Terwijl Bent-Anat pogingen in het werk stelde om Warda, nadat zij uit
de vlammen gered was, in het leven terug te roepen had Rameri artsen
gehaald en was deze gevolgd in de tent van zijne zuster. Daar zag hij
met teedere bezorgdheid het half gestikte, nog altijd bewustelooze, doch
niet gewonde meisje aan, en greep eindelijk hare kleine hand, om zijne
lippen op hare vingertoppen te drukken. Bent-Anat wees hem echter van
het meisje terug. Toen bad hij haar met bewogen stem hem niet tegen te
gaan, en fluisterde haar in het oor, hoe lief haar redster hem geworden
was sedert die worsteling in den doodenstad. Nadat hij uit Syrië was
opgebroken, had hij dag en nacht aan haar gedacht, en niemand anders dan
Warda verlangde hij tot vrouw.
Bent-Anat schrikte, en herinnerde haren broeder aan de onreinheid, die
Warda van vaderszijde aankleefde, eene onreinheid waardoor zij zelve zoo
zwaar had geleden. Maar Rameri antwoordde zijne zuster met levendigheid:
»De moeder bepaalt in Egypte de afkomst der menschen, de overledene
vrouw van den braven Kaschta....”
»Ik weet alles,” viel Bent-Anat hem in de rede. »De arts Nebsecht
vertelde ons reeds, dat zij eene stomme krijgsgevangene was geweest, en
ik geloof zelfs dat Warda niet van geringe afkomst is, want zij is zoo
edel gevormd.”
»En hare huid is zoo zacht als de weeke blaadjes eener bloem,” vervolgde
Rameri. »Hare stem klinkt als zuiver goud, en.... Doch zie, zij beweegt
zich. ― Warda, sla toch de oogen eens op, Warda! Wanneer de éene zon
opgaat, dan prijzen wij de goden. ― Sla de oogen op! Hoe zal ik jubelen
en danken, wanneer beide zonnen te gelijk opgaan!”
Bent-Anat trok haar broeder met een glimlach van de kranke weg, die diep
ademhaalde, want een arts was de tent binnen gekomen, om te berichten,
dat een warm kruidenbad gereed stond, hetwelk Warda geheel herstellen
zou. De prinses beval hare dienstmaagden het bewustelooze meisje te
helpen. Zijzelve maakte zich gereed te volgen, toen een bode haars
vaders haar ontbood in de koninklijke tent. Zij vermoedde wat deze
noodiging te beteekenen had, en verzocht daarom Rameri haar alleen te
laten, daar zij zich feestelijk moest kleeden. Warda zou na het bad,
gedurende den tijd dat zij afwezig was, aan de zorg van hare vriendin
Nefert worden toevertrouwd.
»Zij is vriendelijk en goedhartig, en kent Warda,” zeide Bent-Anat.
»De zorg voor dit lieve schepsel zal haar hart goeddoen, nadat het
lang gedobberd heeft tusschen diepe smart en langdurig gemis van het
huwelijksgeluk. Mijn vader heeft Mena voor eenige dagen verlof gegeven
van zijn dienst, en ik liet haar geheel vrij, want het tijdperk, waarin
wij elkander noodig hadden, is gisteren afgesloten. Ik denk, Rameri,
dat het ons na onze redding uit den schrikkelijken brand zal gaan als
den heiligen Bennoe-vogel[363], die naar Heliopolis komt om zich te
verbranden, doch verjongd en glanzend, zalig en gelukaanbrengend uit
zijn asch wederom te voorschijn komt.”
[363] De phenix.
Toen zij alleen was, wierp zij zich voor het beeld harer moeder
neder en bad lang. Vervolgens bracht zij een reukoffer op het kleine
altaar van de godin Hathor, dat haar steeds vergezelde, liet zich met
blijmoedig vertrouwen voor haren vader en ook ― zij kon zich dat niet
ontveinzen ― voor Pentaoer tooien, ging daarop naar Nefert’s tent, om
haar te verzoeken voor Warda te zorgen, en volgde eindelijk de roepstem
des konings, die, gelijk wij weten, hare goede verwachtingen tot
waarheid maakte.
