glimlachend aankeek, een sigaret opstak en met luide stem een grap
vertelde.
Een tijd later—Baxter had zijn soep besteld en scheen in een ernstig
gesprek verdiept—zei Raffles tot zijn vriend:
„Ga nu opstaan en verlaat het café. Wacht mij op den hoek in den
sigarenwinkel.”
Charly stond op.
Met bevende knieën trok hij zijn overjas aan en sidderend verliet hij
het lokaal.
Op straat bekroop hem opnieuw de grootste angst
Als Lister herkend werd, was hij een verloren man.
Raffles intusschen keek met de grootste kalmte naar inspecteur Baxter.
Met onverschillig gebaar, alsof niets en niemand hem interesseerde,
rookte hij een sigaret en dronk daarbij langzaam zijn kop koffie uit.
Baxter keek herhaalde malen geheel toevallig den café-bezoeker aan, die
juist tegenover hem zat, en plotseling bemerkten de lord, dat de oogen
van den rechercheur onderzoekend op hem bleven rusten.
John Raffles knipte zelfs niet met de oogen en hield den blik
uitstekend uit.
Hij zag, dat Baxter zich vooroverboog en iets zeide tegen den heer, die
bij hem zat.
Ook deze keek toe naar lord Lister, die zijn onverschillige houding
geen oogenblik had laten varen.
Het tweetal daarginds ging echter voort met fluisteren en toen stond de
inspecteur op en deed, alsof hij een tijdschrift zocht aan de
leestafel.
Daarna liep hij van de leestafel met een paar haastige stappen naar de
deur en trad de straat op.
Toch bemerkte lord Lister, dat de inspecteur hem in de gaten hield.
Hij zag, dat de detective, die was blijven zitten, hem geen oogenblik
uit het oog verloor.
Onmiddellijk begreep hij dat Baxter op straat was gegaan om hulptroepen
aan te rukken en zonder een oogenblik te aarzelen, ging hij naar het
heerentoilet. Een smal venster voerde van hier op de binnenplaats en
daardoor vluchtte hij.
Met een klein sprongetje stond hij beneden, toen klom hij langs de
brandladder en kwam zoo op het dak.
Dit was plat en hij zag, dat hij zonder eenig gevaar voort kon loopen
tot aan het hoekhuis.
Daar staakte hij zijn wandeling over de daken, opende een luikje en
kwam op de trap van een huis.
Hij had zijn hoed in het café achtergelaten.
Daar hij begreep, dat hij zich zonder hoofddeksel niet op straat kon
vertoonen, luisterde hij aan verschillende deuren, totdat hij een
ontdekte, waarachter zich naar alle waarschijnlijkheid niemand bevond.
Met een uitstekenden looper opende hij de deur en trad de woning
binnen.
In de gang hingen, zooals hij had vermoed, verscheiden hoeden en
petten.
Haastig zette hij een daarvan op en verdween toen, zooals hij gekomen
was.
Nu ging hij de trap af en de straat op.
Deze was geheel gevuld met een opgewonden menigte.
„Ze hebben hem!” klonk het aan allen kant, „hij is gevangen. In dat
café hebben de detectives van Scotland Yard hem gesnapt!”
Lord Lister lachte ironisch en ging den sigarenwinkel binnen.
Zijn vriend was echter verdwenen.
De lord kocht een paar sigaren en vroeg den winkelier toen, waar de
heer gebleven was, wiens uiterlijk hij beschreef.
„Hij is haastig weggegaan, toen er buiten geroepen werd, dat men
Raffles had gevangen.”
„Dank u.”
Lord Lister ging heen.
Hij begaf zich tusschen de menigte.
Misschien ontdekte hij daar Charly Brand.
Toen zijn moeite echter tevergeefsch was, nam hij een automobiel en
beval naar Fulton Street te rijden, naar het huis van miss Walton.
Dit huis had hij Charly Brand opgegeven in geval de vrienden elkaar
kwijt raakten.
In de buurt van het huis stapte hij uit om geen opzien te baren in de
stille straat.
Het was op den hoek van St. Georges Street.
