LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 2 DE STRAF VAN DEN JUWEELENVERVALSCHER.
DE STRAF VAN DEN JUWEELENVERVALSCHER.
EERSTE HOOFDSTUK.
DE BEDRIEGER BEDROGEN.
Voor hotel Cecil te Londen hield een rijtuig stil en terstond was de
portier bij de hand om een tweetal elegante heeren bij het uitstappen
de behulpzame hand te bieden.
Een van beiden, die een zwart puntbaardje droeg, vroeg in het Engelsch,
dat terstond den Franschman verried, hoe laat het was.
De portier haalde zijn horloge te voorschijn.
„’t Is kwart voor zes,” antwoordde hij.
De vreemdeling had ook zijn horloge voor den dag gehaald:
„Ik begrijp u niet! Spreek alstublieft Fransch!”
„Zooals ge verkiest,” sprak de portier en hij herhaalde in deze taal de
tijdsopgaaf.
De vreemde knikte, gaf den portier een franc en verdween met zijn
begeleider in de vestibule, waar hij, alweer in slecht Engelsch, naar
den prijs der kamer vroeg.
Ook thans kon Raffles zich slechts moeilijk verstaanbaar maken, totdat
eindelijk een der hotelbeambten, die de Fransche taal uitstekend
machtig was, zich met den lord kon onderhouden.
Hij nam drie kamers op de eerste verdieping voor zich en zijn geleider
en in het vreemdelingenboek schreef hij:
Gaston Durand, bankier uit Parijs en zijn secretaris Henry Ricold.
De heeren gingen naar hun kamer en toen zij alleen waren, snelde die
met den zwarten baard naar de deur en deed deze op de grendels.
Daarna luisterde hij aan de muren, opende de kasten en keek uit het
venster, als om zich ervan te overtuigen, dat alles veilig was.
Hij zag, dat zijn kamers uitkeken op den Theems.
„Kom eens hier, Charly, kijk eens, wat een prachtig uitzicht. Het lijkt
wel of de hotelier dat voor Raffles heeft uitgezocht!”
„Pst!” meende de ander, „spreek den naam Raffles niet uit, ik vermoed
dat de politie jacht op ons maakt.”
De zwartbaardige stak een sigaret op en keek zijn vriend aan.
„Maak je maar niet bang, wij zijn zoo veilig als ’t maar kan. Iedereen
houdt ons voor echte Fransozen. En dan, Charly, je moet je er toch
heusch aan wennen om over Raffles te spreken als over een onbekend,
maar hoogst interessant persoon. Jij ziet de menschen voor veel te
snugger aan en denkt dat iedereen in mij terstond Raffles herkent.
Daarin vergist je je geweldig! Ik zal je zoo gauw mogelijk overtuigen
van je dwaling, als wij eens in dezelfde tram zitten met onzen vriend
Baxter, den inspecteur van recherche van Scotland-Yard”.
„Om ’s hemelswil, doe het niet, kerel!”
„Ik doe het zeker! Jij moet je zenuwen wat meer stalen, Charly, ze zijn
zulke uitstekende wapens in ons bedrijf!”
Lord Lister zweeg.
Hij nam een nieuwe sigaret, stak deze op en lachte toen eensklaps heel
luid.
„Ik zou het gezicht van den inspecteur wel eens hebben willen zien,”
barstte hij los, „toen hij het telegram openmaakte dat ik hem van
Victoria-Station stuurde.”
Charly Brand keek angstig naar de deur en luisterde.
„Wat doe je?” vroeg lord Lister.
„Ik ben zenuwachtig! Erg zenuwachtig. Jij praat zoo ongedwongen, alsof
je in je villa in Regent-Park zat. De muren konden hier wel eens ooren
hebben!”
„Best mogelijk! Maar ik geloof toch, dat je volkomen gerust kunt zijn.
Ik zei je toch al, dat het geheele hotelpersoneel ons voor Franschen
houdt. Vóórdat wij uitgaan, wil ik eerst nog eens onze valsche baarden
inspecteeren om te zien, of alles inderdaad goed in orde is.”
Lord Lister voegde de daad bij het woord.
Hij keek bij zijn vriend met de grootste nauwgezetheid na, of Charly’s
valsche baard geen achterdocht kon wekken en onderzocht dat toen bij
zich zelf.
Daarna sprak hij:
„Kom, wij zullen er eens op uit gaan. Ik voel er veel voor om onze
portemonnaie wat te stijven en daarvoor den bekenden juwelier Collgate
in Holborn-Street eens uit te noodigen tot een onderzoek. De kerel
heeft mij eenige jaren geleden voor verscheidene honderden ponden
sterling bedrogen door mij valsche diamanten te verkoopen.”
Charly Brand trok een verwonderd gezicht. Hij wist dat lord Lister in
den laatsten tijd heel wat geldsommen had geschonken aan liefdadige
instellingen en dat hij zelf nauwelijks eenige ponden rijk was.
„Als ik je goed begrijp,” zei de secretaris, „dan ben je van plan
juweelen te koopen. Maar waarvan zou je die willen betalen?”
Lord Lister lachte eens vroolijk.
Toen knipte hij met een vingerbeweging de asch van zijn sigaret en zei:
„Beste jongen, ik heb je nooit tot mijn raadgever benoemd, maar ik heb
je alleen bij mij genomen, omdat een eenzelvig leven zoo leeg en
vervelend is.
„Je kunt het dus gerust aan mij overlaten op welke manier ik de zaakjes
met dezen juwelier zal opknappen. En daar ik er de man niet naar ben,
de zaak op de lange baan te schuiven, zal ’k hem vandaag nog bezoeken.”
Raffles zag, hoe Charly het hoofd schudde.
„Laat ons gaan,” sprak hij op koelen toon en met Charly verliet hij de
hotelkamer.
Beneden vroeg hij in het Fransch, of er ook brieven voor hem gekomen
waren. Hij noemde den door hem aangenomen Franschen naam en de nummers
van zijn kamers.
De beambte keek de aangekomen brieven na en overhandigde lord Lister
toen eenige op het adres waarvan diens aangenomen naam „Durand” stond.
Toen zij het hotel verlaten hadden en in een cab hadden plaats genomen,
die hen naar Holborn-Street zou brengen, naar de zaak van den juwelier
Collgate, zei Charly Brand:
„Ik ben benieuwd te weten, van wie je die brieven hebt ontvangen. Twee
uur geleden was je het nog niet met jezelf eens, welken naam je zoudt
aannemen en nu heb je al brieven ontvangen.”
De lord lachte.
„Charly, leer het je toch af, zooveel onnoodige dingen te vragen en
neem de dingen, die op mij betrekking hebben, zooals ze zijn.
„Hier zijn de brieven. Wat erin staat, kan ons geen van beiden belang
inboezemen, want het zijn slechts onbeschreven bladen.”
Charly Brand keek ten hoogste verbaasd.
„Onbeschreven bladen? Hoe weet je dat? Kun je door de enveloppes heen
zien?”
„Dat niet! Maar ik zal toch wel weten, wat ik zelf geschreven heb?”
Charly keek nog verbaasder.
„Wat je zelf geschreven hebt? Wat bedoel je daar nu eigenlijk mee,
Edward?”
