ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

De koning had de legerplaats opgebroken, en was met het grootste deel

van zijne troepen verhuisd naar het nabij gelegen Tanis, de Ramses-stad,

die de talrijke in het landschap Gosen wonende Semieten, Zoan noemden.

De Hebreeuwsche kolonisten, die de stadhouder Ani voor zich had trachten

te winnen, door de hun opgelegde heerendiensten te verlichten, werden

thans met gestrengheid opgeroepen tot de werkzaamheden, die verricht

moesten worden, om de paleizen en vestingen te voltooien, die Ramses was

begonnen te bouwen. Te Tanis werd ook het vredes-verdrag onderteekend,

dat de gezant van den koning der Cheta, Tarthiseboe, in naam van zijn

heer, den pharao op eene zilveren plaat gegraveerd overhandigde[367].

[367] Dit hoogst merkwaardig gedenkstuk bleef bewaard, en wel op

een groot fragment van een muur, in het zuidelijk gedeelte van

den tempel van Karnak. De zilveren plaat, waarop het gegraveerd

was, en die de gezant Tarthiseboe aan Ramses moest overhandigen,

wordt in den vierden regel van het verdrag vermeld en afgebeeld.

Zij was rechthoekig en had van boven een oog, waaraan zij kon

opgehangen worden. De hiëroglyphen-tekst werd uitgegeven door

Burton, Lepsius en Brugsch. De beste vertaling hebben wij te

danken aan F. Chabas, =Voyage d’un Egyptien=, p. 332 sv. Eene

andere vertaling van dit verdrag vindt men in Egger’s =Etudes

sur les traités publics=, p. 243, maar deze moet bij de latere

van Chabas achterstaan.

Pentaoer volgde den koning, nadat hij zijne moeder de oogen gesloten en

haar lijk naar Heliopolis gebracht had, om het daar te doen balsemen.

Hare mummie zou vandaar naar Thebe gezonden en later plechtig in het

familiegraf worden bijgezet. Het vervullen van dezen kinderplicht jegens

eene moeder en de zorg voor de dooden was den Egyptenaren zóo heilig,

dat Pentaoer noch Bent-Anat aan hunne vereeniging mochten denken,

voordat hieraan was voldaan.

Den 21sten Tybi van het een-en-twintigste jaar der regeering van

Ramses[368], juist op den dag der onderteekening van het vredes-verdrag,

kwam de dichter naar Tanis terug. Zijn hart was van weemoed vervuld,

want ook de hovenier, Paäker’s vader, die Pentaoer had lief gehad alsof

het zijn eigen vader was geweest, was, vóor hij in Egypte terugkwam,

gestorven. De brave man had de valsche tijding van den dood des

dichters, die hij innig liefhad en eerde, en voor een hooger wezen

hield, dat hem slechts was toevertrouwd, niet lang overleefd.

[368] Volgens den datum van bovenvermeld vredesverdrag. De

21ste Tybi onze 29ste Januari.

Zeven maanden na den brand te Pelusium, vierde Pentaoer in het paleis

van den pharao te Thebe zijn bruiloft met Bent-Anat, die zich nog vaster

aan hem gehecht gevoelde, na al het leed hetwelk hem was wedervaren. Zij

gevoelde, dat zij thans hem, den sterken man, moest helpen en geven van

het hare. Zij ondervond thans met blijdschap, dat, evenals het licht de

kelkjes opent van menige bloem, die zich bij zonsondergang sluiten,

zoo ook hare nabijheid in staat zou zijn aan de gedrukte ziel van haar

vriend nieuwe veerkracht te geven.

Onder beproeving en strijd hadden zij elkander prijs moeten geven om

elkander weder te vinden. Ieder van hen wist, wat de ander hem of haar

waard was. Het doel van hun leven was voortaan elkander liefde te

bewijzen en het leven aangenaam te maken. Daar zij van hem overtuigd

was, gelijk hij van haar, dat niets hooger hij hem stond aangeschreven,

dan wat recht is en edel, zoo werd hun huwelijk tot eene waarachtige

verbintenis, die de harten loutert en rein geluk schenkt. Hij maakte

haar deelgenoote van zijne heiligste gedachten en moeielijkste

ondernemingen, en toen hun echt eerlang met kinderen werd gezegend, wist

zij hem dankbaar de kleine genoegens des levens te bereiden, die tevens

als de grootste te beschouwen zijn.

