IX

Ténosiqué is het laatste dorp in de vlakte; de eerste heuvelen van de

Cordillera verheffen zich op twee mijlen afstands; de Usumacinta komt

daar, van de steilte nederdalend, met zeer sterk verval, tusschen

twee bergen te voorschijn. Een weinig verder begint de sierra met

haar doolhof van onbekende valleien, waarin de Lacandons hun verblijf

hebben gevestigd. Dat is de plaats onzer bestemming; maar om er te

komen, hebben wij vele moeilijkheden te overwinnen.

Ténosiqué ligt op eene hoogte, waardoor het tegen periodieke

overstroomingen beveiligd is; maar even als alle van de hoofdplaatsen

verwijderde dorpen, bestaat het uit armzalige hutten, en leidt men er

een vrij ellendig leven. Men bezorgt ons een hut, waarvan het rieten

dak rust op vier wanden van biezen met aarde besmeerd; ondanks wij dit

lokaal herhaalde malen laten aanvegen, worden wij toch opgegeten door

het ongedierte en gemarteld door de muskieten. Natuurlijk is er geen

enkel meubel: gelukkig hebben wij onze hangmatten en veldbedden bij

ons. Dit ellendige nest dagteekent niettemin uit de eerste tijden

na de verovering, en bestond zeer waarschijnlijk reeds voor dien

tijd als indiaansch dorp. In den laatsten tijd heeft dit vergeten

dorp eene zekere bekendheid verworven. Ten gevolge van de toenemende

zeldzaamheid van het mahoniehout in de bosschen van Tabasco, zijn de

handelaars in deze kostbare houtsoort gedwongen geworden, hunne agenten

tot naar de onbekende valleien van den staat Chiapas, naar de oevers

van de Usumacinta, en zelfs naar Guatemala te zenden. Ténosiqué is

daardoor de stapelplaats geworden voor alle produkten van dien aard,

die uit Guatemala komen, en de woonplaats van de geëmploieerden der

beide huizen, die tot dusver dezen handel gemonopoliseerd hebben.

De geschiedenis van een blok mahoniehout is merkwaardig genoeg:

ik zal mij de vrijheid veroorloven, ze aan mijn lezer te vertellen.

Niet iedereen kan zulk eene exploitatie op touw zetten; daartoe behoort

een aanzienlijk kapitaal en eene volledige kennis van de plaatselijke

gesteldheid, benevens de geschiktheid om met de menschen, met wie

men in aanraking komt, om te gaan. Meer dan een, verlokt door het

vooruitzicht der buitensporige winst, heeft zich, door gebrek aan

kennis en ondervinding, geruïneerd.

Het mahoniehout zelf kost niets; de boomen staan daar in dichte

gelederen, recht als dennen, hoog en prachtig; de staat legt u slechts

eene zeer geringe belasting op van vijf francs per stuk. Gij hebt ze

voor het nemen: maar juist daar ligt de moeilijkheid. Vooreerst moet

een plek opgespoord worden, waar mahonieboomen in menigte te vinden

zijn. De handelaar heeft daarvoor speciale agenten, _monteros_

genoemd. De montero is een ondernemend, moedig, energiek man,

gewend aan het wilde leven in de bosschen en bestand tegen alle

vermoeienissen; hij begeeft zich op weg, gevolgd door twee Indianen

en een muilezel, die de mondbehoeften draagt; hij neemt zijn revolver

en zijn geweer mede, niet zoo zeer als veiligheidsmaatregel, maar om

te kunnen jagen, want als de levensmiddelen zijn opgeteerd, moet hij

op die wijze in het onderhoud van drie menschen voorzien. Hij verlaat

de bekende paden, en trekt het oerwoud in, waar hij zich met behulp

van zijn sabel, een smallen doortocht moet banen, die zich achter

hem aanstonds weer sluit; somwijlen blijft hij twee of drie maanden

lang in deze onbekende wildernis, telken avond een hut van takken en

bladeren bouwende, als schuilplaats tegen de tropische stortregens,

vechtende tegen de wilde dieren, dagen achtereen rondzwervende

door moerassige streken, waar de vochtige grond verpestende dampen

uitwasemt, bezwangerd met koortsmiasmen. Steeds zoekt hij overal

naar het kostbare hout; hij telt de boomen, hij merkt ze, en geeft,

als hij terug keert, aan zijn chef het juiste getal op.

Hij heeft nu de lokaliteit bestudeerd, heeft zich rekenschap gegeven

van de bezwaren, aan de exploitatie verbonden, en de kosten van

transport berekend; er moet eene keus gedaan worden, want hij kan

niet alles medenemen. Hoe vele prachtige boomen heeft hij niet op zijn

zwerftochten ontmoet; welke schatten heeft zijn oog niet aanschouwd,

die toch voor hem onbereikbaar zijn! Volslagen gemis van wegen,

een zeer ongelijk, bergachtig terrein, een allesoverweldigende

plantengroei, ziedaar de bezwaren, die men moet overwinnen, om den

schat meester te worden. Hoe zal men dat aanleggen? De weg is te maken;

maar er moet noodzakelijk eene rivier in de onmiddellijke nabijheid

zijn, want zoodra de afstand meer dan twee mijlen bedraagt, wordt de

exploitatie, met het oog op de kosten, onmogelijk. De rivier is de

steeds bereidvaardige helpster, die zich kosteloos met het vervoer

belast: zij voert de kostbare blokken mede en brengt ze, ondanks alle

hinderpalen, rotsen, watervallen en stroomversnellingen, ongedeerd

voor uwe deur.