„Héél eenvoudig”, luidde het antwoord, „ik heb de brieven aan mijzelven
geadresseerd om daardoor hier in het hotel eenig vertrouwen te wekken.
Geloof maar gerust, dat de hotelhouder en ook de andere lui er al op
durven zweren, dat ik niemand anders ben dan de bankier Durand uit
Parijs. Zie je deze brieven?”
Hij haalde een enveloppe te voorschijn.
Daarop vervolgde hij:
„Het zijn allemaal enveloppen van firma’s, die wij gisteren bezocht
hebben. Ik beweerde toen, dat ik heel dringend een brief moest
versturen en vroeg daarom enveloppen. Dezen zoogenaamd dringenden brief
adresseerde ik naar mijzelven onder den naam Durand. De gérant van het
hotel, de portier en de overige beambten verkeeren nu natuurlijk in de
stellige meening, dat ik bij al deze firma’s ook bekend ben onder den
naam Durand. Ik moet aan alle kanten op mijn hoede zijn, Charly, dat
hoort nu eenmaal bij mijn baantje: Als ik niet oppas, dat geen
sterveling vat op mij kan krijgen, zou inspecteur Baxter mij al heel
gauw kunnen knippen, vat je?”
De cab hield voor de zaak van den juwelier Collgate stil en de beide
heeren gingen den winkel binnen.
Lord Lister had weer alle moeite met zijn gebroken Engelsch, totdat de
heeren Fransch met hem gingen spreken.
De vreemdeling verlangde ingezette diamanten van het zuiverste water.
Verder vroeg hij parelen, die bij de diamanten pasten, opdat daarvan
een sierlijke collier vervaardigd zou kunnen worden.
De eigenaar van de zaak, juwelier Collgate, een oude, verschrompelde
diamantenhandelaar, met wien zelfs zijn collega’s niet gaarne zaken
deden, omdat hij zoo meesterlijk valsche steenen kon vervaardigen, kwam
uit zijn kantoor om de vreemden persoonlijk te helpen. Hij gaf zijn
bedienden een geheim teeken, daardoor te kennen gevend, dat hij de
bezoekers voor gauwdieven hield en dat zijn ondergeschikten dus een
oogje in het zeil moesten houden.
Hij liet een groote ijzeren cassette uit zijn kantoor halen, en toen
hij deze opende, schitterden in de kleine hokjes de prachtigste
steenen.
Met een eigenaardig gevormd stalen pincet nam hij een steen en klemde
deze zoodanig met een paar fijne stalen schroeven vast, dat het
kostbare kleinood onmogelijk losgerukt kon worden.
Daarop reikte hij het pincet aan lord Lister.
Deze bekeek den diamant, toonde hem Charly Brand en verklaarde in het
Fransch, dat de steen goed van grootte was en dat hij hem wilde koopen.
„Ge geeft mij zeker voor ieder stuk eenige garantie,” voegde hij erbij.
Juwelier Collgate vertrok zijn gelaat en antwoordde:
„Ik maak er u opmerkzaam op, dat ik een van de meest geachte
juweelenhandelaars van Engeland ben; ik koop mijn steenen alleen uit de
Debeers-mijn en nooit van eenig tusschenpersoon. Mijn firma verkoopt
alleen correcte waar.”
Bij deze woorden had hij een nieuwen brillant in het pincet geklemd,
een meesterlijk nagebootsten, valschen diamant, die zoo handig was
vervaardigd, dat bijna geen sterveling de onechtheid er van ontdekte.
Op deze manier bedroog de juwelier jaarlijks honderden vreemdelingen.
Lord Lister had eenige jaren geleden een stel diamanten bij hem gekocht
en was eenige dagen later tot de ontdekking gekomen, dat deze allen
valsch waren.
Hij had toen getracht, den juwelier tot schadevergoeding te dwingen,
maar de aanklacht was op niets uitgeloopen.
En nu wilde John Raffles zich wreken.
Juwelier Collgate herkende in den Franschman zijn vroegeren klant niet
terug.
Lord Lister deed, alsof hij niets verdachts bespeurde en met groote
onverschilligheid zocht hij een dozijn steenen uit. Hij was er van
overtuigd, dat hieronder verscheiden valsche waren.
Nadat de lord de diamanten had uitgezocht, liet hij zich parelen
voorleggen, een artikel, waarin de juwelier ook meesterlijk
vervalschingen wist te vervaardigen.
De klant zocht ongeveer twintig parelen uit en sprak toen:
„Ge wilt zeker wel zoo vriendelijk zijn, mij hedenavond de juweelen
naar Hotel Cecil te laten brengen. Vraag daar naar bankier Gaston
Durand uit Parijs, ik zal dan tegelijkertijd de rekening voldoen.”
Juwelier Collgate boog hoffelijk en wisselde tegelijkertijd een blik
van verstandhouding met zijn bediende.
Persoonlijk bracht hij de Franschen tot de deur, schijnbaar uit
wellevendheid, inderdaad echter, omdat de vreemdelingen hem wantrouwen
inboezemden.
De diamanten-vervalscher was steeds op zijn hoede en vertrouwde ten
slotte geen sterveling.
Toen lord Lister het magazijn had verloten, zei de juwelier:
„Dat is een heel voornaam persoon of een oplichter, zoo groot, als ik
nog nooit in mijn leven heb gezien.
„Enfin, als hij maar betaalt, is het mij volkomen hetzelfde wie en wat
hij is!”
Hij onderzocht daarop nog eens alle parelen en diamanten om te zien, of
de kooper misschien een paar daarvan had omgeruild, maar hij kwam tot
de geruststellende ontdekking, dat dit niet het geval was.
„Ik geloof, mister Collgate”, zei de eerste bediende, „dat het zelfs
den knappen Raffles niet zou gelukken, u te bedriegen of te bestelen.”
De juwelier lachte gevleid.
Hij was lang niet onverschillig voor vriendelijke woorden en vleitaal.
Daarop sprak hij:
„Ge moet met mij meegaan naar hotel Cecil, mister Bertram.”
Het was een groote onderscheiding van den juwelier als hij een bediende
mee nam bij belangrijke zaken.
Lord Lister had gevraagd om de juweelen nog dienzelfden avond naar het
hotel te brengen.
De juwelier zag in deze bestelling alweer een oplichtersstreek en toen
hij met zijn bediende op weg was, gaf hij deze nog allerlei
aanwijzingen om toch vooral voorzichtig te zijn.
Toen zij in het hotel kwamen en naar bankier Durand vroegen, bracht de
hoteljongen hen in een conversatiezaal op het terras van het hotel.
Daar zaten aan een kleine tafel lord Lister en Charly Brand.
Met de voorname, onverschillige rust van een hooggeplaatst personage,
ontving lord Lister het bezoek en noodigde hen uit plaats te nemen.
Raffles dronk op zijn dooie gemak zijn thee, alsof de hele persoon van
Collgate hem niets aanging en diens meening, dat hij hier met een
oplichter te doen had, begon nu wel een beetje te wankelen.
Eindelijk, nadat de kellner alles had weggeruimd en een doos sigaretten
op tafel had gezet, beduidde de zoogenaamde bankier den juwelier en
diens bediende wat nader te komen.
