IV

Van Aké begeven wij ons naar Izamal, waar wij ten drie uren aankomen.

Izamal is eene van de voornaamste steden der provincie, of liever

een groot, aardig dorp met tusschen de vijf- en zesduizend inwoners;

het vlek maakte een des te aangenamer indruk, omdat men er zoo pas

het feest van den heiligen schutspatroon had gevierd, bij welke

gelegenheid de huizen, de openbare gebouwen en zelfs de vervallen

muren in de buitenwijken opnieuw waren gewit. Behalve zijne nette

woningen, bezit Izamal ook nog twee pleinen, door sierlijke moorsche

zuilengangen omringd.

Wij moeten hier even een uitstapje maken op historisch gebied,

waarbij opnieuw de betrekkelijke jonkheid zal blijken der beschaving

in Yucatan, in tegenspraak met de bewering van sommigen, die zich te

zeer door hunne verbeelding laten leiden en aan deze beschaving een

bespottelijken ouderdom toekennen.

Evenals Merida en andere steden van het schiereiland, verrees ook

Izamal op de plek, waar eene indiaansche stad stond. Evenals elders,

was ook hier het eerste werk der Spanjaarden, de tempels en paleizen

te verwoesten, de geschreven dokumenten te vernietigen, en zoo veel

mogelijk elk spoor en elke herinnering van de inlandsche beschaving

uit te roeien. Bisschop Landa, wiens werk over de zaken van Yucatan

omstreeks 1566 geschreven werd, dat is dus vijf-en-veertig jaar na

de verovering, spreekt van de gebouwen te Izamal, waarvan er toen

nog twaalf in wezen waren, en deelt ons mede, dat de stichters

dier monumenten onbekend waren. Lizana daarentegen, die in 1628,

zestig jaren later, schreef, en die veel minder dan Landa in de

gelegenheid was om zich bekend te maken met de oude traditiën en

legenden, vertelt ons uitvoerig de geschiedenis dier monumenten;

van de twaalf bouwwerken, waarvan zijn voorganger melding maakt,

kent hij er wel is waar slechts vijf, maar hij weet de namen, die

Landa niet wist: wij zullen dus zijne opgave volgen.

Landa, die eerst zegt dat men den oorsprong dezer monumenten niet

kende, deelt ons later mede, dat zij door het nog bestaande ras

der inlandsche bevolking waren gesticht: immers, onder het puin

der verwoeste monumenten, heeft men fragmenten gevonden van naakte

menschenbeelden en andere versierselen, zoo als de Indianen nog heden

van bijzonder sterke cement vervaardigen. In een graf vindt hij kunstig

bewerkte voorwerpen van steen, gelijk aan die welke de Indianen nog

tegenwoordig bij wijze van geld gebruiken. Even als te Merida, waar

hij genoodzaakt was, eene kapel te verwoesten, om een einde te maken

aan de godsdienstige vereering van het oude heiligdom, bestond ook

hier, volgens Landa, eene groote pyramide, waarvan wij de afbeelding

geven op bladz. 32. De kapel, welke deze pyramide bekroonde, bestond

in zijn tijd nog: hij geeft er eene beschrijving van en zegt dat zij

opgetrokken was uit zorgvuldig gehouwen, met beeldwerk versierde

steenen. Met echt-zuidelijke overdrijving, voegt hij aan zijne

beschrijving de opmerking toe: "Dit monument is zoo hoog, dat men er

versteld van staat." Toch bedraagt die hoogte nauwelijks tachtig voet!

Het monument bestond uit twee gedeelten: de bijna tweehonderd el breede

basis met een ruim terras of platform, en de kleine pyramide, aan de

noordzijde van dit terras. Op het terras stond het volk, om getuige

te zijn van de godsdienstige plechtigheden, die ten aanschouwe van

allen op den top der pyramide werden volbracht. In de kapel, waarvan

Landa spreekt, stond het afgodsbeeld. Wij spreken hier bij analogie:

want wij weten dat dit het gebruik was te Mexico en in de steden der

Tolteken, Teotihuacan en Cholula.

Volgens Lizana droeg deze groote pyramide den naam van Kinich-Kakmó,

omdat op den top een tempel stond, waarin het beeld van een afgod,

die aldus werd genoemd. Deze naam zou zooveel beteekenen als: "Zon,

met het vurig stralende gelaat." De tempel was dus een zonnetempel,

met de daarbij behoorende pyramide, evenals te Teotihuacan.

Ten zuiden van deze pyramide verrees eene andere, niet minder breed,

maar eindigende in een terras en dus minder hoog dan de eerste;

zij heette Ppapp-Hol-Chac, dat wil zeggen: "Huis der hoofden en der

bliksemstralen." Daar woonden de priesters, vermoedelijk in een fraai

paleis, zoo als men die ook in andere steden vindt. De Spanjaarden

bouwden op die plek een aan Sint-Franciscus gewijd klooster, benevens

de parochiale kerk, die zeer mooi is.

