HOOFDSTUK I.

Tegen den morgen zag Sigbert, de Bataaf, de vader der drie mannen, die

nog bij het vuur sliepen, dat zij aan den rand van ’t bosch waren

gekomen. De zon was opgegaan ver achter de takken, waar een groote

vlakte scheen te liggen. Hij voelde zich daardoor wat vroolijker

gestemd, dan gisteravond, toen hij en zijn drie zonen, moedeloos waren

geweest omdat er aan het groote bosch van eiken en beuken geen einde

scheen te komen. Vier dagen waren ze er nu al in verdwaald en dat

zonder water, zonder ander voedsel dan de gezoden paddestoelen. Zij

waren alle vier dood op. Twintig dagreizen waren ze nu al geloopen,

altoos in de tegengestelde richting van de ster Brendel, die staat

boven de zee, waarover de godin Nehalennia gebiedt. Brendel is een

goede geleidstar voor den nachtwandelaar, want hij staat altoos op

dezelfde plaats, één van de zeven minnaars van de godin Nehalennia, die

allen begeerig naar de hand der jonkvrouw, hun plaats aan den hemel

niet verlaten durven, uit angst dat een der medeboelers daarvan gebruik

zal maken om zich haar gunst te verwerven.

In de laatste dagen was de hemel dicht bewolkt geweest en als Tjeerd,

zijn oudste zoon, die ’t beste klimmen kon, ’s nachts in een boom was

geklauterd om boven uit te zien, waar Brendel nu stond, dan was hij

telkens met een ander bericht beneden gekomen. Zij waren aan ’t dwalen

geraakt en konden den weg niet terugvinden. Herebaeld, zijn jongsten

zoon, die mee was gegaan hoewel hij zwak en teeder was, maar door den

ouden priester Kigrold was onderwezen in de kennis der voorteekenen,

der wonderen en der offers, had al zijn kennis beproefd om den wil der

goden na te speuren en gisteren had hij, ten einde raad, de

veronderstelling geuit, dat Brendel hun wellicht met een boos oog

aanzag, omdat zij naar de vrouwe Harimona trokken om raad te vragen,

waardoor aan Nehalennia afbreuk werd gedaan. Zouden ze dan terugkeeren

en weder naar Nehalennia gaan? Reri, de oudste der broeders, de groote

zwemmer en zeeman, was er zeer op tegen geweest. Nehalennia was een

slechte godin. Hoeveel keeren had hij haar nu al offers gebracht, hij

en zijn makkers en telkens bedroog zij en hield haar beloften niet.

Marizjan, de Massiliaansche koopman, had haar drie purperen kleederen

en een gouden beker gebracht, behalve nog de twee vaarzen die geofferd

waren en toch was zijn skig, zoodra hij den mond van de Skalde had

verlaten, door een kwaden zeegeest omgetrokken en in de diepte

verdwenen.

Hij, Reri, was dadelijk te water gesprongen en was naar den

ongelukkigen schipper gezwommen, die vlak voor zijn oogen wegzonk. Met

open oogen had Reri gedoken en hij had Marizjan gepakt en hem aan land

gebracht. De Massiliaan was als een doode blijven liggen en zou

gestorven zijn, zonder de hulp van een markt-kaninefaat, die hem met

het lauwe bloed van pasgeslachte konijnen wreef, door eerst het konijn

den strot door te snijden en nadat het bloed op de borst van den

schijndoode was uitgeloopen met het gedoode konijn, dat bloed op de

borst krachtig uit te wrijven. Twaalf konijnen moesten zoo aan den

kwaden geest geofferd worden voor hij in den Massiliaan weder het leven

deed terugkeeren. En Horand, de groote zeevaarder, in wiens dienst Reri

had gestaan, had verboden, dat een zijner schippers ooit Nehalennia

eenig offer zou brengen of tot haar eenigerlei bede zou richten sedert

zij, ondanks de offers, het schip had laten zinken, waarop Welisunk,

zijn eenige zoon was uitgevaren om naar het Paarden-eiland te zeilen.

