1 Daar lag een schoon vrouw maget
op haren slaapkamer en sliep,
en zij was alzoo zeer verslagen,
hei! gerusten en konde zij niet.
2 'Verslaat u niet zoo zeere,
mijn overschoon zoete lief!
ik bender een jonger held zeer schoone,
hei! van herten heb icker u lief.'
3 'Bent gijder een jonger held zeer schoone,
en wist ik dat voorwaar,
ik zou mijn jonger hert bedwingen,
hei! mijn treuren was alle gedaan.'
4 'Zou gijder uw jonger hert bedwingen
en was alle uw treuren gedaan,
zoo ziet zoo ver al in 't noordoosten,
hei! daar komter den dageraad aan.'
5 'Het isser voorwaar den dageraad niet,
maar 't isser de maan zijn schijn,
het zijn de sterren die ons lichten,
zij verheugen het herte van mijn.'
6 'Zijn dat de sterren die ons lichten,
verheugen zij 't hertje van jou,
zoo keert u mooi meisje omme,
hei! ontfangter dat's mijnen trouw!'
7 'Gij praat mijn veel van trouwen,
maar weinig van mijn eer,
en waar het niet geschied, zoete liefje,
hei! 't geschiede nooit nimmermeer!'
8 'Had icker de sleutel van den dageraad,
ik wierpze al inne den Rijn,
op dat het nimmermeer zoude dagen,
tot dat de sleutel gevonden zou zijn!'
9 Die onser dat nieuwe lied dichte,
dat was een trompettertje fijn,
hij heeft het maar alzoo welle gezongen,
hei! dat Keulen leit aane den Rijn.
Holländisch: Scheltema's Samml., Anf. des 18. Jahrh.--Die Jungfrau
liegt in Angst und Unruhe. Der Geliebte kommt und wird eingelassen. Er
fürchtet den Anbruch des Tages. Sie beruhigt ihn, es sei noch Nacht. Er
freut sich ihrer und wünscht, dass es nie tagen möge. 8, 1. "Hätt'
ich den Schlüssel zu der Morgenröthe!" Die Morgenröthe wird gedacht
wie eingeschlossen in ein Gemach,--eine Vorstellung, die uns auch
sonst in Volksliedern begegnet.
¶ 1, 1. maget, maagd--1, 3. verslagen, in Angst und Unruhe,
verstört--3, 1. bent gij, zijt gij--4, 4. dageraad, Morgenröthe--5,
4. verheugen, erfreuen--7, 1. praten, schwatzen--7, 3. geschied,
geschehen--7, 4. nooit, niemals.
¶ Nr. 62.