Als wij geloof mogen hechten aan het verhaal, dat de pastoor van
Santa-Cruz del Quiché aan Stephens deed, dan bestond er te Coban eens
groote stad, die hij bezocht had en waarvan hij met groote verbazing
gewaagde. Nooit heeft iemand ons over deze stad gesproken, die tot
dusver aan de nasporingen der reizigers is ontsnapt; maar het is
zeer waarschijnlijk dat Coban eene nederzetting was van dien tak der
Tolteken, die Tikal stichtte en die zich van daar naar het oosten
richtte, waar hij achtervolgens Copan en Quiriga, in de provincie
Chiquimula, grondvestte.
Copan was ten tijde van de verovering nog eene bloeiende stad, evenals
Utatlan, Itatlan, Xelahu, Patinamit en andere steden in Guatemala, door
Alvaredo verwoest. Hernandez de Chaves, een zijner onderbevelhebbers,
kreeg in last zich van Copan meester te maken. Dit geschiedde in
1530. Volgens Juarros, wiens zegsman Francisco de Fuentes de stad
bezocht, was de groote circus van Copan in 1700 nog ongeschonden
in wezen.
De zonderlingste en merkwaardigste monumenten van Copan zijn de uit
één steenblok gehouwen afgodsbeelden, die wij ook reeds, zij het ook
minder afgewerkt, te Tikal hebben aangetroffen. Wij vinden te Copan
dezelfde inscripties, dezelfde bas-reliefs en dezelfde godheden,
als in de steden die wij reeds vroeger bezochten; Copan is echter
de jongste van deze steden, daar zij het verst van het uitgangspunt
der immigranten verwijderd was. Ondanks zijn niet licht te misleiden
gezond verstand en zijne buitengewone helderheid van inzicht, heeft
Stephens toch de monumenten van Copan niet begrepen. Trouwens, Copan
was de eerste stad die hij bezocht; hij dacht hier de werken voor zich
te hebben eener geheel oorspronkelijke beschaving, die hij met geene
andere in verband wist te brengen. Zonder het te weten, begon hij bij
het einde en vermoedde niet dat hij de laatste monumenten eener oude
beschaving voor zich had. Later, beter ingelicht, oordeelde hij anders
en bracht zijn helder inzicht hem van zelf op het spoor der waarheid.
Stephens geeft ons in de eerste plaats de afbeelding van een te Copan
gevonden menschenhoofd, waarin hij een koning meent te herkennen. Bij
nadere beschouwing van dien gebaarden kop, die in eene reusachtige
draken- of slangenmuil is gevat, herkennen wij daarin het beeld van den
god Quetzalcoatl; de type is een weinig veranderd, maar de kenmerkende
attributen ontbreken ook hier niet. Hij draagt een hoofddeksel
van dooreengevlochten slangen, of misschien een soort van tulband,
dien wij op andere monumenten in Guatemala zullen wedervinden. Wij
bezitten geene nauwkeurige beschrijving van de monumenten van Copan,
en te oordeelen naar hetgeen Stephens zegt, schijnt het dat zij
verschillen van die, welke wij bestudeerd hebben. De inrichting
der stad zou ons doen denken aan die der mexikaansche steden,
evenals bij de andere hoofdsteden in Guatemala, omdat die steden,
evenals in Mexico, op bergplateaux gebouwd, een ander voorkomen
hadden dan de steden in de heete vlakte, Comalcalco, Palenque,
Chichen. Uxmal en anderen. De tak van den tolteekschen stam, die
zich langs den Stillen-Oceaan gevestigd had, had de traditiën van het
gemeenschappelijke vaderland, van Anahuac, behouden en volgde zoowel
in levenswijze, als bij den bouw van tempels, paleizen en huizen,
de oude gewoonten: een natuurlijk gevolg van de overeenkomst tusschen
de vroegere en latere omgeving. De andere hoofdtak, die in een andere
natuur en andere omgeving was gekomen, moest zich, ook wat de bouworde
aangaat, daarnaar voegen en alzoo in meerdere of mindere mate van den
voorvaderlijken type afwijken. Te Copan ontmoetten de beide takken
elkander weder, en de bouwstijl onderging eene verandering door het
opnemen van verschillende elementen.
Wij hebben reeds vroeger, bij ons bezoek te Kabah, gesproken van de
overdrijving en overlading in de ornamentiek, die het kenmerk is der
perioden van kunstverval: een verschijnsel, dat zich bijna bij alle
volken heeft voorgedaan. Bijna overal zien wij de in den aanvang zoo
strenge en sobere monumenten, zeer schaars met ornamenten versierd,
langzamerhand al rijker en weelderiger worden; de architektonische
lijnen treden op den achtergrond voor het ornament, dat al meer
en meer voortwoekert en eindelijk tot overlading, gemaaktheid en
wansmaak voert. De gothiek levert ons daarvan een sprekend voorbeeld,
en de arabische kunst in Spanje niet minder.