Spil, de stuurman op de skig van Horand, die ’s nachts, toen het

stormde, Nehalennia ondanks het verbod, had aangeroepen om hem voor

zijn vrouw en kinderen te behoeden en haar een mes met barnsteenen heft

had beloofd, was nog in dien zelfden nacht overboord geslagen en

verdronken. En als Nehalennia geen macht meer had over de zee-geesten,

wat wel te begrijpen was wegens haar hoererij met Brendel en zijn

mede-boelers, dan zou zij eerst in ’t geheel niets meer te zeggen

hebben over de land-geesten. En van de land-geesten moest Sigbert het

hebben. Dat was nu al de derde maaitijd, dat de oogst geheel mislukte.

De geheele Bat-ouw begon te verarmen. Zij waren een rijke en

vredelievende bevolking in de Bat-ouw al sedert de verste tijden, ja al

in de tijden, toen de voorvaderen de ware goden nog niet kenden en het

vuur en de zon aanbaden als de éénige goden en de ever voor heilig werd

gehouden. Zoolang waren zij al in de Bat-ouw rijk en vredelievend

hoewel zij allen sterke kerels waren, breed van schouders, kort van

hals en sterk van borst. Hij Sigbert, was nu al niet jong meer, maar

had hij niet, nog geen zes manen geleden, met de vijf zonen van zijn

buurman Darrewald grafsteenen, die op de graven van vuuraanbidders

lagen en die ongeluk brachten, omdat de echte goden die niet graag

zien, weggedragen naar het Darantsche landschap, buiten de palen van de

Bat-ouw. En de vijf zonen van Darrewald hadden moeten rusten, telkens

en telkens weer, maar hij, die toch ook een zwaren steen droeg, had hem

stevig op zijn nek gehouden en hem vóór de anderen bij de Daranters

neergelegd. Neen... Reri was er vóór hem geweest. Reri ook... zijn

Reri! Tjeerd, de middelste, dat was óók een kaerel, die kon klimmen en

paardrijden en springen; hij sprong uit een boom op den grond zonder de

beenen te breken, maar Reri was toch eigenlijk meer een kaerel van ’t

echte slag, niet zoo knap in ’t klimmen en ’t paardrijden en springen

deed-ie nooit... maar Reri nam een mijlsteen in zijn rechterhand en

wierp ’m tot midden in de Issel-stroom en sprong in ’t water en bleef

onder, zoolang dat je dacht, hij was voorgoed bij den stroomgod en dan

hoorde je aan den weer-oever zijn „Hier... óóó!” en daar stond ie, met

den mijlsteen en was onder het water door geloopen, zoo met den

mijlsteen naar den kant. Dat deed Reri. En toen de Darrewalders waren

aankomen varen met een wagen om graan te stelen en veel misbaar hadden

gemaakt met hun voorvechter, die op een paard zat en uitdaagde om op te

komen, éérst één saks tegen één saks en toen één saks tegen twee

saksen, was die drommel van een Reri, die booze ever, die haloendersche

auwer, zoo maar zonder wapen op ze aangeloopen, hij alleen tegen de

heele troep Daranters en toen zij riepen, „wo ist di waffe, wo ist di

waffe!” had hij zich omgekeerd en gedaan of hij ze vergeten had en hij

had zijn arm wijd gezwaaid naar zijn moeder, die bang was voor haar

jongen en hardop had hij gelachen en een gerste-aâr geplukt en gezegd,

dat hij daarmee wou vechten omdat het toch daarom ging. En dicht bij

den voorvechter, daar had zijn Reri, die saltermaansche wotanszoon, bij

den draak van Sigbold, zich gebukt en zijn kop onder ’t peerd gestoken

en zijn armen om de pooten en daar droeg-ie man en paard omhoog, dat de

man er schuin afviel en bleef liggen en hij, zoo met den paarderomp om

zijn nek, vroeg of er nog meer trek in gerst hadden, dan de knol alleen

en bij bracht de knol thuis, een zwaar hooglandsch edel-ros, zoo op

zijn schouders en de Daranters hadden gijzelaars gestuurd en gevraagd

of zij een burenbond wilden vormen, wat dan ook gebeurd was.

