VII

Don Antonio gaat met ons naar de hacienda Santa-Ana, waarvan hij

administrateur is; wij zullen daar ons hoofdkwartier vestigen, en

de volans-cochés zullen ons, langs den nieuw geopenden weg, naar de

ruïnen brengen. Santa-Ana ligt vier mijlen van Ticul verwijderd;

Kabah ligt nog een mijl verder. Deze zeer oude nederzetting werd

gedurende den burgeroorlog verlaten, maar begint zich tegenwoordig

weder eenigzins te herstellen. De bouwmaterialen heeft men in de

onmiddellijke nabijheid voor het grijpen; zij zijn afkomstig uit een

groep belangrijke pyramiden, die vroeger met gebouwen waren gekroond,

welke thans geheel in puin liggen. Onder die materialen merken wij

vierkante, geheel nieuwe pilaren op, met dorische kapiteelen; en,

hetgeen opmerkelijk is, de kanten dezer pilaren zijn even als onze

steenen behouwen en vertoonen de duidelijke sporen van een metalen

werktuig, dat van tanden moest zijn voorzien. Het schijnt mij

onaannemelijk, dat deze pyramiden, tempels en paleizen, met hunne

beeldwerken en bas-reliefs, met behulp van steenen werktuigen zouden

zijn vervaardigd: de Indianen moeten, om zulke werken te hebben kunnen

voltooien, in het bezit zijn geweest van metalen instrumenten. Zij

gebruikten, naar het schijnt, bijlen en andere werktuigen van koper

met tin gemengd, die bijzonder hard moeten zijn geweest.

De geschiedschrijvers maken ter nauwernood gewag van de ruïnen van

Kabah, evenmin als van die van Labnah, Sacbey, Iturbide en vele

andere groepen van oude dorpen, op den afstand van dertig of veertig

mijlen ten zuiden van Merida; nu en dan spreken zij van de vorsten

dier vlekken als van de lieden van de Sierra, omdat deze vlekken

of steden aan de andere zijde waren gelegen van de heuvelketen,

die Yucatan doorsnijdt.

Te oordeelen naar hare monumenten, moet Kabah echter eene van

de belangrijkste steden van het schiereiland zijn geweest; hooge

pyramiden, reusachtige terrassen met indrukwekkende ruïnen bedekt,

triomfbogen, paleizen, beslaan eene aanzienlijke oppervlakte. Deze

gebouwen, met die van Uxmal, welke wij zoo aanstonds zullen bezoeken,

en die van Chichen-Itza, welke wij reeds kennen, kunnen ons een

volledig denkbeeld geven van de architektuur in Yucatan, en leveren

tevens het afdoend bewijs voor de eenheid der beschaving in het

schiereiland.

Al deze monumenten, van de oudste tot de jongste, hebben denzelfden

oorsprong, zijn afkomstig van hetzelfde volk en vertoonen allen,

met eenige varianten, denzelfden karaktertrek. Zie het eerste paleis

van Kabah: de voorgevel is op de weelderigste wijze versierd, maar wij

vinden hier dezelfde kolossale figuren terug, die wij te Chichen hebben

gezien, en die het best zijn te vergelijken met die reusachtige houten

afgodsbeelden, uit boven elkander geplaatste hoofden bestaande, die van

de eilanden in den Stillen-oceaan afkomstig zijn. De versiering van dit

monument is tot in het buitensporige overdreven: de architektonische

lijnen, ja ik zou bijna zeggen, het gebouw zelf verdwijnt geheel en

al, om plaats te maken voor ornamenten. De zeer vervallen toestand,

waarin het monument verkeert, laat niet meer toe, een oordeel over het

geheel te vellen; maar deze vijftig el breede voorgevel met zijne alles

overstelpende dekoratie moet een zonderlingen indruk hebben gemaakt.