Het terrein is nu verkend; een beëedigd landmeter gaat er heen om

de grenzen te bepalen: en de houthakkers kunnen nu aan het werk

gaan. Neen, zoover zijn wij nog niet: er is gebrek aan handen;

de arbeiders zijn schaarsch, en allen zijn gehuurd--dat wil zeggen,

moeten werken om hunne schuld af te doen bij de ondernemers, die zonder

dit van ouds in zwang zijnde stelsel, niemamd zouden kunnen vinden

om voor hen te werken. Zij leggen het dus zoo aan, dat de Indianen

bij hen in schuld komen; en is het eenmaal zoo ver, dan zijn zij de

slaven van hunne schuldeischers. Daar de Indiaan zwak van karakter is,

zorgeloos en op drank verzot, raakt hij telkens meer in de schuld,

en zoo is hij feitelijk veroordeeld tot levenslangen dwangarbeid. Komt

hij te sterven, dan is de zoon verantwoordelijk voor de schuld van den

vader en treedt in diens plaats; dat is nog de aloude wet der Mayas,

die nog steeds van kracht is. Zonder deze wet zouden wij, ondanks hooge

werkloonen, geen mahoniehout hebben; want evenmin als de bewoners

van welk ander tropisch gewest ook, werkt de Indiaan vrijwillig, en

het geld heeft voor hem weinig bekoring. Daar de Indiaan zijn meester

niet verlaten kan, zoolang zijn schuld niet aangezuiverd is, betaalt

de nieuwe ondernemer die ten einde zich werklieden te verschaffen;

zoo kost iedere arbeider twee-, drie- tot vijfduizend francs; en

somwijlen heeft men twee- tot driehonderd man noodig. Ge ziet dus,

dat de ondernemer over kapitaal moet kunnen beschikken.

De arbeiders begeven zich op weg, en worden door den montero naar de

bepaalde plaats geleid. Daar, midden in het woud, op dertig, veertig,

zestig mijlen van iedere menschelijke woning, worden de ranchos

opgeslagen, en rusteloos heen en weer trekkende konvooien voorzien

de nieuwe kolonie van de noodige werktuigen en levensmiddelen. Dat

is nog niet alles; de boomen worden geveld; men ontdoet ze van het

spint--het zachte hout onder de schors--; men zaagt ze in blokken,

en de kostbare waar groeit tot stapels: maar de rivier is verre, en de

stammen staan op vrij grooten afstand van elkander: bijna voor iederen

stam moet een pad gebaand worden! En wie zal ze vervoeren? Ossen;

maar ossen zijn in de provincie nog zeldzamer dan mannen; men moet

ze dus gaan halen aan gene zijde van de Cordillera, in de vlakten van

Chiapas, op honderd-vijftig mijlen afstands. Zij zijn daar niet duur:

voor twintig piasters (honderd francs), kan men zeer goede beesten

hebben; maar de afstand, de bezwaren van de reis, het onvoldoende

voedsel doen de kudde dikwijls tot op een vierde slinken; het woud

ligt bezaaid met lijken, en de weinige ossen, die eindelijk behouden

ter bestemder plaatse aankomen, verkeeren in een zeer ellendigen

toestand en kosten ieder meer dan vierhonderd francs.

Maar ook nu houdt de sterfte nog aan: vele dieren bezwijken ten

gevolge van vermoeienis en het ongewone, ontoereikende voedsel,

dat hoofdzakelijk uit bladeren en _ramon_ bestaat. Bovendien maken

de arbeiders, die hun honger naar versch vleesch moeilijk kunnen

bedwingen, dikwijls met opzet dat er een ongeluk gebeurt, zoodat een

os moet worden gedood. Telkens moeten nieuwe dieren worden aangevoerd,

en het blok mahoniehout wordt aardig duur.

Eindelijk is de oever der rivier bereikt. Daar wordt elk blok aan

de zes kanten met een cijfer gemerkt, en van den hoogen oever in de

bedding geworpen. Bij den eerstvolgenden was zal het water al die

blokken medevoeren; blijft er bij ongeluk een hier en daar, op een

rots of in een bocht van den oever vastzitten, dan wordt het toch in

het volgende jaar medegevoerd.

In den tijd als de wateren der rivier zwellen, begeven de Indianen

van Ténosiqué zich met lichte kanos naar de plaats, waar de Usumacinta

uit de bergen te voorschijn treedt, naar de zoogenaamde Boca del rio,

om daar de mahonie blokken op te wachten, die de rivier bij honderden

medevoert; zij krijgen twee-en-een halve franc per blok, en het

is onder hen een hartstochtelijke wedstrijd, wie de moeste blokken

machtig zal worden. Daar elk blok gemerkt is, rangschikken zij ze naar

de eigenaars, binden ze tot vlotten en voeren ze zoo naar het dorp. Al

die arbeid, al die moeiten en gevaren, al die uitgaven zijn noodig,

waarde lezers, om u van mahoniehout te voorzien; en nu heb ik nog niet

gesproken van de epidemieën, die het vee doen sterven, van de koortsen,

waaraan de arbeiders bezwijken, van monteros, die met het geld op

den loop gaan of het verspillen, en van andere kwade kansen meer.

Intusschen heb ik zelf met allerlei moeielijkheden te worstelen,

die mijn vertrek vertragen. Ik ontvang zulke tegenstrijdige

berichten omtrent de ruïnen, wier ontdekking ik mij ten doel heb

gesteld, dat ik soms geneigd ben aan eene algemeene samenspanning,

eene onverklaarbare mystificatie te gelooven. De ruïnen bestaan;

de persoon zelf, die ze voor het eerst zag, geeft mij daarvan de

uitdrukkelijke verzekering. Zij zijn ver verwijderd, vijftig mijlen

ver, aan de andere zijde van de sierra, op den linker oever van de

Usumacinta; een weg is er niet, maar de richting, die ik volgen moet,

is bekend. Ik houd mij dan ook onledig met de toebereidselen voor

den tocht, maar mijne handen zijn gebonden.