Voorzichtig keek hij rond in de half donkere straat om te zien, of het
huis niet door detectives werd bewaakt.
Hij bemerkte niet, dat een kerel, oogenschijnlijk een bedelaar, hem
scherp had gadegeslagen en geheime teekens gaf naar een winkel aan de
overzijde.
Zoodra Raffles de deur van het huis was binnengegaan, kwamen
verscheiden detectives te voorschijn uit de winkels aan den overkant
der straat, waaronder detective Marholm.
Voorzichtig als Indianen slopen zij voorwaarts.
„Opgepast, jongens!” fluisterde Marholm, „als jelui goed op je post
bent, loopt de vos vandaag in de val.”
Hij bleef voor de deur van miss Waltons huis staan en luisterde
aandachtig.
Op de vierde verdieping werd een deur geopend en duidelijk hoorde men
de stemmen van miss Walton en lord Lister.
„Twee mannetjes moeten naar het dak gaan”, zei Marholm, „twee moeten
hier op de trap de wacht houden, één gaat op de binnenplaats en één aan
de voordeur.
„Ik zal met detective John naar binnen gaan en trachten hem te pakken
te krijgen.
„Als we vechten moeten, zal ik een signaal geven. Goed opgepast hoor.
Ik wil eindelijk eens de eer van Scotland Yard hoog houden. Heel Londen
lacht ons uit!”
Hij onderzocht zijn revolver en ging de trap op.
Toen lord Lister aan de woning van miss Walton de schel overhaalde deed
de jonge dame zelf open.
Lord Lister noemde zachtjes zijn naam en toen verscheen een
vreugdestraal in de oogen van het jonge meisje.
Zij bracht hem naar de voorkamer en sprak daar:
„Lord Lister, verlaat zoo gauw mogelijk Londen. Al de detectives
vervolgen u!”
John Raffles lachte.
Hij lette niet op haar woorden en vroeg:
„Is uw moeder thuis?”
„Neen! Ik heb haar voor enkele weken naar het sanatorium gezonden,
opdat zij wat op krachten kan komen!”
In hetzelfde oogenblik werd er gescheld.
Het meisje luisterde.
Toen sprak zij:
„Wie zou daar kunnen zijn?”
Lord Lister antwoordde:
„Dat zal Charly zijn. Hij weet, dat hij mij hier kan vinden. Maar laat
ons voorzichtig zijn, en eerst eens vragen, wie daar is.”
Weer werd gescheld en ditmaal luider dan te voren.
Nu schrikte Raffles toch.
Die bevelende toon kwam van iemand, die toegang verlangde tot elken
prijs. Hij vloog naar het venster en keek door het spionnetje, wie daar
buiten stond.
Nauwelijks had hij dit gezien of hij ging in de kamer terug.
„Ik word vervolgd. Daar beneden staan verscheiden rechercheurs!”
Miss Walton werd doodsbleek.
Radeloos keek zij lord Lister aan.
Wanhopig wrong zij haar handen en fluisterde:
„Gij zijt verloren!”
„Wees kalm,” fluisterde Lister, „waar een wil is, is een weg en mijn
wil is sterk genoeg om een weg te vinden! Ik heb geen oogenblik tijd te
verliezen!”
Hij opende een der vensters.
Het meisje ijlde hem na.
„Neen, lord Lister, dat moogt gij niet doen, dat zou uw dood zijn!”
Lord Lister stond een oogenblik besluiteloos.
Er was voor hem geen andere uitweg, slechts door het venster kon hij
vluchten.
Eensklaps liet hij een zacht fluiten hooren.
Hij had gevonden, wat hij zocht.
Onder het venster liep een smalle richel naar het volgende huis.
Als hij daar langs kon komen, zou hij door een openstaand raam in die
vreemde woning kunnen gaan en zoo de straat bereiken.
Maar de kamer lag op de vierde verdieping en als hij misstapte, zou hij
onherroepelijk te pletter vallen.
Reeds was hij van plan den tocht te wagen, toen hij zag, dat ook voor
het naburige huis zich detectives hadden opgesteld.
