VI

Ik heb reeds gezegd, dat er te Chichen-Itza twee cénotés zijn,

reusachtige kuilen, met loodrechte wanden, waarin het water door

onderaardsche beken wordt aangevoerd. Deze twee natuurlijke reservoirs

hebben ongetwijfeld aanleiding gegeven tot de keuze van deze plaats

voor de stichting eener stad en voor de nederzetting eener talrijke

bevolking in den omtrek. De inwoners van Chichen konden zich de moeite

sparen om diepe putten te boren; evenmin behoefden zij kunstmatige

waterbakken of vijvers aan te leggen: de natuur zelve had gezorgd

voor een rijken overvloed van water, een voorraad, die onuitputtelijk

was en ook bij de grootste droogte nooit verminderde. Een van deze

cénotés bevond zich in het midden van de stad, en werd dan ook het

meeste gebruikt; door middel van eene glooiing, waartegen men eene

soort van trap had gemaakt, daalde men naar het water af; de andere,

de heilige cénoté, ligt ten noorden van het Castillo, buiten den

kring der gebouwen en op de grenzen der stad. Om dezen te bereiken,

moeten wij ons een weg banen midden door het bosch; halverwege vinden

wij de helft van een groot beeld van Tlaloc, en in de onmiddellijke

nabijheid groote hoopen van puin, overblijfselen van twee tempels,

aan wier voet wij weder het beeld terugvinden van de gepluimde slang,

Quetzalcoatl of Cuculcan, die de voornaamste godheid der bevolking

van Chichen schijnt te zijn geweest.

De cénoté, die ongeveer honderd-vijftig el verder ligt, is langwerpig

van gedaante; het water is niet te bereiken, want de loodrechte

wand is omstreeks twintig el hoog en biedt nergens eene gelegenheid

tot afdalen. Het water schijnt groen van kleur: dit kan het gevolg

zijn van de aanzienlijke diepte, of ook de weerspiegeling van het

dichte gebladerte rondom den put. Deze eenzame cénoté, waarvan de

wanden met distels, struiken, heesters en lianen begroeid zijn, te

midden van het bosch, maakt een somberen indruk. Deze plek was eens

gewijd als bedevaarts- en offerplaats; Chichen was eene heilige stad,

en deze cénoté behoorde tot de voornaamste heiligdommen. Een kleine

tempel, waarvan wij nog de ruïnen kunnen ontdekken, verrees aan zijn

zoom; aan de lokale godheid werden hier niet enkel halskettingen

van edelgesteenten, gouden en zilveren vazen geofferd, maar ook

volwassen menschen en kinderen, die vermoedelijk hier in de diepte

werden geworpen.

Landa maakt zoowel van den cénoté als van den tempel melding; een

breede, fraai geplaveide weg voert daarheen; hij vindt er vazen en

allerhande soort van offergaven; hij voegt er bij, dat er nog in 1560

menschenoffers werden geslacht.

Mij dunkt, dit is duidelijk genoeg. Meer dan veertig jaren na de

verovering bestaat de tempel nog ongeschonden, vol van afgodsbeelden

en van wijgeschenken, door de toen levende Indianen daar gebracht;

er wordt nog voortdurend dienst in gedaan, en men ziet er afbeeldingen

van Mayas in hun nationaal kostuum. Hoe kan men dan beweren, dat deze

tempels het werk zijn van een verdwenen ras en dagteekenen uit een

tijdvak vóór onze christelijke jaartelling? Het verhaal van Landa

moet iedereen de oogen openen. De stad was tijdens de verovering nog

betrekkelijk jong, en ongetwijfeld bewoond toen Francisco de Montejo

haar voor het eerst in 1527 bezette: immers in 1560 werden de tempels

nog door de geloovigen bezocht.