Daar ik aanbevelingsbrieven bij mij had voor de beide handelshuizen in

het dorp, had men mij, bij mijne komst, alle mogelijke beloften gedaan,

maar geene enkele daarvan gehouden. Ik had op zijn minst vijftien

manschappen noodig, benevens veertien muildieren en drie paarden; er

waren noch paarden, noch muilezels, noch manschappen. Om de laatsten

te verkrijgen, liet ik twintig mijlen in het rond nasporingen doen,

onder aanbieding van dubbel loon; wat de muildieren betreft, gaf men

mij te kennen, dat er eerlang een konvooi uit Peten verwacht werd:

na eenige dagen rust, zouden de muildieren wel weer voor den tocht

geschikt zijn. Ik had levensmiddelen: rijst, bonen en beschuit,

maar geen vleesch. Met moeite kon ik twee stieren machtig worden,

die geslacht werden en wier vleesch in lange reepen werd gesneden,

gezouten en gedurende drie dagen in de zon gedroogd. Dit vleesch,

_tasajo_ genoemd, kan zoo lang bewaard worden als men wil.

Inmiddels had men eenige manschappen bij elkander gebracht, en

men verzekerde mij, dat de anderen zouden volgen; maar de zoo

vurig verlangde muildieren kwamen niet opdagen. Eindelijk, op een

avond, den achtsten dag van onze gedwongen gevangenschap, hooren

wij kreten en het getrappel van hoeven. Wij ijlen naar buiten: dat

waren de muildieren! Ik tel ze haastig: daar zijn er twaalf; wij zijn

gered! Neen, nog niet; want den volgenden morgen ontwaarde ik, tot mijn

schrik, in welken rampzaligen toestand de arme dieren verkeerden. Zij

waren bijkans levende geraamten, overdekt met afzichtelijke, stinkende

wonden, half dood, en ten eenemale buiten staat om eene zoo langdurige

en bezwaarlijke reis te ondernemen.

De eigenaar verzekerde mij evenwel, dat zij na acht dagen rust weder

zouden kunnen vertrekken, mits zij slechts de helft van de gewone

vracht hadden te dragen. De schurk kon met des te meer gerustheid

die verzekering geven, daar hij er vast op rekende dat de meeste

muilezels onderweg zouden bezwijken, in welk geval ik ze hem, tegen

den prijs van nieuwe dieren, zou moeten vergoeden: hetgeen later ook

inderdaad gebeurde. Maar ik vermoedde niets van deze sluwe berekening,

en wij hielden ons onledig met onze laatste toebereidselen.

De manschappen verschenen; voor de muildieren werden nieuwe pakzadels

en tuigen gemaakt, omdat de oude geheel versleten waren; men verdeelde

de vrachten onder het opzicht van den chef der muilezeldrijvers, die

het bestuur der karavaan op zich zou nemen, en ik moest een gedeelte

van mijn materieel achterlaten. Dit was niet alles; de montero, die

ons als gids zou dienen, verzekerde mij dat wij niet rechtstreeks naar

de ruïnen konden gaan: op een zeker punt aan den rechteroever van de

rivier gekomen, moesten wij de Usumacinta ongeveer vijf mijlen ver

afzakken, om dan aan den linkeroever, vlak tegenover de monumenten,

aan land te gaan. Het was dus noodig, eenige manschappen vooruit te

zenden, om een weg door het woud te banen en ook eene groote kano te

timmeren, die ons naar de puinhoopen der oude stad brengen zou.

Den volgenden dag gingen dan ook zes man op weg, met het beste

muildier, dat de noodige levensmiddelen droeg en de gereedschappen voor

het maken der boot; wij zelven zouden later volgen. Na velerlei getob

en oponthoud konden wij dan toch eindelijk den vijftienden Maart 1882

vertrekken. De muildieren zijn niet genezen: men heeft hunne wonden

gewasschen, dat is alles; en onder den druk der nieuwe vrachten zullen

deze wonden op schrikbarende wijze verergeren: ik ben overtuigd, dat

enkele dieren bezwijken zullen. Maar wat te doen? Ons rest geen keus:

reeds bij het vertrek, en hoe wel slechts eene halve vracht te dragen

hebbende, schijnen de arme dieren onder den last te bezwijken.

Wij zijn midden in het woud; de weg is afschuwelijk, of liever,

er is in het geheel geen weg: doornstruiken, lianen, kreupelhout,

omgevallen boomen houden ons elk oogenblik tegen; het pad is zoo smal,

dat de muilezels telkens tegen de takken stooten, waardoor hunne vracht

wordt verschoven, en zoo weinig gebaand, dat men zeer oplettend moet

zijn om het spoor niet geheel bijster te raken. Wij komen slechts zeer

langzaam vooruit: de eerste dag der reis is altijd de moeilijkste; men

moet de muildieren, die zeer onwillig zijn, voortsleepen en daarbij

zeer streng in het oog houden, want zij peinzen voortdurend op een

middel om te ontsnappen. Omstreeks het midden van den dag zijn er

twee muildieren verdwenen; na een uur zoeken worden zij terug gevonden.

Wij hebben nu de vlakte verlaten en trekken in zuidoostelijke richting

voort, naar den voet van de Cordillera. Het woud wordt prachtig:

reusachtige stammen, door lianen als kabeltouwen omstrengeld, palmen

van meer dan honderd voeten hoogte, pandanussen met kolossale bladeren,

vermengd met slanke ceders en mahonieboomen, wier ruwe schors aan onze

eiken herinnert, vormen een schilderachtig, grootsch en indrukwekkend

geheel. Men wordt des bewonderens niet moede, en men zou wenschen, in

deze bosschen zijn leven te slijten, indien men niet zoo schrikkelijk

te lijden had van allerlei ongedierte, met name van muskieten en van

onze oude vijanden, de garrapaten.