„Mag ik de steenen en de parelen nog eens zien?” vroeg hij, „ik wil mij
ervan overtuigen, dat het nog dezelfde zijn als die ik in uw zaak
gezien heb.”
Collgate trok zijn gelaat in een onwilligen plooi.
Het wantrouwen van den vreemdeling mishaagde hem.
„Pardon, mijnheer,” begon hij op hoogen toon, „ge hebt te doen met een
persoon van hoog aanzien. Mijn naam alleen staat u er borg voor, dat
hier geen minderwaardige steenen in het spel zijn!”
Hij zag niet het ironische lachje op Raffles gelaat.
Deze antwoordde:
„Best mogelijk! Maar ik sta op het standpunt, dat er in de wereld meer
oplichters zijn dan eerlijke personen en dat ik eerst moet ondervinden
of zakenmenschen te vertrouwen zijn, zonder af te gaan op woorden of
aanbevelingen.”
De juwelier keek zijn bediende aan.
Deze haalde de schouders op en wist niet, welken raad hij zijn chef
moest geven.
Collgate verkeerde in hevigen tweestrijd.
Zou hij dezen man vertrouwen of wantrouwen?
Ten slotte toch opende hij de juweelenkist en nam er een steen uit,
dien hij lord Lister overhandigde.
Deze haalde een loupe uit zijn vestzak en onderzocht, schijnbaar met
groote kennis van zaken, den steen.
Hij gaf den diamant weer aan den juwelier terug en deze reikte hem zijn
bediende.
Op deze manier onderzocht lord Lister alle steenen en hij bemerkte, hoe
scherp hij daarbij werd gadegeslagen door Collgate en diens bediende.
Een ironisch lachje vertrok zijn mondhoeken.
Toen hij den laatsten steen in de hand nam, bekeek bij dien lang en
aandachtig.
Verscheiden seconden later sprak hij:
„Dit stuk weiger ik, mister Collgate; de steen is valsch!”
De juwelier werd verlegen.
Hij had gehoopt, dezen valschen diamant zonder moeite aan den
vreemdeling te kunnen verkoopen.
„Onmogelijk!” stotterde hij, „ge vergist u.”
„O neen, mister Collgate, maar gij schijnt uw steenen niet te kennen.”
De juwelier nam den diamant en bekeek hem, alsof hij hem voor het eerst
in handen had.
Eenige oogenblikken later beweerde hij:
„Gij hebt gelijk! Ik vraag u wel excuus voor deze nalatigheid!”
„Dat excuus is u gaarne verleend, mister Collgate, maar ge ziet,
hoeveel recht ik had, mijn wantrouwen uit te spreken!”
De juwelier wist van verlegenheid niet te antwoorden.
Voor het eerst in zijn langdurige practijk was hij door een klant
ontmaskerd.
Met zuurzoet gelaat nam hij den steen, terwijl lord Lister de parelen
onderzocht.
Ook bij deze gelukte het hem, twee valsche exemplaren te ontdekken.
Juwelier Collgate verwenschte in stilte dezen heelen verkoop.
„Ik zal de exemplaren, die nog ontbreken, wel in Parijs koopen,” zeide
lord Lister, „ik ben van plan, morgen vroeg met de eerste stoomboot
naar Frankrijk terug te gaan. Hoe duur zijn deze juweelen?”
De juwelier haalde diep adem.
„Zij zijn van het zuiverste water, mijnheer de bankier, maar ik zal u
toch geen al te hoogen prijs rekenen! De juweelen kosten samen
achttienduizend pond sterling!”
„Heel goed,” antwoordde lord Lister, en zonder zich eenigszins te
verbazen over dezen enormen prijs, haalde hij een chêque-boek en een
vulpen te voorschijn.
Met duidelijk schrift schreef hij een chêque van de genoemde som,
terwijl de juwelier toekeek met een gelaatsuitdrukking, alsof hij niet
wist wat hij doen moest.
Toen lord Lister den naam „Gaston Durand” neerschreef, begon de
juwelier:
„Pardon, monsieur! Ik hoor daar, dat ge morgen vroeg reeds naar
Frankrijk zult teruggaan. Gij zult dan wellicht al over het Kanaal
zijn, vóórdat nog de Bank, die mij deze som zal moeten uitbetalen,
geopend is.
„Ik zal daarom zoo vrij zijn, u de juweelen eerst te overhandigen, als
ik de som op de Bank heb geïnd.”
Lord Lister blies den rook van zijn sigaret met langen haal voor zich
uit.
„Ge hebt gelijk, mijnheer,” antwoordde hij, „maar daar ik van de
echtheid van mijn chêque evengoed overtuigd ben als gij van de echtheid
van uwe steenen en ik geen enkelen waarborg heb, dat ik dezelfde
juweelen krijg als ik ze in uwe handen achterlaat, heb ik u een
voorstel te doen!”
„En dat is?”
„Kijk eens hier!”
Lord Lister nam een zilveren lucifersdoosje, dat op tafel stond en
schudde de zich daarin bevindende lucifers op tafel, totdat het doosje
leeg was.
„Gij legt in dit doosje,” begon hij toen, „de door mij gekochte
juweelen: diamanten en parelen. Wij zullen ons door den kellner garen,
papier en lak laten brengen. Ik zal het doosje dicht binden en voorzien
van een lak, waarop ik mijn zegel zal drukken. Gij kunt het dan in uw
bezit houden, totdat ge uw geld hebt gekregen. Dan stuurt ge het mij
onmiddellijk over. Ik zeg u vooruit, dat ik het doosje door mijn
Parijschen juwelier zal laten openen en dat het zegel ongeschonden moet
zijn. Als dat niet het geval is stuur ik u het doosje terug en vraag u
daarvoor een schadevergoeding van tweehonderd pond.”
Collgate boog.
Dat voorstel scheen hem zeer aannemelijk.
Hij hield de juweelen, tot hij het geld in handen had en de vreemdeling
kon ervan overtuigd zijn, dat hij het gekochte in ongeschonden staat
zou ontvangen.
Lord Lister deed het doosje in papier, bond het dicht met een touw, dat
door den kellner was gebracht en verzegelde alles met twee lakken. Toen
deed hij een prachtigen zegelring van zijn wijsvinger en verzegelde
alles.
Hij overhandigde Collgate het pakje:
„Hoe vindt ge dezen zegelring?” vroeg lord Lister.
Collgate wilde het met juweelen bezette kleinood aanvatten, toen de
ring door een onhandige beweging op den grond viel.
Hij bukte zich, evenals zijn bediende en Charly Brand.
Het zoeken duurde een paar seconden, toen had Charly den ring gevonden
en gaf hem Collgate.
De juwelier had zich nauwelijks weer opgericht of zijn eerste blik viel
op het lucifersdoosje met den kostbaren inhoud.
Gelukkig!
Het stond nog, verzegeld en wel, op dezelfde plaats.
Voordat hij den ring bekeek, nam hij het doosje en lord Lister zag, hoe
hij vol argwaan de zegels bekeek.
