Toen maakte lord Lister een prop van een stuk papier en stak dien den
man in den mond.
„Ik hoorde,” sprak hij tot Fox, „dat ge wildet trachten mij door een
valsche advertentie hier in huis te lokken. Ik ben u daarvoor zóó
erkentelijk, dat ik nu al gekomen ben.”
Toen snelde hij de kamer uit en begaf zich naar het vertrek, waar hij
het weeklagen hoorde van miss Walton.
De detective had haar gebonden en hulpeloos lag zij midden in de kamer
op het tapijt.
Verschrikt keek zij naar het scherpe licht van de lantaarn.
Kwam daar alweer iemand, die haar kwaad wilde doen?
Haastig rukte Raffles zijn masker af en op helderen toon riep hij haar
naam.
Het meisje dacht te droomen.
Raffles hief haar op met zijn sterke armen, sneed de touwen door en
haalde den prop uit haar mond.
„Ben jij het?” was het eerste, wat zij kon uitbrengen.
„Ja, ik ben het! Ik kwam nog juist bijtijds om een schurkenstreek te
verijdelen. Ga mee, liefste, je bent nu veilig en gered!”
Eensklaps begon zij te lachen.
„Je ziet er uit als een politie-agent. Ik zou je nooit herkend hebben!”
„Kom nu, kindje,” drong hij aan, „wij mogen hier in huis geen tijd
verliezen.
Zij stond op en ging met hem naar de kamer, waar de geknevelde mister
Fox lag.
„Goeden avond!” lachte lord Lister, „als uw vrienden van Scotland Yard
komen, moet ge hun de groeten doen van John C. Raffles.”
Toen ging het drietal heen.
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Den volgenden morgen was er groote opschudding voor het huis van Fox.
Arbeiders begonnen het plaveisel op te breken. Een vruchtenventer stond
er met zijn karretje en niemand vermoedde in deze lieden de vermomde
beambten van Scotland Yard.
Tegen den avond kwam detective Marholm, die door Baxter was gezonden.
Hij klopte en schelde aan de voordeur, maar deze werd niet geopend.
Toen begon hij ongerust te worden en haalde een smid.
Deze wilde de deur openen en bemerkte toen, dat zij in het geheel niet
gesloten was.
Bezorgd ging Marholm binnen.
Eenige detectives volgden hem.
Al spoedig werd Fox gevonden en bevrijd uit zijn hachelijke positie.
Toen sprak hij met een bitter lachje tot Marholm:
„Ik heb nu nog ééns beproefd, jelui te helpen tegen Raffles! Ge ziet,
welke gevolgen dat voor mij gehad heeft!
„Hij is vlugger, dan wij allen samen en al zoudt ge ook een belooning
van honderdduizend pond uitschrijven, neem ik daaraan geen deel!”
Hij rekte zijn ledematen uit en ging aan tafel zitten.
„Ik ga wat eten, want ik rammel van honger!”
En zonder zich te bekommeren om de detectives, ging hij aan tafel
zitten en begon met grooten honger groote porties brood en vleesch te
verorberen, die er nog stonden van den vorigen avond.
De detectives van Scotland Yard stonden zwijgend om hem heen.
Zij begrepen niets van het onsamenhangende verhaal.
Marholm keek mismoedig.
Fox was aan zijn zesde boterham.
De detectives keken en zwegen.
Eenigen tijd later kwamen Baxter met Collgate.
Een der detectives had den inspecteur het gebeurde per telefoon
verteld.
Deze had den juwelier meegebracht.
Toen Baxter het geheele verhaal in alle bijzonderheden door Fox werd
meegedeeld, werd hem een telegram gebracht.
Baxter opende het.
Zijn gelaat werd bleek.
„Die Raffles behandelt mij als een idioot”, schold hij, „hij stuurt mij
alweer een telegram om mij te feliciteeren met den goeden afloop.”
Woedend verfrommelde hij het papier.
„Lach niet! Ik verbied het je!” beet hij Marholm toe.
Deze verbeet zijn lach, hoewel het hem de grootste moeite kostte.
Alweer had Scotland Yard alle zeilen bijgezet—en alweer was Raffles
toch ontsnapt.
En Marholm mocht niet lachen.
VIERDE HOOFDSTUK.
THUIS.
Lord Lister’s huis in Regent Park werd bewaakt door Fred, zijn
kamerdienaar, die plotseling uit zijn sluimer ontwaakte, daar er heftig
aan de schel getrokken werd.
Fred wachtte een paar minuten.
Er werd weer gescheld.
De oude kleedde zich en fluisterde:
„Dat moet mijn meester zijn!”
Haastig snelde hij de trap af, opende de huisdeur en liet drie personen
binnen.
„Goeden avond, Fred!” sprak lord Lister en gaf hem de hand.