Zoodra Rameri uit de tent zijner zuster buiten kwam, zag hij hoe de
wachters een knaapje grepen en medevoerden. Het kind weende bitter en de
prins herkende in hem den kleinen beeldhouwer Scheraoe, die hem bij
Warda de aanslagen van den stadhouder verraden had, en dien hij ook bij
den brand meende gezien te hebben. De schildwachten hadden hem reeds
meer dan eens van de tent der prinses weggejaagd, maar hij was altijd
teruggekomen. Zijne volharding had het wantrouwen van een officier
gewekt, want na den brand liepen er ontelbare geruchten onder het leger
van samenzweringen en aanslagen tegen de koninklijke familie.
Rameri zorgde, dat de kleine gevangene terstond weder op vrije voeten
werd gesteld, liet zich door hem vertellen, dat de oude Hekt, even vóor
haar dood, den roodbaard Kaschta en zijne dochter had uitgezonden om den
koning te redden, dat ook hij de soldaten had gewekt, dat hij nu geen
tehuis meer had en bij Warda wilde zijn. De prins bracht den kleine zelf
bij Nefert, en verzocht haar den knaap te veroorloven de geredde weer te
zien, en hem bij haar dienstpersoneel te laten wachten, tot hij van zijn
vader zou zijn teruggekeerd.
De artsen hadden Warda’s toestand juist beoordeeld, want in het bad
kwam zij weder bij. Men trok haar schoone kleederen aan, en wekte hare
krachten op door geesterijke vochten en geneesmiddelen, die men haar
liet inademen en drinken. Toen zij hierna in Nefert’s tent werd
gebracht, kon Mena, die haar voor de eerste maal zag, zich niet genoeg
verbazen over hare treffende en eigenaardige schoonheid. »Zij gelijkt
inderdaad de dochter van den vorst der Danaërs, die ik voor haar vader
in mijne tent heb bewaard,” zeide hij, »maar zij is jonger en ook nog
schooner dan deze.”
De kleine Scheraoe kwam om haar te begroeten en het deed haar genoegen
den knaap te zien. Maar zij was droevig gestemd, en hoe goedig Nefert
haar ook toesprak, zij bleef toch in zich zelve gekeerd, en van tijd tot
tijd rolden er groote tranen langs hare wangen.
»Gij hebt uw vader verloren,” zeide Nefert, om haar te troosten. »Ik
verloor mijne moeder en mijn broeder op éen dag.”
»Kaschta was wat ruw, maar goed,” gaf Warda ten antwoord. »Ik zal
hem altijd blijven liefhebben. Hij was gelijk aan de vrucht van den
doem-palm[364]. Haar schaal is zoo hard als been, maar wie haar weet
te openen, vindt daarin zoete spijs. Nu is hij dood; mijne moeder en
grootouders zijn hem voorgegaan, en ik ben als het boomblad, dat ik bij
onze vaart hierheen op de zee zag drijven. Ik heb nooit iets zoo eenzaam
gezien als dat blad, want geheel gescheiden van alles waarop het
betrekking had, dreef het op het vreemde element, waarop nooit iets
groeide of gedijen kon, wat op een blad gelijkt.”
[364] Doem-palm, Crucifera Thebaica. Vert.
Nefert kuste haar op het voorhoofd en zeide: »Maar gij hebt vrienden,
die u niet verlaten zullen.”
»Dat weet ik, ja, dat weet ik,” antwoordde Warda nadenkend, »en toch
gevoel ik mij thans eerst recht alleen. Toen ik nog in Thebe was, heb ik
dikwijls de wilde zwanen nagestaard. Als zij trekken vliegen er eenige
vooraan, dan komt de geheele zwerm en ten laatste, dikwijls op zeer
grooten afstand, de eene achterblijver na den anderen. Zelfs den
laatsten van deze noem ik nog geen eenzame, want hij ziet toch nog
zijn broeder vóor zich. Maar wanneer een jager de laagvliegende
achterblijvers wegschiet en de laatste alleen overblijft; wanneer deze
den zwerm niet meer volgen kan, omdat hij dien uit het oog verliest en
weet, dat hij hem nooit kan wedervinden en bereiken, dan is hij eerst
recht beklagenswaardig. Het is mij zoo wee om het hart als zulk een
afgematten vogel, want heden heb ik hen waartoe ik behoor uit het oog
verloren, en kan ze nimmer wedervinden.”
