XI

Om van Yachilan naar Peten te gaan, kan de reiziger tusschen twee

wegen kiezen: hij kan de Usumacinta opvaren, die eenige uren verder den

naam aanneemt van rio de la Passion; of wel, dwars door de bosschen,

den zoogenoemden Camino Real (koninklijke heerbaan) volgen, die

feitelijk niet anders is dan een afschuwelijk, onbruikbaar voetpad,

waarvan de Indianen gebruik maken.

Maar nog afgezien van haar sterk verval, maakt de rivier zuidwaarts

een zeer grooten omweg, alvorens zij zich naar Libertad wendt; en hoe

slecht de landweg ook moge zijn, toch is hij altijd minder bezwaarlijk

voor onze manschappen, die zwaar beladen kano's tegen stroom moesten

optrekken; bovendien hebben wij onze muildieren, die op ons wachten,

en die door de dagen van rust, aan den oever der rivier doorgebracht,

nog volstrekt niet op hun streek zijn gekomen. Zij zijn nog even

mager als vroeger, en nog steeds bedekt met afschuwelijke wonden,

die door de reis erger zullen worden. Wij slaan dus het pad in,

dat twee dagreizen verder, op den weg naar Peten uitloopt.

Omstreeks het midden van onze eerste dagreis, ontmoeten wij Pepe Mora,

den onverschrokken montera; hij is zeer vermagerd en ziet er zeer

afgemat uit: de koorts laat hem niet los, maar hij wil zijn post

niet verlaten, voor hij het geheele district heeft onderzocht; hij

denkt zelfs over de stichting van eene kolonie en heeft oranjeappels

en cherimayos gezaaid, waarvan de roode vrucht bijna geen pit heeft;

hij geeft ons eenig zaad van deze zeldzame soort en voegt er een zak

met gerookt wilde zwijnenvleesch bij. Wij bedanken den braven man,

dien wij niet weder zullen zien, en komen omstreeks vier uren aan

onze eerste pleisterplaats.

De kleine rivier die ons tot richtsnoer heeft gediend is niet diep:

zij heeft nauwelijks drie voet water, maar de oevers zijn buitengewoon

steil; de beladen muildieren dalen niet dan met weerzin langs die bijna

loodrechte helling naar beneden, maar eens in het frissche water,

willen zij er niet meer uitkomen. De muilezel die mijne bagage met

mijne aanteekeningen en clichés droeg, deed nog beter: hij ging op de

diepste plek in het riviertje liggen, zoodat alleen zijn kop boven

water uitstak. Ik kon een kreet van schrik niet onderdrukken, want

ik dacht aanvankelijk dat al mijne dokumenten verloren zouden zijn;

gelukkig was dit niet het geval, maar wij moesten een gedeelte van den

nacht gebruiken om bij onze vuren mijne kleederen en mijne photografiën

te drogen. Des morgens was het kwaad gelukkig weer hersteld.

Dien eigen avond bereikten wij het gedeelte van het woud, waar wij

een zekeren voorraad levensmiddelen hadden verborgen en een onzer

paarden stervende achtergelaten hadden. De levensmiddelen waren nog in

goeden staat: de apen en andere stroopers hadden onze beschuit en ons

gedroogd vleesch ontzien en de kisten met wijn waren nog ongeschonden;

van het paard konden wij geen spoor ontdekken: het arme dier was

waarschijnlijk dieper in het bosch ingegaan en daar gestorven, of

misschien door de tijgers verscheurd.

Den volgenden morgen sloegen wij den weg in naar Peten, en kwamen

vier dagen later te Sacluc, dat tegenwoordig Libertad wordt genoemd.

Libertad, de zetel van den prefect van Peten, is het laatste bewoonde

vlek van Guatemala, zoo als Tenosique van Tabasco; het draagt geheel

denzelfden stempel als alle spaansch-indiaansche dorpen in de warme

luchtstreek: ook hier hetzelfde ruime, met gras begroeide plein,

dezelfde armoedige kerk en enkele onaanzienlijke woningen in het

rond. Er is te Libertad aan alles gebrek, en de hongersnood schijnt er

permanent; wij zouden van honger zijn omgekomen, zonder de beambten

van de monteria van de heeren Jamet en Sastre van San-Juan Bautista,

die zoo goed waren ons een huisje te verhuren en ons een deel van hun

voorraad wilden afstaan. Trouwens, dat het dorp nog bestaat, heeft

het te danken aan het weinige vertier dat de hakkers van mahoniehout

hier nog aanbrengen.

