Nadat wij te Merida eenige dagen hadden vertoefd, maakten wij ons
gereed voor een uitstapje naar Aké. Dit uitstapje was inderdaad
een reisje _en famille_, want Louis Aymé, de amerikaansche consul,
die ook in archeologie liefhebberde, en die reeds meer dan eens de
ruïnen bezocht had, wilde mij vergezellen; maar mevrouw Aymé, eene
Amerikaansche, gaf daartoe alleen hare toestemming, onder voorwaarde
dat zij ook mede zou gaan; en daar Shuty niet alleen thuis kon blijven,
moesten wij hem ook mede nemen. Shuty was de gunsteling van mevrouw,
een mooi hondje, met lange zijdeachtige haren. Met inbegrip van mijn
secretaris en mijn bediende, waren wij dus met ons zessen: wij hadden
mitsdien twee rijtuigen noodig.
Aké is eene hacienda, hofstede, van don Alvaro Peon, bij wien ik een
bezoek ga afleggen om hem vergunning te vragen tot het bezichtigen
der ruïnen, en tevens een brief van aanbeveling voor den majordomo
of intendant. Don Alvaro deed meer dan van hem verlangd werd: niet
tevreden met den brief van aanbeveling, zond hij zijn chineeschen
bediende met allerlei levensmiddelen en benoodigdheden, opdat het
ons aan niets ontbreken zou.
Wie in het binnenland reizen wil, heeft tusschen twee vervoermiddelen
te kiezen: de groote kales, eene soort van diligence, bij ieder bekend;
en den _volan coché_, het eigenlijke nationale rijtuig. Wij kozen
het laatste. De volan coché is geheel van hout, met uitzondering
alleen van de ijzeren banden om de wielen. Op een zwaar en lomp
onderstel rust, gedragen door twee lederen riemen, een soort van
langwerpige bodemlooze bak of kist; over een van touw gevlochten net
wordt een dunne matras uitgespreid, om het schokken en stooten minder
hinderlijk te maken. Voorop zit de koetsier; van achteren is plaats
voor de bagage; terwijl ook een aantal voorwerpen onder aan het net
hangen. Reist men alleen, dan gaat men lang uit op de matras liggen;
maar is men met zijn drieën, dan moet men op turksche manier, met
samengevouwen beenen, gaan zitten: eene houding, welke iemand, die
daaraan niet gewoon is, in het eind onuitstaanbare kramp bezorgt. De
inlanders zitten met hun zessen of achten--hoe, begrijpt men niet--in
zulk een wagen. Hoewel de bak volkomen in evenwicht hangt, schokt
en slingert hij toch op eene geweldige manier; en wanneer de half
dronken koetsier zijn drie muildieren in vollen ren laat draven over
de ongelijke, rotsige wegen, schokt en hotst het rijtuig zoo hevig,
dat de reizigers door en over elkander geworpen worden. Gevaar is
er echter niet; het verwonderlijkste is dat er nooit iets aan het
rijtuig breekt, en op al mijne tochten ben ik maar eens omgevallen.
Aké ligt tien mijlen ten oosten van Merida. Wij volgen den weg naar
Izamal, ter wederzijde omzoomd door onafzienbare velden met agaven
beplant, en laten ter rechterhand twee met ruïnen bekroonde heuvels
liggen. Vervolgens komen wij aan het dorp Tixpeual, waar de Spanjaarden
in 1541 een langdurig en bloedig gevecht moesten leveren. Het dorp
ziet er zoo armoedig uit en heeft zoo veel bouwvallige en verwoeste
huisjes, als ware de veldslag eerst gisteren geleverd; dat komt, omdat
de opstandelingen in 1848 tot aan de poorten van Merida doordrongen
en Tixpeual in de asch legden. Maar de gansche landstreek, met haar
weinige vervallen dorpen, haar eenzame wegen en schralen plantengroei,
maakt een zeer somberen indruk.
