Warda volgde haar grootvader en Praxilla in hunne tent aan gindschen
oever van den Pelusinischen Nijlarm, om den volgenden dag de Egyptische
legerplaats nog eens te bezoeken, van hare vrienden afscheid te nemen,
en zorg te dragen voor de begrafenis van haren vader. Zij vergat ook
niet indachtig te zijn aan de laatste bede van de oude Hekt, en het viel
Bent-Anat niet moeielijk haar vader over te halen, de tooveres, waaraan
hij zooveel dank schuldig was, gelijk hij thans te weten kwam, als eene
aanzienlijke vrouw te doen balsemen.
Alvorens Warda het leger van den koning verliet, verzocht Pentaoer haar,
of zij haren stervenden redder Nebsecht eene laatste vreugde zou willen
bereiden, door zich nog eens aan hem te vertoonen. De jonkvrouw stemde
blozend toe, waarop de dichter, die den ganschen nacht bij den arts
had gewaakt, haar vooruit ging, om den kranke op haar bezoek voor te
bereiden.
Nebsecht leed veel; zijne brandwonden en eene zware kwetsuur aan
het hoofd veroorzaakten hem groote smarten. Zijne wangen gloeiden
koortsachtig, en de artsen deelden Pentaoer mede, dat er niets meer aan
te doen was, en hij reeds binnen een uur kon sterven.
De dichter legde zijne koele hand op het brandend voorhoofd van zijn
vriend en sprak hem vriendelijk toe. Doch Nebsecht glimlachte op zijne
eigenaardige manier, als wilde hij zeggen dat hij ’t wel beter wist, en
zeide zacht en met zichtbare inspanning: »Nog maar enkele ademhalingen,
en dan komt er rust, hier en hier,” daarbij wijzende op zijn hart en
zijn hoofd.
»Wij allen komen tot rust,” zeide Pentaoer, »doch wellicht alleen, om
ons na de doodsure ginds rustiger en zonder inspanning te bewegen.
Beloonen de goden ooit iets, dan is het een redelijk streven naar
waarheid en ernstigen arbeid. Vereenigt zich ooit een geest met de
wereldziel, om met de oogen der godheid door den sluier te dringen, die
hier voor hem het geheim des levens verborgen hield, dan zal het uw
geest zijn.”
»Ik heb aan dien sluier getrokken en gerukt,” zuchtte Nebsecht, »en nu
mijn oog een deel der waarheid meent te hebben gevat, komt de plompe
hand des doods om het te sluiten. Wat baat het mij, met het oog der
godheid te zien en in hare alwetendheid te deelen? Niet het aanschouwen,
maar het vinden is zalig, zóo zalig, dat ik daarvoor nog een ander leven
hier en ginds op het spel zou willen zetten.”
Hij zweeg, want de krachten begaven hem, en Pentaoer verzocht hem
dringend zich rustig te houden, en de vriendelijke uren, die het leven
hem geschonken had, stil te overdenken.
»Dat waren er maar weinige,” zeide de arts. »Als mijne moeder mij kuste
en mij dadels schonk, als ik ongestoord alleen mocht navorschen en
arbeiden; wanneer gij mij een blik deedt slaan in uwe schoone wereld,
zoo rijk aan verscheidenheid, ― ja, dat was schoon!”
»Ook hebt gij,” zeide Pentaoer, »de smarten van vele menschen gelenigd,
en niemand leed veroorzaakt.”
Nebsecht schudde even het hoofd en prevelde: »Ik heb den ouden
Paraschiet waanzinnig gemaakt en doen sterven.”
Hij zweeg lang, toen sloeg hij de oogen plotseling op en zeide met meer
opgewektheid: »Maar toch niet om hem leed te doen; niet te vergeefs. In
Syrië, te Megiddo heb ik ongestoord gewerkt. Thans ken ik het orgaan,
met behulp waarvan wij denken. Het hart! Wat is dat hart? Het hart van
een hamel en van een mensch verrichten dezelfde diensten. Beide brengen
het drijfrad van het dierlijk leven in beweging. Beide slaan sneller
onder angst en genot, want vrees en droefheid hebben wij met de dieren
gemeen. Maar het denken, die goddelijke kracht, die reikt tot het
onbegrensde en oneindige, en ons in staat stelt juiste gevolgtrekkingen
te maken, heeft hier in het hoofd, heeft hier zijn zetel, hier achter
het voorhoofd, in de hersens!”