De Tolteken van Copan getuigen ook op hunne beurt van de waarheid dezer
opmerking; en men behoeft inderdaad geen archeoloog te zijn, om bij
het aanschouwen van deze monumenten te verklaren dat zij niet tot de
eerste, maar veelmeer tot de laatste periode eener kunstontwikkeling
behooren. De bewerkers van de monolithen, waarvan wij boven reeds
spraken, hebben hier alle ornamenten en alle architektonische
motieven bijeengebracht, die hunne voorgangers bij hunne paleizen,
hunne tempels hunne bas-reliefs en hunne godenbeelden hadden aangewend.
En niet alleen vermenigvuldigen zij de motieven en ornamenten,
zij stellen zelfs in één beeld verschillende goden voor: getuige
het beeld, waarvan wij de afbeelding en face geven en waarin men
gemakkelijk vier onderscheidene goden herkent. De groote middenfiguur,
die uit een drakenmuil te voorschijn komt, herinnert ons aanstonds
aan Quetzalcoatl, maar het is het hoofd eener vrouw, wier kostuum
ons de attributen te aanschouwen geeft van een Tlaloc van Palenque,
met zijne menschenhoofden als gordel versiersels; deze koppen zijn
hier geplaatst boven een krans of slinger van maïshalmen, die een der
attributen is zoowel van Chalciutlicue, de echtgenoote van Tlaloc,
als van Centeotl, de mexikaansche Ceres, de godin van den oogst. Dit
beeld zou dus tegelijkertijd Quetzalcoatl, Tlalco, Chalciutlicue
en Centeotl moeten voorstellen. Wij weten reeds, dat men te Mexico
de drie eersten meermalen vereenigd afbeeldde en dat hun feest op
denzelfden dag werd gevierd.
Laat ons nu een blik werpen op het zoo merkwaardige altaar, waarmede
wij door Stephens bekend zijn geworden. Dat altaar, waarvan wij op
bladz. 308 de afbeelding geven, is zes voet lang en vier voet hoog; het
bovenste gedeelte is verdeeld in zes-en-dertig vakken met hiëroglyfen.
Aan elke zijde van het altaar zien wij vier personen, die met
gevouwen beenen, naar oosterschen trant, op kussens zitten; het
profiel is minder schuin dan bij andere beeldwerken, waarschijnlijk
uit vroegeren tijd; het hoofddeksel is een soort van tulband, zoo
als in Guatemala gebruikelijk was. Deze typen zijn nieuw voor ons,
maar wij vinden ze nevens ons reeds bekende typen: een verschijnsel,
dat zijne verklaring vindt in het feit, dat de twee takken van het
tolteeksche ras, na eene lange scheiding van misschien twee eeuwen,
elkander hier weder voor het eerst ontmoetten en in zekere mate
samensmolten. Dit zonderlinge monument is als het ware de uitdrukking
van die vermenging: het is guatemalto-tolteeksch door de figuren en
zuiver tolteeksch door de symbolische teekens, die hetzij op iedere
figuur, hetzij op de kleeding, hetzij op het kussen aangebracht,
ons den naam en de hoedanigheid van iederen persoon mededeelen. Dat
herinnert aan de bas-reliefs van Chichen; maar het altaar is vooral
tolteeksch door zijne opschriften, waarvan de letterteekens bijna
geheel dezelfden zijn als die der inscripties van Lorillard. De
kunst van Copan draagt zoo geheel een tolteeksch karakter, dat Diego
Grarcia Palacio, in een brief aan den koning van Spanje, Filips II,
in 1574 geschreven, verhaalt dat hij de monumenten van Copan als
bouwvallen aantrof, maar dat zij hem toeschenen ver verheven te zijn
boven gebouwen van gelijksoortigen aard, die door de inwoners dezer
streken waren gesticht.
"De onder de Indianen aangenomen overlevering, zoo zegt hij, schrijft
de stichting dezer monumenten toe aan emigranten uit Yucatan"; en
Palacio is mede van die meening, daartoe gebracht door de overeenkomst
in stijl tusschen deze monumenten en die welke men in Yucatan en
Tabasco aantreft.
Wij zien dus te Copan de laatste voortbrengselen van eene oude kunst
en hare vermenging met eene andere, niet minder oude kunst. Misschien
zou deze samenvloeiing tot hooger ontwikkeling hebben geleid en zou
de amerikaansche beschaving en de amerikaansche kunst, aan haar
eigen historische ontvouwing overgelaten, zich gaandeweg aan de
windselen der barbaarschheid, waarin zij nog gevangen lag, hebben
ontworteld. Maar de ontdekkingstocht van Columbus en de verschijning
der Spanjaarden maakten aan die ontwikkeling een einde en vernietigden
de oorspronkelijke beschaving van het indiaansche ras, om er iets voor
in de plaats te stellen dat nooit meer was en is dan eene karikatuur
der europeesche beschaving.