Maar zijn scherpe blik kon niets verdachts ontdekken en geheel tevreden
gesteld stak hij het doosje in zijn borstzak.
Toen bekeek hij den ring.
„Dat is een antieke ring, een oud-Romeinsche gemme. De briljanten zijn
niet geheel modern gezet. Ik taxeer dezen ring op vier- of vijfhonderd
pond.”
„Mijn juwelier te Parijs”, antwoordde lord Lister, „taxeerde hem veel
hooger.”
Collgate gaf den ring terug en Lister deed hem weer aan den vinger.
„Hier is de chêque!” sprak hij daarna, „ge kent nu onze afspraak!”
„Uitstekend”, antwoordde Collgate.
Daarop nam hij afscheid en verliet met zijn bediende het hotel.
Toen hij met dezen in de cab zat, sprak hij:
„Jammer! Ik dacht niet, dat die Franzoos zooveel verstand van juweelen
en parelen zou hebben! De man is waarschijnlijk juwelier geweest. In
ieder geval ben ik nu toch zeker van mijn geld.”
De bediende kuchte eens.
„Ik weet het niet, mister Collgate, maar zouden we toch misschien niet
het slachtoffer worden van de een of andere oplichtersstreek?”
„Maak je maar niet zenuwachtig”, antwoordde de juwelier.
„Zouden de juweelen nog wel in het doosje zitten?”
„Hoe zouden zij er uitgekomen zijn?”
Collgate haalde het pakje voorzichtig uit zijn zak te voorschijn en
bekeek de zegels.
„Ze zijn onbeschadigd”, sprak hij.
Bertram bekeek met argwaan het pakje.
Toen zei hij nog eens:
„Maar als ze er nu toch eens uit zijn?”
„Wees toch niet zoo angstig; ge zijt waarlijk in staat om de heele zaak
te bederven! Als ik mij door u liet leiden, zou ik het pakje openmaken
en dan komt er niets van de heele geschiedenis terecht.”
Lord Lister had intusschen zijn rekening betaald en het hotel verlaten
om met den nachttrein naar de boot te reizen.
Charly Brand sprak, terwijl het tweetal door Londen reed, geen woord.
Ook Lister was zwijgzaam.
In Common-street ging Raffles naar het station en nam den sneltrein
naar Brighton, de beroemde Engelsche badplaats.
Toen hij met Charly Brand alleen in den coupé zat, begon deze:
„Ik begrijp niet, waarom je je toch zooveel moeite met dien juwelier
hebt gegeven. Je bent toch immers geen oogenblik van plan geweest om de
juweelen te koopen.”
Lord Lister lachte.
Hij haalde een sigarettenkoker voor den dag en hield dien Charly voor.
„Een sigaret, jongen?”
Tegelijkertijd overhandigde hij hem een lucifersdoosje.
Maar nauwelijks had Charly dit in handen, of hij uitte een kreet van
verbazing.
Met groote, opengesperde oogen keek hij naar het doosje.
Hij wist niet, of hij waakte of droomde.
Het doosje, dat lord Lister hem overhandigde, was juist zoo verpakt en
verzegeld als dat, wat de juwelier Collgate een uur geleden had
meegenomen.
„Dat is een spook!” sprak hij, „hoe kom je aan dat lucifersdoosje?”
„Heel eenvoudig; ik heb het in mijn zak gestoken!”
„Ja—maar—ik heb toch gezien, dat de juwelier het doosje in zijn
borstzak stak!”
„Zeker”, antwoordde Raffles, „maar niet dit, dat was een ander, dat ik
in onze kamer in orde heb gemaakt, voordat ik met den juwelier ging
onderhandelen.
„Ik heb het bij mij gestoken en toen jullie je bukten naar den ring,
heb ik dat op tafel gelegd en het doosje met de juweelen weggenomen.
„Kijk!”
Hij maakte de touwtjes los en schudde de diamanten in zijn hand.
De prachtige, kostbare steenen fonkelden en sprankelden in alle
mogelijke kleuren en Charly Brand trok zóó’n onnoozel gezicht, dat
Raffles in een schaterlach uitbarstte.
„Waarom heb je dan den juwelier dien valschen steen en die paarlen
teruggegeven?”
„Omdat Raffles geen minderwaardige dingen verkiest, mijn jongen,
begrijp je dat?”
Voorzichtig borg hij toen de juweelen weer weg en een minuut later lag
hij behaaglijk in de fluweelen kussens te snurken.
TWEEDE HOOFDSTUK.
DE JUWELIER IN ANGST.
De juwelier had een zeer slechten nacht doorgebracht.
Even voordat hij naar bed was gegaan, had hij het Avondblad
doorgelezen, dat, als gewoonlijk, vol stond over de laatste
schelmenstreken van Raffles.
Voor het eerst gaf de dief hem zorg en angst.
Hij dacht langen tijd na en plotseling rees de gedachte bij hem op, of
die zoogenaamde Parijsche bankier misschien niet de onbekende Raffles
zou kunnen zijn— —
Hij bekeek maar steeds weer het verzegelde pakje en bedacht of hij het
niet zou kunnen openen, zonder de zegels te verbreken.
Hij doorstond de hevigste Tantalus-kwellingen.
Telkens weer bedacht hij het een of andere middel om het doosje te
kunnen openen, zonder dat iemand het zou kunnen bespeuren.
Maar dan kwam ook even snel weer zijn gouddorst boven en de angst, dat
het ten slotte toch bemerkt zou kunnen worden, weerhield hem van zijn
voornemen.
Neen!
Hij mocht het niet wagen!
Hij zou er te veel bij verliezen.
Want juwelier Collgate was het zoo gewend om van elken verkoop
vijfhonderd procent zoete winst op te strijken.
En telkens, als hij was gaan liggen, als hij de oogen had gesloten om
den slaap te kunnen vatten, verscheen als een Alp zoo hoog, zoo
dreigend-hoog, vóór hem de gedaante van den bankier uit Parijs. Die
gestalte nam dan langzamerhand andere gelaatstrekken aan en de
onbekende fluisterde hem toe:
„Ik ben Raffles, de meesterdief, de groote onbekende!”
Badend in zijn zweet draaide Collgate dan rond op zijn peluw of hij
sprong op, ten einde raad en verteerd van onrust en hij werd zóó
zenuwachtig, dat hij met een revolver in de hand zijn slaapkamer op en
neer liep, rondspeurend of misschien de vreemdeling zich in een kast
had verborgen om het doosje met den kostbaren inhoud te kunnen stelen
als de kans schoon was.
Slapeloos bracht hij den nacht door en telkens liep hij, met het doosje
in de hand, de kamer op en neer.
Eindelijk, eindelijk dan toch was de lange nacht doorworsteld.
De morgen brak aan.
Hij verslond als het ware zijn ontbijt, waaraan hij anders wel den
noodigen tijd besteedde en holde toen naar de Bank.
Daar kwam hij tot de vreeselijke ontdekking, dat hij de chêque onder
zijn hoofdkussen had laten liggen.
Met een zwaren vloek riep hij een cab en reed naar huis terug.
Doch de chêque was verdwenen.
Met een nieuwen vloek riep hij het dienstmeisje en eischte van haar de
chêque.