Hier zweeg hij, uitgeput en door smart overmand. Pentaoer meende, dat
hij in koortsachtige overspanning zoo had gesproken. Hij reikte hem
een frisschen dronk toe, terwijl twee artsen, onder het zingen van
bezweringen, rondom zijn rustbed wandelden.
Toen de kranke zich wat versterkt oprichtte, sprak de dichter: »Het
lieflijkste beeld van uw leven was zeker wel dat van het aanvallig
meisje, welks aangezicht eens, zooals ge mij zeidet, het orgaan voor het
schoone in u had doen ontwaken, en dat gij als een held, met opoffering
van uw eigen leven, den dood uit de armen hebt gerukt. Zooals gij weet
heeft Warda hare betrekkingen wedergevonden. Zij is gelukkig en haren
redder dankbaar en zou hem nog wel eens willen begroeten, voor zij met
haar grootvader naar zijn land trekt.”
De kranke aarzelde een oogenblik, eer hij zacht antwoordde: »Laat haar
komen. Maar alleen van verre wil ik haar aanschouwen.”
Pentaoer ging naar buiten en keerde spoedig daarop met Warda terug, die
blozend en met vochtige oogen aan de deur van de tent bleef staan.
De arts zag haar smeekend en liefderijk aan, en zeide: »Neem mijn dank
aan, en wees gelukkig!”
Het meisje wilde tot hem komen, om hem de hand te reiken, maar onrustig
weerde hij haar af met zijne verbonden rechterhand, en smeekte: »Kom mij
niet nader, maar blijf nog een oogenblik staan. Ach! Gij hebt tranen in
de oogen! Gelden ze mij of alleen mijne smarten?”
»U, u, goede, edele man, mijn vriend en redder,” zeide Warda. »U, beste,
arme Nebsecht!”
De arts sloot de oogen, terwijl zij innig bewogen deze woorden sprak.
Toen hij zweeg, verhief hij nog eens den blik, zag haar lang vriendelijk
en met bewondering aan, en sprak zacht:
»Nu is het genoeg! Thans wil ik sterven.”
Warda verliet de tent; Pentaoer bleef echter bij hem, en gaf nauwkeurig
acht op zijne reutelende ademhaling.
Plotseling richtte de kranke zich overeind, en zeide: »Vaarwel, vriend!
De reis begint, wie weet waarheen?”
»Zeker niet naar het ledig niets!” sprak Pentaoer met warmte.
De arts schudde het hoofd en zeide: »Ik was toch iets en uit iets kan
nimmer niets worden. De natuur is spaarzaam en weet als eene zuinige
vrouw huis te houden. Van het kleinste maakt zij gebruik. Ook mij zal ze
verbruiken, al naardat ze mij noodig heeft. Overeenkomstig maat en getal
doet zij alles zijn doel bereiken, zoo ook mijn aanzijn in dit en in een
volgend leven. Er is niet aan te ontkomen. Uit elk ding wordt, wat er
uit worden moet ― niemand vraagt naar onzen wil. ― Mijn hoofd! ―
Zoodra het hierboven drukt, is ’t met het denken gedaan! ― Kon ik maar
doorgronden ― doorgronden....”
Deze laatste woorden kwamen al zachter en zachter over zijne lippen,
zijne ademhaling werd afgebroken. Weinige oogenblikken later sloot
Pentaoer hem, diep ontroerd, de oogen toe.
* * * * *
Toen de dichter de tent van den gestorvene verliet, ontmoette hij den
opperpriester Ameni, die wel verwacht had hem bij zijn vriend te zullen
vinden. Pentaoer keerde nu met den bestuurder van het Seti-huis tot den
doode terug. Ameni sprak haastig en gejaagd eenige gebeden uit voor het
heil van Nebsecht’s ziel, en verzocht Pentaoer daarna hem onverwijld
naar zijn verblijf te volgen. Met de hem eigene voorzichtigheid bereidde
hij onderweg den dichter voor op eene ontmoeting, die hem meer droeve
dan blijde, in elk geval diep aangrijpende uren zou doen doorleven.
De rechters van Thebe, die verplicht waren vrouwe Setchem, als moeder
van hem die den koning had verraden, tot verbanning naar de bergwerken
te veroordeelen[366], hadden deze aanzienlijke en achtenswaardige
matrone ongevraagd toegestaan, onder toezicht van veiligheidsbeambten
den koning te gemoet te reizen, en deze bij zijne terugkomst in Egypte
een smeekschrift voor haar zelve, niet, zooals er uitdrukkelijk werd
bijgevoegd, voor Paäker te overhandigen. Zij was echter vertrokken
met het heimelijk voornemen, niet voor zichzelve, maar voor haar zoon
te smeeken. Ameni had Thebe reeds verlaten, toen dit vonnis werd
uitgesproken; hij zou het anders hebben teruggehouden, door den rechter
de ware afkomst van Paäker te openbaren. Nadat hij den stadhouder had
opgegeven, behoefde hij het geheim van de oude Hekt niet langer te
bewaren.