Drie mijlen verder wijzen palmboschjes de ligging aan van Tixkokob,
waarvan al de inwoners zich bezig houden met het vervaardigen van
hangmatten. In de openstaande huizen, ziet men overal de witte, gele,
blauwe, roode of veelkleurige netten uitgespannen; deze hangmatten, de
eenige soort van bedden waarvan de Indianen gebruik maken, zijn zeer
goedkoop: zij kosten niet meer dan drie à vijf francs; de mooisten
komen uit de omstreken van Valladolid.
Te Tixkokob waar wij een kop chocolade gebruikten, verlaten wij den
grooten weg, en slaan een zijweg in, waarop wij alle gelegenheid
hebben om met den volan coché nader kennis te maken. De rotsen zijn
steil, en het rijtuig schokt op de merkwaardigste wijze: wij zitten
te dansen als de poppen in een poppenkast.--Het was inmiddels avond
geworden; de indiaansche hutten, in de duisternis verloren, waren nog
maar alleen kenbaar aan het wegstervende schijnsel van de niet langer
onderhouden wordende vuren; de omtrekken der pyramiden teekenden zich
in zwarte massa's tegen den donker blauwen hemel; overal heerschte
een doodelijke stilte, alleen afgebroken door het knarsen en kraken
van het hotsende en stootende rijtuig. Wij vonden den toegang tot de
hacienda gesloten: men verwachtte ons niet meer. Op het luid geblaf
der honden verscheen de majordomo; hij liet de zware balken wegruimen,
die de poort barrikadeerden; weldra waren wij geïnstalleerd en sliepen
in de vervallen, verwaarloosde zaal der heerenhuizinge.
Aké is eene hacienda voor de veeteelt; en men had ons gewaarschuwd,
dat het, overal waar runderen zijn, wemelt van garrapaten. Wij hadden
dus alle mogelijke voorzorgen genomen, want deze verfoeilijke houtluis
is het geduchtste insekt dat ik ken. Wij knoopten al onze kleeren
dicht; wij staken de pijpen van onze pantalons in hooge laarzen; wij
stopten zoo veel mogelijk alle denkbare openingen. Mevrouw Aymé, in
een sierlijk bloomerskostuum, scheen ook tegen de indringers gewapend;
maar Shuty, de aardige Shuty, hoe zou hij zich verdedigen? Ten slotte
bleek dat al onze voorzorgen ons niets baatten. De hongerige garrapate
laat zich door niets weerhouden; schier onmerkbaar en dunner dan
een velletje papier, dringt zij overal door, ook door onzichtbare
openingen; wij ondervonden het tot onze schade.
Wij gaan uit om den cénoté op te zoeken; Shuty springt vroolijk
blaffend voor ons uit. Wat is een cénoté? Yucatan heeft noch stroomen,
noch rivieren, maar daarentegen een zeer uitgestrekten onderaardschen
waterplas, meer of minder diep beneden de oppervlakte, naarmate de
kalklaag dikker of dunner is; nabij de kust is het water zeer dicht
bij den beganen grond, in het binnenland vindt men het eerst op
aanmerkelijke diepte. Men noemt nu cénotés de inzinkingen van den
bodem, die tot dit water toegang geven. Is het water op geringe
diepte onder den grond, en is de kalklaag slechts aan den eenen
kant verteerd, dan verkrijgt men een onregelmatige spelonk, die
over de geheele breedte open is. Heeft de kalklaag eene middelbare
dikte en stroomt het onderaardsche water in bepaalde richting,
dan wordt de bodem regelmatig ondermijnd, tot de bovenlaag, niet
langer steun vindende, instort; zóó ontstaat een reusachtige put,
meestal van ronde gedaante, zooals de cénotés van Chichen-Itza. Is de
kalklaag daarentegen zeer dik, dan tast het water slechts de weeke,
zachte deelen aan waarvan een gedeelte instort, waardoor somtijds in
de bovenste laag eene smalle opening ontstaat: zoo krijgt men eene
werkelijke grot, met stalactiten en stalagmiten versierd, zooals te
Sacalun en te Valladolid; somwijlen ook is de cénoté niet meer dan
eene reusachtige onderaardsche ruimte, zooals te Bolonchen.