»Gij zult in een edeler geslacht dan dat, waartoe gij door uwe geboorte
behoordet, worden opgenomen,” zeide Nefert troostend.
Op eens sloeg Warda de oogen vurig op, en zeide trotsch, bijna
hoogmoedig: »Mijn geslacht is dat mijner moeder die van hooge geboorte
was. Weet gij, waarom ik heden morgen weder ben omgekeerd te midden van
rook en vlammen, nadat ik reeds weder de vrije goddelijke lucht had
ingeademd? Weet gij wat mij weder terugdreef, omdat het mij der moeite
waard scheen daarvoor te sterven? Het was om het erfdeel mijner moeder,
dat ik bij mijne feestkleederen had weggelegd, toen ik den slechten
Nemoe in het kamp volgde. Ik wierp mij den dood in de armen, om
het kleinood te redden, maar waarlijk niet omdat het uit goud en
edelgesteenten bestond! Want rijk wil ik niet zijn, en voor mijn
onderhoud heb ik niet meer noodig dan een stukje brood, een dadel en
eene schaal vol water. ― Doch ik waagde mijn leven, omdat het in vreemd
schrift een naam bevat, en omdat ik geloof dat het mij met behulp
daarvan gelukken zal eens het geslacht te ontdekken, waaruit mijne
moeder geroofd is. Nu heb ik dat kleinood verloren, en daarmede mijn
stamboom, mijne hoop, mijn geluk!”
Warda snikte luide. Nefert naderde haar liefderijk en vroeg: »Arm
meisje, is uw schat een prooi der vlammen geworden?”
»Neen, neen!” riep Warda levendig. »Ik heb het kleinood uit mijne koffer
genomen, en hield het in de hand toen Nebsecht mij op de armen nam. Ik
had het nog toen ik, gered, daar lag tegenover het brandende gebouw, en
Bent-Anat mij verpleegde en Rameri bij mij kwam. Als in eene droom zag
ik hem vóor mij. Half ontwaakt greep ik terstond naar het kleinood en
voelde het nog tusschen mijne vingers.”
»Hebt gij het dan op den weg hierheen verloren?” vroeg Nefert.
Warda knikte toestemmend. De kleine Scheraoe, die naast haar op den
grond neergehurkt zat, stond echter op, en sloop, met teedere en
vochtige oogen Warda aanziende, de deur van de tent uit.
Er verliepen uren. Warda staarde zwijgend op den grond. Nefert en Mena
zaten hand in hand, en dachten aan hunne afgestorvenen. In de tent was
het doodstil, en de droefheid wierp donkere schaduwen over het geluk der
wedervereenigde echtgenooten. Van de zijde waar ’s konings tent stond,
werd nu en dan het blazen van trompetten gehoord, eerst toen de
Aziatische vorsten hun intocht deden in de vergaderzaal, vervolgens toen
de vorst der Danaërs zich verwijderde, en eindelijk toen de pharao met
de overwonnenen aan tafel ging. De wagenmenner dacht aan zijn meester,
aan het eereambt, dat hij door het vertrouwen van zijne vrouw terug had
gekregen, en drukte Nefert dankbaar de hand.
Daar kwam beweging voor zijne tent. Een officier trad binnen om Mena
mede te deelen, dat de koning der Danaërs en zijne dochter, door
koninklijke lijfwachten begeleid, hem en Nefert verlangden te zien en
te spreken. De tentdeuren werden terstond wijd geopend. Warda trad
bescheiden op den achtergrond, en Mena en Nefert gingen hand in hand
hunne onverwachte gasten tegemoet.