De chef der karavaan regelt de dagreizen en bepaalt telkens de plaats,

waar men voor den nacht kampeeren zal; hij moet volkomen met het woud

bekend zijn, want men kan alleen daar ophouden, waar water voor onze

muildieren te vinden is en ook dien boom, _ramon_ genaamd, waarvan de

bladeren gedurende de reis hun eenig voedsel zijn. Doorgaans kampeert

men op eene kleine hoogte, te midden van eene ruime open plek, waar

reeds anderen hun kamp hebben opgeslagen, en waar de grond van boomen

en kreupelhout gezuiverd is. De hooge boomen blijven alleen staan,

en hunne machtige takken beveiligen ons tegen den killen nachtelijken

dauw. Deze kampementen dragen op de kaart een naam, hoewel er noch

eene hut, noch eene levende ziel te vinden is; maar zij dienen den

muilezeldrijvers als rust- en verkenningspunten op hunne tochten

van Peten naar Ténosiqué. Bij onze aankomst aan de bepaalde halt,

worden de beesten ontladen; de bagage wordt met de pakzadels op rijen

geplaatst; daarna begint men de arme dieren te verbinden. Deze eerste

dag heeft hunne wonden op schromelijke wijze verergerd. De mannen

gaan het bosch in om ramon te zoeken; men hoort hunne bijlslagen

tegen den stam, vervolgens, het gekraak van den neervallenden boom,

overstemd door hunne vreugdekreten. Kort daarna keeren zij terug,

gebogen onder eene geweldige vracht van groenende takken, die onder

de hongerige muildieren worden verdeeld. Inmiddels maakt Julien onze

veldbedden gereed, en de kok van den troep legt zijn vuur aan om ons

souper te bereiden. Het menu is steeds hetzelfde: een groote ketel

met tasajo, rijst of bonen met eene portie beschuit, en tot toegift

een kop koffie. Toch is er soms eenige afwisseling, naarmate wij

op de jacht gelukkig zijn geweest: apen, wilde kalkoenen, pécaris,

alles is ons welkom.

De avond valt; de manschappen, rondom de vuren gezeten, rooken en

praten; dan wordt het nacht, en ieder vlijt zich neer op een bed van

groene bladeren, beveiligd door een muskietenscherm. Onze slaap is

niet vast, en wordt telkens gestoord door zonderlinge geluiden: het

brullen of knorren van wilde dieren, het schreeuwen van nachtvogels

en het verschrikkelijk gehuil der brulapen.--Voor het aanbreken van

den dag zijn wij weer op de been; met het ontbijt, het optuigen der

muildieren en het verdeelen der bagage zijn ruim twee uren gemoeid,

en de zon staat reeds hoog aan den hemel, als de karavaan zich op

weg begeeft.

De eene dag gelijkt volkomen op den anderen, behoudens de uiterst

zeldzame ontmoeting van een uit Peten terugkeerenden reiziger. Deze

geheele streek is rijk aan ruïnen, en alles bewijst dat zij vroeger,

voor de komst der Spanjaarden, bebouwd en bevolkt was; te midden van

deze uitgestrekte eenzame wouden vindt men nog de sporen van groote

steden, waarvan de geschiedschrijvers der verovering nog melding

maken. Die steden, die dorpen en tempels zijn van de aarde verdwenen,

en de eens zoo talrijke bevolking is geslonken tot enkele familiën,

in de wouden verloren: de verbasterde en diep gezonken afstammelingen

van het ongelukkige ras.

Onze tocht wordt met den dag moeilijker, want wij hebben reeds twee

muildieren verloren, die waarschijnlijk wel de prooi der jaguars

zullen zijn geworden. Hunne vrachten zijn tusschen de anderen verdeeld

moeten worden; en om onze dieren zoo veel mogelijk te verlichten,

gaan wij beurtelings te voet.

Op den zevenden dag van onze reis, des morgens vroeg, begonnen wij te

voet de berghellingen te beklimmen. Hoewel deze bergen niet hooger

waren dan omstreeks vierhonderd-vijftig el, was de bestijging toch

een zeer zwaar en moeilijk werk, dat groote inspanning vorderde. Kort

daarna bereikten wij de vlakte en sloegen ons kamp op aan de oevers

van de rio Chotal, die zich in de Usumacinta uitstort. Het woud is

hier verwonderlijk schoon, en rijk aan allerlei wild; papegaaien en

aras doen de lucht weergalmen van hunne snijdende kreten; geelgekuifde

hoccos bewegen zich zwijgend in de hoogste takken, van waar groote

brulapen ons met nieuwsgierige blikken gadeslaan; een troep wilde

zwijnen rent in dolle vaart langs ons heen.

Wij bevinden ons in het land der Lacandons: hier en daar ontdekken

wij sporen van vroegere bebouwing, vruchtboomen en overblijfselen

van verlaten hutten. De Lacandons hebben zich uit deze streek

teruggetrokken bij de komst der houthakkers. Des avonds komen wij

eindelijk ter plaatse onzer bestemming, aan den paso Yalchilan,

en slaan wij ons kamp op aan den rechteroever van de Usumacinta.

X

Het was reeds laat, toen wij op deze plek, waar geene hut of spoor van

menschelijke woning te vinden is, aankwamen; wij waren allen uitgeput

van vermoeienis, en de tijd ontbrak om ons bivouak in behoorlijke

orde te brengen. Tot mijne verwondering vonden wij geen spoor van de

mannen, die vooruit waren gezonden en die ons hier moesten afwachten

met de door hen getimmerde boot; hunne afwezigheid boezemde mij eenige

ongerustheid in. Den volgenden morgen maakten de manschappen voor

ons eene soort van woning gereed; anderen gingen weer het bosch in,

om een muilezel op te zoeken, die achter gebleven was. Zij vonden

het arme dier, ruim twee mijlen verder op den grond liggende, half

dood van vermoeienis, honger en dorst. De mannen ontdeden den ezel

van zijne vracht, dien zij onderling verdeelden; maar het ongelukkige

dier had niet lang genot van die welwillendheid, want de jager die den

troep vergezelde, doodde een prachtig zwijn, dat de muilezel nu naar

het kamp moest dragen, en dat daar met groot gejuich ontvangen werd.