Van Libertad loopt de weg in noordelijke richting naar Flores, aan het

meer van Peten, dertig kilometers verder. Flores is het oude Tayasal;

het bevallige dorp, zoo schoon gelegen midden in het fraaie meer en

door zijn gordel van bergen omringd, staat op dezelfde plek, waar eens

de stad der Mayas verrees. Want zij was wel degelijk eene maya stad,

waarvan de inwoners, Itzaes genoemd, de afstammelingen waren van die

emigranten, die onder aanvoering van hun Canek, omstreeks 1440, de

stad Chichen-Itza in Yucatan verlieten en van wie wij reeds gesproken

hebben. Daar, in deze heerlijke streek, omringd door krijgshaftige

stammen, die dezelfde taal spraken, vormden de Itzaes op nieuw eene

eigene nationaliteit, van zoo krachtig leven, dat zij tot het einde

der zeventiende eeuw weerstand bood aan den invloed der spaansche

overheerschers. Huizen, paleizen, tempels en pyramiden zijn verdwenen;

maar toch is het ons mogelijk de geschiedenis te reconstrueeren en

op nieuw het betrekkelijk moderne dezer monumenten aan te toonen.

Eerst in 1696 slaagde de gouverneur van Yucatan, Martin Ursua, er in,

zich van de stad meester te maken en dit kleine volk ten onder te

brengen. Maar hij had daarvoor niets minder dan een leger noodig:

opzettelijk voor dit doel werd een weg aangelegd, die in rechte

lijn vam Campêche naar Peten liep. Midden in de bosschen stuitte

de expeditie op eene stad, Nohbecan genoemd, met groote tempels vol

afgoden; en toen de gouverneur aan de oevers van het meer Chaltuna

kwam, was hij even als Cortez gedwongen, vaartuigen te bouwen om de

stad te kunnen belegeren. De bestorming greep plaats op den tweeden

Maart 1696, en nog dienzelfden dag werd Tayasal ingenomen.

Zonderling genoeg, werd de stad in een oogwenk verlaten: al de

bewoners, mannen vrouwen en kinderen, ontsnapten over de lagune,

hetzij met behulp van hun prauwen, hetzij zwemmende; de meesten

verdwenen voor altijd. Martin Ursua had eene wildernis veroverd.

Dit zeer opmerkelijke feit toont ons den onverzoenlijken haat, dien de

Indianen jegens de Spanjaarden koesterden, en verklaart ons tevens,

hoe steden, die tijdens de verovering nog dichtbevolkt waren, op

een gegeven oogenblik eensklaps geheel verlaten zijn. Het is nu ook

duidelijk, dat men zich niet op dit verlaten zijn beroepen kan ten

bewijze van de oudheid dier steden.

De stad Tayasal bevatte in 1696 een-en-twintig tempels, terwijl zij

er in 1618 maar twaalf telde; in den loop der zeventiende eeuw waren

er dus negen nieuwe tempels verrezen, en daaronder de schoonste van

allen, volgens de getuigenis van Villa Gutierre Soto Mayor.

"De groote tempel was met zijn spitsbooggewelf geheel van steen

gebouwd; hij was vierkant met een fraaien peristijl en van fraai

bewerkte steenen; elke zijde had eene breedte van twintig _vares_,

en hij was zeer hoog." Is het niet of men eene beschrijving leest van

het Castillo van Chichen, vierkant als dat van Tayasal, van dezelfde

afmetingen en eveneens met een fraai peristijl.