De vorst der Danaërs was een man van gevorderden leeftijd. Zijn baard
en zijn dik hoofdhaar waren reeds grijs, maar hoewel hij zich bezadigd
en waardig toonde in zijne bewegingen, was hij nog levendig gelijk een
jongeling. Zijn mannelijk evenredig gelaat droeg reeds menigen rimpel.
Zijne groote helderblauwe oogen teekenden opgeruimdheid, maar bij zijn
mond vertoonden zich plooien, die getuigden van kommer. Naast hem
wandelde zijne dochter, eene jonkvrouw van middelbare grootte, maar edel
en gelijkmatig in al hare bewegingen, gelijk haar vader. Zij droeg een
lang wit, met purperstrooken omboord gewaad, boven de heupen door
een gouden gordel saamgehouden. Hare geelblonde haren, die langs het
achterhoofd in dichte lokken op hals en rug nederhingen, waren op het
voorhoofd met een diadeem gekroond. Het reine voorhoofd was smal en
vormde eene lijn met den fijnbesneden neus. Hare roode lippen gaven haar
gezicht eene vriendelijke uitdrukking. Buitengewoon schoon was vooral de
harmonie tusschen haar ovaal gelaat en haren sneeuwwitten hals.
Naast dit paar liep een tolk, die elk woord van de bezoekers en die hen
ontvingen overbracht. Achter hem wandelden twee mannen en evenzoovele
vrouwen, die geschenken voor Mena en zijne gemalin droegen.
De vorst der Danaërs prees de edelmoedigheid van den wagenmenner in
warme woorden. »Gij hebt mij bewezen,” zeide hij, »dat de deugden
van dankbaarheid, onthouding en trouw ook door de Egyptenaars worden
beoefend, hoewel mij, o Mena, uwe verdienste niet zoo groot schijnt,
sedert ik uwe vrouw heb gezien. Want wie het schoonste reeds bezit,
onthoudt zich gemakkelijk van den wensch het schoone voor zich te
begeeren.”
Nefert bloosde en gaf hem ten antwoord: »Uwe grootmoedigheid berooft uwe
dochter om mij te verrijken, en de liefde voor mij bewoog wellicht mijn
echtgenoot om hetzelfde onrecht te plegen, dat uwe schoone dochter u
beiden en mij moge vergeven!”
Praxilla trad haar thans nader, dankte haar en Mena hartelijk, en
overhandigde haar den kostbaren diadeem, de gouden ringen en de vreemde
parelsnoeren, die hare dienstmaagden droegen. Haar vader verzocht Mena
een pantser en een schild van kunstig gedreven zilverwerk van hem te
willen aannemen.
Nadat dit voor de tent geschied was, volgden beiden het echtpaar naar
binnen, om daar als gasten verwelkomd te worden met brood en wijn.
Terwijl haar vader Mena de eer aandeed met hem te drinken, deelde
Praxilla met behulp van een tolk aan Nefert mede, welke ontzettende
uren zij had doorleefd, toen zij, na gevangen genomen te zijn, met den
overigen buit in het leger van Ramses was tentoongesteld, hoe een oud
bevelhebber haar reeds voor zich in beslag had genomen, maar Mena haar
de hand gereikt en in zijne hut gevoerd had, om haar daar als zijn eigen
kind te behandelen. Diepe ontroering klonk er in hare stem, ja zelfs in
die van den tolk, toen zij dit alles vertelde en met deze woorden sloot:
»Hoe dankbaar ik Mena ben, zult gij eerst recht begrijpen, wanneer ik u
mededeel, dat de voor mij bestemde echtgenoot, bij de verdediging van
onze legerplaats, voor mijne oogen gewond neerzonk. Hij is thans genezen
en bij mijne terugkomst wacht ons de bruiloft.”
