Don Antonio gaat met ons naar de hacienda Santa-Ana, waarvan hij
administrateur is; wij zullen daar ons hoofdkwartier vestigen, en
de volans-cochés zullen ons, langs den nieuw geopenden weg, naar de
ruïnen brengen. Santa-Ana ligt vier mijlen van Ticul verwijderd;
Kabah ligt nog een mijl verder. Deze zeer oude nederzetting werd
gedurende den burgeroorlog verlaten, maar begint zich tegenwoordig
weder eenigzins te herstellen. De bouwmaterialen heeft men in de
onmiddellijke nabijheid voor het grijpen; zij zijn afkomstig uit een
groep belangrijke pyramiden, die vroeger met gebouwen waren gekroond,
welke thans geheel in puin liggen. Onder die materialen merken wij
vierkante, geheel nieuwe pilaren op, met dorische kapiteelen; en,
hetgeen opmerkelijk is, de kanten dezer pilaren zijn even als onze
steenen behouwen en vertoonen de duidelijke sporen van een metalen
werktuig, dat van tanden moest zijn voorzien. Het schijnt mij
onaannemelijk, dat deze pyramiden, tempels en paleizen, met hunne
beeldwerken en bas-reliefs, met behulp van steenen werktuigen zouden
zijn vervaardigd: de Indianen moeten, om zulke werken te hebben kunnen
voltooien, in het bezit zijn geweest van metalen instrumenten. Zij
gebruikten, naar het schijnt, bijlen en andere werktuigen van koper
met tin gemengd, die bijzonder hard moeten zijn geweest.
De geschiedschrijvers maken ter nauwernood gewag van de ruïnen van
Kabah, evenmin als van die van Labnah, Sacbey, Iturbide en vele
andere groepen van oude dorpen, op den afstand van dertig of veertig
mijlen ten zuiden van Merida; nu en dan spreken zij van de vorsten
dier vlekken als van de lieden van de Sierra, omdat deze vlekken
of steden aan de andere zijde waren gelegen van de heuvelketen,
die Yucatan doorsnijdt.
Te oordeelen naar hare monumenten, moet Kabah echter eene van
de belangrijkste steden van het schiereiland zijn geweest; hooge
pyramiden, reusachtige terrassen met indrukwekkende ruïnen bedekt,
triomfbogen, paleizen, beslaan eene aanzienlijke oppervlakte. Deze
gebouwen, met die van Uxmal, welke wij zoo aanstonds zullen bezoeken,
en die van Chichen-Itza, welke wij reeds kennen, kunnen ons een
volledig denkbeeld geven van de architektuur in Yucatan, en leveren
tevens het afdoend bewijs voor de eenheid der beschaving in het
schiereiland.
Al deze monumenten, van de oudste tot de jongste, hebben denzelfden
oorsprong, zijn afkomstig van hetzelfde volk en vertoonen allen,
met eenige varianten, denzelfden karaktertrek. Zie het eerste paleis
van Kabah: de voorgevel is op de weelderigste wijze versierd, maar wij
vinden hier dezelfde kolossale figuren terug, die wij te Chichen hebben
gezien, en die het best zijn te vergelijken met die reusachtige houten
afgodsbeelden, uit boven elkander geplaatste hoofden bestaande, die van
de eilanden in den Stillen-oceaan afkomstig zijn. De versiering van dit
monument is tot in het buitensporige overdreven: de architektonische
lijnen, ja ik zou bijna zeggen, het gebouw zelf verdwijnt geheel en
al, om plaats te maken voor ornamenten. De zeer vervallen toestand,
waarin het monument verkeert, laat niet meer toe, een oordeel over het
geheel te vellen; maar deze vijftig el breede voorgevel met zijne alles
overstelpende dekoratie moet een zonderlingen indruk hebben gemaakt.