De derde pyramide, ten oosten, droeg een tempel toegewijd aan

Ytzama-ul, Itzamna of Zamna, den legendarischen stichter van de stad

Izamal. "Deze koning of deze afgod, zegt Landa, werd door de Indianen

voorgesteld onder de gedaante van eene hand; zij beweren dat men

de zieken en zelfs de dooden tot hem bracht en dat de god hen door

de aanraking met zijne hand genas of weder tot het leven opwekte;

daarom noemde men den tempel Kab-ul, hetgeen beteekent de werkzame,

de wondervolle hand."--Deze tempel, waar zoo vele wonderen gewrocht

werden, was het doel van scharen van bedevaartgangers: daarom had men

naar de vier windstreken groote wegen of heerbanen aangelegd, die tot

aan de grenzen van het land waren doorgetrokken en naar Guatemela,

naar Chiapas en naar Tabasco voerden. Nog heden, zegt onze schrijver,

vindt men op verscheidene plaatsen sporen van die wegen.

Wij zelven hebben de overblijfselen gevonden van den met cement

geplaveiden weg, die van Izamal naar den oever der zee liep, tegenover

het eiland Cozumel. Wij moeten hierbij opmerken, dat deze manier van

wegen te maken bij voorkeur aan de Tolteken eigen was, zoo als wij

reeds vroeger in de gelegenheid waren te constateeren.

In den naam van den tempel, Kab-ul, de werkzame hand, herkennen

wij zonder moeite Hueman, de lange handen, het groote opperhoofd

en de wetgever der Tolteken van Tula, die door verschillende

geschiedschrijvers voor denzelfden gehouden wordt als Quetzalcoatl,

dien wij in Yucatan terugvinden onder den naam van Cuculkan, hetgeen

hetzelfde beteekent.

De vierde, meer voorwaarts gelegen pyramide droeg de woning van den

opperbevelhebber des legers, die den titel voerde van Hunpictok,

hoofdman over achtduizend steenen lansen. Op den top dezer pyramide

vindt men niets dan puin; in het onderste gedeelte, dat van gelijke

constructie is als de piramide te Aké, bevond zich het door Stephens

beschreven beeld, dat thans verdwenen is, en ziet men nog heden, aan

de oostzijde, de figuur, op bladz. 28 afgebeeld. Aan dit beeld kunnen

wij de manier van werken der bouwmeesters duidelijk waarnemen. Deze

kolossale kop heeft eene hoogte van vier ellen; de oogen, de neus, de

onderlip zijn gevormd uit ruwe steenblokken, die, even als de wangen,

met versche cement zijn bestreken; de ornamenten ter rechter- en ter

linkerzijde zijn evenzoo van cement; aan de versierselen links, die

beter bewaard zijn gebleven, bespeuren wij nog die dubbele spiralen,

zinnebeeldige voorstellingen van den wind of den adem, het woord,

die wij reeds zoowel te Mexico als te Palenque hebben gezien en die

wij te Chichen-Itza zullen terugvinden.

Aan de westzijde van deze pyramide, waar men een gedeelte van de basis

heeft blootgelegd, zien wij een der fraaiste bas-reliefs, die wij in

Yucatan hebben ontmoet. De hoofdfiguur is een liggende tijger met een

menschenhoofd; het beeldwerk is van cement; de modeleering der figuren

is voortreffelijk; deze tijger met het aangezicht van een mensch

herinnert ons aan de teekens der mexicaansche ridderorden, arenden,

tijgers en sperwers. De orde van den tijger was de voornaamste van

allen; en niets past beter bij de bestemming, die het paleis, volgens

de legende, zou hebben gehad, dan deze symbolische voorstelling van

de kracht en den moed: eene waardige versiering der woning van den

opperbevelhebber van het leger van Izamal.

Al deze monumenten, de pyramide met den zonnetempel, de tempel van

Quetzalcoatl, het paleis van den vorst en de woning der priesters,

leveren het bewijs dat Izamal, op het tijdstip der verovering,

eene zeer talrijke bevolking had en een der hoofdpunten was van

de nederzettingen der Tolteken; voorts weten wij zeker, dat de

godsdienstoefeningen geregeld in de heiligdommen plaats grepen en

door het volk werden bijgewoond. Dit is echter onbestaanbaar met den

hoogen ouderdom, dien sommigen aan deze stad willen toekennen.

Wij vertrokken van Izamal ten vier uren in den morgen; het landschap

maakte op ons een bij uitnemendheid treurigen indruk. Op een afstand

van vier mijlen ontmoeten wij slechts een dorp, Sitilpech genoemd,

eene verzameling van armoedige, meest ledigstaande hutten.