Wij erkennen dus in Tayasal de dochter van Chichen-Itza; haar

moeder hebben wij te begroeten in Tikal, waarheen wij den lezer

gaan voeren. De voorname reden van de verhuizing der Itzaes naar het

zuiden was ons onbekend: Tikal zal daarover licht verspreiden; wij

waren nog in het onzekere omtrent de richting en den voortgang van

de tolteeksche kolonisatie in Yucatan: Tikal zal met onwederlegbare

bewijzen op onze vragen een antwoord geven; Tikal eindelijk zal een

geheel nieuw probleem oplossen en ons bekend maken met den invoed

der tolteeksche beschaving in de noordelijke steden van Guatemala,

Coban, Copan, Quiriga.

Tikal ligt ongeveer vijf-en-veertig kilometers ten noordoosten van

Flores, aan de zuidelijke grens van het schiereiland Yucatan. Deze stad

werd laatstelijk bezocht door twee wetenschappelijke onderzoekers:

door Bernouilli en door Alfred Maudsley. Bernouilli werd ontijdig

door den dood aan zijn werkkring ontrukt en het verhaal zijner reis

is verloren gegaan, maar gelukkig heeft hij belangrijke en zeer

merkwaardige dokumenten omtrent Tikal nagelaten. Deze dokumenten,

waardoor wij in staat worden gesteld, der stad hare plaats in de

geschiedenis aan te wijzen, bestaan in een twaalftal stukken gesneden

hout, die de reiziger door Indianen van Flores uit de tempels liet

wegnemen. De andere reiziger Alfred Maudsley schijnt van Guatemala

zijne bijzondere studie te hebben gemaakt en heeft zich door zijne

werken bereids een welverdienden naam verworven. De aanteekeningen

en photografieën, die hij van Tikal heeft medegebracht, zijn ons bij

de beschrijving der stad van zeer groote dienst geweest.

De belangrijkste gebouwen zijn de tempels, op hooge pyramiden

gebouwd, die terrasvormig zijn aangelegd. Aan de voorzijde bevindt

zich de groote trap, die naar de poort van den tempel voert;

de tempel zelf staat eenigszins achterwaarts op het plat, en de

achterzijde der pyramide loopt veel steiler af dan de voorzijde en

de beide kanten. Datzelfde merkten wij ook te Lorillard zoowel als

te Palenque op.

De basis van de pyramide heeft een breedte van honderd-vier-en-tachtig

engelsche voeten en eene diepte van honderd-acht-en-zestig; de trap

is acht-en-dertig engelsche voeten breed. Deze trap heeft eene lengte

van honderd-twaalf voet; de gemiddelde hoogte van de pyramide zou

dus negentig voet bedragen; de tempel is een-en-veertig voet breed

en acht-en-twintig voet lang; de hoogte bedraagt ongeveer veertig

voet, met inbegrip van den zoogenaamden dekoratieven muur, die geheel

begroeid is.

Al deze tempels gelijken op elkander; hunne meest kenmerkende

eigenaardigheid is de geweldige dikte der muren, voorts de nissen ter

wederzijde van het voornaamste vertrek en de regelmatige versmalling

van het gebouw naar de achterzijde. Het inwendige van zulk een tempel

bestaat uit twee of drie smalle, evenwijdig loopende gangen, die

door middel van breede openingen gemeenschap hebben met een zaal of

dwarsgang aan de voorzijde. De houten posten dier poorten of openingen

zijn rijk gebeeldhouwd. In de tempels zijn de muren hooger dan in de

paleizen, en vormt het zoogenoemde gewelf, dat eveneens hooger is,

een scherper hoek. Blijkbaar was deze constructie noodig ter wille

van den geweldigen dekoratieven muur, die het gebouw in figuurlijken

zin verplettert, en het ook in letterlijken zin zou gedaan hebben,

als de bouwmeester daartegen niet de noodige voorzorgen had genomen

door de dikte der muren, de verlenging van het gewelf en de weinige

breedte der gangen of kamers.

Maudsley zegt, dat hij in die tempels geen enkel afgodsbeeld noch

eenig ander voorwerp van vereering vond; maar hierin vergist hij

zich. Indien hij toen reeds Lorillard had bezocht en Palenque gekend,

zou hij begrepen hebben dat al het snijwerk in hout eene godsdienstige

beteekenis had, dat deze voorstellingen de plaats der afgodsbeelden

bekleedden en rechtstreeks in verband stonden met de eeredienst.

