XII

Als wij geloof mogen hechten aan het verhaal, dat de pastoor van

Santa-Cruz del Quiché aan Stephens deed, dan bestond er te Coban eens

groote stad, die hij bezocht had en waarvan hij met groote verbazing

gewaagde. Nooit heeft iemand ons over deze stad gesproken, die tot

dusver aan de nasporingen der reizigers is ontsnapt; maar het is

zeer waarschijnlijk dat Coban eene nederzetting was van dien tak der

Tolteken, die Tikal stichtte en die zich van daar naar het oosten

richtte, waar hij achtervolgens Copan en Quiriga, in de provincie

Chiquimula, grondvestte.

Copan was ten tijde van de verovering nog eene bloeiende stad, evenals

Utatlan, Itatlan, Xelahu, Patinamit en andere steden in Guatemala, door

Alvaredo verwoest. Hernandez de Chaves, een zijner onderbevelhebbers,

kreeg in last zich van Copan meester te maken. Dit geschiedde in

1530. Volgens Juarros, wiens zegsman Francisco de Fuentes de stad

bezocht, was de groote circus van Copan in 1700 nog ongeschonden

in wezen.

De zonderlingste en merkwaardigste monumenten van Copan zijn de uit

één steenblok gehouwen afgodsbeelden, die wij ook reeds, zij het ook

minder afgewerkt, te Tikal hebben aangetroffen. Wij vinden te Copan

dezelfde inscripties, dezelfde bas-reliefs en dezelfde godheden,

als in de steden die wij reeds vroeger bezochten; Copan is echter

de jongste van deze steden, daar zij het verst van het uitgangspunt

der immigranten verwijderd was. Ondanks zijn niet licht te misleiden

gezond verstand en zijne buitengewone helderheid van inzicht, heeft

Stephens toch de monumenten van Copan niet begrepen. Trouwens, Copan

was de eerste stad die hij bezocht; hij dacht hier de werken voor zich

te hebben eener geheel oorspronkelijke beschaving, die hij met geene

andere in verband wist te brengen. Zonder het te weten, begon hij bij

het einde en vermoedde niet dat hij de laatste monumenten eener oude

beschaving voor zich had. Later, beter ingelicht, oordeelde hij anders

en bracht zijn helder inzicht hem van zelf op het spoor der waarheid.

Stephens geeft ons in de eerste plaats de afbeelding van een te Copan

gevonden menschenhoofd, waarin hij een koning meent te herkennen. Bij

nadere beschouwing van dien gebaarden kop, die in eene reusachtige

draken- of slangenmuil is gevat, herkennen wij daarin het beeld van den

god Quetzalcoatl; de type is een weinig veranderd, maar de kenmerkende

attributen ontbreken ook hier niet. Hij draagt een hoofddeksel

van dooreengevlochten slangen, of misschien een soort van tulband,

dien wij op andere monumenten in Guatemala zullen wedervinden. Wij

bezitten geene nauwkeurige beschrijving van de monumenten van Copan,

en te oordeelen naar hetgeen Stephens zegt, schijnt het dat zij

verschillen van die, welke wij bestudeerd hebben. De inrichting

der stad zou ons doen denken aan die der mexikaansche steden,

evenals bij de andere hoofdsteden in Guatemala, omdat die steden,

evenals in Mexico, op bergplateaux gebouwd, een ander voorkomen

hadden dan de steden in de heete vlakte, Comalcalco, Palenque,

Chichen. Uxmal en anderen. De tak van den tolteekschen stam, die

zich langs den Stillen-Oceaan gevestigd had, had de traditiën van het

gemeenschappelijke vaderland, van Anahuac, behouden en volgde zoowel

in levenswijze, als bij den bouw van tempels, paleizen en huizen,

de oude gewoonten: een natuurlijk gevolg van de overeenkomst tusschen

de vroegere en latere omgeving. De andere hoofdtak, die in een andere

natuur en andere omgeving was gekomen, moest zich, ook wat de bouworde

aangaat, daarnaar voegen en alzoo in meerdere of mindere mate van den

voorvaderlijken type afwijken. Te Copan ontmoetten de beide takken

elkander weder, en de bouwstijl onderging eene verandering door het

opnemen van verschillende elementen.

Wij hebben reeds vroeger, bij ons bezoek te Kabah, gesproken van de

overdrijving en overlading in de ornamentiek, die het kenmerk is der

perioden van kunstverval: een verschijnsel, dat zich bijna bij alle

volken heeft voorgedaan. Bijna overal zien wij de in den aanvang zoo

strenge en sobere monumenten, zeer schaars met ornamenten versierd,

langzamerhand al rijker en weelderiger worden; de architektonische

lijnen treden op den achtergrond voor het ornament, dat al meer

en meer voortwoekert en eindelijk tot overlading, gemaaktheid en

wansmaak voert. De gothiek levert ons daarvan een sprekend voorbeeld,

en de arabische kunst in Spanje niet minder.