Op vroolijken toon beantwoordde de oude den groet en de getrouwe
dienaar vatte de hem aangeboden rechterhand.
John Raffles was nog als politie-agent gekleed en werd door den ouden
dienaar slechts aan zijn stem herkend.
„Ik breng bezoek mede, Fred”, sprak de lord, „is de logeerkamer
gereed?”
De kamerdienaar boog en antwoordde:
„Alle kamers zijn in orde, lord, zoodat zij ieder oogenblik kunnen in
gebruik genomen worden!”
„Je bent een trouwe ziel”, sprak zijn meester, „en ik hoop, daar wij
nog geen avondbrood gebruikt hebben, dat gij ons een koud souper en een
kop thee zult kunnen verschaffen.”
De kamerdienaar boog nogmaals en antwoordde: „Met genoegen, lord.”
Nu gaf Charly Brand hem ook de hand; hij had dezen ook niet herkend,
als Charly hem niet had aangesproken.
Alleen miss Walton verscheen voor den oude in haar gewone gedaante.
Hij ging de trap op en ontstak het licht in de studeerkamer.
Daar was alles onveranderd en het zag er uit, alsof lord Lister nooit
was weg geweest.
Het vuur in den haard brandde. In de kamer heerschte een behagelijke
warmte en op het rooktafeltje lagen sigaretten voor gebruik gereed.
Lord Lister en miss Walton moesten lachen, toen zij dachten aan de
laatste vlucht in den koffer.
In hun vroolijke stemming dachten zij niet aan de mogelijkheid, dat
eenig gevaar in huis kon dreigen.
Alleen Charly Brand was onrustig en wenschte zich duizend mijlen van
Londen verwijderd.
„Waarom zijn we eigenlijk hier naar toe gegaan, ik gevoel mij niets op
mijn gemak!” sprak de jonge man.
„Wij zijn hier veiliger dan ergens anders”, beweerde lord Lister.
„Ben je daar zoo zeker van?”
„Heel zeker!”
„Ik hoop, dat je gelijk hebt!”
„Dat hoop ik ook.”
„Wat zou ge dan wel willen doen, als de detectives van Scotland Yard
ons hier opspoorden?” vroeg Charly Brand.
„Weggaan!” antwoordde lord Lister doodkalm.
„Jij hebt makkelijk praten”, sprak Charly Brand schouderophalend,
terwijl hij rondkeek in de kamer. „Ik zou wel eens willen weten, hoe je
dat zoudt willen klaarspelen. Je kunt nu niet meer werken met je
schuifdeur en je klok, waar je in je badkamer in kunt kruipen. En de
truc met den koffer is ook al oud! De detectives kennen je kunsten!”
„Ik zal wel andere uitwegen vinden, als het zoover is, Charly!”
„Ik brand nog altijd van nieuwsgierigheid om te weten, hoe je dat zoudt
willen aanleggen,” zei Charly.
Lord Lister ging naar hem toe, klopte hem eens bemoedigend op den
schouder en sprak:
„Jij bent zenuwachtig, beste jongen! Over dergelijke dingen pijnig ik
mijn hersens eerst, als het zoo ver is. Nu heb ik eerst geweldigen
honger en ik hoop van ganscher harte, dat mijn oudje wat lekkers
heeft.”
Miss Walton was naar de eetkamer gegaan om de tafel te dekken.
Een oogenblik later zat het drietal vroolijk lachend om den
welvoorzienen disch en geen sterveling in geheel Londen had kunnen
vermoeden, dat de geniaalste aller dieven, de koning der inbrekers, de
beruchte Raffles in zijn eigen huis op zijn dooie gemak zat te
soupeeren, terwijl alle detectives van Londen jacht op hem maakten.
De oude Fred bediende met kalme waardigheid zijn meester en diens
gasten.
De oude man straalde van vreugde en toen de maaltijd was afgeloopen
bood lord Lister hem een glas champagne en dankte hem voor de trouwe
diensten, steeds bewezen.
„Drink dat glas eens leeg Fred, op de gezondheid van mijn bruid, miss
Else Walton.”
Het champagneglas beefde in de handen van den ouden man en een gloeiend
rood overdekte zijn gelaat; hij schaamde zich, dat zijn heer zoo
gemeenzaam met hem sprak.
Maar tegelijkertijd ook streelde het zijn eergevoel en zijn trots.
„Ik dank uwe lordschap wel heel hartelijk voor de groote eere en ik
wensch u al het geluk, dat de hemel u kan schenken.”
Hij wist niet, wat hij zou doen. Telkens en telkens maar weer boog hij
en hij zou maar hebben doorgeknikt en gebogen, als lord Lister hem niet
zachtjes bij den schouder had gevat en had gezegd:
„Stoot eens met hem aan, Else,” moedigde lord Lister aan.