Van den heiligen cénoté begeven wij ons naar de Kaatsbaan, het

voornaamste en het best bewaard gebleven van al dergelijke gebouwen,

die voor het bij uitnemendheid nationale spel der Indianen waren

bestemd. Het bestond uit twee evenwijdig loopende, zware gemetselde

muren, ongeveer honderd el lang en tien el dik; de afstand tusschen

de muren bedraagt vijf-en-dertig el. Aan het uiteinde dier muren

bevinden zich twee kleine gebouwtjes, waarvan dat aan de noordzijde

slechts een enkel vertrek bevat, van eene op zuilen rustende galerij

of portiek voorzien, waar de aanzienlijke heeren, beveiligd tegen de

brandende zonnestralen, op hun gemak het spel konden gadeslaan. Over

de architektuur en de uitwendige dekoratie van dat gebouwtje kunnen

wij in den tegenwoordigen toestand geen oordeel meer vellen; maar van

binnen was het zeer rijk versierd: de zuilen en muren zijn geheel

met bas-reliefs bedekt, die echter door den tijd in hooge mate

geleden hebben.

Dit groote monument alleen, waarvan alle geschiedschrijvers melding

maken en dat zij Tlachtli en Tlachco noemen, is op zich zelf reeds

een afdoend bewijs voor den tolteekschen invloed in Yucatan, want dit

gebouw komt geheel overeen met de voor het kaatsspel bestemde lokalen

op de hoogvlakten. De groote afmetingen en de rijke versiering van

den Tlachtli te Chichen-Itza, waarvan wij bereids eene proeve hebben

gegeven (zie bladz. 36), leveren ons het bewijs, dat het geliefkoosde

spel van de bewoners der hoogvlakten in Yucatan niet minder in eere

werd gehouden.

Wij mogen Chichen-Itza niet verlaten, zonder nog te spreken van de

beide beelden, op de bladz. 33 en 35 afgebeeld. Het eene is afkomstig

van Chichen, waar het eenige jaren geleden gevonden werd; het andere

is afkomstig uit den omtrek van Tlascala in de onmiddellijke nabijheid

van Mexiko: alzoo op grooten afstand van het eerste. Naar de meening

van doctor Hamy, waarmede ik mij geheel kan vereenigen, stellen de

beide beelden den tolteekschen god Tlaloc voor, den god van den regen

en den overvloed.

Een enkele blik op de beide beelden is voldoende om ons te overtuigen,

dat zij denzelfden persoon moeten voorstellen. Het verschil in de wijze

van bewerking doet niets ter zake: het is blijkbaar dezelfde persoon,

in dezelfde houding, met dezelfde kom op den buik om den regen op

te vangen, en hetzelfde soort van kapsel of hoofddeksel. Het eene

beeld is van kalksteen en het andere van basalt; dat uit den omtrek

van Tlascala is misschien van zuiver tolteekschen arbeid en dan zeer

oud; maar van waar het ook afkomstig moge zijn, het is zeer stellig

tolteeksch van karakter en verspreidt dus ook licht over het andere

beeld van Chichen-Itza.

Van Merida begeven wij ons naar Ticul in het zuiden, om vandaar uit

de fraaie ruïnen van Kabah te bezoeken. Van dezen tocht is niets te

zeggen: het landschap van Yucatan is bij uitnemendheid eentonig,

de eene weg gelijkt volmaakt op den anderen. In deze streek zijn

de woningen of hofsteden minder ver van elkander verwijderd,

maar onderscheiden zich overigens niet van de haciendas in andere

streken. Als naar gewoonte, in den vroegen morgen vertrokken, komen

wij omstreeks negen uren te Uayalceh; de muildieren moeten eenige

rust nemen, en wij maken daarvan gebruik om te ontbijten.

In deze groote hofsteden moet men voor de genoten gastvrijheid betalen;

maar de reizigers worden er goed ontvangen; men beijvert zich om u

te bedienen en de prijzen zijn matig. Terwijl ons maal wordt gereed

gemaakt, gaan wij de hacienda bezien. Uayalceh is een indiaansch

woord, dat "de rust van het hert" beteekent; de dusgenoemde plantage

is waarschijnlijk de voornaamste in Yucatan. Men verbouwt hier, behalve

de noodige maïs voor de voeding van het talrijke personeel, uitsluitend

henequen; dit gewas is trouwens winstgevend genoeg, want men verzekert

mij dat de netto opbrengst vijftigduizend piasters bedraagt, dat

is omstreeks tweehonderd-vijftigduizend francs. De hacienda is voor

een millioen te koop! Dat geeft dus eene rente van vijf-en-twintig

percent! Het spijt mij, dat ik geen millioen beschikbaar heb.

