Van Copan naar Oaxaca is een lange reis, waarvoor wij twee maanden
noodig hebben. De beschikbare ruimte ontbreekt ons, om dezen langen
en vermoeienden tocht, dwars over de groote keten der Cordillera,
in bijzonderheden te beschrijven. De weg voerde ons meermalen door
wonderschoone indrukwekkende wouden, door prachtige landschappen, maar
hij was vermoeiend in de hoogste mate: nu eens gingen wij, zwoegend
en hijgend, te voet, dan reden wij te paard, somwijlen zelfs moesten
wij door menschen gedragen worden; zonder de vriendelijke hulp van de
pastoors in het gebergte, zou het ons moeite genoeg gekost hebben, de
plaats onzer bestemming te bereiken. Eindelijk, eindelijk bereikten
wij de vallei van Oaxaca en kwamen in de stad van denzelfden naam:
menschen en beesten waren ter dood vermoeid en uitgeput.
Om naar Mitla te gaan, keeren wij op onze schreden terug en begeven ons
naar Santa-Lucia, beroemd om zijne hanengevechten. Twee mijlen verder
ligt, verscholen onder het dichte lommer van goyaven, cherimoias en
granaatboomen, het aardige, bevallige dorp Santa-Maria del Tule. De
reusachtige boom, Sabino genaamd, die het pleintje van eene kleine
kapel overschaduwt, is door de gansche republiek bekend; van verre
gezien, gelijkt de omvangrijke kruin een klein bosch; van nabij wekt
de oude boom onwederstaanbaar onze bewondering door zijn geweldigen
omvang en zijne onuitputtelijke levenskracht.
Op het dikste punt heeft de stam een omtrek van veertien schreden of
ongeveer dertien el; tot op twintig voeten boven den grond behoudt
hij bijna dezelfde afmeting. Daar splitst zich de reusachtige stam,
en zijne machtige takken, in omvang gelijk aan honderdjarige eiken,
verspreiden tot op honderd voeten afstands hunne verkwikkende
schaduw. Hij is niet zoo hoog, als zijn geweldige omvang eigenlijk
zou vorderen: ik reken dat hij niet hooger is dan negentig voet.
De Indianen bewaken den eerwaardigen boom met angstvallige zorg,
opdat geen profane hand hem schende. Zij koesteren jegens den Sabino
eene bijgeloovige vereering; niemand mag hem bezoeken dan onder
hun geleide; elken dag reinigen zij den grond rondom den voet des
booms; en zij zouden nooit toelaten, dat iemand een takje of twijgje
afbrak. Sommige reizigers verklaren dit wonder van het plantenrijk
door de vereeniging van drie verschillende stammen, die saamgegroeid
zouden zijn. Wij hebben den boom nauwkeurig onderzocht, en niets dan
een enkelen stam kunnen ontdekken, die, naar het zich laat aanzien,
nog eeuwen kan leven.
Naar het oosten versmalt zich de vallei: de weg loopt door Tlacolula,
en voert langs de heuvelen, aan wier voet ge in de steengroeven
nog blokken ziet, door de oude bouwmeesters van Mitla ten deele
bewerkt. Rechts afslaande, zouden wij te San-Dionysio komen, het
laatste dorp der vlakte; maar wij slaan links af, waar in eene
bijna onbebouwde vallei, door naakte bergen omgeven, de ruïnen der
paleizen van Mitla onze aandacht vragen. Er waait hier onophoudelijk
een sterke wind, die alles doet uitdrogen; er groeit hier bijna niets
dan de zoogenaamde _pitayoles_, die dichte hagen vormen en waarvan
de vrucht zeer lekker smaakt, ongeveer als de aardbei.
De ruïnen van Mitla, die ten tijde van de verovering eene aanzienlijke
ruimte besloegen, bestaan nu slechts uit overblijfselen van zes
paleizen en drie pyramiden. De pastorie is het eerste gebouw
ten noorden, op de helling van den heuvel. Het is eene ordelooze
samenvoeging van binnenplaatsen en gebouwen, waarvan sommige wanden
met mozaïeken in relief zijn versierd. Onder de uitspringende lijsten
vindt men sporen van zeer onbeholpen schilderwerk, waarbij zelfs
de eenvoudige rechte lijn niet in acht is genomen: het zijn zeer
ruwe, barbaarsche figuren van goden, benevens lijnen die elkander
kruisen, maar waarvan de beteekenis ons ten eenemale ontgaat. Men
vindt diezelfde uiterst onbeholpen muurschilderingen in elk paleis,
waar zij op eene of andere wijze tegen den invloed van de lucht en
het weder beschut waren.