[366] Agatharchides (Diodorus III, 12) bericht, dat menigmaal
niet enkel zij, die schuldig waren bevonden, maar ook
hunne aanverwanten tot dwangarbeid in de bergwerken werden
veroordeeld. Bij het verdrag van uitlevering, dat de koning der
Cheta met Ramses II sloot, wordt er uitdrukkelijk in voorzien,
dat de naar Egypte teruggevoerde vluchteling ongestraft moet
blijven, dat men noch zijn huis, noch zijne vrouw, noch zijne
kinderen benadeelen, „=noch zijne moeder dooden zou=.”
De reis van vrouwe Setchem had door averij aan haar schip bij een storm
op den Nijl eenige vertraging ondergaan, en zoo gebeurde het, dat zij
eerst na den koning te Pelusium kwam. De mond van het Nijlkanaal, dat
bij deze vesting zich met de zee vereenigde, was zoo vol met schepen
van den stadhouder en zijn gevolg, van de feestgezanten en van edelen
en burgers, die uit alle deelen des lands waren saamgestroomd, om den
koning en zijne troepen te ontvangen, dat de boot der matrone ver van
de stad verwijderd voor anker moest komen. Eerst weinige uren geleden
was het haren trouwen hofmeester, die haar begeleidde, gelukt den
opperpriester te spreken.
Vrouwe Setchem was zeer verouderd. Het oog, dat nog weinige maanden
geleden de groote huishouding in Thebe rustig overzag en bestuurde, was
nu mat en levenloos. Al was zij niet vermagerd, zij zag er toch niet
meer zoo statig uit als weleer, maar zwak en ziekelijk. Hare lippen,
die zich zoo dikwijls geopend hadden tot menig verstandig woord, waren
vast op elkander geklemd, en bewogen zich slechts om te bidden, of
wanneer een vriend den naam noemde van haren ongelukkigen zoon. Zijne
daad, dit ontveinsde zij zich niet, verdiende afschuw, en zij zocht
geene gronden om haar te verontschuldigen. Hare moederliefde kon hem
echter wel vergeven. Zoo dikwijls zij aan hem dacht, en dit deed zij
zonder ophouden bij dag en in hare slapelooze nachten, baadden hare
gevoelige, thans reeds lijdende oogen in tranen.
Haar boot kwam te Pelusium juist in dezelfde ure voor anker, waarin de
vlammen van het brandende paleis den nacht begonnen te verlichten. De
vuurgloed en het geschreeuw op de haar omringende schepen riepen haar
op het dek. Zij vernam dat het brandende huis niets minder was dan
het prachtig gebouw, dat de stadhouder voor Ramses had opgericht. De
koning, zoo zeide men, verkeerde in doodsgevaar en verraders hadden
den brand aangestoken. Toen het dag geworden was, klonken haar onder
verwenschingen de namen van haar zoon en hare zuster in het oor. Zij
vroeg niet, zij wilde niets hooren, maar vermoedde de waarheid. Zoo
dikwijls men, nadat zij zich in hare kajuit had teruggetrokken, het
woord verraad in hare nabijheid uitsprak, gevoelde zij in haar duizelend
hoofd een pijnlijken steek, en overviel haar eene kille huivering.
Gedurende den ganschen volgenden dag had zij spijs noch drank gebruikt,
en lag zij met geslotene oogen op haren divan. Haar hofmeester, die
weldra te weten kwam welk treurig aandeel zijn voormalige meester
aan deze brandstichting had genomen, en nu ook vrouwe Setchem’s zaak
verloren achtte, had zich intusschen naar Ameni begeven. Maar de
opperpriester behoorde tot hen die steeds in ’s konings nabijheid waren,
en eerst een dag later gelukte het hem dezen te spreken.
Ameni sprak den trouwen beambte, die zoo bekommerd was en beangst,
nieuwen moed in, reed hem met zijn eigen wagen naar de haven, besteeg
het schip van vrouwe Setchem en beproefde haar voor te bereiden op de
vreugde, die haar na zulk eene zware beproeving wachtte. Doch hij was
te laat gekomen, want de geest der matrone was beneveld. Zij hoorde hem
onverschillig aan, toen hij al zijne krachten inspande, om haar moed te
verlevendigen. Alleen viel zij hem nu en dan in de reden met de vraag:
»Heeft hij het gedaan?” of »Leeft hij nog?”