Er werd dus volledige jacht op hem gemaakt.
En nu zat hij in een val, waaruit hij zich niet zoo gemakkelijk zou
kunnen redden.
John Raffles’ hersens werkten met koortsachtige haast.
Hij moest een uitweg vinden.
Zonder een woord verder met miss Walton te wisselen, ging hij haastig
naar de keuken om daar van uit het raam de kansen tot ontvluchten te
overzien.
Nauwelijks had hij een venster geopend, of hij stiet een kreet van
vreugde uit.
Hij had een nieuwen uitweg gevonden.
Deze was echter van zeer halsbrekenden aard.
Aan het keukenvenster was op Engelsche manier een balkon aangebracht.
Van dit balkon was een waschlijn gespannen naar het huis aan den
overkant.
De Engelschen drogen, bij gebrek aan betere plaats, hun wasch op deze
manier.
Langs deze waschlijn nu wilde Raffles het andere huis bereiken.
Op dezen tocht was hij blootgesteld aan het grootste levensgevaar, want
als de waschlijn brak, zou hij van de vierde verdieping naar beneden
storten.
Voordat hij het plan waagde, keerde hij zich tot miss Walton.
„Kijk goed de advertentiepagina van de „Times” door. Daar zult ge nader
van mij lezen. Ik moet u weerzien, miss Walton!”
Hij greep haar hand en drukte er een kus op.
In haar schoone oogen blonken tranen.
Hij keek haar aan en in dat oogenblik werd het hem volkomen duidelijk,
dat hij het mooie meisje liefhad.
Hij vergat, dat daarbuiten de detectives op bevelenden toon wenschten
te worden toegelaten en terwijl hij de armen om haar heensloeg,
fluisterde hij haar de liefste woordjes in het oor.
De detectives hadden intusschen bijlen gehaald.
De deur versplinterde.
Lord Lister liet het meisje los.
„Vaarwel, liefste! Vergeet niet, wat ik je gezegd heb. Over een paar
dagen zul je in de „Times” bericht van mij krijgen.”
Hij gaf haar een vlijmscherp zakmes,
„Wacht nu, totdat ik het touw goed te pakken heb. Als ik roep, moet je
het middendoor snijden!”
Miss Walton beefde.
„Edward!” fluisterde zij, „bedenk, wat je doen wilt. Als je naar
beneden valt, spring ik je na.”
„Maak je niet bezorgd,” antwoordde John Raffles.
Hij kuste haar.
In dit oogenblik vloog de deur met luid gekraak open.
Zonder zich een oogenblik te bedenken, vloog lord Lister over de
ijzeren borstwering, greep de waschlijn met beide handen en trachtte
zoo het huis aan den anderen kant te bereiken.
Hij had het nog niet bereikt, toen de detectives bij miss Walton op het
balkon kwamen.
„Daar is hij,” riepen zij, „halt, of wij schieten!”
„Vlug, miss Walton!” riep John Raffles en terstond sneed het jonge
meisje het touw door.
Lord Lister vloog met alle geweld door de lucht en kwam met een smak
terecht tegen den muur van het huis aan den anderen kant.
Verbluft keken de detectives elkander aan en toen naar de kloof, die
hen nu van Raffles scheidde.
Zij haalden hun revolver te voorschijn om op den vluchtende te
schieten, maar nog voordat zij daarvan gebruik konden maken, was de
lord neergegleden langs de waschlijn, die nu tot bijna op den grond
hing en aan het oog onttrokken.
Toen keerde zich de woede der detectives tot miss Walton.
Volgens de Engelsche wet kon zij niet verantwoordelijk worden gesteld
voor de vlucht van lord Lister.
Zonder zich verder om haar te bekommeren, verlieten zij het huis om de
jacht op lord Lister voort te zetten.
Miss Walton bleef op het balkon staan.
Alles kwam haar voor als een dwaze, ongelooflijke droom.
Toen het donker begon te worden, liet zij een timmerman roepen, die
voor haar de versplinterde deur weer moest herstellen.
Terwijl dit geschiedde, trad een heer op haar toe, die haar groette.