Laat ons een blik werpen op die beeldwerken. Eene eerste plaats

bekleedt daaronder een groot bas-relief in hout, dat ongetwijfeld deel

uitmaakte van een altaar en eene treffende gelijkenis heeft met de

steenen bas-reliefs, die wij te Palenque hebben gevonden. Dit paneel

heeft ongeveer dezelfde afmetingen: het is een el vijf-en-negentig duim

hoog en twee el acht-en-twintig duim breed. Evenals op de gebeeldhouwde

zerken van Palenque, zien wij hier twee figuren in hoog relief, omgeven

van die wonderlijke, barbaarsche en vaak onverklaarbare ornamenten

en attributen, die een kenmerk zijn van de amerikaansche beeldwerken.

De letters van de opschriften ter rechter en ter linker zijde zijn

verwonderlijk goed bewaard gebleven en kunnen onmogelijk tot een

verwijderd tijdperk behooren; die letters of teekens zijn overigens

geheel dezelfden, die wij te Lorillard en te Palenque hebben gevonden,

en die wij straks te Copan zullen wedervinden. De hoofdfiguur neemt

hier het midden van het paneel in, in plaats van aan de rechter of

linker zijde te staan, zoo als op de zerken van Palenque, waar het

beeld der godheid het midden inneemt.

Deze hoofdfiguur is een man, in staande houding, het hoofd gedekt

met een allerwonderlijkst kapsel, overladen met allerlei grillige

gedrochtelijke ornamenten en uitloopende in reusachtige vederbossen

of pluimen: in een woord, een monsterachtig hoofddeksel, waarvan de

onzinnige wanstaltigheid ten volle voor het barbaarsche dezer kunst

getuigt. In de rechterhand houdt dit personage een soort van schepter,

gekroond met vederen of den staart van een vogel: zijn linkerarm is

halverwege bedekt door een soort van schild. Zijne kleeding is zeer

rijk; behalve een met paarlen versierde halskraag of schoudermantel

draagt hij eene lange en rijk geborduurde tuniek, die bijna tot

aan de voeten afhangt. Onnoodig te zeggen, dat de teekening van het

menschenbeeld zoo gebrekkig en onbeholpen mogelijk is.

Onder het opschrift ter rechterzijde ziet men symbolische ornamenten,

waarvan de beteekenis niet te raden is; onder het opschrift ter

linkerzijde bespeurt men--althans met eenigen goeden wil--eene tweede

monsterachtige figuur, die geacht kan worden een mensch te verbeelden,

op een soort van trapje gezeten. Maar de voornaamste figuur, hoewel

zij de minste plaats inneemt, is onzes inziens het menschenhoofd

boven de hoofdfiguur aangebracht, en dat ongetwijfeld de zon moet

voorstellen. De zoogenoemde vlammen, die te midden van allerlei andere,

onbegrijpelijke, barbaarsche ornamenten, aan beide zijden van dezen

monsterachtigen kop zijn aangebracht, laten daaromtrent geen twijfel

over; wij mogen dus als zeker aannemen, dat dit bas-relief eenmaal

in een aan de zon gewijden tempel was geplaatst.

Wij allen weten dat de zonnedienst algemeen heerschte bij alle

amerikaansche natiën; het is dus niet vreemd, dat wij dienzelfden

cultus ook te Tikal vinden. De tempels, de pyramiden, de opschriften,

de zinnebeelden en figuren dragen echter een bijzonder lokaal karakter,

dat herinnert aan de godsdienstige monumenten der hooge bergplateaux

en ons het recht geeft, ook hier van den invloed der tolteeksche

beschaving te spreken.

Uit alles wat wij gezien en gezegd hebben, volgt dat ook Tikal

eene stad was, behoorende tot die tolteeksche beschaving, waarvan

wij den gang en de ontwikkeling hebben gevolgd van Comalcalco tot

Palenque en Ocosingo, die den loop der rivieren opwaarts volgende,

de stad Lorillard heeft gesticht en vervolgens Tikal bereikt, om zich

later eenerzijds in Yucatan uit te breiden, waar zij eene vroegere

tolteeksche nederzetting ontmoet, en anderzijds in het noorden

van Guatemala door te dringen, waar zij Coban, Copan en Quiriga

zal stichten.

