1 'Wat mag daar wezen, wat mag daar zijn,
dat al de bladren verdorret zijn?'
2 'O moeder! ik bender geen maget rein,
ik draag bij den ruiter een kind zoo klein.'
3 'Draagt gij bij den ruiter zoo kleinen kind,
zoo ziet dat gij daar den vader van vindt.'
4 'Ik zie daar den vader voor mij staan,
en ik derf daar niet een oog op slaan.'
5 'Derft gij daar niet een oog op slaan?
gij dorst daar wel mede te bedde gaan!'
6 'O moeder! het geschiede bij nacht,
het was zoo donker dat niemand zag.'
7 De landsknecht achter de deure stond,
hij hoorde des ouden wijfs valsche grond.
8 'Zoete liefje! woudt gij met mij rijden
of wilt gij bij uw vrouw moeder blijven?'
9 'Bij mijn vrouw moeder en blijf ik niet,
liever met den ruiter in zwaar verdriet.'
10 De landsknecht had ze lief en waard,
hij zette mooi Elsje voor hem op 't paard.
11 Doe hij dat smalle pad ten halven kwam,
groote arbeid kwam mooi Elsje an.
12 'Zoet lief! wilt gij wat zachter rijden!
ik krijg zulke pijn al in mijn zijde.'
13 De ruiter stak zijn paard met sporen
of hij mooi Elsje niet en hoorde.
14 Doe hij dat smalle pad ten einde kwam,
zwaare arbeid kwam mooi Elsje an.
15 'En is hier niet een huisje dan,
daar ik een weinig in rusten kan?'
16 De ruiter ging daar een huisje maken
van distelen, doornen en hooge staken.
17 Al in dat huisje was venster noch deur,
de ruiter hing daer zijn mantel veur.
18 'Zoet liefje! wilt gij wat van mij treden!
maar als ik ween, komt gij dan weder!'
19 Eer dat zij weende was 't meisje dood,
doe was de ruiter in grooten nood.
20 De ruiter lei er zijn hoofd op een steen,
van rouwe brak er zijn hart aen tween.
Holländisch: Het Speelschuitje met vrolijke Naay-Meisjes,
Amst. 1780. (Willems Nr. 231).--Dr. 7, 2. dat oude wijfs.
¶ Nr. 76.