Evenals alle monumenten in Yucatan, verrees ook dit paleis op
eene pyramide van twee verdiepingen; voor het gebouw strekte zich
eene ruime esplanade uit, waarop zich ter wederzijde twee breede
waterbakken bevonden en in het midden de zuil voor de strafoefeningen,
de _picoté_. Het inwendige van het paleis bevat eene dubbele reeks
van zalen, de schoonste, die wij nog gezien hebben. Zij hebben eene
lengte van ongeveer negen, bij eene breedte van ruim drie el, en zijn
zes el hoog. In alle zalen waren de wanden beschilderd en met beelden
en opschriften bedekt, zoo als blijkt uit de brokstukken die ons nog
zijn overgebleven: het is zelfs waarschijnlijk, dat de gebouwen geheel
beschilderd waren. De polychromie was dus bij de Yucateken in gebruik,
even als bij de volken der oude wereld. Ook bij hen werd, even als
in de klassieke oudheid, de schilderkunst nooit van de bouwkunst
gescheiden: die beide kunsten vulden elkander aan, en hetgeen wij nu
eene schilderij noemen, bekleedde toen slechts eene zeer onderschikte
plaats. Ook hier besteedde de kunstenaar zijne voornaamste zorg aan
de uitwendige dekoratie; en die levendige sprekende kleuren, in zoo
weelderigen rijkdom aangebracht op de breede gevels, moeten, met de
warreling der monsterachtige figuren, niet weinig hebben bijgedragen
tot verhooging van de zeker echt barbaarsche pracht dezer wonderlijke
gebouwen.
Het tweede paleis ligt honderd-vijftig el ten noordoosten van het
eerste; het verheft zich evenzoo op eene pyramide, en heeft ook
zijne esplanade met twee waterbakken en een _picoté_; maar het staat
bovendien op een tweede terras, dat eene reeks zalen bevat, die geheel
zijn verwoest. In het midden bevindt zich de trap, gedragen door een
soort van gewelf, die toegang geeft tot het gebouw.
Dit zeer lage paleis--de hoogte bedraagt niet meer dan vijf
el--onderscheidt zich door zijn eenvoud, tegenover de overladen
versiering van het andere. De gevel, die bijna nog in zijn geheel
aanwezig is, heeft eene breedte van vijftig el; in dien gevel zijn
zeven openingen, waarvan twee toegang geven tot twee kleine en
nauwe vertrekjes. Het benedenste gedeelte van den muur is zonder
versiering; de fries boven de weinig uitstekende kroonlijst bestaat
uit kleine zuilen, bij drietallen gegroepeerd, met een vlakken muur
tusschenbeiden. Het achterste gedeelte van het paleis is geheel
vernield.
Links van dit monument verrijst eene pyramide met verschillende
verdiepingen, voorzien van vier trappen, die naar de bovenste terrassen
voerden, waar de gebouwen geheel in puin liggen. Deze pyramide is
omringd door vertrekken van verschillende afmetingen, waarvan de deuren
of toegangen soms door pilaren in tweeën gescheiden zijn. De posten
en drempels der deuren zijn van steen, even als in het tweede paleis;
voor het meerendeel zijn die posten zeer goed bewaard gebleven.
Omtrent de geschiedenis van Kabah verkeeren wij niet ten eenemale in
het duister. Wij zeiden reeds, dat bij de verschijning der Spanjaarden,
Yucatan in verschillende onafhankelijke vorstendommen of heerlijkheden
was verdeeld. Maar een eeuw vroeger voerde de vorst van eene zekere
stad, Mayapan genoemd, den schepter over het geheele schiereiland:
hij had de aan zijn vorstendom grenzende gewesten onderworpen en,
als naar gewoonte, hunne hoofdsteden verwoest. De caciquen van de
Sierra, waartoe ook de vorsten van Kabah, Uxmal enz. behoorden,
waren onder de verwonnelingen.