Evenals alle monumenten in Yucatan, verrees ook dit paleis op

eene pyramide van twee verdiepingen; voor het gebouw strekte zich

eene ruime esplanade uit, waarop zich ter wederzijde twee breede

waterbakken bevonden en in het midden de zuil voor de strafoefeningen,

de _picoté_. Het inwendige van het paleis bevat eene dubbele reeks

van zalen, de schoonste, die wij nog gezien hebben. Zij hebben eene

lengte van ongeveer negen, bij eene breedte van ruim drie el, en zijn

zes el hoog. In alle zalen waren de wanden beschilderd en met beelden

en opschriften bedekt, zoo als blijkt uit de brokstukken die ons nog

zijn overgebleven: het is zelfs waarschijnlijk, dat de gebouwen geheel

beschilderd waren. De polychromie was dus bij de Yucateken in gebruik,

even als bij de volken der oude wereld. Ook bij hen werd, even als

in de klassieke oudheid, de schilderkunst nooit van de bouwkunst

gescheiden: die beide kunsten vulden elkander aan, en hetgeen wij nu

eene schilderij noemen, bekleedde toen slechts eene zeer onderschikte

plaats. Ook hier besteedde de kunstenaar zijne voornaamste zorg aan

de uitwendige dekoratie; en die levendige sprekende kleuren, in zoo

weelderigen rijkdom aangebracht op de breede gevels, moeten, met de

warreling der monsterachtige figuren, niet weinig hebben bijgedragen

tot verhooging van de zeker echt barbaarsche pracht dezer wonderlijke

gebouwen.

Het tweede paleis ligt honderd-vijftig el ten noordoosten van het

eerste; het verheft zich evenzoo op eene pyramide, en heeft ook

zijne esplanade met twee waterbakken en een _picoté_; maar het staat

bovendien op een tweede terras, dat eene reeks zalen bevat, die geheel

zijn verwoest. In het midden bevindt zich de trap, gedragen door een

soort van gewelf, die toegang geeft tot het gebouw.

Dit zeer lage paleis--de hoogte bedraagt niet meer dan vijf

el--onderscheidt zich door zijn eenvoud, tegenover de overladen

versiering van het andere. De gevel, die bijna nog in zijn geheel

aanwezig is, heeft eene breedte van vijftig el; in dien gevel zijn

zeven openingen, waarvan twee toegang geven tot twee kleine en

nauwe vertrekjes. Het benedenste gedeelte van den muur is zonder

versiering; de fries boven de weinig uitstekende kroonlijst bestaat

uit kleine zuilen, bij drietallen gegroepeerd, met een vlakken muur

tusschenbeiden. Het achterste gedeelte van het paleis is geheel

vernield.

Links van dit monument verrijst eene pyramide met verschillende

verdiepingen, voorzien van vier trappen, die naar de bovenste terrassen

voerden, waar de gebouwen geheel in puin liggen. Deze pyramide is

omringd door vertrekken van verschillende afmetingen, waarvan de deuren

of toegangen soms door pilaren in tweeën gescheiden zijn. De posten

en drempels der deuren zijn van steen, even als in het tweede paleis;

voor het meerendeel zijn die posten zeer goed bewaard gebleven.

Omtrent de geschiedenis van Kabah verkeeren wij niet ten eenemale in

het duister. Wij zeiden reeds, dat bij de verschijning der Spanjaarden,

Yucatan in verschillende onafhankelijke vorstendommen of heerlijkheden

was verdeeld. Maar een eeuw vroeger voerde de vorst van eene zekere

stad, Mayapan genoemd, den schepter over het geheele schiereiland:

hij had de aan zijn vorstendom grenzende gewesten onderworpen en,

als naar gewoonte, hunne hoofdsteden verwoest. De caciquen van de

Sierra, waartoe ook de vorsten van Kabah, Uxmal enz. behoorden,

waren onder de verwonnelingen.