Zij schrikte, toen zij Charly Brand herkende.
Hij ging met haar in de kamer en daar vertelde zij hem, wat er dien
middag was voorgevallen.
Ook deelde het meisje hem mede, dat eerstdaags onder de advertenties in
de „Times” lord Lister van zich zou doen hooren.
Charly dankte het meisje voor haar inlichtingen en vertrok snel.
Maar waar moest hij heengaan?
Hij was zoo gewend in alles door Raffles geleid te worden, dat hij op
het oogenblik als hulpeloos op straat stond.
Toen besloot hij een vroegeren schoolkameraad om logies te vragen,
totdat lord Lister weer van zich zou doen hooren.
DERDE HOOFDSTUK.
DE ONTVOERING.
Baxter had een geheim onderhoud met zijn detectives om opnieuw te
beraadslagen, hoe lord Lister, alias Raffles, kon gepakt worden.
De juwelier Collgate had een belooning van duizend pond sterling
uitgeloofd voor hem, die zijn juweelen terugbracht.
Maar hoe de detectives ook nadachten, zij konden geen nieuwe middelen
vinden om Raffles te pakken.
De inspecteur had nogmaals een onderhoud gehad met Sherlock Holmes, om
dezen te vragen, behulpzaam te zijn in het opsporen van Raffles.
Holmes telefoneerde echter, dat hij niet van plan was aan deze
opsporing mede te werken, daar hij Raffles volstrekt niet beschouwde
als een misdadiger.
Zoo was Baxter dus op zijn eigen mannetjes aangewezen.
En zoo wist Baxter dus feitelijk zelf nog niet, welken weg hij in dezen
zou inslaan.
Met mismoedig gelaat keek hij het avondblad door.
Plotseling bleef zijn blik hangen aan een kleine advertentie.
Hij las het volgende:
„Miss Else!
„Plaats van ontmoeting vóór het Majesty-Theater, morgen, Donderdag,
om acht uur!”
Baxter las de advertentie verscheiden keeren.
Zou het toeval hem hier den weg hebben gewezen?
Hij dacht na.
Zou met deze miss zijn bloedverwante, miss Walton, niet bedoeld worden?
Wie weet!
Misschien was hij op het juiste spoor!
Misschien was hij dit keer Raffles te slim af!
Hij vertelde Collgate niets van zijn ontdekking.
Hij nam een zakmesje en sneed de advertentie voorzichtig uit.
Toen nam hij afscheid van den juwelier en ging naar het
advertentiebureau van de „Times” om daar te vragen of men hem den
persoon kon beschrijven, die de advertentie had afgegeven.
Onverrichterzake moest hij echter weer weggaan.
Toen begaf hij zich naar Whitechapel.
Het was al donker, toen hij dit beruchte stadsgedeelte betrad.
Voor een klein huisje in de buurt van de Theems bleef hij staan.
Nadat hij naar alle kanten had rondgespeurd of niemand hem bespiedde,
deed hij de deur voorzichtig open.
Hij vroeg:
„Is mister Fox thuis?”
Een vrouwenstem antwoordde:
„Yes, Sir!”
De inspecteur ging een korte gang door en een kamer binnen, waarin een
petroleumlamp brandde.
Bij zijn binnenkomst stond een oude, magere man uit zijn leuningstoel
op.
Hij keek den detective met scherpen blik aan.
„O, bent u het, inspecteur Baxter? Ik heb u in drie maanden niet
gezien, wat voert u hier?”
„Zaken!” antwoordde Baxter. „Ik heb uw hulp noodig, waarbij ge een paar
duizend pond kunt verdienen.”
De magere hoestte en bood den inspecteur een stoel.
„Laat eens hooren, wat ge voor zaakjes hebt!”
Baxter zweeg even.
Toen begon hij:
„Het is om Raffles te doen!”
De magere liet een langgerekt gefluit hooren.
Toen trommelde hij met zijn beenige vingers op de tafel.
