. Van al die streken kwamen
afgezanten naar Harimona om haar te ondervragen over het leven en den
dood, over de toekomst en het recht, over de kansen van den oogst, de
jacht, den oorlog, over het gevaar van de overstroomingen en over de
verborgenheden der aarde en der stroomen, waar de begraven schatten
lagen en waar de waterwellen borrelden, die afgeleefde menschen de
jeugd wedergeven en over ziekten van menschen en dieren.
En wonder na wonder deed zij geschieden. De vorst der Chatten had een
eenig kind, een dochter, dat door de booze geesten was bezield en
telkens in krampen neerviel en alleen vermaak vond in dieren en slaven
martelen. Het kind werd voor Harimona gebracht. De priesteres gebood
dat allen zouden uitgaan en alleen de vorst der Chatten voor haar zou
verschijnen. Toen hij voor haar stond, vroeg zij:
„Weet di niet, vanwaar dijn dochter den boozen geest gehaald heeft?”
Zij keek hem met hare vurige oogen scherp aan en hij aarzelde, den
leugen te zeggen, die hem op de lippen lag.
„Sintilaz, de vrucht der bloedschande, dat is haar naam!”
De vorst was ter aarde gevallen en had vergiffenis gesmeed. Zij had hem
als boete opgelegd blootsvoets en steeds achterwaarts gaande naar zijn
rijk terug te keeren. Daar aangekomen, was hij van uitputting
gestorven, niet vóór dat hij openlijk zijn zonde had beleden. En toen
was zijn dochter gedood en daarmede was het geslacht der groote
Chatten-vorsten ten einde en het rijk was gekomen onder een vorst uit
’t Rijnlandsche geslacht.
In het land der Brukteren was een vruchtbare streek, een groot, groot
land maar het bleef woest en onbewoond, hoewel de stam der Brukteren
zoo veel mannen telde, dat vrijen en edelen zich als hoorigen
verpandden in de andere ouwen, daar ze in ’t eigen land verhongerden.
Die vruchtbare streek dan bleef onbewoond en onbebouwd omdat Thor ze
haatte. Niet zoodra waren er woningen gebouwd of de bliksem sloeg uit
de lucht en doodde menschen en vee en zette de huizen in brand.
Harimona had toen bevolen, dat voor elk huis en in elke weide een speer
zou worden opgesteld zoo hoog als drie mannen boven elkaar en geheel
van ijzer. De spits moest gewijd worden met het heilige teeken van het
driebeen en de voet met het heilige teeken van het klaverblad. De
speren zonden allen gewijd zijn aan de Harjazzi, de donkere ruiters van
over de bergen, die Thors lijfwacht vormen.
En hoewel menigeen twijfelde, toch bleek het waar en een ieder kon zich
er van overtuigen, gelijk menigeen deed, dat de gouden speren van Thor
nu niet meer in de woningen sloegen en niet meer de menschen en de
dieren doodden, maar vochten met de speren aan de Harjazzi gewijd en in
de diepe aarde zonken en daar verdwenen. Dat kon ieder zien, die
twijfelde aan de goddelijke gaven van Harimona. [1]
Want er waren ook twijfelaars en er waren er zelfs, die zeiden dat
Harimona een vaderloos kind was voor allen, behalve voor dien
aartsschelm van een Maresag, die groote schuren moest bouwen om de
rijke offergaven te bergen, die van aller heeren landen werden
aangedragen, goud en zilver en brons en wapens en lijnwaad en barnsteen
en kostbare houtsoorten en prachtige pelzen. Ook ging het gerucht, dat
Anertha vermoord was geworden evenals het kind van Recka, de
voedstermoeder. Wie kon bewijzen, dat Anertha door den wilden man was
geschoffeerd?
Maar dat zeide men alleen, wanneer er véél gedronken was of ’s winters,
als men dagen achtereen in de hutten voor ’t haardvuur zat en niets
meer wist te vertellen en nu in de vertrouwde sipschaft wel waagde te
spreken over iets, dat daarbuiten geuit en aan Maresag overgebracht,
zeker met het uitsnijden van de tong des lasteraars zou bestraft
worden.