Om van Yachilan naar Peten te gaan, kan de reiziger tusschen twee
wegen kiezen: hij kan de Usumacinta opvaren, die eenige uren verder den
naam aanneemt van rio de la Passion; of wel, dwars door de bosschen,
den zoogenoemden Camino Real (koninklijke heerbaan) volgen, die
feitelijk niet anders is dan een afschuwelijk, onbruikbaar voetpad,
waarvan de Indianen gebruik maken.
Maar nog afgezien van haar sterk verval, maakt de rivier zuidwaarts
een zeer grooten omweg, alvorens zij zich naar Libertad wendt; en hoe
slecht de landweg ook moge zijn, toch is hij altijd minder bezwaarlijk
voor onze manschappen, die zwaar beladen kano's tegen stroom moesten
optrekken; bovendien hebben wij onze muildieren, die op ons wachten,
en die door de dagen van rust, aan den oever der rivier doorgebracht,
nog volstrekt niet op hun streek zijn gekomen. Zij zijn nog even
mager als vroeger, en nog steeds bedekt met afschuwelijke wonden,
die door de reis erger zullen worden. Wij slaan dus het pad in,
dat twee dagreizen verder, op den weg naar Peten uitloopt.
Omstreeks het midden van onze eerste dagreis, ontmoeten wij Pepe Mora,
den onverschrokken montera; hij is zeer vermagerd en ziet er zeer
afgemat uit: de koorts laat hem niet los, maar hij wil zijn post
niet verlaten, voor hij het geheele district heeft onderzocht; hij
denkt zelfs over de stichting van eene kolonie en heeft oranjeappels
en cherimayos gezaaid, waarvan de roode vrucht bijna geen pit heeft;
hij geeft ons eenig zaad van deze zeldzame soort en voegt er een zak
met gerookt wilde zwijnenvleesch bij. Wij bedanken den braven man,
dien wij niet weder zullen zien, en komen omstreeks vier uren aan
onze eerste pleisterplaats.
De kleine rivier die ons tot richtsnoer heeft gediend is niet diep:
zij heeft nauwelijks drie voet water, maar de oevers zijn buitengewoon
steil; de beladen muildieren dalen niet dan met weerzin langs die bijna
loodrechte helling naar beneden, maar eens in het frissche water,
willen zij er niet meer uitkomen. De muilezel die mijne bagage met
mijne aanteekeningen en clichés droeg, deed nog beter: hij ging op de
diepste plek in het riviertje liggen, zoodat alleen zijn kop boven
water uitstak. Ik kon een kreet van schrik niet onderdrukken, want
ik dacht aanvankelijk dat al mijne dokumenten verloren zouden zijn;
gelukkig was dit niet het geval, maar wij moesten een gedeelte van den
nacht gebruiken om bij onze vuren mijne kleederen en mijne photografiën
te drogen. Des morgens was het kwaad gelukkig weer hersteld.
Dien eigen avond bereikten wij het gedeelte van het woud, waar wij
een zekeren voorraad levensmiddelen hadden verborgen en een onzer
paarden stervende achtergelaten hadden. De levensmiddelen waren nog in
goeden staat: de apen en andere stroopers hadden onze beschuit en ons
gedroogd vleesch ontzien en de kisten met wijn waren nog ongeschonden;
van het paard konden wij geen spoor ontdekken: het arme dier was
waarschijnlijk dieper in het bosch ingegaan en daar gestorven, of
misschien door de tijgers verscheurd.
Den volgenden morgen sloegen wij den weg in naar Peten, en kwamen
vier dagen later te Sacluc, dat tegenwoordig Libertad wordt genoemd.
Libertad, de zetel van den prefect van Peten, is het laatste bewoonde
vlek van Guatemala, zoo als Tenosique van Tabasco; het draagt geheel
denzelfden stempel als alle spaansch-indiaansche dorpen in de warme
luchtstreek: ook hier hetzelfde ruime, met gras begroeide plein,
dezelfde armoedige kerk en enkele onaanzienlijke woningen in het
rond. Er is te Libertad aan alles gebrek, en de hongersnood schijnt er
permanent; wij zouden van honger zijn omgekomen, zonder de beambten
van de monteria van de heeren Jamet en Sastre van San-Juan Bautista,
die zoo goed waren ons een huisje te verhuren en ons een deel van hun
voorraad wilden afstaan. Trouwens, dat het dorp nog bestaat, heeft
het te danken aan het weinige vertier dat de hakkers van mahoniehout
hier nog aanbrengen.