„Dat dacht ik al, toen ik die belooning hoorde. Dus om Raffles is het
te doen! Het is wel een groote eer voor mij, dat ge daarvoor mijn hulp
inroept, maar beste mijnheer Baxter, ik wil u wel eerlijk bekennen, dat
die kerel ons allemaal veel te slim af is.
„Er is een belooning op zijn hoofd gezet, zooals totnogtoe de recherche
nog nooit heeft uitgeloofd. Als ze maar te verdienen was! Gij weet heel
goed, inspecteur, dat ik in mijn twintigjarige loopbaan als particulier
detective, al heel wat moeilijke zaakjes heb opgeknapt en heel wat
gevaarlijke jongens achter de tralies heb gewerkt.”
„Maar mijn waarde mister Baxter, kijk eens hier!”
Hij wees op een stapel papieren, die voor hem op tafel lag.
„Daar hebt ge al het materiaal, dat ik in de zaak Raffles heb
verzameld, zonder dat ik feitelijk nog tot eenig helder inzicht ben
gekomen.
„Ik wil u wel eerlijk bekennen, mister Baxter, dat die man ons allen te
slim af is. Ik schroom geen oogenblik, dit volmondig te erkennen!”
„Dat ben ik niet met u eens! Ik geloof, dat ik hem ditmaal te slim af
ben en gij, mister Fox, zijt de eenige, die mij kunt helpen.”
Fox vertrok zijn gelaat tot een grimas:
„Ja, ja, als de heeren detectives het niet meer alleen af kunnen, dan
mogen wij eens een handje helpen. Vertel me dan eens wat ge voor hebt
met dien Raffles en met mij!”
Baxter haalde de uitgeknipte advertentie uit zijn portefeuille te
voorschijn.
Fox las haar opmerkzaam.
„Ja, als dat die miss Walton is, die met Raffles onder één hoedje
speelt—en als dat Raffles is, dan—hm!—dan zou het wel een aardig zaakje
kunnen worden. Maar—” hij zweeg een wijle.
Toen vervolgde hij:
„Maar als het nu inderdaad dat liefje en Raffles zijn, wat dan?”
Baxter zweeg.
„De zaak is niet zoo heel gemakkelijk”, vervolgde Fox.
„Zou Raffles, als hij naar den schouwburg gaat, zich aan het publiek
vertoonen? Daar geloof ik niets van.”
„Maar ik zal, ik moet hem vinden”, beweerde Baxter.
„Ik wensch u veel geluk, mijnheer Baxter, maar, met uw verlof, ik heb
een heel ander plan.”
„En dat is?”
„Raffles is verliefd op deze miss Walton, dat is een feit. Hij heeft
het er nu opgezet, haar te ontmoeten! Als het ons dus morgenavond,
ondanks alle voorzorgsmaatregelen, niet gelukt Raffles voor den
schouwburg te vangen, laat ons dan miss Walton ontvoeren en haar ergens
heen brengen. Raffles zal dan natuurlijk geen poging ongemoeid laten om
zich met haar in verbinding te stellen en haar uit onze handen te
bevrijden.”
Baxter schudde het hoofd.
„Dat is een strafbaar feit, mister Fox.”
„In dezen heiligt het doel de middelen.”
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Om zeven uur den volgenden dag reeds waren Baxter en Fox voor het
Majesty-Theater op post.
Het was omstreeks acht uur toen Baxter het meisje ontdekte.
Een fijne, klamme motregen viel neer en het meisje had haar gelaat in
een dichten sluier gehuld.
Baxter zag, dat zij telkens omkeek met onrustig gebaar, alsof zij op
iemand wachtte.
In dit oogenblik vloog Fox op haar af.
Hij sprak haar aan.
„Het is goed, dat ge gekomen zijt. Ga mee, ge wordt gewacht.”
Miss Walton, die niet de minste argwaan koesterde, volgde den
particulieren detective naar een automobiel, die achter het gebouw
wachtte.
Baxter bleef op post, in de hoop den verwachten Raffles te zien
opdagen.
Toen Fox de automobiel bereikt had, sprak hij:
„Stap vlug in, opdat niemand op ons let.”