Tegen den middag verschenen eindelijk de canoëros; aanstonds vroeg

ik hun, hoe ver zij met hun arbeid waren gevorderd. De timmerman

antwoordde met zekere verlegenheid, dat de kano nog niet klaar was;

dat zij verschillende boomen hadden omgehakt, die later bij de

bewerking bleken ongeschikt te zijn voor de vervaardiging van de

canoa: dat was een ongeluk, en niet hunne schuld; maar binnen eenige

dagen zouden zij met hun werk gereed zijn. Ik volgde hen naar hunne

werkplaats, omstreeks een mijl stroomafwaarts: ik vond daar inderdaad

twee boomen op den grond liggen, waarvan de een, in ruwe omtrekken,

de gedaante van eene kano vertoonde, maar nog geheel uitgehold moest

worden. Hadden de werklieden zes dagen noodig gehad, om het zoover

te brengen, dan hadden zij er minstens nog acht noodig, om het werk

te voltooien. Blijkbaar hadden zij hun tijd verbeuzeld met jagen en

visschen en luieren, en hadden zij zich niet om mij bekommerd.

Maar een oponthoud van acht dagen was onmogelijk, want de

levensmiddelen slonken ziender oog, en hoewel ik den voorraad voor

veertig dagen had berekend, zou hij ter nauwernood voor twintig

toereikend zijn. In alles behalve opgewekte stemming keerde ik naar

het kamp terug, niet wetende wat te doen. Ik kon wel den oever der

rivier volgen tot tegenover de ruïnen, die aan de overzijde lagen:

daartoe moest een pad van omstreeks twintig kilometers lengte door

het woud worden gebaand en vervolgens een vlot getimmerd om de rivier

over te steken. Maar ik kon dan slechts een gedeelte van mijn materieel

medenemen; en bovendien, zouden de manschappen mij willen volgen? Zij

en de muilezels waren slechts gehuurd tot den paso Yalchilan, en zeer

vermoedelijk zouden zij weigeren verder te gaan, want zij zijn van

niets zoo afkeerig als van arbeid, meer dan strikt noodig is.

Terwijl mijne blikken daar over die breede, snelvlietende rivier

dwaalden, ontdekte ik, stroomopwaarts, een vaartuigje, waarin een

onbekende zat. Hij was gekleed met een lang hemd en liet zich met

den stroom afdrijven, terwijl hij zich met een palmblad tegen de

zonnestralen beschermde. Maar niet zoodra had de Lacandon--want het was

een Lacandon--ons bespeurd, of hij greep zijne pagaai en wendde zijne

boot. Gelukkig verstond een mijner manschappen zijne taal; hij riep

den cayuco toe, en beloofde hem allerlei moois, als hij bij ons wilde

komen. De Indiaan kwam: het was een grijsaard, gehuld in eene lange

tuniek of hemd met wijde mouwen; hij drukte mij glimlachend de hand

en ging mede naar het kamp, schuw rechts en links omziende. Behalve

zijne van grof katoen gemaakte tuniek, droeg hij om het hoofd een

doek van dezelfde stof; om zijn hals hing eene reusachtige ketting,

bestaande uit twintig rijen zaden, glaskralen, tanden van dieren en

eenige muntstukken; in de hand hield hij zijn boog en pijlen.

De grijsaard was gelukkig een opperhoofd: ik liet hem de geschenken

zien, die ik voor hem en de zijnen had medegebracht: bijlen, sabels,

katoenen stoffen, messen, zout en vischtuig. De oude man was geheel

verbluft, en verzekerde dat hij zijne onderdanen met mij in aanraking

zou brengen. Mijn tolk vroeg hem, of hij ons kanos kon leenen: hij

had er twee, en de tolk ging dadelijk met hem mede, om de booten te

halen. Het was niet veel, maar toch altijd beter dan niets.

Den volgenden morgen had ik eene vreemde ontmoeting. Ik stond aan

den oever der rivier, uitziende naar de kanos, toen ik eensklaps

eene vrij groote boot zag verschijnen, waarin drie mannen, die geen

Indianen waren. Van waar kwamen zij, en waar gingen zij heen? Een

bittere gedachte schoot mij eensklaps door de ziel: deze mannen

behoorden tot eene andere expeditie, die mij vóór was geweest. Dat

was het gevolg van mijn lang oponthoud te Ténosiqué!

Ik riep de boot aan, die aan den oever kwam, en ik vernam van die

onbekenden, dat zij levensmiddelen hadden gevraagd bij de Lacandons,

maar niets hadden kunnen krijgen dan tomaten, en verder dat zij naar

de ruïnen terugkeerden, waar zich een zekere don Alfredo bevond.

"Wie is don Alfredo? vroeg ik aan een der mannen.

--Wel, antwoordde hij, dat is don Alfredo.

--Heel goed: maar wat voert hij daar in de ruïnen uit?

--Hij wandelt.

--Met u hoevelen zijt gij?

--Wij zijn met ons zestienen, en wij hebben geen levensmiddelen meer.

--Hebt gij nog eene andere kano?

--Ja, wij hebben er nog een groote.

--Welnu, zeide ik, ik heb levensmiddelen." Daarop mijne manschappen

roepende, liet ik naar de kano de helft van een wild zwijn, een zak

met tasajo, rijst en beschuit brengen.

"Ziedaar levensmiddelen voor u en voor uw meester: gij zult drie lieden

van mijn volk medenemen, en don Alfredo verzoeken, dat hij mij morgen

zijne groote kano zende. Hier is mijn kaartje, dat gij hem moet ter

hand stellen. Gaat nu en keert zoo spoedig mogelijk terug!"