De vorst van Mayapan kon zijn gezag alleen staande houden met behulp
van eene mexikaansche bezetting: dit geeft ons een datum. Wij
weten namelijk dat de Azteken schatplichtig waren aan den koning
van Azcapozalco, en dat zij eerst onder de regeering van Itzcoatl,
omstreeks het jaar 1425, hunne onafhankelijkheid herwonnen; dat zij
echter eerst onder de regeering van Montezuma I, omstreeks 1440,
invloed verwierven en veroverend optraden; zij konden dus eerst in
dezen tijd aan den vorst van Mayapan hulptroepen zenden.
Om zijne heerschappij te verzekeren en zijne vazallen in onderwerping
te houden, dwong de koning van Mayapan de hoofden der voornaamste
familiën om als gijzelaars aan zijn hof te vertoeven; het juk der
overheersching drukte des te zwaarder en scheen te hatelijker, omdat
de overwinnaar steunde op de hulp van vreemde soldaten. De andere
vorsten sloten onderling een verbond, waaraan ook de bewoners van
de Sierra deelnamen; het kwam tot een oorlog; de koning van Mayapan
werd overwonnen en zijne stad geheel verwoest. De gevangen gehouden
caciquen keerden naar hunne woonsteden terug.
Dit geschiedde in 1420, volgens Landa; maar volgens Herrera, wiens
chronologie veel juister schijnt en door beter bewijzen gestaafd, in
1460. "Volgens hem verliepen er zeventig jaar tusschen de verwoesting
van Mayapan en de komst der Spanjaarden: Montejo nu hield van 1528
tot 1531 Chichen bezet. Herrera verzekert ook, dat na de verdeeling
van het land in onafhankelijke gewesten, de bevolking zich zoo sterk
vermenigvuldigde, dat het geheele land slechts eene enkele stad scheen;
men bouwde overal tempels en paleizen: "het is daarom dat er zoo velen
van zijn." Ook Landa zegt hetzelfde: ook hij verzekert dat de bevolking
buitengewoon toenam en dat er tempels in menigte gebouwd werden,
"zoodat men die heden nog overal ziet, en dat men in de bosschen,
te midden van het woud, groepen van huizen en verwonderlijk schoon
bewerkte paleizen vindt."
De monumenten, waarvan wij de ruïnen nog heden kunnen bestudeeren,
zijn dus in geenen deele uit lang vervlogen eeuwen, uit voorhistorische
tijden afkomstig.
De weg van Kabah naar Santa-Helena is een der beste, die wij nog
ontmoet hebben: hij is vrij breed, goed belommerd en niet al te
oneffen. Was deze bruikbare weg voor ons reeds eene verrassing,
eene nog grootere wachtte ons, toen wij het prachtige indiaansche
dorp Santa-Helena bereikten.
Dit dorp beslaat eene aanzienlijke uitgestrektheid gronds, die,
even als eene nieuwerwetsche stad, in regelmatige vierkante
vakken is verdeeld; elk vak, met groote boomen beplant, is weder
gesplitst in perceelen van ongeveer tweeduizend el in oppervlakte,
omringd door muren van gedroogden steen, waarop de woning van den
eigenaar staat. Eenige bloeiende heesters en vruchtboomen vormen
kleine bosschages, en nabij de woning ziet ge een soort van groote
horde van rijswerk, twee meter in het vierkant en op palen rustende,
waarover een laag teelaarde is gespreid. In dit hangende tuintje
kweekt de eigenaar bloemen en eenige groenten. Een zwerm van gevogelte
stoffeert het stille plekje: het gekakel van kippen, het gekwaak van
eenden en het geklok van kalkoenen vermengt zich met het geknor van
varkens. Alles teekent welvaart, bijna overvloed.