Van Libertad loopt de weg in noordelijke richting naar Flores, aan het
meer van Peten, dertig kilometers verder. Flores is het oude Tayasal;
het bevallige dorp, zoo schoon gelegen midden in het fraaie meer en
door zijn gordel van bergen omringd, staat op dezelfde plek, waar eens
de stad der Mayas verrees. Want zij was wel degelijk eene maya stad,
waarvan de inwoners, Itzaes genoemd, de afstammelingen waren van die
emigranten, die onder aanvoering van hun Canek, omstreeks 1440, de
stad Chichen-Itza in Yucatan verlieten en van wie wij reeds gesproken
hebben. Daar, in deze heerlijke streek, omringd door krijgshaftige
stammen, die dezelfde taal spraken, vormden de Itzaes op nieuw eene
eigene nationaliteit, van zoo krachtig leven, dat zij tot het einde
der zeventiende eeuw weerstand bood aan den invloed der spaansche
overheerschers. Huizen, paleizen, tempels en pyramiden zijn verdwenen;
maar toch is het ons mogelijk de geschiedenis te reconstrueeren en
op nieuw het betrekkelijk moderne dezer monumenten aan te toonen.
Eerst in 1696 slaagde de gouverneur van Yucatan, Martin Ursua, er in,
zich van de stad meester te maken en dit kleine volk ten onder te
brengen. Maar hij had daarvoor niets minder dan een leger noodig:
opzettelijk voor dit doel werd een weg aangelegd, die in rechte
lijn vam Campêche naar Peten liep. Midden in de bosschen stuitte
de expeditie op eene stad, Nohbecan genoemd, met groote tempels vol
afgoden; en toen de gouverneur aan de oevers van het meer Chaltuna
kwam, was hij even als Cortez gedwongen, vaartuigen te bouwen om de
stad te kunnen belegeren. De bestorming greep plaats op den tweeden
Maart 1696, en nog dienzelfden dag werd Tayasal ingenomen.
Zonderling genoeg, werd de stad in een oogwenk verlaten: al de
bewoners, mannen vrouwen en kinderen, ontsnapten over de lagune,
hetzij met behulp van hun prauwen, hetzij zwemmende; de meesten
verdwenen voor altijd. Martin Ursua had eene wildernis veroverd.
Dit zeer opmerkelijke feit toont ons den onverzoenlijken haat, dien de
Indianen jegens de Spanjaarden koesterden, en verklaart ons tevens,
hoe steden, die tijdens de verovering nog dichtbevolkt waren, op
een gegeven oogenblik eensklaps geheel verlaten zijn. Het is nu ook
duidelijk, dat men zich niet op dit verlaten zijn beroepen kan ten
bewijze van de oudheid dier steden.
De stad Tayasal bevatte in 1696 een-en-twintig tempels, terwijl zij
er in 1618 maar twaalf telde; in den loop der zeventiende eeuw waren
er dus negen nieuwe tempels verrezen, en daaronder de schoonste van
allen, volgens de getuigenis van Villa Gutierre Soto Mayor.
"De groote tempel was met zijn spitsbooggewelf geheel van steen
gebouwd; hij was vierkant met een fraaien peristijl en van fraai
bewerkte steenen; elke zijde had eene breedte van twintig _vares_,
en hij was zeer hoog." Is het niet of men eene beschrijving leest van
het Castillo van Chichen, vierkant als dat van Tayasal, van dezelfde
afmetingen en eveneens met een fraai peristijl.