»Alzoo mogen de goden het geheugen!” riep de Danaër, »want Praxilla is
de laatste telg uit mijn huis. De menschenmoordende krijg ontroofde mij
vier zonen, alvorens zij zich eene vrouw hadden genomen, en de vijfde
viel door Egyptische handen bij de verdediging van onze legerplaats,
die, met zijne vrouw en haar pasgeboren zoon in uwe handen viel. Zoo is
Praxilla, mijn jongste kind, het eenige, dat de afgunstige goden mij
gelaten hebben.”
Terwijl hij zoo sprak hoorde men de wachters roepen, en boven deze uit
eene luide kinderstem. Terstond daarop stormde de kleine Scheraoe met
de hand in de hoogte de tent binnen en riep: »Ik heb het, ik heb het
gevonden!”
Warda, die zich had teruggetrokken achter het gordijn, waardoor
het gedeelte van de tent, dat voor slaapplaats bestemd was, werd
afgescheiden, maar niettemin elk woord van den vorst der Danaërs met
spanning had afgeluisterd, en hare oogen van de blanke en blonde
Praxilla niet had afgewend, trad nu gejaagd en vast besloten midden in
de tent. Zij nam den knaap het kleinood uit de hand, om het den vorst
te laten zien. Want terwijl zij Praxilla had beschouwd, was het haar
geweest alsof zij zichzelve in den spiegel had gezien, en het vermoeden
was in haar gewekt, dat hare moeder eene vrouw der Danaërs was geweest.
Haar hart sloeg hoorbaar, toen zij bescheiden, met gebogen hoofd en in
smeekende houding, den vorst naderde, terwijl zij haar kleinood omhoog
hield.
Alle aanwezigen zagen vol verbazing naar den ouden held, want zijne
hooge gestalte begon te wankelen. Hij strekte zijne armen tegen Warda
uit, als om haar af te weren, en riep, terwijl hij eenige schreden
achterwaarts deed: »Xanthe, Xanthe! Laat Hades[365], dan zijne schimmen
vrij? Wilt gij mij roepen?”
[365] Hades (Pluto) was de god van de onderwereld bij de
Grieken. Vert.
Praxilla zag verschrikt haar vader aan, en niet minder verbaasd op
Warda. Plotseling echter gaf zij een gil, die door merg en been drong.
Zij rukte een keten van haar hals, vloog naar Warda toe, nam het
kleinood uit hare hand en riep: »Hier is het, hier is het, de andere
helft van het sieraad mijner arme zuster Xanthe!”
Innig aandoenlijk was het den bejaarden vorst te zien, hoe hij worstelde
om zich goed te houden, en met welk eene teederheid hij Warda aanzag.
Zijne krachtige handen beefden, toen hij het kleinood van Warda en dat
van zijn dochter Praxilla aan elkander paste. Beide stukken geleken
elkander volkomen. Elk stelde den vleugel van een adelaar voor, die
uitging van een half ovaal, waarop eenige letters stonden. Legde
men beide steenen tegen elkaar, dan verkreeg men het beeld van den
vogel, die zijn vleugels uitspreidt, op welks borst in sierlijke,
op de doorsnede precies aan elkander passende regels, de volgende
raadselspreuk te lezen was:
Eén is een nietig ding, een armelijk pronkend sieraad.
Doch met de tweede vereend, wordt het een liev’ling van Zeus.
Een vluchtige blik op deze woorden bewezen den Danaër, dat hij het
sieraad in de hand hield, dat hij zijne dochter Xanthe met eigene hand
bij haar huwelijk om den hals had gehangen. De andere helft droeg
in die dagen hare moeder, waarvan Praxilla het erfde. Het kleinood
was oorspronkelijk voor zijne gemalin en hare vroeg gestorvene
tweelingszuster vervaardigd geworden.
Voor hij nader onderzoek deed en van alles verklaring vroeg, nam de
vorst Warda’s hoofd tusschen zijne handen, richtte haar aangezicht tegen
het zijne, en las in hare lieflijke trekken als in een boek, waarin hij
verwachten mocht de geschiedenis van de zaligste uren zijns levens te
zullen opgeteekend vinden. Het meisje toonde geen vrees, en weerde hem
niet af, toen hij een kus op haar voorhoofd drukte. Zij wist toch, dat
zij aan dezen man verwant was.