Dit dorp was voor mij bijna eene openbaring uit het verleden. Zoo moet,
zeide ik tot mij zelven, een dorp der Mayas er hebben uitgezien. Uit
hetgeen wij voor oogen hebben, kunnen wij zonder moeite en met meer dan
waarschijnlijkheid tot de vroegere toestanden besluiten; de eeuwenoude
traditiën, de overgeërfde begrippen en voorstellingen, geheel de
omgeving oefenen een zoo machtigen invloed op de menschen uit, dat er
in de indiaansche organisatie niet veel veranderd kan zijn. Van waar
zou ook zulke verandering gekomen zijn? De Spanjaarden hebben wel,
ook in Yucatan, hunne godsdienst ingevoerd, en dat geschiedde meer
door geweld, dan langs den weg der overtuiging; maar zij konden noch
de bebouwing des lands, noch de kleederdracht, noch de zeden, noch
de taal veranderen. Zij zelven ondergingen, door de aanraking met het
onderworpen ras, gaandeweg eene zeer wezenlijke verandering; en indien
het hun al gelukte de plaats in te nemen van de oude beheerschers des
lands, zoo traden zij toch onder menig opzicht, eenvoudig in hun spoor.
Yucatan was eene feodaliteit, waarvan de sporen nog geheel te
herkennen zijn; overal langs de wegen en in de bosschen, vindt men
de overblijfselen van meer of minder belangrijke gebouwen, die het
middelpunt vormden van eene nederzetting, van eene groote plantage:
de twee, drie of vier pyramiden, vroeger met monumenten bedekt,
stellen ons nog in staat ons een denkbeeld te maken van de macht en
het aanzien van den cacique, die daar weleer zijn zetel had.
Tegenwoordig zijn die nederzettingen ongetwijfeld minder talrijk en
minder belangrijk, want de bevolking is tot minder dan een tiende
geslonken, dank zij het vaderlijk regeeringsstelsel der veroveraars;
maar de steden, dorpen en haciendas hebben dezelfde bestemming én
staan nog op de oude plaats: daar zijn er maar weinigen, in wier
onmiddellijke nabijheid men geen ruïnen vindt en die niet zijn gebouwd
met de materialen, van de vroegere monumenten afkomstig. Overal
heeft de Spanjaard de plaats ingenomen van den overwonnen cacique;
er is niets veranderd, dan alleen dat de oude adellijke familie tot
armoede en slavernij is vervallen.
In het wezen der zaak is niets veranderd: de hacienda met haar gebouwen
in spaansch-moorschen stijl heeft de plaats ingenomen van het paleis
der vorsten of de nederiger woning van den edelman. Maar even als
vroeger, omgeven de hutten der arbeiders en onderhoorigen ook nu het
huis van den heer, en die hutten vertoonen nog heden het beeld der
vroegeren: ook zij zijn langwerpig van vorm, met riet gedekt, en,
wanneer de bewoner maar eenigszins welgesteld is, versierd met die
kleine ruitvormige teekeningen, eene flauwe afschaduwing der rijke
dekoratie van de paleizen der vroegere vorsten.--Alleen de godsdienst
is veranderd: de kerk heeft den tempel verdrongen: maar wie zal zeggen,
in welke mate de oude heidensche wereldbeschouwing nog leeft in de
harten dezes volks? Van Santa-Helena begeven wij ons naar Uxmal, waar
ons de administrateur, Don Luïz Perez, wachtte. De hacienda is niet
meer de verlaten, eenzame woning van voorheen: er heerscht thans leven
en beweging, en overal is alles in volle werkzaamheid. In plaats van
eene eenvoudige hut, aanschouwt ge een statig gebouw, dat ruime zalen
en vertrekken bevat en met eene op kolommen rustende veranda prijkt. In
de werkplaats zijn dag en nacht honderden Indianen aan den arbeid; een
spoorweg loopt van de hacienda naar de plantages en de met muildieren
bespannen wagens voeren onophoudelijk vrachten suikerriet aan; er is
een rustelooze beweging, een komen en gaan van menschen en paarden
en vee: alles teekent leven en welvaart. Maar evenals vroeger, is de
woning ongezond; en de majordomo klaagt bitter over de sluipkoortsen,
die zijne gezondheid ondermijnen.