Sigbert keek naar zijn zonen, zooals ze daar nog slapend om ’t

versmeulende nachtvuur lagen. Reri was wel de beste van zijn drie, met

zijn zware armen en zijn schorsige handen, die boven het berevel lagen,

dat hij als dek had gebruikt. Tjeerd, lang en mager, had zich ’s avonds

doodmoe maar zoo neergegooid in zijn runderleeren hes en zijn lange

Friesche broek, zijn hoofd gesteund op zijn bovenarm. Die twee zouden

wel spoedig de ouden zijn als ze straks drinken en eten vonden. Maar

voor Herebaeld was hij bang. De arme jongen was zwak en als ’t niet de

moeder geweest was, die hem had verzorgd met boschkruiden en meelpappen

en varsche melk, dan was-ie niet geworden wat-ie geworden was. Sterk

was-ie niet, neen dat mocht-ie niet zeggen, éér was-ie een meid gelijk,

met zijn lange blonde haren en zijn fijne, dunne armen en witte handen

en zijn slanken bouw. Maar Kigrold, de priester had gezegd, dat-ie van

den grooten geest bewoond was en al bij zijn geboorte voorspeld, dat-ie

heerschen zou over velen, omdat-ie de dubbele kruin had en spreken zou

met de goden en weten de toekomst en den gang van het lot en van den

oogst en van den krijg, omdat hij overtogen was geweest met het

helmvlies. En wáár was het tot nu, want hoewel zwak, zoodat hij geen

juk met twee melkemmers kon dragen en geen boog spannen, was er niemand

in de Ouw, die Herebaeld niet ’t eerst zou begroeten als hij hem

voorbijkwam en hem gehoorzaamheid zou weigeren en kwaaddoen zou niemand

hem durven, want hij was heilig gesproken bij het feest der opstanding

door de drie Druïden in den heiligen haag van Balgo. Arme jongen....

hij was medegegaan op den verren tocht naar de groote priesteres omdat

hij haar woorden beter zou kunnen duiden dan Tjeerd of Reri, en hij

Sigbert zelf, als ’t moest zijn om te zeggen, dat is grond voor spelt

en dat is grond voor gerst en dat is grond voor rogge, dan wist hij het

als de beste. En om, als ’t moest, wat de goden verhoeden, zijn mannen

te zetten in de horde van de saks, met den aanvoerder aan de spits, dan

konden ze opkomen tegen hem, tegen de saks van Sigbert, die nooit

verloren had. Maar van de voorteekenen en de godenspraak en de

droomduiding en van ’t kennen van de geesten en de reuzen en de

dwergen, daar wist hij niet veel van, dat erkende hij graag.

En met bewonderende liefde in de oogen, de driehoekige, grijze oogen

onder forsche, rosse, altijd gefronsten wenkbrauwen, keek hij nu naar

zijn jongste, die in een slaapzak van dichtgevlochten, donkerbruine wol

was gekropen, het hoofd alleen er buiten, rustend op zijn tot een

hoofdkussen saamgevouwen, hemelsblauwe, fijn-wollen overkleed. Hij keek

naar het hooge voorhoofd, den langen, fijnen neus, den kleinen

meisjesmond en de ronde kin met een kuiltje.

De vogels begonnen te schuchtelen; een roofdier brulde in de verte,

vóór het in zijn hol ging en een roode glans begon in ’t dichte,

ruischende loover te gloeien. De vader wilde zijn drie jongens nog een

poosje laten uitslapen, toen hij opeens zijn beide handen hoog hief,

ten teeken van angst en eerbied en snel bad: „Groote Vasolt, machtige

Vasolt!...” Maar nog had hij het gebed niet uitgesproken of het groote

everzwijn, dat tusschen het hooge varen-gewas was opgesprongen, rende

op de drie slapende mannen af, door ’t gedoofde vuur niet meer

teruggehouden en sprong boven op Tjeerd. Sigbert nu van den schrik

hersteld, hoewel zonder wapen, wierp zich op ’t dier de beide handen

worgend om diens strot onderwijl roepend: „Reri! Reri! Reri!”

De reus ontwaakte en zonder schrik, zonder onrust, stond hij met een

sprong recht en kalm zich weer bukkend vatte hij het dier bij de

achterpooten, zwierde het met een ruk opwaarts, knikte het in den zwaai

door een korten ruk, zoodat de beide achterpooten met een knakje in den

sprong achterwaarts braken, alsof een dorre tak op de knie werd

doorgeslagen en toen het dier, dat brulde van pijn, weer met een ruk

naar voren zwierend, sloeg hij het met den onderkaak plat op den grond

neer, zoodat een slagtand met een vaart uit de kaak geslingerd werd.