Ik begon nu dadelijk toebereidselen voor mijn vertrek te maken; maar ik

had niet gerekend op de koorts, die mij juist des morgens aantastte. De

aanval was zeer hevig; ik ijlde en was geheel machteloos. Zoodra

de crisis voorbij was, nam ik eene goede dosis quinine en ging een

paar uren rusten. De kano kwam; en hoe ziek ik ook was, liet ik mij

toch aan boord dragen; zes onzer Indianen met Lucien gingen mede. De

anderen bleven achter onder de hoede van Julien. Mijn hoofd gloeide;

slechts met groote moeite kon ik blijven zitten; alles werd mij groen

en geel voor de oogen. De sterke stroom voerde ons mede, en na eene

vaart van drie uren kwamen wij aan een grooten steenhoop, die op de

rotsen aan den linkeroever der rivier was opgericht. Wij waren ter

plaatse onzer bestemming. Met een kloppend hart ging ik aan wal;

een der Indianen, die wij daar aantroffen, was bereid mij als gids

te vergezellen; wij togen het bosch in, om don Alfredo op te zoeken.

Wij hadden nauwelijks driehonderd ellen afgelegd, toen ik een rijzig

jonkman naar mij toe zag komen, in wien ik aanstonds een Engelschman

herkende. Wij gaven elkander de hand; hij had op mijn kaartje mijn naam

gelezen, dien hij kende; hij noemt mij den zijnen: "Alfred Maudsley,

van Londen"; en ziende dat ik van mijne verbazing nog niet bekomen was,

voegde hij er aanstonds bij:

"Maak u niet ongerust over mijne tegenwoordigheid: een bloot toeval

heeft mij eer dan u naar deze ruïnen geleid; het omgekeerde had

evengoed kunnen gebeuren; ik ben geen mededinger, en gij hebt niets te

vreezen. Ik reis eenvoudig voor mijn pleizier; gij zijt een geleerde,

en de stad komt u toe; geef haar een naam; onderzoek, maak teekeningen

en kopieën, zoo veel ge wilt; gij zijt hier te huis. Ik ben niet van

plan, iets te schrijven of uit te geven; maak des noods geene melding

van mij, en behoud uwe ontdekking geheel voor u zelven. En laat mij u

nu tot gids mogen verstrekken; ik heb een paleis laten gereed maken,

en uwe woning wacht u."

Deze kieschheid trof mij zeer; maar ik mocht het voorstel van mijn

nieuwen vriend niet aannemen: aan ons beiden komt de eer toe der

ontdekking van deze nieuwe stad, waar wij te zamen hebben gearbeid,

en waaraan ik den naam heb gegeven van Lorillard, ter eere van

den edelmoedigen man, die voor een deel de kosten mijner expeditie

wilde dragen. De stad ligt op den linkeroever van de Usumacinta,

in een soort van neutraal terrein tusschen Guatemala en de twee

mexikaansche provinciën Chiapas en Tabasco. Zij werd voor omstreeks

twaalf jaren ontdekt door een zekeren Suarez en sedert bij herhaling

door de monteros bezocht.

Het is zeer moeilijk, zich rekenschap te geven van den juisten omvang

der stad en van het aantal gebouwen; de bodem is zoo dicht begroeid,

dat een nauwkeurig onderzoek onmogelijk is, althans met de gebrekkige

middelen, waarover men ter plaatse beschikken kan. Maar voor zoo ver

men naar vergelijking mag oordeelen, moet de stad Lorillard, als alle

indiaansche steden, waarvan wij reeds gesproken hebben, hebben bestaan

uit een vijftien- of twintigtal verschillende monumenten, tempels en

paleizen, woningen van den cacique en de voornaamste hoofden, omgeven

door de hutten van de lieden uit de volksklasse en de slaven. Deze

monumenten verrijzen op terrassen, ongeveer twintig ellen van de

rivier verwijderd, en verheffen zich vervolgens, amphitheatersgewijze,

op natuurlijke heuvelen, die de bouwmeesters benuttigd hebben, en die

zij in esplanaden hebben verdeeld, welke door muren worden gesteund

en van trappen zijn voorzien.

De schikking is geheel dezelfde als te Palenqué; de tempels en paleizen

zijn minder talrijk en minder aanzienlijk; zij zijn ook ruwer bewerkt,

schoon men over dit laatste misschien niet juist kan oordeelen,

omdat de geheele uitwendige dekoratie, die uit cement bestond, is

verdwenen.--Het eerste monument dat wij bestudeeren is een tempel,

die op eene pyramide van ongeveer honderd-twintig voet hoogte is

gebouwd. Ik noem dit gebouw een tempel, omdat het een groot steenen

afgodsbeeld bevat, benevens verscheidene nissen, waarin kleinere

beelden moeten gestaan hebben, want de wanden zijn zwart van den rook

der offeranden.

Het hoofd van het beeld is van den romp gescheiden en het gelaat is

deerlijk geschonden, maar toch behoort het beeld tot het schoonste,

wat wij tot dusver in Tabasco en Yucatan gezien hebben. Het stelt

een mannelijk wezen voor, zittende op oostersche wijze, met de beenen

onder het lijf gevouwen en de handen rustende op de knieën; de kalme,

waardige houding doet u onwillekeurig aan Boeddha denken. Op het hoofd

draagt het beeld een reusachtig, monsterachtig kapsel, dat de gansche

figuur verplettert. De kleeding is rijk versierd met kralen en parelen

en drie groote medaillons, twee op de schouders en een op de borst.

Rondom het beeld en in ieder vertrek van den tempel vindt men eene

menigte vazen van grof aardewerk en in vorm meest overeenkomende met

ondiepe kommen; de randen zijn met gedrochtelijke menschenhoofden

versierd. Deze vazen werden gebruikt voor het ontsteken van reukwerk;

wij vinden ze terug in alle gebouwen die voor de eeredienst bestemd

schijnen geweest te zijn.