Wij erkennen dus in Tayasal de dochter van Chichen-Itza; haar
moeder hebben wij te begroeten in Tikal, waarheen wij den lezer
gaan voeren. De voorname reden van de verhuizing der Itzaes naar het
zuiden was ons onbekend: Tikal zal daarover licht verspreiden; wij
waren nog in het onzekere omtrent de richting en den voortgang van
de tolteeksche kolonisatie in Yucatan: Tikal zal met onwederlegbare
bewijzen op onze vragen een antwoord geven; Tikal eindelijk zal een
geheel nieuw probleem oplossen en ons bekend maken met den invoed
der tolteeksche beschaving in de noordelijke steden van Guatemala,
Coban, Copan, Quiriga.
Tikal ligt ongeveer vijf-en-veertig kilometers ten noordoosten van
Flores, aan de zuidelijke grens van het schiereiland Yucatan. Deze stad
werd laatstelijk bezocht door twee wetenschappelijke onderzoekers:
door Bernouilli en door Alfred Maudsley. Bernouilli werd ontijdig
door den dood aan zijn werkkring ontrukt en het verhaal zijner reis
is verloren gegaan, maar gelukkig heeft hij belangrijke en zeer
merkwaardige dokumenten omtrent Tikal nagelaten. Deze dokumenten,
waardoor wij in staat worden gesteld, der stad hare plaats in de
geschiedenis aan te wijzen, bestaan in een twaalftal stukken gesneden
hout, die de reiziger door Indianen van Flores uit de tempels liet
wegnemen. De andere reiziger Alfred Maudsley schijnt van Guatemala
zijne bijzondere studie te hebben gemaakt en heeft zich door zijne
werken bereids een welverdienden naam verworven. De aanteekeningen
en photografieën, die hij van Tikal heeft medegebracht, zijn ons bij
de beschrijving der stad van zeer groote dienst geweest.
De belangrijkste gebouwen zijn de tempels, op hooge pyramiden
gebouwd, die terrasvormig zijn aangelegd. Aan de voorzijde bevindt
zich de groote trap, die naar de poort van den tempel voert;
de tempel zelf staat eenigszins achterwaarts op het plat, en de
achterzijde der pyramide loopt veel steiler af dan de voorzijde en
de beide kanten. Datzelfde merkten wij ook te Lorillard zoowel als
te Palenque op.
De basis van de pyramide heeft een breedte van honderd-vier-en-tachtig
engelsche voeten en eene diepte van honderd-acht-en-zestig; de trap
is acht-en-dertig engelsche voeten breed. Deze trap heeft eene lengte
van honderd-twaalf voet; de gemiddelde hoogte van de pyramide zou
dus negentig voet bedragen; de tempel is een-en-veertig voet breed
en acht-en-twintig voet lang; de hoogte bedraagt ongeveer veertig
voet, met inbegrip van den zoogenaamden dekoratieven muur, die geheel
begroeid is.
Al deze tempels gelijken op elkander; hunne meest kenmerkende
eigenaardigheid is de geweldige dikte der muren, voorts de nissen ter
wederzijde van het voornaamste vertrek en de regelmatige versmalling
van het gebouw naar de achterzijde. Het inwendige van zulk een tempel
bestaat uit twee of drie smalle, evenwijdig loopende gangen, die
door middel van breede openingen gemeenschap hebben met een zaal of
dwarsgang aan de voorzijde. De houten posten dier poorten of openingen
zijn rijk gebeeldhouwd. In de tempels zijn de muren hooger dan in de
paleizen, en vormt het zoogenoemde gewelf, dat eveneens hooger is,
een scherper hoek. Blijkbaar was deze constructie noodig ter wille
van den geweldigen dekoratieven muur, die het gebouw in figuurlijken
zin verplettert, en het ook in letterlijken zin zou gedaan hebben,
als de bouwmeester daartegen niet de noodige voorzorgen had genomen
door de dikte der muren, de verlenging van het gewelf en de weinige
breedte der gangen of kamers.
Maudsley zegt, dat hij in die tempels geen enkel afgodsbeeld noch
eenig ander voorwerp van vereering vond; maar hierin vergist hij
zich. Indien hij toen reeds Lorillard had bezocht en Palenque gekend,
zou hij begrepen hebben dat al het snijwerk in hout eene godsdienstige
beteekenis had, dat deze voorstellingen de plaats der afgodsbeelden
bekleedden en rechtstreeks in verband stonden met de eeredienst.