De vorst van Mayapan kon zijn gezag alleen staande houden met behulp

van eene mexikaansche bezetting: dit geeft ons een datum. Wij

weten namelijk dat de Azteken schatplichtig waren aan den koning

van Azcapozalco, en dat zij eerst onder de regeering van Itzcoatl,

omstreeks het jaar 1425, hunne onafhankelijkheid herwonnen; dat zij

echter eerst onder de regeering van Montezuma I, omstreeks 1440,

invloed verwierven en veroverend optraden; zij konden dus eerst in

dezen tijd aan den vorst van Mayapan hulptroepen zenden.

Om zijne heerschappij te verzekeren en zijne vazallen in onderwerping

te houden, dwong de koning van Mayapan de hoofden der voornaamste

familiën om als gijzelaars aan zijn hof te vertoeven; het juk der

overheersching drukte des te zwaarder en scheen te hatelijker, omdat

de overwinnaar steunde op de hulp van vreemde soldaten. De andere

vorsten sloten onderling een verbond, waaraan ook de bewoners van

de Sierra deelnamen; het kwam tot een oorlog; de koning van Mayapan

werd overwonnen en zijne stad geheel verwoest. De gevangen gehouden

caciquen keerden naar hunne woonsteden terug.

Dit geschiedde in 1420, volgens Landa; maar volgens Herrera, wiens

chronologie veel juister schijnt en door beter bewijzen gestaafd, in

1460. "Volgens hem verliepen er zeventig jaar tusschen de verwoesting

van Mayapan en de komst der Spanjaarden: Montejo nu hield van 1528

tot 1531 Chichen bezet. Herrera verzekert ook, dat na de verdeeling

van het land in onafhankelijke gewesten, de bevolking zich zoo sterk

vermenigvuldigde, dat het geheele land slechts eene enkele stad scheen;

men bouwde overal tempels en paleizen: "het is daarom dat er zoo velen

van zijn." Ook Landa zegt hetzelfde: ook hij verzekert dat de bevolking

buitengewoon toenam en dat er tempels in menigte gebouwd werden,

"zoodat men die heden nog overal ziet, en dat men in de bosschen,

te midden van het woud, groepen van huizen en verwonderlijk schoon

bewerkte paleizen vindt."

De monumenten, waarvan wij de ruïnen nog heden kunnen bestudeeren,

zijn dus in geenen deele uit lang vervlogen eeuwen, uit voorhistorische

tijden afkomstig.

De weg van Kabah naar Santa-Helena is een der beste, die wij nog

ontmoet hebben: hij is vrij breed, goed belommerd en niet al te

oneffen. Was deze bruikbare weg voor ons reeds eene verrassing,

eene nog grootere wachtte ons, toen wij het prachtige indiaansche

dorp Santa-Helena bereikten.

Dit dorp beslaat eene aanzienlijke uitgestrektheid gronds, die,

even als eene nieuwerwetsche stad, in regelmatige vierkante

vakken is verdeeld; elk vak, met groote boomen beplant, is weder

gesplitst in perceelen van ongeveer tweeduizend el in oppervlakte,

omringd door muren van gedroogden steen, waarop de woning van den

eigenaar staat. Eenige bloeiende heesters en vruchtboomen vormen

kleine bosschages, en nabij de woning ziet ge een soort van groote

horde van rijswerk, twee meter in het vierkant en op palen rustende,

waarover een laag teelaarde is gespreid. In dit hangende tuintje

kweekt de eigenaar bloemen en eenige groenten. Een zwerm van gevogelte

stoffeert het stille plekje: het gekakel van kippen, het gekwaak van

eenden en het geklok van kalkoenen vermengt zich met het geknor van

varkens. Alles teekent welvaart, bijna overvloed.