De ruïnen zijn twee mijlen van de hacienda verwijderd.
Uxmal, de mededingster van Chichen, is reeds meermalen beschreven;
wij zullen ons dus hier tot het voornaamste bepalen. Daaronder komt
de eerste plaats toe aan het zoogenaamde paleis van den gouverneur,
buiten kijf het grootste en het prachtigste van alle oude monumenten
in Amerika; zijne ligging op drie opeenvolgende terrassen verhoogt nog
het effekt van dit tegelijk sobere en rijke gebouw. Hoewel sedert drie
eeuwen verlaten, schijnt dit paleis nog bijna nieuw; het zou geheel
ongeschonden zijn, indien de vroegere eigenaars niet de steenen van
het onderste gedeelte hadden laten weghalen om daarmede hunne hacienda
te bouwen.
Het zoogenaamde paleis der nonnen beslaat een groot parallelogram,
gevormd door vier fraaie gebouwen, wier bij uitnemendheid rijke
ornamentatie aanstonds de aandacht trekt. De noordelijke vleugel van
dit paleis bevat een stuk van een kleiner en ongetwijfeld ouder gebouw:
naar men vermoedt, zou dit het overblijfsel zijn van een paleis,
dat deel uitmaakte van eene vroegere stad Uxmal, die, naar men zegt,
verwoest werd. Het laatste paleis dagteekent vermoedelijk uit den
tijd na den val van Mayapan.
Het huis van den Dwerg, ook het huis van den Waarzegger genoemd,
is een zeer fraaie tempel op den top eener zeer steile pyramide,
die eene hoogte bereikt van bijkans honderd voet. De tempel bestaat
uit twee gedeelten: het eene staat op het bovenste terras; het
andere is bij wijze van souterrain daartegen aangebouwd en met den
gevel naar het westen gekeerd. Deze soort van kapel was zeer rijk
versierd en waarschijnlijk aan den dienst van een der voornaamste
goden gewijd. Twee groote trappen, een ten oosten en een ten westen,
voeren naar de beide gebouwen.
Pater Cogolludo bezocht dien tempel in 1656; hij verhaalt ons dat
de trap zoo steil was dat hij er duizelig van werd, en dat hij in
een der zalen van het gebouw offeranden van cacao vond en sporen
van copal, die men er sedert kort gebrand had: hieruit blijkt dus,
dat de Indianen van Uxmal, honderd-vijftien jaren na de verovering,
nog aan hunne goden offerden. Daaruit blijkt ook, dat de tempel nog in
wezen was en dat de Indianen er nog hunne oude eeredienst uitoefenden.
Uxmal is de eenige stad, waar de gebouwen zoo geplaatst zijn, dat
men ze gezamenlijk overzien kan. Bepaaldelijk wordt de aandacht
getrokken door eene groote pyramide zonder monument, met eene breede
vlakke kruin, die den naam draagt van _Cerro de los sacrificios_,
heuvel der offeranden, waar de menschenoffers plaats grepen. Deze
pyramide zou dan eene navolging zijn van de mexikaansche tempels,
welke uit eene pyramide bestonden, met kleine houten kapellen waarin
de beelden van de afgoden stonden, en den _techcatl_, een blok steen
met bolle oppervlakte, waarop het slachtoffer werd uitgestrekt, zoodat
de vooruitstekende borst gemakkelijk door het mes van den priester
kon worden opengesneden, die er vervolgens het hart uitnam. Het
menschenoffer geschiedde altijd ten aanschouwe van het volk, aan
den rand der pyramide, van waar men vervolgens het lijk naar beneden
wierp, opdat de toeschouwers het onder zich zouden kunnen verdeelen
en verslinden.