Achter dien tempel en op eene veel hoogere pyramide, vindt men het

belangrijkste monument van de stad Lorillard. Op eene ruime esplanade

stonden daar, in een rechthoek, zes paleizen, waarvan er nog maar

een gedeeltelijk in wezen is. De andere gebouwen zijn niet meer dan

vormelooze puinhoopen. Dit paleis was misschien de woning van den vorst

of eene soort van vesting; in ieder geval was het prachtig gelegen. Van

het terras of de esplanade had men een heerlijk uitzicht; en op nieuw

bewonderde ik den praktischen zin van deze bouwmeesters. De pyramiden,

waarop zij hunne paleizen plaatsten, waren eene werkelijke behoefte in

dit heete en ongezonde land: deze manier van bouwen bezorgde frissche

lucht en was tevens eene verdediging tegen de muskieten en andere

insekten; en bovendien, welk een prachtig panorama ontplooide zich

voor de oogen, bij morgen en avond, over de omringende heuvelen, over

de rivier, over de tuinen en plantages aan de overzijde, en aan den

anderen kant, naar het zuiden, over de wijde vlakte, aan den horizon

begrensd door de schemerende lijnen van de Cordillera.

Het paleis, dat wij bewonen, ligt lager en dichter bij de rivier. Het

was meer vervallen en geschonden dan de tempel en droeg sporen

van dezelfde versiering; maar de constructie scheen slordiger. De

deuren zijn van verschillende afmetingen, en de posten zijn nu eens,

zonder schijnbare reden, recht, dan weer scheef geplaatst; ook is de

verdeeling der openingen en der nissen zeer onregelmatig. Van binnen

is dit paleis een ware doolhof van smalle gangen en kleine vertrekken;

in het achterste gedeelte, in een donker souterrain, waarheen een

sterk glooiende gang afdaalt, bevinden zich twee smalle zalen, die

tot aan de zoldering met steen en gruis gevuld zijn; naar ik vermoed,

zijn dit graven. Althans te Palenqué vond ik in dergelijke vertrekken,

geraamten en vazen. Het gebouw is twintig ellen breed en zestien diep.

Ik heb reeds vroeger gesproken over de gebeeldhouwde deurposten,

in steen of in hout, die ik in de meeste steden van Yucatan, onder

andere ook te Chichen, heb aangetroffen; maar de schoonsten vond

ik te Lorillard. Mijne lezers mogen zich daarvan overtuigen door de

afbeeldingen van twee dezer kleine monumenten op bladz. 157 en 160.

Het kleinste maakt deel uit van den bovendrempel van de middelste

poort des tempels; het paneel heeft een lengte van een el twaalf duim

bij eene breedte van twee-en-tachtig duim. In het midden zien wij

twee figuren, beiden het hoofd gedekt met hooge myters met vederen

versierd; evenals bij het afgodsbeeld, waarvan ik hierboven sprak,

zijn hunne schouderen bekleed met een korten mantel met paarlen

en medaillons en lange franjes getooid; een rijk versierde maxtli

omgordt hunne heupen en hunne voeten zijn in laarzen gestoken,

met lederen riemen bezet.--Deze twee figuren, van verschillende

grootte, schijnen een man en eene vrouw te moeten voorstellen; uit

hunne houding zou men moeten opmaken, dat zij eene godsdienstige

handeling verrichten. De grootste heeft in iedere hand een kruis,

de kleinste alleen in de rechterhand. Het zijn gewone, zoogenaamde

latijnsche kruisen, waarvan de armen met bloemen zijn versierd en die

van boven zijn gekroond met een symbolieken vogel. Ik meen in deze

voorstelling den god Tlaloc te herkennen, den god van den regen en

de vruchtbaarheid, wiens symbool een kruis was; te Palenqué vinden

wij dien god op dezelfde wijze voorgesteld.

Het tweede bas-relief (bladz. 157) is buiten kijf het merkwaardigste

monument, dat wij in Amerika hebben aangetroffen, en dat inderdaad

kunstwaarde heeft. Afgezien van het onmogelijk gelaatsprofiel der beide

figuren--dat trouwens zuiver conventioneel is--zijn de twee beelden

voortreffelijk van bewerking. De voorstelling draagt een godsdienstig

karakter: wij zijn getuigen van eene offerplechtigheid. Een der

personen, die in knielende houding, ongetwijfeld een priester, heeft

zich een met doornen bezet touw door de tong gestoken. De staande

figuur is evenzeer een priester, die, met een grooten palmtak in

de hand, den martelaar schijnt aan te moedigen. Nu weten wij dat de

Mexikanen zich zelven op de gruwelijkste manier pijnigden; dag en nacht

vergoten zij hun bloed in de tempels, ter eere der goden. Torquemada

deelt ons daaromtrent het volgende mede, sprekende over de martelingen,

die de priesters van Quetzalcoatl zich zelven aandeden:

"Ziehier de martelingen, die de priesters van Camaxtli te Tlascala en

die van Quetzalcoatl te Cholula zich zelven oplegden. De priesters

kwamen bijeen onder het voorzitterschap van den oudste hunner,

_achcantli_ genoemd; en na een vijfdaagsche vasten, met verschillende

boetedoeningen gepaard, sloot men hen op in den voornaamsten tempel van

Camaxtli, waar zij eene menigte stokken met zich namen, zoo lang als

een arm en zoo dik als een vuist ongeveer; dan kwamen timmerlieden,

die vijf dagen gevast en gebeden hadden, om deze stokken, volgens

aanwijzing, tot zeer dunne staafjes te maken, waarna men hun buiten

den tempel te eten gaf; vervolgens kwamen de werklieden, die messen

van obsidiaan moesten maken, en zij vervaardigden een aantal messen,

waarmede de tongen der priesters moesten worden doorboord, en zij

legden die neder op een witten doek.

"Daarna volgden gebeden; en als de oude en de jonge priesters te zaam

gekomen waren en gereed voor de offerande, boorde de bekwaamste onder

de werkmeesters hun met een mes een groot gat in de tong.