De kerk van het dorp, die aan dit gebouw grenst, is geheel opgetrokken
met de bouwstoffen van de oude paleizen.
Lager, ter linkerzijde, ziet men eene geknotte pyramide, van
indiaanschen oorsprong, waarop eene moderne kapel is gebouwd. De
pyramide is voorzien van een steenen trap. De Spanjaarden zorgden er
voor, dat er geen spoor meer te vinden is van den tempel, die weleer
op het plat moet hebben gestaan. Het groote paleis, dat nog in zijn
geheel is en waaraan alleen het dak ontbreekt, bestaat uit een groot
laag gebouw, waarvan de voornaamste, naar het zuiden gekeerde gevel
het schoonste en belangrijkste, en tevens het best geconserveerde der
monumenten van Mitla is. Deze gevel heeft eene breedte van veertig
meters; daarachter bevindt zich eene zaal van gelijke breedte,
waarvan de zoldering gedragen werd door zes monolithpijlers van
ongeveer veertien voet hoogte. Drie breede en lage deuren geven
toegang tot deze zaal, waarvan de vloer bedekt was met eene dikke
laag cement. Rechts voert eene donkere smalle gang naar eene eveneens
bepleisterde binnenplaats, waarvan de muren, evenals de voorgevel
van het paleis, met mozaïekpaneelen en figuren in steenen lijsten
zijn versierd. Deze binnenplaats is vierkant; op haar komen vier
lange en smalle kamers uit, die van onder tot boven met mozaïeken en
relief zijn bedekt. De posten der deuren zijn geweldige steenblokken,
die een omvang hebben van vijf of zes meter.
Het tweede en het derde paleis hebben zeer sterk geleden. Van het
tweede is alleen de poort met haar gebeeldhouwde post staande gebleven,
benevens twee pijlers in de hal. Van het vierde paleis is vooral
de zuidelijke gevel zeer goed bewaard gebleven. Maar zuidwestwaarts
bevinden zich nog vier andere paleizen, die half gesloopt en onder
den grond begraven zijn, waarboven de muren nog slechts ter hoogte
van drie of vier voet uitsteken. De Indianen hebben tusschen deze
ruïnen en op de binnenplaatsen hunne woningen gevestigd.
De bouwmaterialen van deze monumenten zijn zeer eenvoudig: zij zijn
opgetrokken uit aarde, met groote keien vermengd en met eene soort
van steenen tegels bekleed. Onder de ruïnen strekken zich kelders
uit; zij werden reeds eenmaal geopend, maar de vijandige houding der
Indianen noodzaakte den toegang weder te sluiten, eer men de kelders
had kunnen onderzoeken en zien wat zij bevatten.
Wij weten niet met juistheid uit welken tijd de monumenten van Mitla
dagteekenen, maar zij kunnen kwalijk ouder zijn dan die, waarvan
wij reeds gesproken hebben. Hun ondergang dagteekent echter reeds
van vroeger tijd: Orozco y Berra verzekert dat zij verwoest werden
door Ahuizotl, dat is dus tusschen de jaren 1490 en 1500; overigens
valt de verwantschap tusschen deze gebouwen en de tolteeksche of
mexikaansche monumenten niet te miskennen. Mitla was eene beroemde
heilige plaats en de begraafplaats der koningen van Teotzapotlan. Toen
de gebouwen nog ongeschonden waren, bevatten zij vier gebeeldhouwde
kompartimenten boven den grond, waarmede vier andere lokalen onder
den grond overeen kwamen.
Een der eerstgenoemde vertrekken was bestemd voor de woning van
den opperpriester; een ander voor de huisvesting der priesters; het
derde vertrek was voor den koning, als hij te Mitla kwam; het vierde
eindelijk voor de heeren, die het heiligdom bezochten. De woning
van den opperpriester was rijker versierd dan de andere vertrekken,
want zij bevatte een troonzetel met een kussen en een rugleuning,
beiden met tijgervel bekleed. De dekoratie der andere kamers bestond
uit fijne beschilderde matten, gelooide huiden en stoffen om zich
gedurende den slaap te dekken.