De Tolteken van Copan getuigen ook op hunne beurt van de waarheid dezer

opmerking; en men behoeft inderdaad geen archeoloog te zijn, om bij

het aanschouwen van deze monumenten te verklaren dat zij niet tot de

eerste, maar veelmeer tot de laatste periode eener kunstontwikkeling

behooren. De bewerkers van de monolithen, waarvan wij boven reeds

spraken, hebben hier alle ornamenten en alle architektonische

motieven bijeengebracht, die hunne voorgangers bij hunne paleizen,

hunne tempels hunne bas-reliefs en hunne godenbeelden hadden aangewend.

En niet alleen vermenigvuldigen zij de motieven en ornamenten,

zij stellen zelfs in één beeld verschillende goden voor: getuige

het beeld, waarvan wij de afbeelding en face geven en waarin men

gemakkelijk vier onderscheidene goden herkent. De groote middenfiguur,

die uit een drakenmuil te voorschijn komt, herinnert ons aanstonds

aan Quetzalcoatl, maar het is het hoofd eener vrouw, wier kostuum

ons de attributen te aanschouwen geeft van een Tlaloc van Palenque,

met zijne menschenhoofden als gordel versiersels; deze koppen zijn

hier geplaatst boven een krans of slinger van maïshalmen, die een der

attributen is zoowel van Chalciutlicue, de echtgenoote van Tlaloc,

als van Centeotl, de mexikaansche Ceres, de godin van den oogst. Dit

beeld zou dus tegelijkertijd Quetzalcoatl, Tlalco, Chalciutlicue

en Centeotl moeten voorstellen. Wij weten reeds, dat men te Mexico

de drie eersten meermalen vereenigd afbeeldde en dat hun feest op

denzelfden dag werd gevierd.

Laat ons nu een blik werpen op het zoo merkwaardige altaar, waarmede

wij door Stephens bekend zijn geworden. Dat altaar, waarvan wij op

bladz. 308 de afbeelding geven, is zes voet lang en vier voet hoog; het

bovenste gedeelte is verdeeld in zes-en-dertig vakken met hiëroglyfen.

Aan elke zijde van het altaar zien wij vier personen, die met

gevouwen beenen, naar oosterschen trant, op kussens zitten; het

profiel is minder schuin dan bij andere beeldwerken, waarschijnlijk

uit vroegeren tijd; het hoofddeksel is een soort van tulband, zoo

als in Guatemala gebruikelijk was. Deze typen zijn nieuw voor ons,

maar wij vinden ze nevens ons reeds bekende typen: een verschijnsel,

dat zijne verklaring vindt in het feit, dat de twee takken van het

tolteeksche ras, na eene lange scheiding van misschien twee eeuwen,

elkander hier weder voor het eerst ontmoetten en in zekere mate

samensmolten. Dit zonderlinge monument is als het ware de uitdrukking

van die vermenging: het is guatemalto-tolteeksch door de figuren en

zuiver tolteeksch door de symbolische teekens, die hetzij op iedere

figuur, hetzij op de kleeding, hetzij op het kussen aangebracht,

ons den naam en de hoedanigheid van iederen persoon mededeelen. Dat

herinnert aan de bas-reliefs van Chichen; maar het altaar is vooral

tolteeksch door zijne opschriften, waarvan de letterteekens bijna

geheel dezelfden zijn als die der inscripties van Lorillard. De

kunst van Copan draagt zoo geheel een tolteeksch karakter, dat Diego

Grarcia Palacio, in een brief aan den koning van Spanje, Filips II,

in 1574 geschreven, verhaalt dat hij de monumenten van Copan als

bouwvallen aantrof, maar dat zij hem toeschenen ver verheven te zijn

boven gebouwen van gelijksoortigen aard, die door de inwoners dezer

streken waren gesticht.

"De onder de Indianen aangenomen overlevering, zoo zegt hij, schrijft

de stichting dezer monumenten toe aan emigranten uit Yucatan"; en

Palacio is mede van die meening, daartoe gebracht door de overeenkomst

in stijl tusschen deze monumenten en die welke men in Yucatan en

Tabasco aantreft.

Wij zien dus te Copan de laatste voortbrengselen van eene oude kunst

en hare vermenging met eene andere, niet minder oude kunst. Misschien

zou deze samenvloeiing tot hooger ontwikkeling hebben geleid en zou

de amerikaansche beschaving en de amerikaansche kunst, aan haar

eigen historische ontvouwing overgelaten, zich gaandeweg aan de

windselen der barbaarschheid, waarin zij nog gevangen lag, hebben

ontworteld. Maar de ontdekkingstocht van Columbus en de verschijning

der Spanjaarden maakten aan die ontwikkeling een einde en vernietigden

de oorspronkelijke beschaving van het indiaansche ras, om er iets voor

in de plaats te stellen dat nooit meer was en is dan eene karikatuur

der europeesche beschaving.

Reis naar Yucatan De Aarde en haar Volken, 1886 · 第 11 / 12 题