Het is opmerkelijk dat alle beschaafde nederzettingen in Yucatan zich
hebben gevormd om deze natuurlijke waterbekkens; want in den beginne
hadden de kolonisten vermoedelijk niet de noodige hulpmiddelen om
putten of waterbakken te graven, noch ook om kunstmatige reservoirs
te maken, zoo als zij het later te Uxmal deden.
De cénoté van Aké behoort tot de eerste kategorie; de toegang vormt
als het ware een grooten boog, die een zeer schilderachtig en bijna
indrukwekkend voorkomen heeft. Op den achtergrond, omstreeks twintig
voet beneden het gewelf, en dertig beneden den beganen grond, ziet men
een groot bekken vol frisch en helder water, waarin eene menigte kleine
vischjes zwemmen, terwijl zwermen van zwaluwen in alle richtingen de
grot doorkruisen en de ruimte vullen met haar vroolijk geroep.
Van den cénoté begeven wij ons naar de ruïnen, die onze bedienden
inmiddels bezig waren van den overvloedigen plantengroei te
zuiveren. In afwachting dat zij daarmede gereed waren, dwaalden
wij rond door de bosschen, uitziende naar ruïnen, zonder eenig
kwaad vermoeden ons een weg banende door de verraderlijke takken
der boomen, maar welhaast stikkende van de hitte in onze nauw
sluitende kleeding. Niemand voelde zich onwel of klaagde over iets
buitengewoons. Shuty was de eerste, die teekenen gaf van een abnormalen
toestand; bij het verlaten van den cénoté was hij onrustig geworden;
hij stond eensklaps stil en beet zich in zijne pooten of maakte
zonderlinge sprongen; maar steeds vroolijk, levendig en aardig,
vervolgde hij, luid blaffende, zijn weg. Wij gingen toen door het
dichte hout; en de min of meer gekunstelde vroolijkheid van Shuty
maakte plaats voor wezenlijken angst; zijn blaffen ging over in
janken; hij beet zich met woedende heftigheid, rolde zich in het gras
en begon zoo akelig te huilen, dat zijne meesteres hem opnam: het
lichaam van het arme dier was geheel en al overdekt met wriemelende
garrapaten: wij zelven werden onmiddellijk door dit ongedierte
aangetast.--Gelukkig vonden wij bij onze tehuiskomst een uitnemend
dejeuner, door den chineeschen kok van don Alvaro klaar gemaakt;
maar eer wij aan tafel gingen, begaven wij ons een voor een naar een
kabinetje om ons van ongedierte te zuiveren en op nieuw toilet te
maken. Mevrouw Aymé en Shuty bleven verder tehuis en waagden zich
niet meer aan ontdekkingstochten.
De ruïnen van Aké zijn zoo goed als onbekend. Stephens, de
amerikaansche onderzoeker, spreekt er in zijn belangrijk reisverhaal
slechts ter loops van. Hij noemt de groote galerij een kolossaal werk,
en het paleis in zijn geheel een gewrocht van reuzen; de ruïnen hebben,
volgens hem, het merk van hooger ouderdom dan andere monumenten. Hij
voegt er bij, dat volgens Cogolludo de Spanjaarden op hun tocht eene
stad ontmoetten, Aké genaamd, waar zij een gevecht moesten leveren
tegen eene groote menigte Indianen. Stephens vergist zich; als hij
Cogolludo nauwkeuriger had gelezen, zou hij bemerkt hebben dat de
stad, waarvan de geschiedschrijver spreekt, niet dezelfde is als die
hij heeft bezocht. De ligging van de stad Aké verwijdert haar ten
eenemale van den weg, dien de veroveraars volgden.
Francisco de Montejo landde toch aan de oostkust van Yucatan,
tegenover het eiland Cozumel; hij trok dus van het oosten naar het
westen, door Koba, eene stad vol monumenten, die nog op acht mijlen
afstands van Valladolid gevonden worden, en bereikte eene plaats,
Cé-Aké genoemd, waar hij bloedige gevechten moest leveren. Van daar
ging hij naar Chichen-Itza, waar hij twee jaren bleef. Dit geschiedde
op zijne eerste expeditie in 1527; het Cé-Aké waarvan hier sprake is,
lag dus omstreeks vijf-en-dertig mijlen oostwaarts van de ruïnen van
Aké, waar wij ons thans bevinden.