Van de onderaardsche kamers diende het middelste als heiligdom; de
afgodsbeelden waren op eene groote zerk geplaatst, die het altaar
verving; het tweede was de begraafplaats der opperpriesters; in het
derde werden de koningen begraven. Het vierde, dat naar men zegt
zeer groot was, werd gedragen door rijen pijlers, even als de groote
zaal boven den grond; de toegang tot dit vertrek werd met eene groote
zerk gesloten. Daar, in dezen ruimen kelder, wierp men de lijken der
slachtoffers en der in den oorlog gevallen krijgsbevelhebbers. Sommige
vrome boetelingen vroegen, als eene gunst, vergunning om op deze
heilige plaats te mogen sterven; was dit verzoek toegestaan, dan
geleidden de priesters deze vrijwillige slachtoffers naar den ingang
van den kelder, wentelden de zerk af, zeiden den martelaars vaarwel en
sloten den ingang weder, zoodat de ongelukkigen levend begraven werden.
De opperpriester, die den titel voerde van Huiyatoo (de groote
schildwacht, hij die alles ziet), was met onbeperkte macht bekleed
en stond boven den koning, die hem vreesde en eerbiedigde; de lieden
uit het volk konden zijn aangezicht niet aanschouwen, zonder hunne
vermetelheid met den dood te bekoopen. Als eenige middelaar tusschen
de goden en de menschen, was hij ook de eenige uitdeeler van gaven
en voorrechten: iets als de groote lama in onzen tijd.
Burgoa, aan wien wij deze bijzonderheden ontleenen, schijnt de ruïnen
van Mitla niet bezocht te hebben: althans hij spreekt in zijne
beschrijving slechts van een paleis, terwijl er in zijn tijd nog
acht bestonden. Maar zeker is het te verwonderen, dat de mexikaansche
regeering, in het bezit van zoo uitvoerige en nauwkeurige gegevens,
geene opgravingen heeft laten doen in de paleizen van Mitla. Men zou
daar eene onuitputtelijke mijn kunnen vinden van de belangrijkste
zaken: afgodsbeelden, sieraden, aardewerk en wat niet meer. Men
bedenke slechts dat daar de koningen begraven werden, bekleed met hunne
prachtigste kleederen, het lichaam versierd met vederen, halskettingen
van goud en edelgesteenten en andere sieraden; in de linkerhand hielden
zij hun schild, in de rechter hun staf. Misschien zelfs zou men er
handschriften vinden, die tegenwoordig zoo uiterst zeldzaam zijn.
* * * *
Tot dusver de heer Charnay, wiens reisverhaal, onderdeel van een
uitgebreid werk, hier afbreekt. Naar wij vertrouwen, zal het onzen
lezers, tot recht verstand en toelichting van het voorafgaande,
niet onwelkom zijn, een beknopt samenvattend overzicht van de
overblijfselen en monumenten eener vroegere beschaving, bepaaldelijk in
Centraal-Amerika, te ontvangen. Het betreft hier een veld van studie,
dat bij ons nog weinig bekend en bearbeid is, en waarvan toch het hooge
belang voor de algemeene kultuurgeschiedenis niet te miskennen valt.
De amerikaansche antiquiteiten, de monumenten van de eigenaardige
beschaving der oorspronkelijk amerikaansche volken, behooren deels tot
een voorhistorischen tijd, deels tot den tijd der Tolteken en hunner
opvolgers de Azteken, aanvangende omstreeks de zevende eeuw onzer
jaartelling; of wel tot het rijk der Inka's in Peru, uit de dertiende
eeuw. Zij worden in drie hoofdgroepen verdeeld, die zoowel geografisch
als historisch gescheiden zijn: namelijk, in noord-amerikaansche,
centraal-amerikaansche en zuid-amerikaansche antiquiteiten. Van
de eersten en de laatsten kunnen wij nu niet spreken: slechts zij
hier opgemerkt, dat de noord-amerikaansche antiquiteiten, die weder
in drie groepen worden gesplitst en bijna het geheele gebied der
Vereenigde-Staten omvatten, een veel lageren trap van beschaving
aanduiden, dan die van Zuid- en vooral van Centraal-Amerika. Dit
neemt echter niet weg, dat ook de in Noord-Amerika, met name in
het stroomgebied van den Mississippi gevonden overblijfselen van
gebouwen en voorwerpen van kunstnijverheid de onwedersprekelijke
bewijzen zijn voor eene vrij wat hoogere beschaving, dan waarop
later, bij de aanraking met de Europeanen, de indiaansche stammen
van Noord-Amerika stonden.