Ten laatste noodigde Ameni haar uit hem in haar draagstoel naar de
legerplaats te volgen, waar zij haar zoon zou vinden. Pentaoer geleek
sprekend op haar gestorven echtgenoot, en het gezicht van den dichter,
dacht de kenner der ziel, zou de sluimerende krachten van haar geest op
nieuw wekken. In zijne tent gekomen, verhaalde hij haar zoo omzichtig
mogelijk de geschiedenis der verwisseling van haar zoon Pentaoer met
Paäker. Zij volgde hem met schijnbare opmerkzaamheid, maar toch zoo, als
hoorde zij de lotgevallen van een vreemde verhalen. Toen Ameni begon
te spreken over ’s dichters geest en gaven, en hoe hij geleek op haar
gestorven echtgenoot, prevelde zij: »Ik weet het, ik weet het; gij
bedoelt den redenaar van het feest van het dal.” Daarna vroeg zij weder,
ofschoon zij reeds meermalen gehoord had dat haar zoon dood was, of
Paäker nog leefde.
De opperpriester verliet haar eindelijk om Pentaoer te roepen. Wij
weten hoe hij hem vond vóor de tent, waarin zijn vriend Nebsecht de
eeuwige rust was ingegaan. Toen hij met den dichter, die inmiddels was
voorbereid op eene ontmoeting met zijne ware, zeer kranke moeder, zijne
tent binnentrad, vond hij haar verlaten. Zijne dienaars deelden hem
mede, dat vrouwe Setchem zich door den ouden Gagaboe, die gemakkelijk
was om te praten, naar het lijk van Paäker had laten brengen. Ameni werd
boos, want hij vreesde dat vrouwe Setchem nu verloren zou zijn. Hij
verzocht den dichter hem te volgen.
In eene tent, die bij het tooneel van den brand was opgeslagen, lag
het stoffelijk overschot van den gids. Zijn lijk was onder een laken
verborgen, dat echter de breede trekken van zijn aangezicht, hetwelk
bij den val ongedeerd was gebleven, onbedekt liet. Naast hem knielde de
ongelukkige matrone.
Daar zij de stem van den opperpriester niet hoorde, legde hij zijne hand
op haar schouder en zeide, op het lijk wijzende: »Deze was de zoon van
een tuinman. Gij hebt hem trouw opgevoed, al ware het uw eigen kind
geweest. Maar de echte erfgenaam van uw edelen echtgenoot, het kind dat
gij onder uw hart hebt gedragen, is deze jongeling, is Pentaoer, dien
de goden niet enkel de gedaante, maar ook den geest en de gaven zijns
vaders hebben geschonken. Om uwer goedheid wil moge dezen doode het
kwaad vergeven worden. Maar gij zijt uwe liefde verschuldigd aan dezen
echten zoon van uw gemaal, dezen edelen man, den redenaar van het
dal-feest, den redder van het leven des konings.”
Toen stond vrouwe Setchem op, ging naar Pentaoer toe, zag hem aan met
een glimlach, betastte zijne borst en zijn aangezicht, en zeide: »Hij is
het, de goden mogen hem zegenen!”
Pentaoer wilde haar met zijne armen omvatten, maar zij week terug, als
vreesde zij zich aan trouwbreuk schuldig te maken, keerde zich haastig
om naar het lijk en prevelde »Arme, arme Paäker!”
»Moeder, moeder, erken toch uw zoon!” riep Pentaoer, hevig ontroerd.
Andermaal keerde zij zich om, en zeide: »Dat is zijne stem, ja, dat is
hij!”
Zij naderde Pentaoer weder, leunde zich tegen hem aan, greep zijn tot
haar nedergebogen hoofd, kuste hem hartelijk op de lippen, en riep nog
eens: »De goden zullen u zegenen!” Toen vloog zij weder naar het lijk,
als had zij een onrecht jegens Paäker begaan, en zonk daar ineen.
Roerloos zonder te spreken, bleef zij liggen, totdat men haar naar hare
boot terugdroeg. Daar legde zij zich neder en weigerde alle voedsel. Van
tijd tot, tijd prevelde zij nog: »Arme Paäker!” en eer Pentaoer, die
niet van hare zijde week, ofschoon zij hem niet meer kende, haar
verliet, was zij haren ruwen lieveling gevolgd naar gindsche oorden.