Aké was ongetwijfeld eene zeer volkrijke stad; vijftien a twintig
pyramiden van verschillende grootte, met de bouwvallen van
paleizen gekroond, zijn over eene oppervlakte van een vierkante
mijl verspreid. De belangrijkste ruïnen schijnen een rechthoek te
vormen, en omsluiten eene ruimen binnenhof, die zorgvuldig geëffend
is, en in welks midden nog een steen overeind staat, die door de
Indianen _picoté_ wordt genoemd. Dit was de straf- of geeselpaal,
dien men ook te Uxmal en andere plaatsen vindt, en die zoowel voor
als na de verovering, in geen enkel indiaansch dorp ontbrak. Te
Tenosiqué verhaalde mij een oud man, dat hij, nog geen dertig jaar
geleden, dien steenen paal op het midden van de markt had gezien. De
veroordeelde Indiaan werd geheel naakt aan den picoté gebonden, om
daar het bepaalde aantal stokslagen te ontvangen. Ik vond dezelfde
gewoonte te Tumbala, een indiaansch dorp op den weg van Palenqué naar
San-Christobal. Volgens de begrippen der Indianen, wischt de straf
de schuld uit; en ik heb Indianen ontmoet, die, om hun geweten tot
rust te brengen, zelven aanhielden om eene bestraffing, die niemand
hun zocht op te leggen.
Nemen wij thans de ruïnen nader in oogenschouw. Aan den
noordwestelijken uithoek verrijst eene pyramide van twee verdiepingen,
saamgesteld uit groote steenblokken zonder kalk; zij heeft eene hoogte
van omstreeks veertig voet, en eindigt in een klein vertrek, waarvan
het dak is ingestort, maar waarvan de muren nog ten deele overeind
staan. Wij vinden hier dezelfde constructie terug, die wij reeds te
Tula, te Teotihuacan en te Palenqué hebben opgemerkt, en die wij ook
nog in de andere oude steden van Yucatan zullen aantreffen.
Dit monument met het kleine vertrekje, dat voor bewoning ten eenemale
ongeschikt is, kan onmogelijk een paleis zijn geweest; wij mogen
veilig aannemen dat wij hier met een tempel te doen hebben; en
dat te meer omdat deze pyramide een deel schijnt uit te maken van
het daaraan grenzende monument, waarboven zij zich verheft. Dit
laatste monument herinnert door zijne rechthoekige gedaante, aan
de soortgelijke gebouwen, die wij te Tula en te Teotihuacan gezien
hebben en die men met den naam van citadellen bestempelt, maar die
inderdaad niet anders waren dan de vermaarde Tlachtli, de kaatsbaan,
waarvan alle geschiedschrijvers melding maken. Het kaatsspel was bij
uitnemendheid het nationale spel der Tolteken, die het ook in Tabasco
en Yucatan invoerden. Wij zullen zulk een tlachtli, beter bewaard,
te Uxmal en te Chichen-Itza terugvinden. Waarschijnlijk hadden er,
vóór den aanvang van het spel, in dien kleinen tempel godsdienstige
ceremoniën plaats.
Een weinig meer ten zuidoosten zien wij een monument, dat tot velerlei
gissingen aanleiding heeft gegeven. Het is eene langwerpige pyramide,
met een zonderling gebouw gekroond. Het geheel ongewone voorkomen,
de buitengewoon groote trap, die zonderlinge architektuur, geheel
afwijkende van het gewone karakter der yucatansche monumenten:
dit alles verplaatst ons als het ware in eene nieuwe wereld. Het
zonderlinge monument bestond uit zes-en-dertig pilaren, waarvan er
nog negen-en-twintig over zijn, geplaatst op het bovenvlak van eene
langwerpige pyramide of liever een terras van zes el hoogte. Men
bereikt dat plat langs een reusachtige trap van ruwe steenblokken,
van anderhalve tot twee el lengte, en van dertig tot vijftig duim
hoogte. De pilaren waren gemiddeld vier el vijf-en-zeventig duim hoog,
te oordeelen althans naar de hoogsten en best bewaarden, die nog
voorhanden zijn; zij bestaan uit tien blokken van een el twintig duim
in lengte en breedte, en tusschen de veertig en vijftig duim hoogte.