Laat ons een blik werpen op die beeldwerken. Eene eerste plaats
bekleedt daaronder een groot bas-relief in hout, dat ongetwijfeld deel
uitmaakte van een altaar en eene treffende gelijkenis heeft met de
steenen bas-reliefs, die wij te Palenque hebben gevonden. Dit paneel
heeft ongeveer dezelfde afmetingen: het is een el vijf-en-negentig duim
hoog en twee el acht-en-twintig duim breed. Evenals op de gebeeldhouwde
zerken van Palenque, zien wij hier twee figuren in hoog relief, omgeven
van die wonderlijke, barbaarsche en vaak onverklaarbare ornamenten
en attributen, die een kenmerk zijn van de amerikaansche beeldwerken.
De letters van de opschriften ter rechter en ter linker zijde zijn
verwonderlijk goed bewaard gebleven en kunnen onmogelijk tot een
verwijderd tijdperk behooren; die letters of teekens zijn overigens
geheel dezelfden, die wij te Lorillard en te Palenque hebben gevonden,
en die wij straks te Copan zullen wedervinden. De hoofdfiguur neemt
hier het midden van het paneel in, in plaats van aan de rechter of
linker zijde te staan, zoo als op de zerken van Palenque, waar het
beeld der godheid het midden inneemt.
Deze hoofdfiguur is een man, in staande houding, het hoofd gedekt
met een allerwonderlijkst kapsel, overladen met allerlei grillige
gedrochtelijke ornamenten en uitloopende in reusachtige vederbossen
of pluimen: in een woord, een monsterachtig hoofddeksel, waarvan de
onzinnige wanstaltigheid ten volle voor het barbaarsche dezer kunst
getuigt. In de rechterhand houdt dit personage een soort van schepter,
gekroond met vederen of den staart van een vogel: zijn linkerarm is
halverwege bedekt door een soort van schild. Zijne kleeding is zeer
rijk; behalve een met paarlen versierde halskraag of schoudermantel
draagt hij eene lange en rijk geborduurde tuniek, die bijna tot
aan de voeten afhangt. Onnoodig te zeggen, dat de teekening van het
menschenbeeld zoo gebrekkig en onbeholpen mogelijk is.
Onder het opschrift ter rechterzijde ziet men symbolische ornamenten,
waarvan de beteekenis niet te raden is; onder het opschrift ter
linkerzijde bespeurt men--althans met eenigen goeden wil--eene tweede
monsterachtige figuur, die geacht kan worden een mensch te verbeelden,
op een soort van trapje gezeten. Maar de voornaamste figuur, hoewel
zij de minste plaats inneemt, is onzes inziens het menschenhoofd
boven de hoofdfiguur aangebracht, en dat ongetwijfeld de zon moet
voorstellen. De zoogenoemde vlammen, die te midden van allerlei andere,
onbegrijpelijke, barbaarsche ornamenten, aan beide zijden van dezen
monsterachtigen kop zijn aangebracht, laten daaromtrent geen twijfel
over; wij mogen dus als zeker aannemen, dat dit bas-relief eenmaal
in een aan de zon gewijden tempel was geplaatst.
Wij allen weten dat de zonnedienst algemeen heerschte bij alle
amerikaansche natiën; het is dus niet vreemd, dat wij dienzelfden
cultus ook te Tikal vinden. De tempels, de pyramiden, de opschriften,
de zinnebeelden en figuren dragen echter een bijzonder lokaal karakter,
dat herinnert aan de godsdienstige monumenten der hooge bergplateaux
en ons het recht geeft, ook hier van den invloed der tolteeksche
beschaving te spreken.
Uit alles wat wij gezien en gezegd hebben, volgt dat ook Tikal
eene stad was, behoorende tot die tolteeksche beschaving, waarvan
wij den gang en de ontwikkeling hebben gevolgd van Comalcalco tot
Palenque en Ocosingo, die den loop der rivieren opwaarts volgende,
de stad Lorillard heeft gesticht en vervolgens Tikal bereikt, om zich
later eenerzijds in Yucatan uit te breiden, waar zij eene vroegere
tolteeksche nederzetting ontmoet, en anderzijds in het noorden
van Guatemala door te dringen, waar zij Coban, Copan en Quiriga
zal stichten.