De dienstbode, een brave Iersche vrouw, die eerst sinds enkele weken in
Londen woonde, keek haar meester aan met onnoozel gelaat.
„Ik moet mijn chêque hebben!” schreeuwde Collgate, „mijn chêque van
achttienduizend pond! Waar is die? Waar hebt ge haar gelaten? Geef mij
dadelijk het papier!”
Hij schudde de vrouw bij haar arm, totdat deze, een groote, flinke
vrouw, hem terugstiet.
„Wel allemenschen! Ik weet niet, wat meneer bedoelt! Ik heb niks
gezien! Niemendal hoor! Dan moet ge Tom maar vragen, die was nog eerder
dan ik in de slaapkamer!”
„Je liegt!” brulde de juwelier, „je liegt alles! Jij hebt de chêque
gestolen! Geef haar dadelijk terug of ik roep de politie!”
Hij trok de dekens van het bed en tilde de kussens op, maar met een van
woede vuurrood gelaat keek hij op het leege laken!
Van een chêque was niets te zien.
„Waar is Tom? Breng den kerel dadelijk hier.”
De Iersche verdween en Collgate hoorde, hoe zij den neger riep.
Ook deze was eerst sinds enkele maanden in dienst van den juwelier.
Geen enkele dienstmeid of huisknecht hield het lang bij hem uit, daar
hij iederen ondergeschikte op hondsche manier behandelde.
De Iersche vrouw kwam een poosje later terug.
„Tom is voor een paar minuten uitgegaan, meneer!”
Een oogenblik stond Collgate als vastgenageld.
Toen begon hij de dienstbode opnieuw door elkaar. te rammelen.
„Jelui vervloekt tuig! Je speelt onder één hoedje! Maar wacht maar! Ik
zal jelui! Beken onmiddellijk, dat je met Tom samen de chêque hebt
gestolen!”
Hij had de dienstmeid bij de keel gegrepen en drukte haar de
ademhalingsorganen bijna dicht.
Maar dat was de Iersche toch te veel.
Zij gaf haar meester een trap in den buik en sloeg hem stevig in het
gelaat, zoodat hij een heel eind achteruit vloog.
„Jij ouwe schooier!” riep ze uit, „ik zal jou eens wijzen, hoe je
menschen moet behandelen! En nu ga ik dadelijk heen! Ik blijf geen
minuut langer in je dienst!”
Voordat zij de deur bereikt had, was de juwelier alweer op de been.
Hij rukte een venster open dat op straat uitkwam en schreeuwde met
luider stem:
„Help! Moordenaars! Dieven!”
In een paar seconden was de heele straat in oproer.
Tramwagens moesten stoppen, omdat een groote menschenmenigte zich voor
het huis van den juwelier had verzameld.
Politie snelde toe van alle kanten.
Het was een grenzenlooze verwarring, maar eindelijk toch gelukte het
den politiemannen, eenige orde te brengen in die grenzenlooze
verwarring en toen zij de woning van Collgate waren binnengedrongen,
hoorden zij al spoedig, wat er gebeurd was.
Zij gaven den juwelier den raad, terstond naar de Bank te
telephoneeren, dat de chêque niet uitbetaald moest worden, als hij door
een ander werd gepresenteerd.
„Juist”, steunde Collgate, „daaraan heb ik heelemaal niet gedacht!”
Hij vloog naar de telephoon en schelde de Bank op.
Het korte antwoord luidde: „All right, Sir!”
Een der politiemannen sprak toen:
„Ik verzoek u thans, mister Collgate, om met mij mede te gaan naar
Scotland Yard en daar het signalement van den verdwenen neger op te
geven.”
„Heel goed!” hijgde de juwelier, „de kerel moet aan den galg!”
Hij reed met een der politiemannen naar Scotland Yard en werd daar
toegelaten bij inspecteur Baxter.
De inspecteur der recherche trommelde zenuwachtig met zijn vingers op
zijn schrijftafel en luisterde slechts met een half oor naar het
verhaal, dat Collgate hem deed.
Zijn gedachten hielden zich onophoudelijk bezig met de vervolging van
Raffles en toen de juwelier het heele verhaal had verteld, wist de
politie-inspecteur alleen, dat de bezoeker door een neger Tom bestolen
was.
„Waar is die neger?” vroeg hij plotseling?
De juwelier keek hem met verbaasd gelaat aan.
„Waar de neger is? Ja, als ik dàt wist, was ik niet hier gekomen! Ik
hoop dat gij den kerel spoedig zult vangen!”
„Ge kunt wel heen gaan, uw zaak zal onderzocht worden,” sprak Baxter.
Geheel gebroken kwam Collgate in zijn huis terug, waar Bertram hem
tegemoet trad om hem over het gebeurde zijn leedwezen te betuigen.
„Zwijg!” bulderde hem de juwelier toe, „gij zijt de schuld van alles!”
„Ik?” vroeg de bediende op gekrenkten toon, „hoedat, mister Collgate?”
„Hoe dat?” snauwde de chef, „vraagt ge dat nog? Weet ge dat niet? Ik
heb u veel te hoog aangeslagen! Gij zijt te dom om voor den duivel te
dansen!—gij zijt”— —de juwelier hapte naar adem.
Hij was door opwinding heelemaal blauw in het gelaat geworden.
„Ik verzoek u om opheldering, mister Collgate”, stoof nu Bertram op.
„Dergelijke beleedigingen verdraag ik niet en ik zal u aanklagen!”
Collgate lachte woedend.
„All right!” schreeuwde hij, „klaag mij maar aan! Misschien vind je wel
ergens een rechter, die mij nog schuldig verklaart ook! Ezel dat je
bent! Groote, groote ezel! Driedubbel overgehaalde stommerik! Ik
herhaal het hier nogmaals, dat jij en jij alleen de schuld bent van
alles. Van alles, versta je? Jij hebt mij op de gedachte gebracht, dat
Raffles in het spel was! Jij hebt gezegd, dat die bankier uit Parijs
mij misschien wel had bedrogen! Daardoor heb ik den heelen nacht niet
geslapen! Daardoor ook heb ik de chêque vergeten mee te nemen. Begrijp
je nu, waarom je een ezel bent?”
„Mister”, sprak de bediende nog eens en hij wist zich verbazend kalm te
houden, „ik zal u het tegendeel door den rechter laten bewijzen!”
Daarop nam hij zijn hoed en verliet den winkel.
De juwelier hield het in zijn huis niet langer uit.
Hij vloog als een gek heen en weer en rende ten slotte weer naar de
Bank om daar te vragen, of misschien al een chêque van 18,000 pond
gepresenteerd was.
„No, Sir!” antwoordde de kassier.
Toen ging hij door de straten van Londen wandelen in de stille hoop,
den gevluchten neger ergens te ontmoeten.
Even voordat de Bank werd gesloten, ging hij er nog eens vragen, of de
chêque was aangeboden, en toen hem daarop wederom ontkennend werd
geantwoord, ging hij naar Scotland Yard om bij den detective Marholm te
informeeren, of men misschien al iets op het spoor was.
Marholm lachte hoonend.
„Neen, wij hebben nog niets. De chêque is trouwens volkomen waardeloos
voor den neger, daar de Bank er hem geen penny op uitbetaalt!”