De belangrijkste overblijfselen van de oud-amerikaansche beschaving
bezitten, buiten kijf, de hooglanden van Centraal-Amerika, Mexiko,
Guatemala en Yucatan. Met name zijn het de gewrochten van bouw- en
beeldhouwkunst, die hier deels als op zich zelven staande monumenten
in de nabijheid van nog bewoonde plaatsen, deels tot groepen vereenigd
als overblijfselen en ruïnen van voormalige steden, de aandacht tot
zich trekken. Hoewel zij in het algemeen en in hoofdzaak hetzelfde
karakter eener zeer eenvoudige kunst vertoonen, kunnen zij toch
in twee afdeelingen worden onderscheiden, die elk tot eene andere
kunstperiode behooren. Tot de oudere en tevens hooger ontwikkelde
periode behooren de monumenten in Oaxaca, Guatemala en Yucatan, die
van tolteekschen oorsprong zijn; tot de jongere azteeksche periode
behooren de monumenten, die men in Mexiko en in het algemeen binnen
de grenzen van het oude rijk der Azteken vindt. Eene meer nauwkeurige
splitsing naar nationaliteit en tijdvakken is nog aan vele twijfelingen
en bezwaren onderhevig.
Sedert Antonio del Rio in 1787, op last van den gouverneur van
Guatemala, de ruïnen van Palenque bezocht, maar vooral sedert zijn
verslag, in 1822, in eene engelsche en eene fransche vertaling het
licht zag, hebben vele andere reizigers en geleerden de monumenten
dezer landstreek onderzocht en in beeld en schrift meer algemeen
bekend gemaakt. In Mexiko zijn de voornaamste overblijfselen ruïnen
van tempels en van vestingwerken: welke groepen van bouwwerken echter
meermalen samenvallen, in zoo verre de tempels ook zelven vestingen
waren. Zij onderscheiden zich vooral door hun massieven bouw,
maar getuigen tevens van smaak en van eene vrij hoog ontwikkelde
kunst. De voornaamste tempel van Mexiko lag in het midden der stad
en was zoo groot, dat hij, volgens Cortez, ruimte aanbood voor
vijfhonderd paarden. Hij vormde eene pyramide van vijf verdiepingen,
acht-en-dertig meter hoog, met een basis van vijf-en-negentig meter,
en twee torens. Pyramiden van meer of minder merkwaardigen bouw vindt
men op een aantal andere plaatsen; ruïnen van oude steden vindt men
bij Tula, de oude Toltekenstad, bij Papantla in Vera-Cruz, bij Mopilca
in dezelfde provincie, bij Palenque, bij Ocosingo en elders.
Grondvorm van de geheele architektuur in Centraal-Amerika is de
pyramide, die voornamelijk in godsdienstige monumenten, minder
duidelijk in eigenlijke tempels en nog minder in paleizen, aan het
licht treedt. De teokalli's (godshuizen), die men onder zeker opzicht
reusachtige altaren zou kunnen noemen, zijn altijd vierzijdige,
nauwkeurig naar de windstreken georiënteerde, van boven afgeknotte
pyramiden, waarop zeer dikwijls nog kapellen of andere gebouwen
verrezen. Hare wanden stijgen soms in onafgebroken helling naar boven;
maar meestal verheffen zij zich in verschillende, hoogstens acht,
verdiepingen, die of wel afzonderlijke terrassen vormen, of alleen
door omloopende, meestal versierde galerijen aangewezen worden. Naar
het plat voeren breede en steile trappen, die meest aan eene, soms
ook aan twee of meer zijden zijn aangebracht; enkele malen zijn ook
de verschillende terrassen of verdiepingen door trappen onderling
verbonden. Rondom de teokalli's lagen de woningen der priesters,
benevens andere lokalen voor de dienst der goden bestemd. Doch ook bij
andere gebouwen dan de teokalli's vinden wij den pyramiden vorm terug,
en wel door het regelmatig afnemen der grootte van de verschillende
verdiepingen.
De architektuur der Mexikanen getuigt niet van eene hooge
kunstontwikkeling, maar kenmerkt zich door strenge consequentie
in den stijl; alle details en onderverdeelingen zijn naar de
eenvoudigste beginselen en regelen ontworpen. Voor de versiering
der wandoppervlakten gebruikte men rechtlijnige, maar vaak zeer
samengestelde vakken of kassetten, voorts golvende lijnen, zigzags
en dergelijke figuren. In hun geheel genomen, vertoonen de op
den vlakken grond, of op gewone terrassen, of ook wel op het plat
der teokalli's geplaatste gebouwen, de gedaante van eenvoudige,
vierkante steenklompen, met rechtlijnig overdekte portalen, en
eenvoudige pijlers, waarboven zich dikwijls een rijk versierde,
dikwijls overladen, geweldig groote fries--door Charnay dekoratiemuur
genoemd--verheft. Het dak is horizontaal of bestaat ook wel uit een
soort van gewelf, dat door trapsgewijze over elkander liggende zerken
wordt gevormd. Deze wijze van bedekking en het gemis van eigenlijke
zuilen maken het aanleggen van groote zalen of hallen onmogelijk.