Daar hij van den pharao groote bezittingen had ontvangen, liet Pentaoer

het erfgoed zijner familie over aan zijn broeder Horus, dien Ramses voor

zijn moedig optreden in den slag bij Kadesch, tot eersten Mohar benoemd

en vorstelijk beloond had. De afgezaagde cederboomen aan de hooge poort

van zijn huis, liet Horus door minder trotsche masten vervangen.

De ongelukkige Hoeni, onder wiens naam Pentaoer in de bergwerken van

het Sinaïtisch schiereiland had gearbeid, werd door tusschenkomst van

den dichter uit de steengroeven van Chennoe bevrijd, en, overladen met

geschenken, aan zijne kinderen teruggegeven.

De pharao doorzag snel welke buitengewone gaven Bent-Anat’s echtgenoot

bezat. Hij gaf Pentaoer eene plaats in zijn raad, en vertrouwde hem de

gewichtigste aangelegenheden toe. Bent-Anat bleef tot zijn ouderdom

zijne uitverkoren dochter, ook nadat hij, tot bevestiging van den vrede,

met de dochter van den koning der Cheta in het huwelijk was getreden.

Uit de papieren, die men in Ani’s tent gevonden had, en andere

berichten, die in overvloed tot hem kwamen, kwam de koning te weten,

dat het hoofd van het Seti-huis, en met hem een groot deel der

priesterschap, een tijdlang gemeene zaak had gemaakt met den

trouweloozen stadhouder. Hoewel aanvankelijk geneigd om streng, ja

bloedig te straffen, liet hij zich door Pentaoer en zijn zoon Chamoes,

den opperpriester van Memphis, overhalen, om zijn wil door zachtere en

tegelijk doortastende maatregelen te doen eerbiedigen.

Ramses wilde een beschermer zijn van den godsdienst, die alleen in staat

is den nederigen en zwaarbeproefden te verzoenen met zijn bestaan, hem

te vertroosten en aan zijn leven een geestelijken inhoud te geven. De

godsdienst scheen hem, den koning, een onontbeerlijk middel te zijn, om

de hoogere beteekenis van het leven steeds voor oogen te houden. Dit

heilig erfdeel zijner vaderen kwam hem voor bovenal nuttig te zijn als

eene school waarin het volk, dat geleid moest worden, gehoorzaamheid

leeren kon. Maar ieder Egyptenaar moest zich schikken naar de wet,

waarvan hij zich de verdediger noemde, waaraan hijzelf zich onderwierp,

en die gehoorzaamheid beval aan zijnen wil. Ook de priesterschap van het

land, die over de zielen waakte, mocht haar niet weerstreven.

Reeds gedurende zijn verblijf in Tanis liet hij Ameni en zijn aanhang

gevoelen, dat hij alleen in Egypte gebood. Ondanks het stoutmoedig

verzet van de priesterpartij, die zich de »rechtgeloovige” noemde, liet

hij voor den god Seth, dien de Semieten sedert de dagen der Hyksos

boven alle andere goden vereerden, onder wiens naam zij hun Baäl

aanriepen[369] en voor wien men in den ouden tijd aan den Nijl geen

tempel had gebouwd, omdat hij eene buitenlandsche godheid was, een

prachtig heiligdom oprichten, in de Ramses-stad Tanis[370], om ook aan

de godsdienstige behoeften der vreemdelingen recht te laten wedervaren.

Op grond van dezelfde beginselen van verdraagzaamheid, liet hij de

plaatsen, waar vreemde goden werden vereerd, onaangetast.

[369] Zie boven blz. 208.

[370] Van dit heiligdom wordt in verschillende papyrussen gewag

gemaakt.