Men had mij gezegd dat de steenen eenvoudig op elkander waren gelegd,
en dat de bouwmeesters te Aké geen kalk of cement hadden gebruikt. Dit
is onjuist; bij onderzoek blijkt toch dat wel de buitenzijden der
blokken, waaruit de pilaar bestaat, werden behouwen, maar dat de
binnenzijden ruw werden gelaten. Daar nu die binnenzijden niet juist
op elkander konden passen, moest men de ledige ruimten aanvullen met
kleine steenen, die nog voorhanden zijn, en werd ongetwijfeld tot
bedekking gebruik gemaakt van kalk of cement.
De heer Aymé, de amerikaansche consul te Merida, loochent dit
laatste; en daar de kalk verdwenen is, kan ik hem niet met de stukken
overtuigen, en moet wachten tot eene nieuwe ontdekking de juistheid
mijner meening bewijze. Deze zes-en-dertig pilaren, in drie evenwijdige
rijen geplaatst, vormen een rechthoek; de esplanade waarop zij staan,
heeft eene lengte van vijf-en-zestig el veertig duim, bij eene breedte
van veertien el veertig duim; de richting der pyramide, die aan de
uiteinden afgerond is, is van het noorden naar het zuiden; de trap
bevindt zich aan de zuidzijde.
Welke was nu de bestemming van dit wonderlijke gebouw? Was het
eenvoudig eene open galerij? Men vindt hoegenaamd geen puin
op het plat van de pyramide; was er dus vroeger eene bedekking,
dan moet dit dak uit hout en riet hebben bestaan, waarvan niets is
overgebleven. Was dit gedenkteeken bestemd om de herinnering aan een
of ander persoon of feit te bewaren? Wij kunnen op die vragen geen
antwoord geven. Zeker is dit monument in geheel Yucatan volstrekt
eenig in zijne soort; maar het draagt hoegenaamd geen monumentaal
karakter.--Gewisselijk ontbreekt het niet aan commentaren; maar het
is bekend, dat de commentatoren dikwijls de schrijvers en ook de
monumenten zeer veel meer laten zeggen, dan zij werkelijk doen: van
nature zijn zij geneigd, het vreemde, het verrassende, het onmogelijke
boven het eenvoudige en voor de hand liggende te verkiezen. Sommige
reizigers hebben, ten aanzien van de ruïnen van Aké, hunner fantazie
den vrijen teugel gevierd en theorieën verkondigd, die den nuchteren
opmerker verbijsteren. Ziehier een staaltje van zulke buitensporigheid.
Het monument, waarvan wij spreken, zou de herinnering moeten bewaren
aan tijdperken of regeeringen, en ieder steenblok zou een Ahan Katun
of een Katun moeten voorstellen. Volgens de oude tijdrekening der
Mayas omvat een Ahan Katun een tijdvak van vier-en-twintig, en een
Katun een van twee-en-vijftig jaren. Daar er nu zes-en-dertig pilaren
zijn, ieder uit tien blokken bestaande, krijgen wij in het eerste
geval een tijdvak van achtduizend-zeshonderd-veertig jaren, en in
het tweede eene periode van achttienduizend-zevenhonderd-twintig
jaren. Ik behoef wel niet op te merken, dat het onderste blok, voor
achttienduizend-zevenhonderd-twintig jaar gelegd, reeds lang verdwenen
zou zijn vóór het aanbrengen van het laatste blok, dat nog eenige
eeuwen ouder zou zijn dan de verovering. Bovendien dragen alle blokken
het kenmerk van gelijken ouderdom. Maar eigenlijk is het niet noodig,
over dergelijke buitensporige dwaasheden veel woorden te verspillen.
Is het niet eenvoudiger, aan te nemen dat dit vreemdsoortige monument
eene galerij was, vroeger met riet overdekt, en die hetzij voor
openbare spelen, hetzij voor vergaderingen of plechtige ceremoniën
bestemd was? De ligging midden tusschen de andere monumenten schijnt
voor deze onderstelling te pleiten.