Deze woorden versterkten het meisje nog meer in haar meening, dat de
man door lord Lister gezonden was.
Haastig besteeg zij de automobiel, terwijl Fox nog eens omkeek of hij
door niemand werd bespied.
Hij zag alleen een politie-agent in uniform en, onbevreesd voor dezen,
riep hij den chauffeur het adres van zijn huis toe.
Toen steeg ook hij in.
Hij zag echter den scherpen blik niet, waarmede de politie-agent hem
nakeek.
Deze slenterde langzaam naar den hoofdingang van den schouwburg en
posteerde zich daar in de buurt van den inspecteur.
Een paar seconden later begon hij met den inspecteur een praatje over
het slechte weer en over het stuk, dat dien avond gespeeld werd.
Baxter gaf maar korte antwoorden en toen begon de agent maar opnieuw te
patrouilleeren.
De inspecteur keek nauwelijks naar den agent.
Scherp speurde hij naar de menigte, in de hoop den gezochten Raffles te
vinden.
Tegen negen uur werd hij het wachten moede.
Hij scheen zich vergist te hebben,
Miss Walton had zeker op iemand anders gewacht.
Raffles was niet voor den schouwburg geweest.
En toch was hij er geweest!
Hij had zelfs met hem gesproken over het slechte weer en het stuk, dat
werd opgevoerd.
De inspecteur had slechts de hand behoeven uit te steken om den
gezochte in te rekenen.
Lord Lister was als politie-agent verkleed gekomen.
Hij was ook de man geweest, die de automobiel had nageoogd en die
hoorde, waar de onbekende man met miss Walton was heengereden.
Toen sprak hij Charly Brand aan, die den schouwburg wilde binnengaan en
ging met hem de aangrenzende straat in, waar zij al spoedig een cab
namen en zich naar een pension lieten rijden.
Daar had hij een kamer gehuurd en zich in het uniformpak gestoken.
De vrienden vertelden elkander hun wedervaren.
„Ik moet nog dezen nacht te weten komen, wat er met miss Walton gebeurd
is”, sprak Raffles.
„Ik wil eerst een bezoek met je brengen bij mijn hospes en zijn vrouw;
die kunnen dan kennis met je maken en een kamer voor vannacht voor je
in orde maken. Wij gaan dan dadelijk weer weg.”
De hospes en zijn vrouw wisten hoegenaamd niets af van het doen en
laten van hun huurder. Zij hielden hem, met het oog op zijn uniform,
inderdaad voor een Londensch politieman.
Zonder eenige achterdocht begroetten zij Charly Brand.
Zij gaven hem een kamer naast die van lord Lister gelegen.
Hij nam Charly mee naar zijn pension en tegen elf uur des avonds
verliet het tweetal het huis om naar miss Walton’s verblijf te gaan
zoeken.
Lord Lister begreep instinctmatig, dat men het meisje een strik had
gespannen.
Nadat zij een uur hadden gereden, waren zij voor het huis van den
particulieren detective gekomen.
De vensterluiken van het huis, dat door Fox bewoond werd, waren stevig
gesloten, zoodat geen lichtschijnsel op straat viel.
De beide vrienden bekeken eenigen tijd het huis, om te zien, hoe zij
dat het best konden binnendringen.
Daar ontdekte lord Lister dat het derde huis, van de woning van Fox
verwijderd, leeg stond.
Terstond had hij een plan gereed.
„Wij zullen door dat huis op de binnenplaats trachten te komen.”
Juist wilde het tweetal het leege huis binnengaan, toen de deur van
Fox’ woning werd geopend.
Op den drempel verschenen twee mannen.
In een van hen herkende lord Lister terstond inspecteur Baxter.
„Laten wij er het beste van hopen”, hoorde de gentleman-dief hem
zeggen, „en neem haar de prop vooral niet uit den mond, vóórdat zij
heelemaal weer bedaard is geworden; zij schreeuwt anders nog de heele
buurt bij elkaar.
„Ik zal nu dadelijk even naar Scotland Yard telefoneeren. Onze meest
waakzame agenten zullen zoolang de straat en het huis observeeren,
totdat die slimme vos, die Raffles, hier naar toe komt om het meisje te
bevrijden!”