Ten laatste wenkte de Danaër den tolk. Warda werd gevraagd wat zij van
hare moeder wist, en vertelde nu, hoe deze met een knaapje, dat spoedig
gestorven was, als krijgsgevangene naar Thebe was gebracht, hoe haar
vader haar gekocht en tot vrouw genomen, en al was zij ook stom, haar
innig bemind had.
Na dit bericht erkende de vorst in Warda zijne kleindochter, voerde haar
in de armen van Praxilla en deed Mena en Nefert mededeelen, dat voor
twintig jaren zijn schoonzoon, bij een aanval op de legerplaats, was
gesneuveld, en diens vrouw, zijne dochter Xanthe, waarvan Warda het
sprekend evenbeeld was, met een knaapje aan de borst was weggesleept.
Van schrik over deze gebeurtenis was zijne vrouw gestorven, weinige
weken nadat zij hem Praxilla had geschonken. Alle nasporingen naar
Xanthe en haar kind waren vruchteloos gebleven. De vorst herinnerde
zich echter, dat hij op eene vraag van Egyptenaars, aan wie hij een
hoog losgeld had geboden, of zijne dochter stom was, ontkennend had
geantwoord. Xanthe had van schrik en smart haar spraakvermogen verloren.
De vorst wist geene woorden te vinden om zijne blijdschap uit te
spreken, en Warda werd niet moede hem en zijne dochter te beschouwen
en de hand te drukken. Zij richtte zich tot den tolk en vroeg: »Hoe
zegt men: ik ben zeer gelukkig?” Lachend sprak zij hem na, en vroeg
dan verder: »Hoe zeg ik: Warda wil u hartelijk liefhebben?” Ook dat
herhaalde zij, en deze een weinig verminkte volzin klonk zoo innig, zoo
diep gevoeld, dat haar grootvader haar aan zijn hart drukte.
In Nefert’s oogen welden tranen van ontroering, en toen Warda zich
ook in hare armen wierp, zeide zij: »De verlaten zwaan heeft zijn
gezelschap, het eenzame blad zijn boom weergevonden, en kan nu gelukkig
zijn.”
Zoo vloog een uur voorbij in de reinste zaligheid. Doch eindelijk maakte
de vorst der Danaërs zich gereed om te vertrekken. Hij wilde Warda
medenemen, maar Mena verzocht vergunning om den pharao en zijn dochter
het gebeurde mede te deelen. Warda behoorde aan de prinses; zij was hem
door haar toevertrouwd, en hij mocht haar toch niet aan vreemde handen
overgeven, alvorens hij Bent-Anat gewaarschuwd had. Zonder zelfs het
antwoord van den Danaër af te wachten, verliet hij de tent en wist zich
den toegang te verschaffen, tot het gastmaal des konings. Ons is reeds
bekend, dat Ramses hem weldra met Bent-Anat en Rameri volgde. Mena hing
onderweg met levendige woorden een tafereel op van de aangrijpende
gebeurtenis, die hij zooeven had bijgewoond.
»Zoudt gij bereid zijn,” vroeg Ramses zijn zoon, terwijl hij Bent-Anat
zijdelings aanzag, »uw misdrijf goed te maken, en door uwe verloving met
zijne kleindochter den vorst der Danaërs voor ons te winnen?”
De prins kon geene woorden vinden, doch hij greep de hand zijns vaders
en kuste die zoo onstuimig, dat Ramses haar terugtrok, en zeide, terwijl
hij met den vinger dreigde: »Ik geloof, mijn vriend, dat gij ons zijt
voorgekomen, en achter onzen rug staatkundige onderhandelingen hebt
aangeknoopt!”
Ramses vond zijnen trotschen tegenstander vóor Mena’s tent, en wilde hem
de hand reiken. Maar ditmaal was de Danaër reeds voor hem nedergezonken,
evenals de andere vorsten, en zeide: »Zie in mij niet den krijgsman en
koning, maar den smeekenden vader. Laat ons vrede sluiten en veroorloof
mij, dat ik dit meisje, mijne kleindochter, met mij neme naar mijn en
haar vaderland.”