In Yucatan bemoeit de administratie zich waarschijnlijk niet met de

dienst der telegrafen en posterijen. Reeds te Merida had ik daarvan de

ondervinding opgedaan, daar toch een aantal telegrammen, waarvoor ik

zeer duur moest betalen, niet ter plaats hunner bestemming kwamen, of

althans onbeantwoord bleven. Bij navraag gaf men mij ten antwoord, dat

de telegraaflijn in geen goeden toestand verkeerde. Op onzen tocht kon

ik mij daarvan overtuigen. De aanleg van deze lijn moet inderdaad zeer

goedkoop zijn geweest, en de kosten van onderhoud zijn vermoedelijk

gelijk nul. Er was wel een draad, maar er waren geen palen en geen

isolators. Die ongelukkige draad liep langs den zoom van het bosch,

vastgemaakt aan een of anderen tak; boog de tak, dan hing de draad

neer; brak hij, dan viel de draad op den grond; nu eens zweefde hij

even boven den bodem, dan weer lag hij, als lusteloos en wanhopig,

slap op de struiken en rotsen. Die draad was te beklagen: maar nog meer

te beklagen waren zij die betaalden, om haar weer in orde te brengen,

of die er gebruik van maakten zonder eenig nut. Echter werkte hij toch

van tijd tot tijd, die rampzalige telegraaf: hij was er ten minste,

en onder dat opzicht onderscheidde Yucatan zich gunstig van Tabasco,

waar de telegrafen onmiddellijk na den aanleg weer verdwenen, omdat

de inwoners de draden voor hun eigen gebruik aanwendden.

Na een zeer vermoeienden rit kwamen wij des avonds ten zeven uren te

Citas. Het was volslagen donker, en men wachtte ons niet meer. Voor

onze ontvangst was niets in gereedheid gebracht; de dorpelingen waren

blijkbaar met deze verrassing alles behalve ingenomen. Waar zouden wij

overnachten? Daar de school voor het oogenblik ledig stond, werd die

ons ten gebruike afgestaan; wij gingen allen te zamen aan den arbeid,

zetten de tafels en banken op zij, en maakten zoodoende ruimte voor

onze hangmatten en veldbedden. Maar het souper:--dat is een lastig

ding! De tijd is verstreken, en de dorpelingen hebben geen lust, weer

aan het werk te gaan. Gelukkig komen de rechter en de burgemeester ons

bezoeken: dank zij hunne tusschenkomst, wordt de zaak nog geschikt;

de hoop op eene goede winst vermurwt de harten, en wij kunnen ons

avondmaal gebruiken.

Te Citas moeten wij den grooten weg verlaten om de bosschen in

te gaan; wij moeten dus hier onze rijtuigen achterlaten, en in

de plaats daarvan ons dragers, ezels en muildieren aanschaffen:

daartoe is natuurlijk tijd noodig, en het verblijf te Citas is

in het minst niet uitlokkend. De dorpelingen zijn onwillig; zij

vragen een dubbel loon en blijven weg als zij geprest worden. Een

vreemdeling, die zulke verre reizen onderneemt om ruïnen te zien,

waarin de Indiaan hoegenaamd geen belang stelt, moet iemand zijn

die met zijn geld geen weg weet: het is dus niet meer dan billijk

dat hij betale. Nu, de Indianen van Yucatan zijn niet de eenigen,

die zoo redeneeren.--Eindelijk krijgen wij dan toch onze dragers,

tegen een derde boven den gewonen prijs. Paarden zijn schaarsch: zij

moeten geprest worden; het militair geleide wordt ons gracieuselijk

toegestaan. Natuurlijk zijn noch de soldaten, noch de paarden gereed;

wij zelven moeten ook nog verschillende toebereidselen voor de reis

maken. Bovendien zijn de paden in het bosch dicht gegroeid; de afstand

naar Pisté bedraagt zeven mijlen; het eerste wat wij te doen hebben,

is dus mannen uit te zenden om den weg te banen. Zij gaan op weg,

en wij houden ons verder met onze uitrusting bezig, daar wij eerst

den volgenden dag zullen vertrekken.

Tegen den avond kregen wij eene uitnoodiging tot het bijwonen van

een bal. Tot mijne verbazing vernam ik dat er te Citas gedanst werd,

ondanks het gevaar, waarin het dorp steeds verkeerde ten gevolge

van den opstand der Indianen, die elk oogenblik het vlek konden

overvallen, de woningen verbranden en de dorpelingen vermoorden of

medevoeren. Natuurlijk namen wij de uitnoodiging aan.

De straten van Citas zijn geene straten, maar kleine ketens van steile

rotsen, door miniatuurafgronden gescheiden, waarin de vreemdeling zeer

gemakkelijk armen en beenen breken kan. Wij gaan dus op weg, ieder door

twee Indianen geleid, want het huis, waar het feest wordt gegeven,

is vier- of vijfhonderd el van het dorp verwijderd en het is buiten

pikdonker. Wij komen zonder ongelukken ter plaatse onzer bestemming.

In eene hut van armoedig voorkomen, verlicht door het schijnsel van

drie vuren, zijn een half dozijn vrouwen bezig met het gereedmaken

der spijzen; ik zie gansche stapels van kippen, kalkoenen en groote

stukken varkensvleesch, die gekookt of gebraden moeten worden. Buiten

zijn andere vrouwen bezig met het malen van maïs, het kneden van het

deeg of het bakken van koeken, die warm gegeten worden.