Tikal, verder van het punt van uitgang verwijderd, is natuurlijk

jonger dan de steden die wij reeds beschreven hebben, maar zij

vertegenwoordigt ons een der belangrijkste tijdperken van deze

zoo zeer eigenaardige beschaving, die toch altijd halverwege in de

barbaarschheid bleef steken. Van daar drong de meer beschaafde stam

in het noorden van het schiereiland door: wij vinden daarvoor niet

slechts de materieele bewijzen in de steden langs den gevolgden weg,

zooals bij voorbeeld de stad Nohbecan, die Martin Usua op zijn marsch

naar Tayasal ontdekte, maar wij mogen ons ook beroepen op de getuigenis

der historie.

Herrera verhaalt, dat in den tijd toen de opperhoofden van de eerste

tolteeksche immigratie, die der Cocomes, regeerden, het land werd

overweldigd door lieden uit het land der Lacandons, Chiapas enz.;

deze indringers zwierven gedurende veertig jaren door de woestijnen

van Yucatan en kwamen tot op tien mijlen afstands van Mayapan, te

midden der heuvelen van Uxmal, waar zij prachtige gebouwen oprichtten.

Deze indringers werden aangevoerd door opperhoofden, Tutulxius genoemd;

zij waren zoo vreedzaam van natuur dat zij geen wapenen hadden en de

dieren op de jacht met lasso's vingen of vallen uitzetten.

Volgens Landa verhaalden de Indianen dat van den kant van het zuiden

talrijke stammen met hunne opperhoofden in Yucatan waren gedrongen;

naar het schijnt waren die immigranten uit Chiapa afkomstig, hoewel de

Indianen dat niet met zekerheid konden zeggen, maar Landa vermoedt het

ook op taalkundige gronden; deze stammen zwierven gedurende veertig

jaren in de woestijn en kwamen in de sierra op tien mijlen afstand

van Mayapan.

Reeds bij ons bezoek te Palenque werden wij getroffen door het

bij uitstek vreedzaam en godsdienstig karakter der beeldwerken,

waarop wij nooit iets hebben gevonden dat aan den oorlog of aan

wapenfeiten herinnert. Na de bijna geheele uitroeiing van hun ras,

hebben de naar elders verhuizende Tolteken de rol van veroveraars,

die zij niet langer konden volhouden, laten varen, en er zich meer op

toegelegd om de barbaarsche stammen, die zij op hun weg ontmoetten,

te bekeeren en te beschaven. Zij traden meer op als zendelingen en

predikers en wonnen op die wijze de inlanders voor zich, even als

de Boeddhisten op Java deden, waar zij de taal hunner bekeerlingen

overnamen en prachtige tempels ter eere van Boeddha stichtten. Zoo

namen ook de Tolteken de taal over van de landen, die zij beschaafden,

en bouwden ook tempels en paleizen, die echter de vergelijking met

de javaansche monumenten niet kunnen doorstaan.

Uit dit alles blijkt dus overtuigend dat de tolteeksche stammen uit

het zuiden in Yucatan zijn gekomen. Wij hadden dus recht te beweren,

dat de gewone verklaring van het verlaten van Chichen-Itza door

hare inwoners, omstreeks het jaar 1440, niet aannemelijk was; wat

ook verder tot dien uittocht aanleiding moge gegeven hebben, zeker

moet de hoofdreden gezocht worden in de nog levende herinnering aan

de door hunne voorvaderen gestichte koloniën in het zuiden van het

schiereiland. Tikal moet het middelpunt van die nederzettingen zijn

geweest; Tikal bestond misschien toen nog; de caciquen van Chichen

hadden ongetwijfeld betrekkingen met die stad onderhouden, en toen

zij den weg insloegen naar deze stad, de bakermat van hunne familie,

handelden zij geheel in den geest der traditie.

Reis naar Yucatan De Aarde en haar Volken, 1886 · 第 10 / 12 题