De pharao hief den grijsaard op, reikte hem zijne rechterhand en zeide
goedig: »Wat gij verlangt, vermag ik slechts voor de helft te vergunnen.
Ik, de koning van Egypte, bied u van ganscher harte een vast verbond,
een blijvende vrede aan. Wat deze schoone jonkvrouw aangaat, daarover
moet gij met mijne kinderen onderhandelen, allereerst met deze mijne
dochter Bent-Anat, tot welker vrouwen zij behoort, en vervolgens met
dien door u vrijgegeven gevangene daar, mijn zoon Rameri, die Warda als
vrouw begeert.”
»Ik draag mijne rechten op mijn broeder over,” zeide Bent-Anat, »en
vraag u, jonkvrouw, of gij genegen zijt hem als uw heer te erkennen?”
Warda knikte toestemmend en zag haar grootvader aan met een blik, dien
hij ook zonder tolk verstond.
»Ik ken u wel,” zeide de vorst, zich tot Rameri wendende. »Wij stonden
tegenover elkander in het gevecht, en ik nam u gevangen, toen gij,
bedwelmd door den slag van mijn zwaard, van den wagen zijt getuimeld.
Gij zijt nog wat onstuimig, maar de tijd zal dit gebrek verbeteren,
wanneer men een held is van uw soort. Hoor mij aan, en ook gij, groote
pharao, vergun mij, eenige woorden te spreken. Laat ons deze beiden aan
elkander verloven, en moge hunne vereeniging ons verbond bevestigen.
Maar vergun mij eerst haar, die ik zoo lang heb moeten missen, een jaar
lang bij mij te houden, opdat ik mij in haar verheuge, en van hare
lippen de taal hoore harer moeder, die gij mij hebt ontnomen. Zij zijn
beide nog jong, naar de zeden van het land der Danaërs, waar mannen en
vrouwen later rijp zijn dan in uw land, te jong stellig voor een ernstig
echtverbond. Doch er is nog iets gewichtigs, wat ook u voor alles zal
doen besluiten mijn wensch in te willigen. Deze dochter van edelen stam
is in lage kringen opgevoed. Zij had hier geen huis, geen vaderland.
Als aan den weg moest de prins hare hand vragen. Maar wanneer zij mij
volgt, dan kan de zoon van den pharao als verloofde het paleis van een
vorst betreden, en koninklijk moet de bruiloft zijn, die ik hem bereiden
zal.”
»Wat gij verlangt,” antwoordde Ramses, »is billijk en wijs. Neem
uw kleinkind mede, als de verloofde bruid van mijn zoon, als onze
toekomstige dochter. Reikt beiden mij de handen! Het zal er nu voor u op
aankomen geduld te oefenen, want Rameri blijft van heden een vol jaar in
Egypte. Dat is tot uw voordeel, lief kind, want de gehoorzaamheid, die
hij bij den dienst in het leger zal leeren, zal eens zijn toekomstige
gemalin ten goede komen. Voor u, Rameri, zal heden over een jaar, en ik
denk dat gij den dag wel niet vergeten zult, in de haven van Pelusium,
een goed gebouwd, met Phoenicische matrozen bemand zeeschip gereed
liggen, dat u naar het land der Danaërs ter bruiloft mag voeren.”
»Zoo zij het!” riep de grijsaard, »en bij Zeus, die de eeden hoort, ik
zal Xanthe’s dochter uw zoon niet onthouden, als hij tot ons komt.”
Toen Rameri in de tent bij zijne broeders terugkeerde, vloog hij elk
afzonderlijk om den hals. Zoodra hij met hun knorrigen hofmeester alleen
was, nam hij hem de pruik van het hoofd, wierp die hoog in de lucht en
streelde den eerwaardigen beambte langs de wangen, terwijl hij hem het
hoofddeksel weer opzette.