Een met riet overdekte open loods, waarin eenige walmende lampen

hangen, dient tot balzaal. Eene rij banken en eenige met leder

bekleede stoelen zijn voor de dames bestemd; in het midden van het

lokaal staan de heeren, met bloote voeten, een witte pantalon, een

wijd loshangend hemd en een gekleurden doek om den hals. Het is er

vol: het gansche dorp is hier vergaderd; althans al de Indianen en

mestiezen, maar weinig ladinos, dat wil zeggen blanke vrouwen.

"Het is een Indiaan, die dit feest geeft en de kosten betaalt," zeide

de rechter tot mij; "zulk een feest, dat dikwijls verscheidene dagen

of liever verscheidene nachten duurt, kost veel geld. Dit feest zal,

na afloop van alles, misschien driehonderd piasters (vijftienhonderd

francs) hebben gekost: voor een mesties, zoowel als voor een Indiaan,

vertegenwoordigt die som eene heele fortuin. Maar voor zulk eene

gelegenheid zal hij al zijn geld uitgeven; hij draagt daar roem op;

en eerlang zal het de beurt zijn van een anderen Indiaan, om een

dergelijk feest te geven.

--Maar," hernam ik, "dat is voor die lieden de ondergang; wat moeten

zij daarna beginnen?

--Precies hetzelfde wat zij te voren deden," antwoordde de rechter;

"zij keeren tot hunne milpas, dat wil zeggen hunne plantages, terug. Is

de oogst overvloedig, dan leven zij op den ouden voet voort, telkens

eenige stuivers besparende om op hunne beurt een feest te kunnen geven;

mislukt de oogst, dan binden zij hun maag toe; is er hongersnood,

dan sterven zij van gebrek. De zorg voor den dag van morgen is hun,

als allen onbeschaafden volken, ten eenemale vreemd, en de bitterste

ervaringen zijn machteloos om hen op dit punt te genezen."

Deze feestelijke plechtigheid is voor ons een nieuw bewijs voor de

taaie levenskracht der aloude traditiën, waaraan men vasthoudt, ook al

verstaat en begrijpt men ze sinds lang niet meer. Gij zoudt vergeefs

tot deze lieden de vraag richten, vanwaar zij de zonderlinge gewoonte

hebben om voor zulk een feest al hun geld uit te geven? Zij zouden

u op die vraag niet kunnen antwoorden: wij moeten het voor hen doen.

Wij vinden bij Landa een bericht, dat ons licht geeft. Na gesproken

te hebben van de slemppartijen der Mayas en hunnen hartstocht voor

feesten en gemeenschappelijke maaltijden, gaat de geschiedschrijver

aldus voort:

"Zij verteerden dikwijls bij een enkel feest alles wat zij gedurende

een langen tijd met zwaren arbeid gewonnen hadden. Zij vierden hunne

feesten op tweeërlei wijze. De eerste gold voor de edelen en de lieden

van aanzien: het gebruik wilde dat ieder der gasten, op zijne beurt,

een feest gaf gelijk aan dat waarop hij genoodigd was. Aan elk der

gasten gaf men een gebraden kip, brood en uit cacao bereiden drank

in overvloed; en na afloop van den maaltijd, een mantel om zich te

bedekken en een kleinen piedestal met een daarop geplaatsten beker,

die zoo fraai mogelijk bewerkt was. Kwam een der gasten inmiddels te

sterven, dan ging de verplichting om den maaltijd te geven op zijne

erfgenamen of familie over."--Is dat niet hetzelfde gebruik, hetwelk,

zoo als wij zien, nog heden heerscht? En verder: "Bij deze maaltijden

werd den gasten te drinken gegeven door schoone vrouwen, die, na hun

den beker toegereikt te hebben, zich omkeerden en zoo met afgewend

gelaat wachtten tot de gast den beker geledigd had. De indiaansche

vrouwen volgen nog dezelfde gewoonte, als zij haar mannen bedienen."

Wij verlaten vroegtijdig het bal, want wij moeten morgen ochtend

vroeg vertrekken. Onze manschappen zijn gereed; muildieren en dragers

hebben hun vracht; de paarden zijn gezadeld; een deel van het militair

geleide gaat als voorhoede op weg; wij volgen. Het pad is de oude weg

naar Pisté, die nu bijna geheel is dichtgegroeid, zoodat wij achter

elkander moeten loopen en niet dan met moeite voortkomen. De tocht

is vrij vervelend: wij trekken altijd door het dichte kreupelhout,

vol lianen en doornen, waarboven slechts enkele palmen en hoogstammige

boomen zich verheffen.

Wij komen te Pisté, waarvan niets meer over is dan de gehavende

en vervallen kerk, waarin thans eene afdeeling van vijf-en-twintig

soldaten is gelegerd, als een uiterste voorpost tegen de Indianen. De

manschappen moeten drie maanden in deze wildernis blijven, eer

zij afgelost worden. Het gevaar is niet groot, want de Indianen,

die opgestaan waren om hunne vrijheid te heroveren en uit wraak hun

overwonnen vijanden vermoordden, gaan nu nog maar alleen op roof uit.