Dit dorp was voor mij bijna eene openbaring uit het verleden. Zoo moet,

zeide ik tot mij zelven, een dorp der Mayas er hebben uitgezien. Uit

hetgeen wij voor oogen hebben, kunnen wij zonder moeite en met meer dan

waarschijnlijkheid tot de vroegere toestanden besluiten; de eeuwenoude

traditiën, de overgeërfde begrippen en voorstellingen, geheel de

omgeving oefenen een zoo machtigen invloed op de menschen uit, dat er

in de indiaansche organisatie niet veel veranderd kan zijn. Van waar

zou ook zulke verandering gekomen zijn? De Spanjaarden hebben wel,

ook in Yucatan, hunne godsdienst ingevoerd, en dat geschiedde meer

door geweld, dan langs den weg der overtuiging; maar zij konden noch

de bebouwing des lands, noch de kleederdracht, noch de zeden, noch

de taal veranderen. Zij zelven ondergingen, door de aanraking met het

onderworpen ras, gaandeweg eene zeer wezenlijke verandering; en indien

het hun al gelukte de plaats in te nemen van de oude beheerschers des

lands, zoo traden zij toch onder menig opzicht, eenvoudig in hun spoor.

Yucatan was eene feodaliteit, waarvan de sporen nog geheel te

herkennen zijn; overal langs de wegen en in de bosschen, vindt men

de overblijfselen van meer of minder belangrijke gebouwen, die het

middelpunt vormden van eene nederzetting, van eene groote plantage:

de twee, drie of vier pyramiden, vroeger met monumenten bedekt,

stellen ons nog in staat ons een denkbeeld te maken van de macht en

het aanzien van den cacique, die daar weleer zijn zetel had.

Tegenwoordig zijn die nederzettingen ongetwijfeld minder talrijk en

minder belangrijk, want de bevolking is tot minder dan een tiende

geslonken, dank zij het vaderlijk regeeringsstelsel der veroveraars;

maar de steden, dorpen en haciendas hebben dezelfde bestemming én

staan nog op de oude plaats: daar zijn er maar weinigen, in wier

onmiddellijke nabijheid men geen ruïnen vindt en die niet zijn gebouwd

met de materialen, van de vroegere monumenten afkomstig. Overal

heeft de Spanjaard de plaats ingenomen van den overwonnen cacique;

er is niets veranderd, dan alleen dat de oude adellijke familie tot

armoede en slavernij is vervallen.

In het wezen der zaak is niets veranderd: de hacienda met haar gebouwen

in spaansch-moorschen stijl heeft de plaats ingenomen van het paleis

der vorsten of de nederiger woning van den edelman. Maar even als

vroeger, omgeven de hutten der arbeiders en onderhoorigen ook nu het

huis van den heer, en die hutten vertoonen nog heden het beeld der

vroegeren: ook zij zijn langwerpig van vorm, met riet gedekt, en,

wanneer de bewoner maar eenigszins welgesteld is, versierd met die

kleine ruitvormige teekeningen, eene flauwe afschaduwing der rijke

dekoratie van de paleizen der vroegere vorsten.--Alleen de godsdienst

is veranderd: de kerk heeft den tempel verdrongen: maar wie zal zeggen,

in welke mate de oude heidensche wereldbeschouwing nog leeft in de

harten dezes volks? Van Santa-Helena begeven wij ons naar Uxmal, waar

ons de administrateur, Don Luïz Perez, wachtte. De hacienda is niet

meer de verlaten, eenzame woning van voorheen: er heerscht thans leven

en beweging, en overal is alles in volle werkzaamheid. In plaats van

eene eenvoudige hut, aanschouwt ge een statig gebouw, dat ruime zalen

en vertrekken bevat en met eene op kolommen rustende veranda prijkt. In

de werkplaats zijn dag en nacht honderden Indianen aan den arbeid; een

spoorweg loopt van de hacienda naar de plantages en de met muildieren

bespannen wagens voeren onophoudelijk vrachten suikerriet aan; er is

een rustelooze beweging, een komen en gaan van menschen en paarden

en vee: alles teekent leven en welvaart. Maar evenals vroeger, is de

woning ongezond; en de majordomo klaagt bitter over de sluipkoortsen,

die zijne gezondheid ondermijnen.