Na dit monument opgemeten te hebben, begeven wij ons naar eene andere
ruïne, _Akabua_, dat wil zeggen, huis der duisternis, genoemd. De
vertrekken zijn inderdaad donker, daar zij hun licht uitsluitend
ontvangen door de in andere kamers uitkomende deuren. Ook daar,
als overal elders, vinden wij de zoogenaamde _boveda_, het door
vooruitspringende lagen gevormde gewelf, dat wij ook in de monumenten
der Hindoes en der Tolteken aantreffen. Dit dusgenoemde, oneigenlijke
gewelf is hier te Aké sterker gebogen: een gevolg van de gebruikte
materialen, want, even als de pyramiden, is dit gewelf saamgesteld uit
die groote onbehouwen steenblokken, waarvan het gebruik ook aan deze
monumenten den naam van cyclopische bouwgewrochten heeft doen geven.
Toch is die benaming niet goed gekozen: immers de dusgenoemde
cyclopische constructie bestaat uit veel grooter blokken van
onregelmatige gedaante, maar zoo volkomen op elkander passende, dat men
er niets tusschen kan steken; de steenen daarentegen in de ruïnen van
Aké hebben allen denzelfden vorm: het zijn dikke, niet behouwen zerken,
die door aanmerkelijke tusschenruimten van elkander gescheiden zijn.
Ik maakte mijn gids, den heer Aymé, daarop opmerkzaam, en zeide tot
hem: "Gij beweert dat er bij de gebouwen van Aké noch kalk, noch cement
is gebruikt, en dat men er nooit beeldhouwwerk, noch eenige decoratie
welke ook heeft ontdekt. Ik kan dit niet toegeven, hoewel de feiten
mij in het ongelijk schijnen te stellen. Hier staan wij voor een
raadsel, dat wij moeten trachten op te lossen. De stichters van deze
gebouwen hebben zich zeker niet zoo veel moeite en inspanning getroost,
om hun werk onvoltooid te laten. Wij moeten dus aannemen, dat deze
zerken eenmaal volkomen aan elkander sloten, en dat de tijd ze heeft
afgeknaagd en verwijderd; maar dan moeten wij aan deze monumenten een
ouderdom toekennen, die volstrekt onaannemelijk is. Bovendien ziet
ge dat deze steenen nog geheel in denzelfden toestand verkeeren,
als toen zij uit de groeve werden gehaald; ook zijn zij hier in
de binnenkamers niet beter geconserveerd dan aan de buitenmuren,
hetgeen toch het geval moest zijn. Ik kom dus tot het besluit dat al
deze steenen, van de muren zoowel als van de gewelven, vroeger met
cement bestreken en, volgens de gewoonte, ook beschilderd waren.
"Toon mij het bewijs van hetgeen gij zegt, antwoordde hij, en ik zal
u gelooven."
Ik moest zwijgen, en wij begaven ons naar eene hooge pyramide, met
een ruïne gekroond.
"Laat ons dit paleis gaan zien, zeide ik tot Aymé.
--Er is niets te kijken: het zijn muren en meer niet; ik heb het
vroeger al bezocht; antwoordde hij.
--Laat ons toch maar eens gaan zien," hernam ik. En wij gingen.
Op het plat van de pyramide gekomen, was het eerste wat ik zag een
zeer fraai bas-relief van cement, bestaande uit schuine ruiten en
afgeplatte bollen. Dit bas-relief vormde de rechterlijst van een
groot kader, waar binnen verschillende figuren geplaatst waren,
waarvan men nog de overblijfselen kon ontdekken. Een laag cement van
ongeveer een el dik bedekte de steenen, vulde de ledige ruimten en
maakte de geheele oppervlakte glad en effen. Wij vonden zelfs nog
sporen van de oude beschildering.
"Wat zegt ge nu? vroeg ik aan mijn reisgezel.
--Gij hadt gelijk," antwoordde hij.
Inderdaad was door deze ontdekking een einde gemaakt aan alle
tegenspraak.