V

Het was laat in den namiddag, toen wij de ruïnen bereikten. Hoewel ik

vroeger reeds tweemalen te Chichen was geweest, doortrilde mij toch

een gevoel van blijde verrassing, toen ik in de verte het dusgenoemde

Castillo ontdekte, tronende op zijne steile pyramide van zeventig

voet hoogte.

Wij hadden nauwelijks tijd gehad, ons in het Castillo te installeeren,

toen de avond viel. Het was een aangrijpend schouwspel. Statig dreef

de maan aan den onbewolkten, met tintelende sterren bezaaiden hemel,

en goot haar licht uit over de eindelooze met bosch bedekte vlakte;

op den voorgrond teekenden zich de grillige gestalten van muren of

dichtbegroeide heuvels en terpen. Met deze ruïnen bekend, kon ik mijn

reisgenooten elk monument aanwijzen.

Het Castillo vormt het middelpunt der ruïnen; ten oosten, aan den

voet der pyramide, lag het marktplein, met twee kleine, daartoe

behoorende paleizen; ten noorden, de ruïnen van een fraai gebouw

en de gewijde cénoté, met den tempel ter bewaking van het bassin;

ten noordwesten de beroemde Kaatsbaan; ten oosten en ten zuidoosten,

de Chichanchob, de Caracol, de tweede cénoté, het paleis der Nonnen,

de Akab-sib, en verder, de sedert lang verlaten hacienda. Wij spraken

half fluisterend over het geheimzinnig verleden van die doode stad,

die wij zouden trachten uit het graf op te roepen; geen enkel geluid

steeg uit de wijde vlakte tot ons op: alom een plechtige stilte als

op een kerkhof, slechts nu en dan afgebroken door het geroep der

schildwachten, die met geregelde tusschenpoozen elkander waarschuwden.

Toen de dag was aangebroken, vertoonde zich een ander schouwspel,

niet minder schoon. De vlakte, geheel met een dichten nevel overdekt,

waarboven de pyramiden en de begroeide terpen uitstaken, scheen een

kalme zee, met groene eilanden bezaaid; de horizon tooide zich, bij

het rijzende licht, met de heerlijkste kleuren; lichte, doorschijnende

nevelwolkjes zweefden door de ruimte, telkens wisselend van vorm en

tint. Eindelijk verscheurde zich de nevelsluier en smolt weg voor

de zonnestralen, niets achterlatende dan de schitterende droppels,

als diamanten over de bladeren van het geboomte verspreid.

De zoogenoemde steden der Mayas verschilden ten eenemale van onze

tegenwoordige steden; de Spanjaarden vergeleken de eerste steden,

die zij hier zagen, met de steden in hun vaderland, met Sevilla bij

voorbeeld; maar deze vaak herhaalde vergelijking is toch verre van

juist. Voor zoo ver wij daarover thans, naar de overblijfselen, kunnen

oordeelen, bestonden deze steden uit eenige groepen van gebouwen, die

wij overal terugvinden, namelijk: een of meer tempels, de paleizen van

den vorst en van de caciquen of hoofden, en gebouwen voor de openbare

dienst bestemd. Deze groepen waren, schijnbaar zonder plan of orde,

over eene aanmerkelijke oppervlakte verspreid; de tusschenruimten

werden ingenomen door tuinen, waartusschen met cement geplaveide

wegen liepen; in den omtrek stonden de hutten der bedienden en slaven.

Chichen-Itza--dat wil zeggen, nabij de put van de Itza--ontleent haar

naam aan den cénoté of de twee cénotés, aan welker zoom de bevolking

zich had neergezet. Chichen is jonger dan Izamal en Aké, maar ouder

dan Uxmal: evenals deze laatste stad, behoort zij tot den tijd, toen

men bij het bouwen geen cement, maar gehouwen steenen gebruikte. De

berichten, die wij omtrent de stad bezitten, zijn zeer schraal en zeer

onzeker, zoo als trouwens alles wat wij aangaande Yucatan weten. Dit

alleen is met zekerheid bekend, dat Chichen, omstreeks de helft

der vijftiende eeuw, door hare inwoners verlaten werd. De bevolking

verhuisde in massa--de oorzaak dier verhuizing is onbekend--en stichtte

in de lagune van Peten, ruim honderd mijlen meer zuidwaarts, een klein

vorstendom, waarvan de hoofdstad Tayasal werd genoemd, dat door Cortez

op zijn tocht naar Honduras werd bezocht, en dat eerst in 1697--alzoo,

nog geen tweehonderd jaar geleden--door de Spanjaarden werd veroverd.