„Juist!” antwoordde Collgate, „maar voor mij is zij van de grootste
waarde.”
„Laat dan dien kooper een nieuwe chêque uitschrijven,” meende de
detective.
Collgate zuchtte diep.
„Dat is juist mijn grootste ongeluk,” verklaarde hij toen, „de man is
vanmorgen afgereisd!”
„Wel, dan kan ik u misschien een middel aan de hand doen om de chêque
terug te krijgen!”
„Spreek op—vlug! Ik ben u dankbaar voor iedere aanwijzing!”
„Het is nu vier uur,” sprak Marholm.
„Ge kunt in het Avondblad nog een advertentie plaatsen, dat ge den
brenger van de gestolen chêque een belooning geeft van 500 pond
sterling!”
Collgate wrong zijn handen.
„Mijn heele winst gaat naar de maan!” riep hij uit.
„Dunkt u niet, dat 200 pond voldoende is?”
„Wel mogelijk! Maar over het algemeen trekt een hooge belooning toch
veel meer en levert het beste resultaat!”
Collgate dacht een oogenblik na.
Toen sprak hij:
„Ik zal uw raad opvolgen!”
Hij huurde een automobiel en reed de groote kranten af om daar
inderhaast nog de advertentie op te geven.
Toen hij thuis kwam, was hij als gebroken.
De slaap kon hij echter ook dezen nacht niet vatten.
Hij overlegde bij zich zelven of hij maar niet liever het pakje zou
openen, maar zijn schraapzucht weerhield hem.
Eindelijk, tegen den morgen, sliep hij in, het lucifersdoosje vast in
de hand geklemd.
Eerst tegen den middag ontwaakte hij, daar het dienstpersoneel zijn
huis verlaten had en niemand hem had gewekt.
Alleen de portier was nog op zijn post.
Toen deze bemerkte, dat Collgate was opgestaan, vertelde hij hem, dat
een jongen op hem wachtte.
In boozen luim liet de juwelier hem boven komen.
„Waar kom je vandaan?” snauwde hij.
De jongen haalde twee papieren te voorschijn.
„Ik heb hier een chêque van 18,000 pond en een kwitantie van 500 pond.
Tegen betaling van 500 pond zal ik u de chêque geven!”
De juwelier haalde verruimd adem.
Met bevende handen greep hij naar het papier, maar de jongen, die
klaarblijkelijk goed was ingelicht, hield de chêque stevig vast en zei:
„Pardon Sir! ik mag u dit papier alléén geven, als ge mij 500 pond
betaalt!”
„Maar ik moet het papier toch zien,” antwoordde Collgate, „ik moet er
mij toch van overtuigen, dat dit de gestolen chêque is!”
„Dat kunt ge,” zei de jongen en hij liet hem het papier even zien.
Collgate keek er scherp naar.
Geen twijfel mogelijk!
Dat was zijn gestolen eigendom. Zonder verder overleg nam hij uit zijn
portefeuille vijf banknoten van 100 pond en gaf ze den jongen, die hem
papier, en kwitantie overhandigde en snel het huis verliet.
Een paar straten verder ging de jongen een volksherberg binnen, waar
aan een tafeltje twee heeren zaten.
Hij ging naar hen toe, nam beleefd zijn pet af en gaf den oudste van
het tweetal de vijfhonderd pond waarop deze de jongen tien pond als
belooning overhandigde.
De jongen verdween en de heer, die het geld in ontvangst had genomen,
sprak:
„Kom Charly, we gaan terug naar Brighton, je ziet, hoe goed het is, als
men vroeg bij dag opstaat en de advertenties in de kranten leest. Ik
heb dien Collgate nu een tweede chêque gestuurd, waarop hij evenveel
geld kan halen als op de eerste.”
Lord Lister lachte, betaalde het ontbijt en verliet met Charly Brand de
herberg.
In hetzelfde oogenblik rende Collgate naar de Bank om eindelijk de
chêque te incasseeren.
De kassier nam het papier van den zenuwachtigen juwelier in ontvangst,
las de onderteekening en gaf haar toen den juwelier terug.
Op kalmen toon sprak hij:
„Die chêque is niet goed!”
Collgate stond als versteend.
„Ge vergist u,” sprak hij, „ik ben de juwelier Collgate, de eigenaar
van de gestolen chêque. Ge behoeft geen bezwaar te maken, mij het
bedrag uit te betalen. Als ge het wenscht zal ik mij legitimeeren!”
„Ik zeg u nogmaals,” antwoordde de ambtenaar, „dat de chêque niet goed
is.”
„Maar begrijp mij dan toch,” beweerde Collgate met klem, „de chêque,
die mij ontstolen is, moet uitbetaald worden!”
„Ik betaal de chêque niet uit,” antwoordde de kassier.
Collgate werd ongeduldig.
Hij begon te schelden zoodat de kassier het luikje voor zijn neus
dichtgooide.
„Ik zal naar detective Marholm gaan,” bedacht Collgate, „en hem vragen
mee te gaan, opdat hij mij kan legitimeeren.”
En hij vloog weer naar Scotland-Yard, waar hij, daar Marholm niet
aanwezig was, naar inspecteur Baxter werd verwezen.
Nadat hij dezen verteld had, wat hij verlangde, verklaarde Baxter zich
bereid, met den juwelier naar de Bank te gaan.
Een half uur later was het tweetal daar aangekomen.
Toen Baxter vertelde, waarvoor zij gekomen waren en hij zich door zijn
ambtspenning had gelegitimeerd, herhaalde de kassier nogmaals met een
ironisch lachje:
„Die chêque deugt niet!”
„De duivel kan je halen voor mijn part! Ik moet dat geld hebben!”
schreeuwde Collgate woest.
Onverschillig haalde de kassier de schouders op.
„Ik heb u nu al een dozijn malen verklaard, dat dat papier niet echt
is. Wij hebben niet de eer, dien heer Durand te kennen.”
Collgate keek den ambtenaar geheel ontzet aan.
Een vreeselijke gedachte doorflitste zijn brein.
De adem stokte hem.
Zijn knieën beefden.
„Ik—ik—” stotterde hij, „ik heb 500 pond voor die chêque betaald!”
„Jammer van al dat geld,” beweerde Baxter, „die chêque schijnt dus
niets waard te zijn.”
Het duizelde den juwelier voor de oogen. Hij kon Baxter nauwelijks
meedeelen, hoe dien morgen een jongen hem de chêque had teruggebracht.
„Dan heeft de oplichter u een tweede poets gespeeld. Maak nu het
lucifersdoosje eens open, waar de juweelen in moeten zitten.”
De juwelier deed dit.
Toen hij het papier had verwijderd en het doosje opende, om de kostbare
steenen in zijn hand te schudden, viel daaruit niets dan een
visitekaartje en wat kiezelsteentjes.
Met verglaasde oogen keek Collgate toen in het leege doosje en viel in
zwijm.
Inspecteur Baxter raapte het visitekaartje op.
Nauwelijks echter had hij gelezen, wat er op stond of hij liet het weer
op den grond vallen, alsof hij gloeiend vuur had beetgepakt.