De meeste gebouwen zijn met beeldwerken versierd, hetzij reliëfs,
hetzij standbeelden in eigenlijken zin. Deze beeldwerken, die blijkbaar
van verschillende volken en uit verschillende tijden afkomstig zijn,
getuigen zoowel van onbeholpenheid als van barbaarschen wansmaak in de
zonderlinge overlading. Bij vergelijking met egyptische, assyrische,
indische of oud-grieksche beeldwerken, staan de monumenten der
amerikaansche skulptuur op een zeer lagen trap. Niet alleen dat
alle individualiteit en uitdrukking aan de beelden ontbreekt, maar
de navolging der natuur is zoo gebrekkig, dat de meeste figuren iets
monsterachtigs hebben. Somwijlen doen zij ons denken aan de wanstaltige
afgodsbeelden van de bewoners der Zuidzee-eilanden. In hoeverre deze
hoogst gebrekkige, onbeholpen kunst de kiem van hoogere ontwikkeling
in zich bevatte, kunnen wij in het midden laten. Eene geschiedenis
der amerikaansche kunst is zeker nog niet te schrijven.
In Centraal-Amerika zijn vooral Honduras en Yucatan rijk aan
antiquiteiten en ruïnen. In den eerstgenoemden staat zijn de
beroemdste ruïnen die van Copan; in Yucatan kent men reeds meer dan
vijftig ruïnen, die door haar omvang en deels ook door haar pracht
de bewondering wekken. De paleizen bestaan dikwijls uit verschillende
gebouwen boven elkander; kolossale trappen voeren van het eene terras
naar het andere; ter wederzijde zijn die trappen met slangen versierd,
wier kop den grond aanraakt, terwijl het reuzenlijf zich naar boven
kronkelt. Terwijl de monumenten uit lateren tijd met versieringen
overladen zijn, kenmerken zich de oudste gedenkteekenen door eenvoud,
ernst en soliditeit; zoo als, bij voorbeeld, de pyramidale tempel
van Palenque in Guatemala, waarvan de voorgevel met figuren en
opschriften is versierd, terwijl van binnen mythologische beeldwerken
en bas-reliefs de wanden bedekken.
Ook elders in Centraal-Amerika heeft men merkwaardige overblijfselen
eener vroegere beschaving gevonden; zoo in Costa-Rica, waar massieve
sieradiën van goud, kleine godenbeelden van brons, goud en koper,
en bevallig vaatwerk nog getuigen van de aanwezigheid eener hooger
beschaafde bevolking dan de Indianen; voorts aan de Mosquitokust en
vooral in Nicaragua, waar de eilanden in de meren nog belangrijke
ruïnen bevatten, die nog maar voor een deel onderzocht zijn.
De Tolteken, van wie in het reisverhaal van Charnay bij herhaling
gesproken wordt, zijn een amerikaansche volksstam, die vermoedelijk
in de vijfde of zesde eeuw onzer jaartelling, van een meer noordelijk
gelegen land, Huehuetlapallan genoemd, naar Anahuac verhuisden en
daar omstreeks het midden der zevende eeuw de stad Tollan (Tula)
stichtten. Door verovering en vreedzame overeenkomsten breidden de
Tolteken allengs hun gebied uit en bereikten een betrekkelijk vrij
hoogen trap van beschaving. Omstreeks de elfde of twaalfde eeuw onzer
jaartelling stond het rijk der Tolteken op het toppunt van bloei en
macht; door ongelukkige oorlogen en andere rampen geraakte het allengs
in verval. Tegen het midden der twaalfde eeuw werden de Tolteken
uit een deel hunner woonplaatsen verdrongen door de Chichimeken, die
anderhalve eeuw later gevolgd werden door het krijgshaftige volk der
Azteken, die in 1325 de stad Tenochtitlan (Mexiko) stichtten en allengs
meester werden van het geheele land. De nieuwe veroveraars namen ook
hier de beschaving en kunst hunner hooger ontwikkelde voorgangers, de
Tolteken, over; deze laatsten weken allengs naar zuidelijker streken,
met name naar Yucatan, waar zij gaandeweg met de inheemsche stammen
samensmolten of uitstierven.