"Wij weten dus dat Chichen, omstreeks zestig jaar vóór de aankomst

der Spanjaarden nog bewoond was, en dat hare monumenten toen nog

ongeschonden in wezen waren. Het is trouwens meer dan waarschijnlijk,

dat deze stad, die bevoorrecht was niet twee groote en onuitputtelijke

water-reservoirs--een onschatbaar bezit in een land, dat van water

is ontbloot,--al spoedig nadat zij door hare inwoners verlaten was,

op nieuw bevolkt werd en dat zij aldus haar leven voortzette tot op

het tijdstip der verovering.

De eerste bezetting door de Spanjaarden had plaats in 1527. Montejo

landde, tegenover het eiland Cozumel, op de oostkust van Yucatan,

met vierhonderd soldaten. Hij liet zijne schepen achter, onder de

hoede der matrozen, en trok, onder het geleide van een Indiaan van

Cozumel, naar het binnenland: dit verhaalt de Bachiler Valencia,

die zijn verhaal schreef in 1639, te Valladolid woonde en van een

der veroveraars afstamde. Bovendien blijkt ten duidelijkste uit de

namen der steden, die Montejo doortrok, dat de expeditie haar weg nam

van het oosten naar het westen; bij de tweede expeditie daarentegen,

in 1541, toen de Spanjaarden te Champoton landden, trokken zij van

het westen naar het oosten.

Montejo kwam te Coni, dat van de kaart verdwenen is, trok door de

provincie Choaca, en bereikte Kaba; van Kaba begaf hij zich naar Aké,

een dorp, dat, zoo als wij reeds opmerkten, niet moet worden verward

met de stad Aké, waarvan wij de ruïnen hebben bezocht. Daar stuitte hij

op eene talrijke menigte Indianen, die hem den weg wilden versperren;

het kwam tot een gevecht, het bloedigste dat de Spanjaarden hadden

te leveren; en voor de eerste maal leerde Montejo het dappere volk

kennen, waartegen hij te kampen zou hebben. Ondanks hunne vuurwapenen,

die vreeselijke verwoestingen aanrichtten in de dichte drommen der

Indianen, ondanks hunne ijzeren harnassen, die hen bijna onkwetsbaar

maakten, moesten de Spanjaarden twee dagen achtereen vechten, om

den hardnekkigen tegenstand hunner vijanden te overwinnen. Van Aké

begaf Montejo zich naar Chichen-Itza, dat men hem, volgens Herrera,

had aangewezen als eene bij uitnemendheid geschikte plaats om zich

daar te vestigen. De stad was dus bewoond. Montejo nam te Chichen

zijn intrek in de gebouwen, waarvan wij nader zullen spreken; hij

vestigde zich daar te midden van eene bevolking, die ten gevolge van

het vreeselijke gevecht bij Aké, door den schrik als verlamd was.

In den eersten tijd ondervonden de Spanjaarden dus geene moeilijkheden

en ontbrak het hun aan niets; maar allengs begon het den Indianen te

verdrieten, in het onderhoud te moeten voorzien van deze vreemden,

die ieder per dag meer gebruikten dan voor het onderhoud eener

geheele indiaansche familie gedurende eene maand noodig was;

zij weigerden zich langer te onderwerpen aan de afpersingen en

wreede mishandelingen van deze bandieten. Nu werden niet langer

levensmiddelen naar het kamp gebracht; eindelijk verdwenen de

Indianen, de veroveraars in eene eenzame wildernis achterlatende. Op

den overvloed van straks volgde nu gebrek en hongersnood; om zich

levensmiddelen te verschaffen, moesten de Spanjaarden verre tochten

naar de omliggende dorpen ondernemen en daar met geweld nemen, wat men

hun niet vrijwillig wilde afstaan: van daar onophoudelijke gevechten;

de Spanjaarden hadden honderd-vijftig hunner manschappen verloren,

en de overgeblevenen waren allen gewond. Montejo, die waarschijnlijk

de gemeenschap met zijne schepen had onderhouden, zag zich genoopt tot

den terugtocht. Het omliggende land was geheel door Indianen bezet,

en de terugtocht werd uiterst bezwaarlijk. Na een bloedig gevecht,

waarin Montejo een deel van zijne beste manschappen verloren had,

volgde een zeer donkere nacht, die bij uitstek gunstig scheen voor

de vlucht. Hij beval de grootst mogelijke stilte, liet de hoeven

der paarden omwikkelen, opdat men hen op den rotsigen grond niet

hooren zou; om de waakzaamheid der Indianen te verschalken, liet hij

vervolgens een zijner honden aan een buigzamen paal, waaraan een bel

bevestigd was, vastbinden; en op eenigen afstand, buiten het bereik

van den hond, een stuk vleesch nederleggen, dat het hongerige dier

vergeefs trachtte te bereiken. Het gelui van de bel en het janken

van den hond brachten de Mayas in den waan, dat hunne vijanden nog

steeds in hun kamp waren. Inmiddels trokken de Spanjaarden in alle

stilte naar het noorden, in de richting van Cilan. Toen het dag werd,

bespeurden de Indianen dat zij misleid waren geworden: woedend zetten

zij de vluchtelingen na, die niet dan met groote moeite de zeekust

en het grondgebied van een vredelievenden vorst bereikten, die hun

eene schuilplaats bood.