Miss Walton echter zette het glas neer.
Zij ging naar den ouden dienaar toe en kuste hem op het voorhoofd.
Oude Fred was zóó beduusd, dat het glas uit zijn hand viel.
Zijn trouwe oogen stonden vol tranen.
„En maak nu eens heel vlug een kamer voor mijn bruid in orde, Fred.
Mister Brand kan in mijn studeerkamer op de rustbank slapen,” sprak
Raffles.
„Wat ben je van plan?” vroeg Charly.
„Eerst een paar dagen rusten hier in huis en dan misschien juwelier
Collgate weer eens opzoeken!”
„Drijf de zaak toch niet op de spits, Edward!
„Weet je, wat ik doen zou?
„Ik zou met miss Walton naar een stil hoekje van de aarde gaan om daar
samen gelukkig te zijn. Ben je je leven van thans nog altijd niet
moede?”
„Om jou raad te kunnen opvolgen, mijn jongen, is geld noodig! Ik heb
geen cent! Waarvan zou ik rustig kunnen leven? En ik weet, dat mijn
bruid graag dit leven met mij deelt!”
Miss Walton sloeg de armen om zijn hals en fluisterde:
„Ja, liefste! Sinds ik weet, dat je alleen slechte menschen ontrooft,
wat zij anderen ontstalen en sinds ik heb ondervonden, hoe onbarmhartig
die lieden voor de armen zijn, bewonder ik je en wil ik alles doen, wat
je van mij verlangt.”
Lord Lister kuste haar.
„Morgen moet je naar je moeder gaan en haar vertellen, dat je voor
eenigen tijd op reis gaat.
„En nu, wel te ruste, liefste!”
Daarop begaf ook lord Lister zich ter ruste, evenals Charly Brand.
Een paar minuten later lag het huis als uitgestorven.
Den volgenden morgen las Raffles de ochtendbladen.
Hij moest hartelijk lachen.
En mèt hem lachte geheel Londen.
Voor de zooveelste maal was Scotland Yard voor het lapje gehouden.
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
In den middag van dienzelfden dag hield een rijtuig stil voor de
inrichting voor zenuwpatiënten van dokter Sandrowsky in Westend.
Een bejaard marine-officier en een jongedame stapten uit.
De officier maakte zich bekend als kapitein ter zee lord Douglas, de
jongere dame was zijn vrouw.
„Wij hebben een neef in onze familie,” vertelde de officier, „die af en
toe allerlei waanvoorstellingen heeft.
„Hij heeft een tijdlang beweerd, Raffles te wezen en nu vertelt hij,
dat hij juwelier Collgate is.
„Dezen neef wenschen wij eenigen tijd hier te brengen.”
De dokter had aandachtig geluisterd.
Toen verklaarde hij lord Douglas, dat de zieke den volgenden dag om elf
uur kon komen om te worden onderzocht.
De bezoekers gingen.
Den avond van denzelfden dag ontving Collgate een brief van dr.
Sandrowsky waarin deze hem verzocht, den volgenden dag om 12 uur bij
hem te komen. De dokter wenschte eenige steenen te verkoopen en had
geen tijd, persoonlijk te komen.
Collgate was de naam van den zenuwdokter uitstekend bekend.
Den volgenden dag tegen elf uur kwam lord Douglas bij dokter Sandrowsky
en overhandigde hem een kistje met juweelen.
„Over een uur,” sprak hij, „zal mijn neef hier zijn. Ik heb hem gezegd,
dat ge hem eenige juweelen wilt verkoopen. Zooals ge weet, verbeeldt
hij zich, dat hij de juwelier Collgate is.
„Geef hem de steenen vooral niet voor geringen prijs!”
„Natuurlijk niet,” glimlachte de dokter. „Zenuwpatiënten rekenen
meestal met groote cijfers. Maar waarom moet eigenlijk die verkoop met
uw neef op touw worden gezet?”
„Opdat gij den aard van zijn ziekte beter zult leeren kennen!”
„Uitstekend!” verklaarde de dokter.
De knecht diende in dit oogenblik den juwelier aan en kapitein Douglas
trok zich in de aangrenzende kamer terug.
Juwelier Collgate trad binnen, groette den dokter hartelijk en gaf hem
de hand.
„Ga zitten!” sprak de dokter, terwijl hij voor zich zelven de opmerking
maakte, dat de gelaatsspieren van den juwelier zich elk oogenblik
zenuwachtig vertrokken.
„Ge zijt heel zenuwachtig, zooals ik zie,” begon dokter Sandrowsky.
„Dat ben ik,” antwoordde de juwelier. „Door die Raffles-geschiedenis
ben ik heelemaal van streek geraakt! Ik rust niet, vóórdat ik den kerel
heb!”