De ruïnen zijn twee mijlen van de hacienda verwijderd.

Uxmal, de mededingster van Chichen, is reeds meermalen beschreven;

wij zullen ons dus hier tot het voornaamste bepalen. Daaronder komt

de eerste plaats toe aan het zoogenaamde paleis van den gouverneur,

buiten kijf het grootste en het prachtigste van alle oude monumenten

in Amerika; zijne ligging op drie opeenvolgende terrassen verhoogt nog

het effekt van dit tegelijk sobere en rijke gebouw. Hoewel sedert drie

eeuwen verlaten, schijnt dit paleis nog bijna nieuw; het zou geheel

ongeschonden zijn, indien de vroegere eigenaars niet de steenen van

het onderste gedeelte hadden laten weghalen om daarmede hunne hacienda

te bouwen.

Het zoogenaamde paleis der nonnen beslaat een groot parallelogram,

gevormd door vier fraaie gebouwen, wier bij uitnemendheid rijke

ornamentatie aanstonds de aandacht trekt. De noordelijke vleugel van

dit paleis bevat een stuk van een kleiner en ongetwijfeld ouder gebouw:

naar men vermoedt, zou dit het overblijfsel zijn van een paleis,

dat deel uitmaakte van eene vroegere stad Uxmal, die, naar men zegt,

verwoest werd. Het laatste paleis dagteekent vermoedelijk uit den

tijd na den val van Mayapan.

Het huis van den Dwerg, ook het huis van den Waarzegger genoemd,

is een zeer fraaie tempel op den top eener zeer steile pyramide,

die eene hoogte bereikt van bijkans honderd voet. De tempel bestaat

uit twee gedeelten: het eene staat op het bovenste terras; het

andere is bij wijze van souterrain daartegen aangebouwd en met den

gevel naar het westen gekeerd. Deze soort van kapel was zeer rijk

versierd en waarschijnlijk aan den dienst van een der voornaamste

goden gewijd. Twee groote trappen, een ten oosten en een ten westen,

voeren naar de beide gebouwen.

Pater Cogolludo bezocht dien tempel in 1656; hij verhaalt ons dat

de trap zoo steil was dat hij er duizelig van werd, en dat hij in

een der zalen van het gebouw offeranden van cacao vond en sporen

van copal, die men er sedert kort gebrand had: hieruit blijkt dus,

dat de Indianen van Uxmal, honderd-vijftien jaren na de verovering,

nog aan hunne goden offerden. Daaruit blijkt ook, dat de tempel nog in

wezen was en dat de Indianen er nog hunne oude eeredienst uitoefenden.

Uxmal is de eenige stad, waar de gebouwen zoo geplaatst zijn, dat

men ze gezamenlijk overzien kan. Bepaaldelijk wordt de aandacht

getrokken door eene groote pyramide zonder monument, met eene breede

vlakke kruin, die den naam draagt van _Cerro de los sacrificios_,

heuvel der offeranden, waar de menschenoffers plaats grepen. Deze

pyramide zou dan eene navolging zijn van de mexikaansche tempels,

welke uit eene pyramide bestonden, met kleine houten kapellen waarin

de beelden van de afgoden stonden, en den _techcatl_, een blok steen

met bolle oppervlakte, waarop het slachtoffer werd uitgestrekt, zoodat

de vooruitstekende borst gemakkelijk door het mes van den priester

kon worden opengesneden, die er vervolgens het hart uitnam. Het

menschenoffer geschiedde altijd ten aanschouwe van het volk, aan

den rand der pyramide, van waar men vervolgens het lijk naar beneden

wierp, opdat de toeschouwers het onder zich zouden kunnen verdeelen

en verslinden.