„De hoofdzaak is en blijft”, beweerde de particuliere detective, „dat
uw mannen zich niet zoo opvallend gedragen, dat ieder kind hen met den
vinger kan nawijzen en kan zeggen, „daar staat een van de lui van
Scotland Yard.””
„Maak je maar niet bezorgd”, antwoordde Baxter, „ik maak dat zaakje
keurig in orde. Alles zal in het werk werden gesteld om de geschiedenis
volkomen te doen slagen.
„Ik ben er nu alleen nog maar bang voor, dat het dien Raffles niet zal
gelukken, de verblijfplaats van het meisje te ontdekken?”
„Laat dat maar gerust aan mij over, mister Baxter.
„Ik zal morgen onder dezelfde letters als de bewuste advertentie, in de
krant zetten, dat miss Else vanavond verhinderd was. Ik zal hem dan
verzoeken, haar hier te komen opzoeken. Als Raffles dan de advertentie
leest, waaraan ik geen oogenblik twijfel, dan zal hij er met open oogen
inloopen en hierheen komen, of hij zal op de een of andere wijze
probeeren, met miss Walton zich in verbinding te stellen.”
„All right!” antwoordde de inspecteur, „ik ga nu naar huis. Vannacht is
er toch niets meer te doen.”
„Natuurlijk niet!”
Baxter ging.
Fox sloot de huisdeur.
„En nu gaan wij aan ’t werk, m’n jongen”, sprak lord Lister tot Charly
Brand.
Behoedzaam liep hij met Charly naar het leegstaande huis en opende
zonder eenige moeite met een looper de deur.
Toen de deur weer uiterst voorzichtig gesloten was, ontstak hij een
electrische zaklantaarn en door de gang liep het tweetal naar den tuin.
Een laag houten hek scheidde het stuk grond van het aangrenzende.
Zij klommen over het hek en daarna over een tweede en kwamen toen in
den tuin, gelegen achter het huis van Fox.
De vensters van dit huis waren met ijzeren blinden stevig gesloten en
de deur was met geen looper te forceeren.
Van binnen was een groote ijzeren grendel voorgeschoven.
„Dat kost moeite,” zei Raffles tot zijn vriend.
Hij haalde nu uit zijn binnenzak een groote centerboor en zette deze op
de huisdeur.
Na eenigen tijd had hij daarmede verscheiden gaten dicht bij elkaar
geboord en door middel van een steekzaag was in korten tijd een gat zoo
groot als een vuist in het hout ontstaan.
Hij stak de hand door de opening en schoof den grendel terug.
Nu was de weg dus vrij!
Met ingehouden adem luisterde lord Lister naar eenig geluid.
Van de eerste verdieping hoorde hij zuchten en schreien.
Het bloed vloog hem naar het gelaat.
Hij herkende de stem van miss Walton.
Tegelijkertijd hoorde hij, hoe iemand onrustig heen en weer liep.
Wederom luisterde hij aandachtig.
Toen sprak hij tot Charly Brand:
„Er is iemand thuis; dat is die kleine man die met Baxter stond te
praten.
„Wij moeten hem eerst onschadelijk maken!”
„Je zult hem toch niet dooden, Edward?”
„Geen denken aan!”
„Vooruit nu, Charly! Doe dat masker voor!”
Hij gaf zijn vriend een zijden masker en bond zelf ook een voor het
gelaat.
Onhoorbaar als een kat gleed hij de trap op en bleef staan voor de deur
op de eerste verdieping, waarachter hij geluid hoorde.
Hij rekende uit, te oordeelen naar het geluid der voetstappen, wanneer
de wandelende man weer bij het venster was en toen stiet hij plotseling
de deur open, greep Fox in den rug, wierp hem op den grond en hield
zijn handen vast.
Ontsteld keek de detective den gemaskerde aan.
Toen riep lord Lister:
„Bind den kerel! Hier heb je een goed koord!”
Hij haalde een handstrik te voorschijn en gooide die Charly toe.