Dokter Sandrowsky maakte eenige aanteekeningen.
Het stond bij hem al vast, dat de man ongeneeslijk krankzinnig was.
„Ge hebt mij laten roepen,” begon de vermeende patiënt, „omdat ge mij
eenige juweelen wildet verkoopen!”
„Zeker,” antwoordde de dokter.
Hij maakte het kistje open, dat naast hem op tafel stond.
„Zijn dat de steenen?”
„Ja!”
De juwelier bekeek ze.
„Dat zijn zoogenaamde witte diamanten, maar ze zijn niet van het
zuiverste water. Ik bied er u duizend pond voor!”
„Dat is toch wel een beetje heel goedkoop. Voor minder dan twee duizend
pond kan ik ze niet geven!”
Na een beetje over en weer praten, gaf hij den dokter een chêque van
dit bedrag.
De dokter nam het papier glimlachend op en zei toen:
„Wees zoo goed, hier eenige oogenblikken te wachten!”
„Mijn tijd is beperkt,” antwoordde Collgate en hij wilde de diamanten
inpakken.
De dokter drukte op een geheim knopje op de schrijftafel, waardoor
eenige verplegers in de aangrenzende kamer gewaarschuwd werden.
Collgate begreep niets van deze geheele geschiedenis en terwijl hij
zich verbaasde over de houding van den dokter, kwamen plotseling eenige
verplegers de kamer binnen en sleepten Collgate weg.
In hetzelfde oogenblik kwam lord Douglas te voorschijn.
„Hoe is het er mee, dokter?”
„Het spijt me, de man is ongeneeslijk!”
„Mag ik de chêque eens zien, die hij gefabriceerd heeft?”
„Zeker, hier is ze!”
Lord Douglas schudde het hoofd.
„Hij heeft ze waarlijk met den naam van Collgate onderteekend,” sprak
hij, terwijl hij het papier in zijn portefeuille wegborg.
Toen vroeg hij den dokter, wanneer hij zijn neef mocht komen bezoeken.
„Er gaan meestal drie dagen voorbij, voordat de eerste buien van
razernij ophouden. Ge moogt dus uw neef vóór Maandag niet komen
bezoeken!”
Lord Douglas ging heen en de dokter ging naar de cel, waarin de
juwelier zat opgesloten.
Deze ging als een razende te keer.
De dokter keek door het kijkgat en sprak tegen den verpleger:
„Geef hem een flinke koudwaterstraal!”
Aldus geschiedde.
Eenige verplegers bespoten den woedenden en tierenden juwelier van alle
kanten met een kouden douche en brachten hem daarna naar bed.
Tegen den avond ging dokter Sandrowsky den patiënt bezoeken, maar toen
hij aan diens bed kwam, vloog de juwelier hem naar de keel en wilde hem
worgen.
Wederom waren verscheiden verplegers noodig om Collgate in bed te
houden en toen hij steeds voortging met om zich heen te slaan, werd hem
een dwangbuis aangedaan.
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
De zoogenaamde lord Douglas intusschen had op de Bank tweeduizend pond
uitbetaald gekregen, toen hij de chêque getoond had.
Hij nam een auto en reed tot in de buurt van Regent-Park.
Daar steeg hij uit en ging het huis van lord Lister binnen.
In de gang deed hij baard en pruik af en sprak tot Charly Brand:
„Ik geloof, dat onze vriend Collgate op dit oogenblik een
koudwaterstraal krijgt!”
Daarop ging hij naar zijn studeerkamer en maakte zich reisvaardig.
In Queensborough wilde hij zich met Charly en zijn bruid naar
Duitschland inschepen.
Miss Walton was den vorigen dag afgereisd om eerst nog haar moeder te
bezoeken.
Om vier uur des middags ontmoette het drietal elkander aan boord van
het schip.
Op hetzelfde uur werd inspecteur Baxter een telegram overhandigd van
den volgenden inhoud:
„Inspecteur van recherche Baxter, Scotland Yard.
Ik heb juwelier Collgate in de inrichting van zenuwpatiënten van
dokter Sandrowsky gebracht. Daar kan hij wat op zijn verhaal komen.
Een volgenden keer hoop ik u daar te brengen, want ik geloof dat
gij zoo iets ook wel noodig hebt.
Overigens geloof ik, dat de kuur van juwelier Collgate wel
geëindigd zal zijn, als gij dit telegram hebt ontvangen en dat hij
nooit in zijn leven weer valsche diamanten aan Lord Lister zal
verkoopen.
Anders zweer ik hem opnieuw wraak.
Met verschuldigde hoogachting
John C. Raffles.”
De titel van het volgende nummer (3) is:
DE RIDDERORDENDIEFSTAL IN HET KONINKLIJK PALEIS.