De Tolteken daarentegen, bij wie het menschenoffer niet in gebruik was,

hadden werkelijk tempels op hunne pyramiden, naar de beschrijving te

oordeelen, geheel overeenkomende met die, welke men in Yucatan ziet,

waar zij deze wijze van bouwen invoerden en ontwikkelden. Vinden

wij dus bij de Mayas het menschenoffer en de daarmede verbonden

anthropophagie, dan kunnen wij dit gebruik alleen aan mexikaansche

invloeden toeschrijven: alle geschiedschrijvers verklaren dan ook

eenstemmig dat het de Azteken waren, die deze afschuwelijke gewoonte

in het schiereiland invoerden. Maar wij weten dat deze Azteken niet

voor het jaar 1440 als hulptroepen naar Mayapan konden komen. De voor

het voltrekken der menschenoffers bestemde monumenten kunnen dus niet

ouder zijn dan de tweede helft der vijftiende eeuw.

Ik kan te dezer plaatse deze kwestie van den ouderdom der monumenten

van Yucatan niet in alle bijzonderheden bespreken; op deugdelijke

gronden ben ik overtuigd dat de steden van het schiereiland, op

verschillende tijden door de veroverende Tolteken gesticht, voor het

meerendeel niet ouder zijn dan de elfde eeuw, en dat de jongsten uit

de vijftiende eeuw dagteekenen.

Wij nemen afscheid van de ruïnen en slaan den weg in naar Muna,

een aanzienlijk vlek, waar een feest gevierd wordt. Welk een aantal

feesten! Bijna in elk dorp, dat wij doortrekken, is het feest. Dat is

eene uitmuntende gelegenheid om te drinken; het wemelt van beschonkenen

en de herbergen zijn vol van Indianen, die het verfoeilijke bier

drinken. Maar ge hoort geen geschreeuw en ziet geen vechtpartijen of

ergerlijke tooneelen: zelfs in hunne dronkenschap zijn deze lieden stil

en vreedzaam. De een gaat op den grond liggen; een ander ziet u met

verglaasde oogen aan; een derde wil u uit louter teederheid omhelzen.

Op het marktplein waggelt een mooie, rijzige mesties, met een

blauwen hoed op en geheel in het nieuw gestoken; hij valt, maar

richt zich weer op, dank zij de krachtige hulp van zijne moeder en

zijne vrouw, die hem zoo goed zij kunnen ondersteunen en trachten

weg te voeren. Dicht bij ons, op de trappen van de herberg, waar

wij onzen intrek genomen hebben, richt een jonge Indiaan zich op:

aarzelend kijkt hij naar den winkel, waaruit hij naar buiten is

getuimeld, en die hem zoo onwederstaanbaar lokt met al die gevulde

flesschen. Twee schreden verder staat zijne kleine vrouw, die hem

wacht, en hem met haar zachte stem toefluistert, "_Coox...._ laat

ons gaan." Maar hij gaat niet: de verzoeking is hem te sterk: hij

keert in de herberg terug en komt naar buiten met een gevuld glas,

dat hij zijne echtgenoote aanbiedt. De Indiaansche keert zich om,

omsluiert zich het gelaat, drinkt het glas leeg, en zegt tot haar

gemaal, maar op nog zachter toon: "_Co.....ox_." Hij, denkende haar

overreed te hebben, lacht onnoozel, keert in de herberg terug, drinkt

nog een glas en gaat nu, bijna bewusteloos, met dof starende oogen,

weer op de trap liggen. "_Co....ox....coox_," herhaalde de vrouw op

klagenden toon; maar hij hoorde haar niet meer. De ongelukkige zal

daar misschien den geheelen nacht blijven liggen, en zijne vrouw zal

bij hem waken tot de dag aanbreekt.

Wij vernachtten te Abala in eene verlaten hut, en kwamen den volgenden

morgen ten tien uren, te Merida.

Reis naar Yucatan De Aarde en haar Volken, 1886 · 第 7 / 12 题