Op de hacienda leeft eene bevolking van niet minder dan twaalfhonderd

personen, die allen een of anderen arbeid verrichten. De kinderen

zijn in de woning, onder het opzicht van een ouden Indiaan, bezig met

het schoonmaken van een gewas, waarvan de naam mij onbekend is. Hun

vroolijk gezang weergalmt door het geheele huis. Vrouwen gaan en

komen, in lange rijen achter elkander, naar en van de noria, om de

waterkruiken te vullen, die zij op haar hoofd dragen. Men zou zich in

den tijd der aartsvaders verplaatst wanen, kwam niet de stoommachine

den indruk bederven.

Des avonds omstreeks vijf uren komen wij te Ticul, waar, door de

goede zorgen van onzen vriend Don Antonio Fajardo, voor ons een huis

in gereedheid is gebracht, dat wij aanstonds betrekken.

Ticul mag in waarheid eene stad worden genoemd; welvarend en mooi,

goed gelegen, niet ver van de heuvelreeks, die van het noordwesten

naar het zuidoosten het schiereiland doorsnijdt. Alle sporen van

den indiaanschen oorlog schijnen hier uitgewischt; alles ziet er

splinternieuw uit, uitgezonderd de kerk en het groote klooster, waar

de door Stephens zoo hoog geroemde abt Carillo woonde, en dat bijna

een bouwval is. Daar woont in een der haast niet bruikbare kamers de

nieuwe pastoor, een vroolijk, voorkomend, aangenaam man, de broeder

van den zoo even genoemden abt, van wien de amerikaansche reiziger

ons zoo veel goeds vertelt.

De inwoners van Ticul zijn zeer vriendelijk en ontvangen ons met

groote hartelijkheid. Evenmin als elders in Yucatan, vindt men ook

hier een hotel; maar in de kleine _tienda_, waarin wij onzen intrek

nemen, vonden wij eene goede bediening en eene vrij wat betere tafel

dan te Merida. Daar ontvangen wij geregeld bezoek van eenigen der

voornaamste burgers van Ticul, die ons helpen bij onze studie en met

wie wij onze avonden op de aangenaamste wijze doorbrengen.

Ons doel was in de eerste plaats de ruïnen van Kabah te bezoeken, die

tot de hacienda Santa-Ana behooren; maar tusschen de hacienda en de

ruïnen strekt zich een bosch van vier mijlen uit, waardoor geen enkele

weg loopt. Don Antonio geeft mij den raad eenige manschappen vooruit te

zenden, om een weg te banen; en op last van den burgemeester zal een

troep Indianen van het dorp Santa-Helena den arbeid verrichten. Wij

zullen twee dagen geduld moeten oefenen; en daar er op de hacïenda

Yokat een feest of kermis zal worden gevierd, dringt de eigenaar,

die niemand anders is dan onze vriend Fajardo, er op aan, dat wij

daarbij tegenwoordig zullen zijn. Zoo gezegd, zoo gedaan.

Deze feesten in Yucatan worden zeer druk bezocht en lokken een

aantal menschen, ook al worden zij buiten op het land gevierd. Het

feest te Yokat moest drie dagen duren; stierengevechten, dansen,

maaltijden in de open lucht, kramen en tenten van allerlei soort,

niets zal er ontbreken; en van tien mijlen in den omtrek stroomt de

bevolking er heen. De weg is vol van voetgangers en _volans cochés_:

deze wonderlijke rijtuigen, opgepropt met fraai uitgedoste vrouwen,

schijnen welhaast bewegelijke bloemenkorven.--De hacienda, mooi gelegen

aan den voet van een steilen heuvel, bestaat uit ruime gebouwen en

prachtige tuinen; de gelukkige eigenaar is zeer verheugd als ik hem

mijn oprecht gemeend compliment maak over zijne kostbare bezitting.

Wij wonen de mis bij, gevolgd door eene preek in de taal der Mayas, die

zeer zacht en welluidend klinkt; voor kapel dient eene lange galerij,

waar een groot aantal mooie vrouwen, in haar fraaie rijk geborduurde

kleederen en met gouden kettingen versierd, liggen neergeknield

of op den grond zitten; allen volgen met eerbiedige aandacht de

heilige handeling. Nauwelijks heeft de priester het _Ita missa est_

uitgesproken, of zij zweven weg, als een dartele vogelenzwerm.