Tikal, verder van het punt van uitgang verwijderd, is natuurlijk
jonger dan de steden die wij reeds beschreven hebben, maar zij
vertegenwoordigt ons een der belangrijkste tijdperken van deze
zoo zeer eigenaardige beschaving, die toch altijd halverwege in de
barbaarschheid bleef steken. Van daar drong de meer beschaafde stam
in het noorden van het schiereiland door: wij vinden daarvoor niet
slechts de materieele bewijzen in de steden langs den gevolgden weg,
zooals bij voorbeeld de stad Nohbecan, die Martin Usua op zijn marsch
naar Tayasal ontdekte, maar wij mogen ons ook beroepen op de getuigenis
der historie.
Herrera verhaalt, dat in den tijd toen de opperhoofden van de eerste
tolteeksche immigratie, die der Cocomes, regeerden, het land werd
overweldigd door lieden uit het land der Lacandons, Chiapas enz.;
deze indringers zwierven gedurende veertig jaren door de woestijnen
van Yucatan en kwamen tot op tien mijlen afstands van Mayapan, te
midden der heuvelen van Uxmal, waar zij prachtige gebouwen oprichtten.
Deze indringers werden aangevoerd door opperhoofden, Tutulxius genoemd;
zij waren zoo vreedzaam van natuur dat zij geen wapenen hadden en de
dieren op de jacht met lasso's vingen of vallen uitzetten.
Volgens Landa verhaalden de Indianen dat van den kant van het zuiden
talrijke stammen met hunne opperhoofden in Yucatan waren gedrongen;
naar het schijnt waren die immigranten uit Chiapa afkomstig, hoewel de
Indianen dat niet met zekerheid konden zeggen, maar Landa vermoedt het
ook op taalkundige gronden; deze stammen zwierven gedurende veertig
jaren in de woestijn en kwamen in de sierra op tien mijlen afstand
van Mayapan.
Reeds bij ons bezoek te Palenque werden wij getroffen door het
bij uitstek vreedzaam en godsdienstig karakter der beeldwerken,
waarop wij nooit iets hebben gevonden dat aan den oorlog of aan
wapenfeiten herinnert. Na de bijna geheele uitroeiing van hun ras,
hebben de naar elders verhuizende Tolteken de rol van veroveraars,
die zij niet langer konden volhouden, laten varen, en er zich meer op
toegelegd om de barbaarsche stammen, die zij op hun weg ontmoetten,
te bekeeren en te beschaven. Zij traden meer op als zendelingen en
predikers en wonnen op die wijze de inlanders voor zich, even als
de Boeddhisten op Java deden, waar zij de taal hunner bekeerlingen
overnamen en prachtige tempels ter eere van Boeddha stichtten. Zoo
namen ook de Tolteken de taal over van de landen, die zij beschaafden,
en bouwden ook tempels en paleizen, die echter de vergelijking met
de javaansche monumenten niet kunnen doorstaan.
Uit dit alles blijkt dus overtuigend dat de tolteeksche stammen uit
het zuiden in Yucatan zijn gekomen. Wij hadden dus recht te beweren,
dat de gewone verklaring van het verlaten van Chichen-Itza door
hare inwoners, omstreeks het jaar 1440, niet aannemelijk was; wat
ook verder tot dien uittocht aanleiding moge gegeven hebben, zeker
moet de hoofdreden gezocht worden in de nog levende herinnering aan
de door hunne voorvaderen gestichte koloniën in het zuiden van het
schiereiland. Tikal moet het middelpunt van die nederzettingen zijn
geweest; Tikal bestond misschien toen nog; de caciquen van Chichen
hadden ongetwijfeld betrekkingen met die stad onderhouden, en toen
zij den weg insloegen naar deze stad, de bakermat van hunne familie,
handelden zij geheel in den geest der traditie.