Zijn gezicht werd bleek, het koude zweet parelde hem op het voorhoofd,
hij bukte zich en raapte het kaartje weer op.
In hetzelfde oogenblik trad detective Marholm naar Baxter toe.
Hij zag, hoe bleek Baxter was.
„Hallo, inspecteur!” vroeg hij, „wat is er met u gebeurd? Hebt ge een
spook te pakken?”
Baxter haalde eens diep adem.
Toen antwoordde hij:
„Yes Sir, zoo is het! En ik zou willen, dat het spook werd tot vleesch
en bloed, want het is in staat, zooals ik je al meer gezegd heb, om mij
in het gekkenhuis te brengen. Lees dit eens!”
Marholm nam het visitekaartje.
Er stond op:
„John C. Raffles.”
Verscheiden seconden bleef hij staren op dezen naam.
Toen reikte hij het kaartje den inspecteur en glimlachend sprak hij:
„Een duivelsche kerel! Hebt ge dat kaartje misschien per marconigraaf
gekregen? Ik acht dien kerel namelijk tot alles in staat!”
„Neen”, antwoordde inspecteur Baxter, „het viel met een hoop
kiezelsteenen uit dit lucifersdoosje, dat een aantal diamanten van den
juwelier moest bevatten.”
Detective Marholm liet een zacht, spottend lachje hooren.
Hij kende de praktijken van juwelier Collgate en daarop zinspelend,
antwoordde hij:
„Wie weet! Gij beweert, of beter gezegd, de juwelier doet het, dat hij
in dit doosje de diamanten had gedaan, die hij den vreemdeling naar
Parijs moest zenden! Gezien heeft hij dat natuurlijk maar alleen!
„Voor den duivel, inspecteur, het is niet onmogelijk, dat die Collgate
de diamanten in zijn vestjeszak heeft gestoken en den vreemdeling de
kiezelsteenen heeft willen overzenden!”
Baxter antwoordde:
„Jij houdt er altijd zoo je eigen beschouwingen op na, Marholm, maar
laat nu voor alles een dokter roepen, die den juwelier kan bijstaan.”
Marholm verliet de kamer en kwam eenigen tijd later terug met een arts.
Onder diens hulp kwam Collgate al heel spoedig weer bij.
Toen hij eindelijk weer in zooverre genezen was, dat men met hem kon
redeneeren, liet Baxter hem het visitekaartje zien.
„Ge hebt een heel beruchten klant in uw winkel gehad”, meende hij, „en
ge moogt waarlijk van geluk spreken, dat hij u niet nog meer ontstolen
heeft.
„De man, met wien ge te doen hebt gehad, is in staat, al uwe
kostbaarheden op onverklaarbare wijze in zijn zakken te doen
verdwijnen.”
Collgate meende, dat Baxter den draak met hem stak en ondanks zijn
lichamelijke zwakte antwoordde hij op boozen, opgewonden toon:
„Houd uw grapjes voor u, mister Baxter, ik verzeker u, dat het tot nog
toe geen enkelen gauwdief gelukt was, mij ook slechts voor een
six-pence te bedriegen.”
Detective Marholm lachte en beweerde:
„Het was waarschijnlijk den gauwdieven de moeite niet waard, zaken met
u te doen!”
Collgate wierp het hoofd in den nek met trotsch gebaar:
„Juist, mijnheer! Mijn helder doorzicht, is steeds allen boevenstreken
de baas gebleven!”
„Kom, kom!” zei Marholm, „de gauwdieven houden er weer een heel andere
beschouwing op na als u. Een paar maanden geleden vond ik bij een
berucht persoon in Eastend een aanteekenboekje, waarin allerlei
juweliers en bankiers stonden genoteerd in verband met nachtelijke
bezoeken.
„Uw naam stond ook onder de firma’s, maar daarbij was een opmerking
gemaakt, die ik niet zou gelooven, als een eerlijk, gewoon burger haar
had gemaakt.
„De opmerking kwam echter van een mensch, die heel nauwkeurig
informeert naar een firma als de uwe, als hij daarmee in eenige relatie
wenscht te treden en daarom ben ik zoo vrij alles te gelooven wat ik
daar destijds vernam.”
Juwelier Collgate keek detective Marholm aan met de woedende
uitdrukking, die de snoet van een buldog heeft.
„Mag ik misschien ook weten”, snauwde hij den detective toe, „wat die
schurk over mijn alom als solide bekend staande firma in zijn
aanteekenboekje had geschreven?”
„Wel!!” lachte Marholm, „als ge er op gesteld zijt, het te hooren— —”
„Ja, ik wil het hooren!” schreeuwde Collgate, „ik zal dien ellendeling,
als hij mij beleedigd heeft, voor den rechter brengen!”
„Dan moet ge nog een oogenblik wachten, de zegsman heeft voorloopig
twaalf jaar tuchthuisstraf”, sprak Marholm doodkalm.
„Komt er niet op aan!” antwoordde Collgate, „al had hij ook dertien
jaar,—als hij mij beleedigt, moet hij in de gevangenis!”
„Wie was het?” vroeg Baxter nu.
„Een Duitscher,” antwoordde de detective, „ge herinnert u misschien nog
wel de inbraak in het Lyrictheater, drie maanden geleden. Toen
arresteerde ik een inbreker, die uit Duitschland gevlucht was. Hij
heette Wauer.”
„En wat zei die schurk, die gauwdief?” vroeg Collgate.
„In zijn aanteekenboek stond”, antwoordde Marholm: „Bij juwelier
Collgate is het niet de moeite waard om in te breken, die verkoopt te
veel bocht!”
De juwelier hapte naar lucht, dat was inderdaad teveel voor hem.
Hij kon niet razender worden dan als iemand het waagde, zijn eer als
handelsman aan te tasten.
„Hel en duivel!” schreeuwde hij, „gelooft ge dan zoo’n tuchthuisboef?
Mijnheer!—dat is een schandaal. Ik zou naar aanleiding van het gebeurde
zelfs tegen u een aanklacht willen indienen. Alleen uw maatschappelijke
positie redt u in dezen!”
Marholm haalde onverschillig de schouders op.
Daarna greep hij naar het visitekaartje en zei:
„Sta mij toe, dat ik u voorlees, wat u de u zoo goed bekende John C.
Raffles oftewel lord Lister schrijft?”
„Gij hebt geen recht, visitekaartjes te lezen, die aan mij gericht
zijn!” snauwde juwelier Collgate, „niet het minste recht hebt ge. Geef
mij dat kaartje, het is mijn eigendom!”
„Voorloopig nog niet!” antwoordde de politiedienaar, „wij staan hier
niet als particulieren tegenover elkaar, mister Collgate, dat moet ge
toch inderdaad niet vergeten. Ik sta hier als beambte van Scotland
Yard, die bezig is een misdaad op te sporen. En in dat verband, mister
Collgate, heb ik het recht—en inspecteur Baxter zal het kunnen
beamen—dat wij alle papieren en bewijsstukken in beslag nemen.
Als de zaak is afgehandeld, kunt ge uw bulletjes terug krijgen.
Maar luister nu, wat het bewuste visitekaartje behelst
Op de voorzijde staat gedrukt:
Lord Edward Lister.