Het paleis der Nonnen (el palacio de las Monjas) is een der

voornaamste paleizen van Chichen-Itza; men heeft er een klooster van

gemaakt, evenals van het groote gebouw te Uxmal, dat denzelfden naam

draagt. Sommige schrijvers verhalen namelijk, dat bij de Azteken

in Mexico de gewoonte heerschte, om jonge meisjes van aanzienlijke

familie en omstreeks twaalf jaren oud, gedurende zekeren tijd aan de

goden te wijden. De meesten verlieten den tempel om in het huwelijk

te treden; sommigen verbonden zich, door plechtige gelofte, voor

haar geheele leven. Sahagun deelt mede dat deze meisjes, kleine

priesteressen of zusters genoemd, in de bijgebouwen van den tempel

woonden, onder streng opzicht van daartoe aangestelde vrouwen; zij

leidden daar een kloosterleven, en waren aan zeer strenge regelen

onderworpen. Haar hair werd afgeknipt; zij moesten des nachts opstaan

om te bidden en den tempel te reinigen; zij vastten bijna onophoudelijk

en pijnigden en martelden zichzelven op allerlei wijze ter eere der

goden. Zij doorboorden zich de tong en de ooren met scherpe doornen,

sliepen steeds geheel gekleed, om elk oogenblik haar arbeid te

kunnen hervatten, gingen altijd met neergeslagen oogen, en moesten

de doodstraf ondergaan voor iedere inbreuk op de strenge regelen der

godsdienstige tucht. Zij waren dus inderdaad nonnen.

Het paleis bestond uit een middengebouw en twee vleugels; de plaat op

bladz. 37 geeft den voorgevel van den linkervleugel te aanschouwen,

die zeer schoon en uitmuntend goed bewaard is gebleven. Deze façade

bestaat uit drie vooruitspringende lijsten, die twee friesen begrenzen,

waarvan de versiering uit dezelfde motieven is saamgesteld. Op de

eerste fries ziet men twee omlijste hoog-reliefs, waarop mannen zijn

voorgesteld in neergehurkte houding; het lichaam van den een is gevat

in de schaal van een schildpad; de reusachtige, groteske figuren in het

midden en aan de hoeken van de eerste fries vindt men ook aan de façade

van het hoofdgebouw, en met geringe wijzigingen op alle monumenten

van Yucatan.--Het hoofdgebouw van het paleis der Nonnen leunt tegen

eene pyramide, op welker terras of platform een zeer net bewerkt gebouw

verrijst, bevattende kleine kamers met twee nissen tegenover elke deur,

en gescheiden door een gang, die op den westelijken uithoek van de

pyramide uitkomt. Op dit tweede gebouw rust nog een derde van kleiner

afmetingen: het geheel vormt dus een paleis van drie verdiepingen.

Wij keeren terug tot het gebouw waarin wij onzen intrek genomen

hebben, dat ten onrechte den naam van Castillo draagt en eigenlijk een

tempel was. Het rust op eene pyramide met vier trappen, naar de vier

windstreken gekeerd; de plaat op bladz. 40 stelt den westelijken gevel

voor. De pyramide, waarvan de basis vier-en-vijftig meters bedraagt,

bestaat uit negen terrassen, door loodrechte muren gedragen; zij is

gekroond met een gebouw, waarvan de zijden ongeveer twaalf el lang en

breed zijn, bij eene hoogte van zes el vijftig duim. Het bovenvlak

van de pyramide verheft zich een-en-twintig el boven de vlakte;

de trap bestaat uit negentig treden van ongeveer twaalf el breed.

Uit deze constructie blijkt dat de naam van Castillo, kasteel, vesting,

nog niet zoo ten eenemale onjuist is: immers zoowel in Yucatan als op

de hoogvlakten, dienden de tempels in tijd van oorlog als vestingen;

op die reusachtige trappen en terrassen verzamelden zich, in den

uitersten nood, de uitgelezenste krijgslieden, om den zegevierenden

vijand tegen te houden en hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen. De

verdediging van zulk eene vesting kon lang worden volgehouden; en

wanneer de bezetting inderdaad uit onverschrokken mannen bestond,

die tot sterven bereid waren, dan moest de bestorming van elk dezer

terrassen stroomen bloeds kosten. Wij zien daarvan een voorbeeld

bij de bestorming van den grooten tempel te Mexico: de Spanjaarden

werden bij herhaling terug geslagen, en Cortez moest zich zelf aan de

spits zijner soldaten plaatsen, om achtereenvolgens de vier terrassen

der pyramide te veroveren; het gevecht werd nog voortgezet op het

bovenste plat, waar zich de Azteken hadden vereenigd, die tot den

laatsten man werden gedood.