De Tolteken daarentegen, bij wie het menschenoffer niet in gebruik was,
hadden werkelijk tempels op hunne pyramiden, naar de beschrijving te
oordeelen, geheel overeenkomende met die, welke men in Yucatan ziet,
waar zij deze wijze van bouwen invoerden en ontwikkelden. Vinden
wij dus bij de Mayas het menschenoffer en de daarmede verbonden
anthropophagie, dan kunnen wij dit gebruik alleen aan mexikaansche
invloeden toeschrijven: alle geschiedschrijvers verklaren dan ook
eenstemmig dat het de Azteken waren, die deze afschuwelijke gewoonte
in het schiereiland invoerden. Maar wij weten dat deze Azteken niet
voor het jaar 1440 als hulptroepen naar Mayapan konden komen. De voor
het voltrekken der menschenoffers bestemde monumenten kunnen dus niet
ouder zijn dan de tweede helft der vijftiende eeuw.
Ik kan te dezer plaatse deze kwestie van den ouderdom der monumenten
van Yucatan niet in alle bijzonderheden bespreken; op deugdelijke
gronden ben ik overtuigd dat de steden van het schiereiland, op
verschillende tijden door de veroverende Tolteken gesticht, voor het
meerendeel niet ouder zijn dan de elfde eeuw, en dat de jongsten uit
de vijftiende eeuw dagteekenen.
Wij nemen afscheid van de ruïnen en slaan den weg in naar Muna,
een aanzienlijk vlek, waar een feest gevierd wordt. Welk een aantal
feesten! Bijna in elk dorp, dat wij doortrekken, is het feest. Dat is
eene uitmuntende gelegenheid om te drinken; het wemelt van beschonkenen
en de herbergen zijn vol van Indianen, die het verfoeilijke bier
drinken. Maar ge hoort geen geschreeuw en ziet geen vechtpartijen of
ergerlijke tooneelen: zelfs in hunne dronkenschap zijn deze lieden stil
en vreedzaam. De een gaat op den grond liggen; een ander ziet u met
verglaasde oogen aan; een derde wil u uit louter teederheid omhelzen.
Op het marktplein waggelt een mooie, rijzige mesties, met een
blauwen hoed op en geheel in het nieuw gestoken; hij valt, maar
richt zich weer op, dank zij de krachtige hulp van zijne moeder en
zijne vrouw, die hem zoo goed zij kunnen ondersteunen en trachten
weg te voeren. Dicht bij ons, op de trappen van de herberg, waar
wij onzen intrek genomen hebben, richt een jonge Indiaan zich op:
aarzelend kijkt hij naar den winkel, waaruit hij naar buiten is
getuimeld, en die hem zoo onwederstaanbaar lokt met al die gevulde
flesschen. Twee schreden verder staat zijne kleine vrouw, die hem
wacht, en hem met haar zachte stem toefluistert, "_Coox...._ laat
ons gaan." Maar hij gaat niet: de verzoeking is hem te sterk: hij
keert in de herberg terug en komt naar buiten met een gevuld glas,
dat hij zijne echtgenoote aanbiedt. De Indiaansche keert zich om,
omsluiert zich het gelaat, drinkt het glas leeg, en zegt tot haar
gemaal, maar op nog zachter toon: "_Co.....ox_." Hij, denkende haar
overreed te hebben, lacht onnoozel, keert in de herberg terug, drinkt
nog een glas en gaat nu, bijna bewusteloos, met dof starende oogen,
weer op de trap liggen. "_Co....ox....coox_," herhaalde de vrouw op
klagenden toon; maar hij hoorde haar niet meer. De ongelukkige zal
daar misschien den geheelen nacht blijven liggen, en zijne vrouw zal
bij hem waken tot de dag aanbreekt.
Wij vernachtten te Abala in eene verlaten hut, en kwamen den volgenden
morgen ten tien uren, te Merida.