"Aanstonds stak nu de voornaamste _achcantli_ in zijne doorboorde tong

meer dan vier- of vijfhonderd van die staafjes, die de timmerlieden

gemaakt hadden; de andere oude priesters deden desgelijks, en diegenen

onder de jongeren, die den meesten moed hadden, volgden hun voorbeeld

na.

"Als deze afschuwelijke operatie volbracht was, trachtte de oudste,

die als hoofd gold, ondanks de duldelooze pijn, te zingen, om de

jongeren aan te moedigen tot het volbrengen der ceremonie."

Ons bas-relief stelt ons dus zulk eene offerande aan Quetzalcoatl

of Cuculcan voor, en de tempel, die met deze beeldwerken prijkte,

was aan dien god gewijd.

Eene bijzonderheid, die de geschiedschrijver aan het slot van hetzelfde

hoofdstuk vermeldt, geeft ons de verdere verklaring van het bas-relief.

"Gedurende dien vastentijd--zegt Torquemada--begaf de voornaamste

_achcantli_ zich naar de steden en de dorpen, om de lieden te vermanen

tot de voorbereiding van het groote offerfeest; en tot teeken droeg

hij in de hand een grooten groenen tak.

Dit is duidelijk genoeg. Daar staat de priester met den palmtak in

de hand, waarvan de bladeren rusten op het symbolische teeken van

den wind, waarmede Quetzalcoatl zoo dikwijls wordt afgebeeld. Wij

vinden dus te Lorillard de eeredienst van Tlaloc en van Quetzalcoatl,

de godheden der Tolteken, ook door de Azteken vereerd, en wier dienst

in de veroverde landen werd ingevoerd.

Ons bezoek aan de stad Lorillard, waarvan de indiaansche naam mij

onbekend is, was hiermede afgeloopen. Niet dan met spijt verliet ik

deze nieuwe stad, waar ik mij gaarne langer had opgehouden, want ik

was er zeker van, dat er nog vele nieuwe en misschien belangrijke

ontdekkingen waren te doen. Anderen, in gunstiger omstandigheden

verkeerende, zullen de aangevangen taak, naar ik vertrouw, voltooien

en ook de monumenten op den rechter oever opsporen, van welker bestaan

ik mij verzekerd houde, maar die ik niet heb kunnen vinden.

Wij gaan weer aan boord, en hebben bijna een ganschen dag noodig,

om stroomopwaarts den afstand af te leggen, dien wij, de rivier

afzakkende, in drie uren hadden afgelegd. De stroom is zoo sterk,

dat somwijlen onze manschappen, die de kano voorttrekken, worden

meegesleept; echter komen wij toch vooruit.

Ik hoopte te Yalchilan de Lacandons te vinden, die men mij had

beloofd; zij waren er echter niet, maar het oude opperhoofd had

iederen dag een bode gezonden om te vernemen of wij reeds waren

teruggekeerd; de geschenken, die ik hem had toegezegd, hadden te

zeer zijne begeerlijkheid opgewekt, dan dat ik vreesde dat hij zijn

woord niet zou houden. Den volgenden morgen verscheen hij ook in het

kamp met zijne twee vrouwen en vier jongelieden. Zij waren allen op

dezelfde wijze gekleed: zij droegen een soort van lang wijd hemd of

tuniek met korte mouwen; dit kleedingstuk van grof katoen is zeer

plooibaar en wordt door de vrouwen geweven. Deze tunieken vertoonden

roode vlekken, die ik eerst voor slijkspatten hield; later bleek mij,

dat zij bij wijze van versiering moesten dienen, en dat de verfstof,

waarmede deze ornamenten worden aangebracht, uit de beziën van een

struik wordt getrokken, waarvan de naam mij onbekend is. Daar zij de

kunst niet verstaan, om het geheele kleedingstuk te verven, maken de

Lacandons er deze roode vlekken op; ik vermoed dat dit een bijzonder

privilege is van het opperhoofd en zijne vrouwen, want de hemden van

de jongelieden vertoonen geen spoor van de versiering.

Mannen en vrouwen dragen om den hals zware kettingen, vervaardigd

van verschillende zaden, tanden van apen en wilde zwijnen, nagels

van vogels en muntstukken. Hunne lange, ongekamde ruwe haren hangen

in wanorde om hun hoofd en hals; de vrouwen steken daar een paar

arendsvederen in. Zoowel aan de hemden als aan de halskettingen

schijnen zij bijzondere waarde te hechten, want al mijne pogingen om

een dezer voorwerpen machtig te worden, waren vruchteloos; daarentegen

waren zij aanstonds bereid, mij hunne pijlen en bogen af te staan.

De Lacandons bedienen zich nog van steenen bijlen, waarmede zij de

boomen omhakken, als zij in het bosch een plek willen bebouwen. Met

de grootste dankbaarheid namen zij evenwel de stalen bijlen, de

sabels en messen aan, die ik hun ten geschenke gaf, benevens zout,

waaraan zij gebrek hebben en dat zij zeer gebrekkig vervangen door

de asch van eene zekere houtsoort.

De Lacandons zijn baardeloos, van middelbare gestalte en welgemaakt;

eene van de vrouwen is zelfs mooi te noemen: maar te oordeelen

naar hunne fletsche kleur en bleeke lippen, schijnen allen aan

bloedarmoede te lijden, hetgeen mede een gevolg kan zijn van hun

leven in de donkere, vochtige bosschen. Zij spreken de oude taal der

Mayas, en leven van de jacht, de vischvangst en het bebouwen hunner

kleine akkers. Hunne hutten zijn zindelijk, en men vindt er altijd

een voorraad van tabak en katoen, van maïs en vruchten; zij hebben

geen aardewerk, maar behelpen zich met kalebassen. Hunne voorvaderen

stonden, voor den ondergang van hun volk, op vrij wat hooger trap

van beschaving.

Reis naar Yucatan De Aarde en haar Volken, 1886 · 第 9 / 12 题