Overigens was het zijn ijverig streven, de Egyptische goden door

buitengewone vrijgevigheid te eeren. In de meeste groote steden des

rijks liet hij tempels bouwen. Hij deed den Ptah-tempel te Memphis

vergrooten en tot aandenken aan zijne redding uit den brand twee

kolossale beelden vóor zijne pylonen oprichten[371]. In de Nekropolis

van Thebe liet hij, tot herinnering aan de ure, waarin hij voor Kadesch

als door een wonder aan den dood was ontkomen, het statig gebouw

oprichten, dat heden nog ieder die het ziet in verrukking brengt door de

harmonie zijner deelen[372]. Op zijne pylonen werd de slag hij Kadesch

in voortreffelijke reliefs afgebeeld, en hier zoowel als aan den

architraaf van de groote feesthal, bewaren opschriften de heugenis van

het gevaar waaraan hij ontkwam, toen hij =alleen stond onder duizenden=.

[371] Een van deze bleef bewaard. Deze ligt onder de ruïnen van

het oude Memphis op den grond.

[372] Het zoogenaamd Ramesseum.

Het lied dat Pentaoer te Pelusium gezongen had, werd door Bent-Anat’s

gemaal op bevel van Ramses opgeschreven. Op drie tempels, en in

verscheidene elkander aanvullende papyrus-rollen[373] is het

broksgewijze bewaard gebleven. Het was bestemd het nationale epos, de

Ilias der Egyptenaren te worden.

[373] Zie boven bl. 415.

Pentaoer viel de vereerende opdracht ten deel, de hoogeschool van het

Seti-huis over te brengen naar den nieuwen gelofte-tempel, die den naam

van het »Ramses-huis” ontving. Alles moest door hem opnieuw geregeld

worden, want de pharao gevoelde, dat het volstrekt noodzakelijk was een

nieuw priestergeslacht te vormen, en de dienaars der godheid te gewennen

hunne eigene wenschen ondergeschikt te maken aan de wetten van het land

en de verordeningen van den koning, die de wet beschermt en uitvoert.

De dichter werd aan het hoofd gesteld van de nieuwe school, welker

bibliotheek, die den naam ontving van »Gezondheidsinrichting der

ziel”[374], haars gelijke niet had. Aan deze academie, die het model is

geweest van het latere Museum van Alexandrië, werden geleerden en

dichters gevormd, wier werken eeuwen hebben overleefd en voor een deel

tot ons gekomen zijn. De beroemdste van dezen zijn de hymnen van

Pentaoer’s meest geliefden leerling, Anana, en het sprookje van de beide

broeders, hetwelk een kleinzoon van den ouden Gagaboe, die denzelfden

naam droeg, vervaardigde.

[374] Diodorus I, 94.

Ameni bleef niet in Thebe. Ramses wien ter oore was gekomen welk gebruik

de opperpriester gemaakt had van het omkomen van den ram, dien hijzelf

aan Amon had geschonken, en hoe hij het hart van het dier heilig had

verklaard, verplaatste hem, ofschoon hij hem zijne waardigheid en zijne

inkomsten liet, naar Mendes, de stad der heilige rammen in de Delta,

aangezien hij, zooals de koning niet zonder schamperheid opmerkte, toch

had getoond met deze heilige dieren bijzonder vertrouwd te zijn. Ook te

Mendes wist Ameni grooten invloed uit te oefenen. Ondanks veel verschil

van meening, dat hen dikwijls van elkander dreigde te vervreemden, bleef

hij tot het laatst door banden der vriendschap aan Pentaoer verbonden.

In den eersten voorhof van het Ramses-huis staat nog heden ten dage, de

in het midden doorgebroken grootste kolos van Egypte. Hij bestaat uit

hard graniet, overtreft in omvang zelfs de bekende Memnon’s beelden, en

wekt de verbazing van alle reizigers. Hij stelt Ramses den groote voor.

De kleine Scheraoe, dien Pentaoer tot beeldhouwer liet opleiden, heeft

dit en vele andere standbeelden van den grooten opperheerscher over

Egypte voltooid.

Een jaar na den brand van Pelusium vertrok Rameri naar het land der

Danaërs, vierde zijn bruiloft met Warda, en bleef vervolgens wonen

in het vaderland van zijne gemalin, waar hij, na den dood van haar

grootvader, als koning over vele eilanden van de Middellandsche zee

gebied voerde, en de stamvader werd van een groot en roemrijk geslacht.

Warda’s naam bleef lang onder hare onderdanen in gezegend aandenken,

want onder ellende geboren, verstond zij de kunst om te verzachten, en

zonder te deemoedigen wel te doen en gelukkig te maken.

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 56 / 58 题