„Grendeldebliksem, da’s een knaap vaâr!” zei de zwemmer met zijn kleine

groene, diepstaande oogjes lachend, kijkend naar ’t reutelende dier,

dat de verlamde achterpooten in doodstuipen optrekkend, zijn bloedende

snuit met rukjes schuivend in de nog warme asch van ’t wachtvuur,

stierf.

Tjeerd was nu ook opgestaan en van den schrik bekomen. Het dier had

zijn tanden in zijn kuit gezet, maar de lederen broek had voldoende

weerstand geboden en hij was niet gewond. Herebaeld, ook wakker, had

zich alleen opgericht en nog wat slaapdronken, begreep hij niet goed

wat in dat korte oogenblik gebeurd was, wist nog niet of hij wellicht

droomde.

Maar de vreugde van vader en de broers, die nu ’t dier als kenners

beschouwden, bracht hem spoedig op de hoogte.

„Zoo temet stond ik en dacht de slaap sterkt en wilde wachten met den

waak tot de zon boven de hand stond, daar hoor ik net-an achter den eik

daar een roepen, maar van een mensch niet van een dier... of ’t moest

zijn, daar was een nikker of een dwerg of een reus, die daar gejaagd

had, en ik roep Grendel aan en denk, daar zal di ’t hebben omdat du

Nehalennia ontrouw bent en zij stuurt een reck op di af en du zult

verslagen worden met dijn zoons, daar krek springt de iever op dijn

been Tjeerd en ik op den iever en toen Reri...”

Sigbert staande naast den reus was, hoewel een rijzig man, van

denzelfden breeden, stevigen bouw als Reri, zoodat het scheen of alle

leden door een kracht van buiten opelkaar geperst waren tot grootere

stevigheid, een hoofdlengte kleiner en hij keek op naar Reri, met in de

driehoekige oogen een fier stralen van geluk.

„Ik sliep en ik droomde, een boschdwerg zat op mijn borst en stak zijn

hand er in en haalde mijn maag er uit, daar voel ik mijn been lam en

zwaar en word wakker en daar leit-ie op mij en vaêr op den iever en ik

voel de tanden in mijn kuit, door ’t leer heen...”

„’t Was me een stuk! Grendeldebliksem jong, ’t was me een stuk...”

„’t Is ’m niet daarom vaêr, want als ik in mijn kracht ben sla ik er

toch een, driemaal zoo zwaar in den knik. Maar niet gegeten te hebben,

Grendeldebliksem vaêr, hij zal smaken!”

Tjeerd, die dat ook al gedacht had, begon gebukt over ’t wegsmeulende

vuur, ’t zachtjes aan te blazen, ’t ophoopend met dorrende bladeren,

die al dik in ’t herfst-woud lagen.

Herebaeld had nu zijn nachtzak afgestroopt en zich moede aankleedend

zei hij zwak:

„Vaêr, er is een tand opgesprongen?”

„Ja, jongen.”

„Goed... dat is de richting voor vandaag. En nog wat, vanwaar kwam de

menschenstem?”

„Van daar af!”

„Was ’t één lang geluid of een kort?”

„’t Was één lang geluid...”

„Hoelang duurde het?”

„Om te zeggen als den eersten roep tot een offer.”

„Dan vaêr is het geen geest geweest. Want een geest geeft altijd eerst

een korten roep, daar hij anders niet mag aanvallen.”

„Gelijk heb di..” zei Tjeerd gul. „Ik heb ook al gedacht, de iever is

opgejaagd en hier in angst toegesprongen.”

„Du hoeft mij geen gelijk te gevent” zei Herebaeld streng. „Ik weet,

wat ik weet. Vaêr, denk er aan. Er komt van dien kant onheil. Ik zie

veel mannen met korte zwaarden en een groote er onder. Hij alleen rijdt

te paard, een wit ros met gevlochten manen, waarin gouden schelletjes

hangen. Zij zoeken denzelfden weg als wij en wij moeten ons haasten hun

vóór te zijn. Want anders zullen zij ons verslaan, niet uit vijandschap

maar opdat wij Harimona niet zullen spreken. Want die op het ros is één

van de minnaars.”

Germania(#73888) · 第 4 / 44 题