Daarop volgden de voorstellingen; ik druk de kleine handjes der

koninginnen van het feest, drie jonge meisjes van vijftien tot achttien

jaar, waarvan de eene met volle recht eene schoonheid van den eersten

rang mag worden genoemd. Er worden ververschingen gepresenteerd;

en elke van deze bekoorlijke jonge meisjes komt haar rozenlipjes aan

mijn glas zetten: dit is zoo het gebruik.

Intusschen groeit de menigte van oogenblik tot oogenblik aan; zij vult

de ruime binnenplaatsen van de hacienda en het uitgestrekte terrein

voor de woning; daar bevindt zich de circus voor de stierengevechten,

een groot amphitheater van takken, met verwonderlijke vlugheid door

de Indianen in elkaar gezet. Het geheel bestaat uit planken, takken,

palmbladen, lianen, zonder een enkelen spijker: en toch zit alles

vast en zal dit luchtig getimmerte, zonder gevaar van bezwijken,

het gewicht kunnen torschen van ettelijke duizenden toeschouwers.

Daartegenover bevindt zich de balzaal, van takken en groen gemaakt;

en verder, in bonte wanorde door elkander, een aantal kraampjes

en winkeltjes, waar allerlei soorten van drank, vooral ook koppig

engelsch bier, worden verkocht, en waarvoor de dorstige klanten

elkaar verdringen. Er wordt sterk gedronken; de opgewondenheid neemt

hand over hand toe; het is een geraas, een geschreeuw een gejuich,

dat hooren en zien vergaat.

Het uur voor de stierengevechten is gekomen; de circus is overvol;

voor mij ligt de aantrekkelijkheid van het schouwspel minder in

de kampplaats, dan wel in het publiek, hoofdzakelijk bestaande uit

mestiezen-vrouwen, stralende van vreugde en genot, uitgedost in haar

fraaiste kleederen, schitterende in de bontste kleuren, in roode,

gele en blauwe borduursels, die zoo goed uitkomen tegen de sneeuwwitte

jurken, te midden van wolken van kant, waartusschen de gouden kettingen

en edelgesteenten vonkelen. Welk een betooverende aanblik! En, vreemd,

niet waar? er zijn daar ruim tweeduizend toeschouwers en daaronder

hoogstens drie- of vierhonderd mannen: men zou zeggen, dat men zich

in eene vergadering van dames bevond. Deze wanverhouding tusschen

het mannelijk en het vrouwelijk element is een verschijnsel, dat men

in alle heete landen aantreft, waar het blanke ras zich gevestigd

heeft. Op Java zijn van de zeven kinderen, die geboren worden,

gemiddeld vijf meisjes. Hier schijnt het verschil nog grooter: de

verhouding is hier, naar men zegt, van zeven of acht op tien. Mijn

gastheer heeft acht dochters en twee zoons; op eene bevolking van

honderd-elf-duizend blanken of mestiezen, zou men dus ter nauwernood

twee-en-twintigduizend mannen tellen. Deze schromelijke wanverhouding,

het onwedersprekelijk bewijs van den achteruitgang en de verbastering

van het ras, komt natuurlijk niet voor bij de indiaansche bevolking,

die op honderd-vijftigduizend zielen wordt geschat, en die dus het

evenwicht eenigermate zou helpen herstellen. Men moet echter ook

niet vergeten, dat de onophoudelijke burgeroorlogen en de langdurige

gevechten met de Indianen onder de mannelijke bevolking groote

verwoestingen hebben aangericht; misschien is ook daaraan voor een deel

het ontzaglijk overwicht van het vrouwelijk element toe te schrijven.

Vermoeid van het oorverdoovend geraas, van valsche muziek en eindeloos

herhaalde dansen, keer ik naar Ticul terug, waar ik tijding hoop te

vernemen van mijne werklieden. Bij mijne tehuiskomst hoor ik inderdaad

dat de weg naar de ruïnen gebaand is, en dat ik vertrekken kan wanneer

het mij behaagt.

Reis naar Yucatan De Aarde en haar Volken, 1886 · 第 6 / 12 题