Londen.
Regent-Park.
Daaronder staat met potlood het volgende geschreven:
„Mister Collgate!
Eenige jaren geleden hebt ge mij in plaats van diamanten,
kiezelsteentjes verkocht. Het is mij thans een groot genoegen, u
eens te herinneren aan den verkoop, die u destijds geen windeieren
heeft gelegd.
Met bijzondere hoogachting.
John C. Raffles,
alias Gaston Durand.
bankier uit Parijs.”
Een zwarte sluier trok voor de oogen van den juwelier.
Met een zucht viel hij in een stoel neer en sloot de oogen.
„Ge weet mister Collgate,” begon Baxter, „dat deze Raffles vroeger een
der voornaamste Engelsche aristocraten was en als zoodanig verwijt hij
u thans, dat gij hem destijds kiezelsteenen voor diamanten hebt
verkocht!”
Collgate steunde als iemand, die zwaar ziek is.
„Houd op met uw beleedigingen,” kreunde hij. „Het lijkt wel, of ik hier
als beklaagde voor u zit. Zoek liever dien Raffles voor mij op”.
„Dat zal wel een heele tijd duren, voordat wij dien gevonden hebben.
Maar weet ge wel zeker, mijnheer Collgate, dat ge ditmaal inderdaad
echte waar hebt verkocht?”
„Maar mijnheer!” stoof de juwelier op.
„Houd u kalm. Uit dit briefje blijkt toch, dat ge bijzondere voorliefde
koestert voor kiezelsteentjes en het zou niet onmogelijk zijn, dat ge u
ook dit keer weer vergist hebt.”
De juwelier hijgde van woede.
Het allerliefst zou hij den inspecteur met een vuistslag hebben
neergeveld.
Hij begon:
„Ik—ik—heb ditmaal inderdaad steenen gegeven van het zuiverste water.”
„Dus destijds hebt ge inderdaad Lord Lister bedrogen?”
Collgate werd bleek van schrik.
Hij zag wel, dat hij een groote fout had begaan en wist niet, wat hij
moest antwoorden.
„Laat mij met rust! Ik wou maar dat ik met de heele zaak niets meer te
maken had.”
„Dat wil ik graag gelooven,” lachte detective Marholm.
Toen zonk de juwelier opnieuw als gebroken op den stoel neder en hij
sloot de oogen met een vermoeid gebaar.
„Laat den man nu met rust,” sprak Baxter, „en ga op je post, Marholm!”
„Heel goed, inspecteur,” antwoordde de detective en met een korten
groet verliet hij de kamer.
Toen hij weg was, ging Baxter naar den juwelier toe en sprak:
„Maak u maar niet bezorgd, Mr Collgate, het zal voor u misschien zoo’n
vaart nog niet loopen!”
Collgate stond op en drukte den inspecteur dankbaar de handen.
„Ik dank u voor die woorden,” sprak hij op huilerigen toon, „ik dank u.
En als ik u van dienst kan zijn, dan ben ik daartoe gaarne bereid. Zijt
gij getrouwd? Kom dan eens bij mij en zoek een mooie diamanten broche
voor uw vrouw uit. Ik verzeker u, dat ge prima kwaliteit zult krijgen
en ge zult mij het genoegen toch wel aan doen zoo’n klein geschenkje
van mij aan te nemen.”
Nogmaals drukte de juwelier den inspecteur dankbaar geroerd de handen,
toen plotseling een woest geschreeuw werd vernomen voor de deur der
kamer, waarin het tweetal zich bevond.
Baxter rukte de deur open, om te zien wat er gebeurde en zag dat
detective Marholm en een agent van politie alle moeite hadden om een
neger terug te houden.
„Blijf staan!” beval Marholm, „of ik schiet.”
„Collgate herkende terstond zijn ontvluchten huisknecht.
„Wij hebben Raffles!” riep de agent uit.
„Praat toch niet zoo’n onzin”, schreeuwde Marholm terug, „sta stil,
neger!”
Hij trachtte den zwarten kerel de handboeien aan te doen.
In dat oogenblik vloog de juwelier op den neger af om hem bij de keel
te grijpen en te slaan.
Daardoor trok hij Marholm achteruit; de neger kwam vrij en diende zijn
vroegeren meester zoo’n vuistslag toe in het gelaat, dat deze
achterover op den grond tolde en den detective in zijn val meesleepte.
Door deze verwarring gelukte het den neger de straat op te vluchten.
Marholm vloekte nu op Collgate.
Deze schold op den detective.
’t Was een vreeselijke verwarring.
Ook op straat was men opmerkzaam geworden, toen de zwarte kerel daar
met heidensch lawaai en groot gebrul kwam aanstuiven en aan den
overkant der straat, voor het venster van een groot café, zaten twee
heeren aandachtig te kijken naar het relletje.
’t Waren lord Lister en Charly Brand.
Het tweetal zat daar doodkalm aan een tafeltje en hadden juist
allersmakelijkst gedineerd.
Met de grootste belangstelling volgde lord Lister alles, wat daar op
straat geschiedde.
De nabijheid van het gevaar had voor hem iets bekorends, iets
prikkelends.
Maar Charly Brand was niet zoo kalm.
Van zenuwachtigheid draaide hij op zijn stoel heen en weer.
Het liefst was hij nu mijlen ver van deze plek verwijderd geweest.
„Laat ons gaan,” smeekte hij zijn vriend.
„Waarom?” vroeg deze, „het is immers hetzelfde, of we hier zijn of
ergens anders. Een schuilplaats kan den vluchteling niet redden, wel
koelbloedigheid!”
„Maar het wemelt hier van detectives”.
„Des te beter! Hoe meer er bij elkaar zijn, hoe meer de een het werk
overlaat aan den ander, hoe minder vinden zij dengeen, dien zij zoeken.
Dat is practische ondervinding van mij. De heeren denken ons nu heel
ergens anders. En maak mij nu alsjeblieft niet zenuwachtig!”
Charly Brand keek lord Lister vol bewondering aan.
John Raffles scheen zijn kalmte geen oogenblik te verliezen.
Maar Charly keek met angstige oogen naar al de herrie op straat en naar
den vluchtenden neger.
Plotseling zei Lister.
„Kijk eens, Charly, daar op straat, daar heb je onzen vriend Baxter en
juwelier Collgate.”
Charly Brand keek naar buiten.
Ook hij zag de bedoelde heeren.
Baxter bleef nog een tijdlang alleen staan, toen de anderen reeds
vertrokken waren.
Hij scheen over iets na te denken.
Toen trad hij toe op het café, waarin John Raffles zat met zijn vriend.
Charly Brand werd bleek.
„Ik geloof,” fluisterde hij, „dat de inspecteur hier binnen komt.”
„Waarom zou hij niet! De man zal honger hebben.”
„We hadden hier weg moeten gaan!”
„Wees toch niet zoo kinderachtig!”
Maar Charly hield zijn oog niet van de deur af, waardoor Baxter eenige
oogenblikken later, vergezeld van een heer, binnen trad.
Niet ver van lord Listers tafeltje ging het tweetal zitten.
Charly Brand zat op heete kolen.