1 'Na Oostland wil ik varen,
daar woont er mijn zoete lief,
over berg en over dalen,
schier over der heiden,
daar woont er mijn zoete lief.
2 Al voor mijn zoeteliefs deurtje
daar staan twee boompjes klein,
den een draagt nooten van muskaten,
schier over der heiden,
den anderen draagt nagelen fijn.
3 De nooten zijn zoo ronde,
kruidnagelen ruiken zoo zoet:
ik meende dat mij vrijdde een ruiter,
schier over der heiden,
nou is het een arme bloed.'
4 Hij nam ze bij der handen,
bij haar sneeuwwitte hand,
hij leidde ze alzoo verre,
schier over der heiden,
daar zij een bedje vand.
5 Daar lagen zij twee verborgen
die lieve lange nacht
van den avond tot den morgen,
schier over der heiden,
tot scheender den lichten dag.
Holländisch: Thirsis Minnewit I, 101.--Dr. 2, 2. fijn.--Le Jeune
Volksz. Nr. 63. "Uit een blaauwboekje." 1, 1. Oosterland-- 7,
3. nachtegalen--7, 5. vliegen--Auch in "De Oprechte Sandtvoorder
Speel-Wagen" 1719, bl. 13. (Hor. belg. 2, 170.) und in den
Altd. Wäldern 2, 45.
Vlämisch: Willems Nr. 19. Str. 6-9.--3, 3. 5. My vrydt er een ridder
verkoren, een ridder zoo stout en zoo vroed. Sehr verdächtig!
Die beiden ersten Strophen finden sich wieder in einem schwedischen
geistlichen Liede als Einleitung, s. Svenska Folkvisor 1, 235.
Till Österland vill jag fara,
där bor aldrakärasten min,
öfver berg och djupa dalar,
allt under så grönan lind.
Allt för min kärastes hydda,
där står två trän så grön,
som alltid äro beprydda
med frukter som lukta så skön.
Den ena bär muskotte blommor,
den andra neglikor små. ff.
¶ Nr. 105.