De noordelijke façade, die tevens de voornaamste was, moest, nog

ongeschonden, een grootschen indruk maken. Zij bestaat uit eene portiek

met twee massieve kolommen, onderling verbonden door houten lijsten,

waarop de dubbele kroonlijst van de fries rust, in het midden versierd

met een groot medaillon. Deze portiek geeft toegang tot eene galerij,

die de geheele breedte van het gebouw inneemt; uit de galerij komt men

door eene enkele deur in een groot vertrek, zeer waarschijnlijk het

heiligdom, waarvan het dubbele gewelf gedragen werd door twee pilaren

met vierkante kapiteelen. De trap tegenover deze façade was breeder

dan die aan de drie anderen; ter wederzijde zag men, bij wijze van

leuning, een reusachtige gevederde slang, van onderen uitloopende in

een monsterachtigen kop met wijd geopenden bek en uithangende tong. De

kolommen, de pilaren, de deurposten en houten lijsten zijn bedekt met

beeldhouwwerk en bas-reliefs. Even als de paleizen te Mexico en te

Palenqué, hadden ook de paleizen te Chichen geene deuren, maar werden

de openingen slechts met matten of gordijnen gesloten; men vindt dan

ook geen sporen van scharnieren, maar wel kleine gaten in de zuilen,

waarin de koorden voor de gordijnen werden vastgemaakt.

Toen Landa omstreeks 1560 Chichen bezocht, was deze voorgevel nog

ongeschonden; geen steen ontbrak aan de negen terrassen van de

pyramide, en de tempel vertoonde zich nog zoo als hij uit de hand

der bouwmeesters was gekomen. Landa maakt ook gewag van de twee

slangen ter wederzijde van de groote trap. "De galerij diende voor het

ontsteken van reukwerk, en boven de deur ziet men een groot in steen

uitgehouwen medaillon, waarvan de beteekenis mij onbekend is. Rondom

dit gebouw bevinden zich een aantal anderen, groot en goed gebouwd;

de tusschenruimte is bekleed met cement, die een aaneengesloten geheel

vormt en geheel nieuw schijnt, zoo hard is de kalk, waarvan zij de

cement maken."

Die lagen van cement, die wij ook elders gevonden hebben, zijn eene

kenmerkende eigenaardigheid van de kunst der Tolteken. Te Chichen

zijn die cementlagen nu verdwenen; maar uit de beschrijving van Landa

blijkt, dat in zijn tijd de bodem nog niet met planten en kruiden was

begroeid: hetgeen bewijst, dat de stad nog niet lang geleden verlaten

was. De uitmuntende toestand van de gebouwen, van de pyramiden en van

dit plaveisel van cement, in een land waar de plantengroei zoo krachtig

en welig is, bewijst dit nog te meer en wel op de meest afdoende wijze.

In dezen tempel trof ons voor het eerst de verrassende overeenstemming

tusschen de tolteeksche beeldwerken en bas-reliefs op de hoogvlakten,

en de bas-reliefs van deze stad in Yucatan. Deze monumenten zijn,

naar mijne overtuiging, afkomstig van de Tolteken, en van betrekkelijk

jongen datum. Ziehier het bewijs voor deze meening.

De balustrade van de groote trap verbeeldt, zoo als wij zagen, eene

gevederde slang, geheel overeenkomende met die aan den muur van den

tempel te Mexico. De gevederde slang was het symbool van Quetzalcoatl,

een god der Tolteken en der Azteken: in Yucatan was zij het teeken

van Cuculkan, een god der Mayas; in beide talen hebben de twee namen

dezelfde beteekenis, namelijk die van _gepluimde slang_. Dit beeld,

dat op de gebouwen van Yucatan veelvuldig voorkomt, diende ook ter

versiering van de huizen der aanzienlijken te Mexico. Clavigero zegt

ons dat de Azteken, in hunne bouworde, de kroonlijst bezigden, en

dat men aan sommige gebouwen eene reusachtige slang in relief zag,

die zich om alle openingen van het paleis slingerde, en zich zelve

in den staart scheen te bijten.

De twee pilaren van den voorgevel vertoonen eene onmiskenbare

overeenkomst met eene tolteeksche zuil, die wij te Tula hebben

gezien: ook hier zijn de schachten met vederen versierd en vertoonen

de basementen den kop van een slang. Uit alles blijkt dus dat deze

tempel aan Cuculkan was gewijd. Ook het kapiteel van den pilaar te

Chichen-Itza verdient de aandacht. Het is geheel gebeeldhouwd: in het

midden ziet men eene staande figuur, die met haar opgeheven armen het

entablement schijnt te torsen. Deze gestalte met haar langen baard

is wederom eene voorstelling van den tolteekschen god Quetzalcoatl,

die onder verschillende gedaanten werd afgebeeld. Zijne kleeding is

buitengewoon rijk: aan de polsen draagt hij breede armbanden, en op

het hoofd een reusachtig tooisel van vederen; om zijn hals hangt een

lange keten van edelgesteenten, en zijne laarsjes zijn met lederen

rosetten versierd.

Reis naar Yucatan De Aarde en haar Volken, 1886 · 第 5 / 12 题