VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Terwijl de vriendinnen Warda weder bijbrachten en liefderijk

verpleegden, liep vrouwe Katoeti in hare tent onrustig op en neder.

Kort nadat zij was weggeslopen om het gebouw in brand te steken, had

het geschreeuw van den kleinen Scheraoe hare dochter gewekt. Zij vond

Nefert’s rustbed verlaten, toen zij, bevende over al hare leden en met

zware handen, van haar misdadig werk terugkeerde.

Zij zat nu vruchteloos op Nemoe en Paäker te wachten. Haar hofmeester,

dien zij herhaalde malen uitzond, om te vragen of de stadhouder reeds

was teruggekeerd, bracht steeds een ontkennend antwoord, en tevens het

bericht, dat hij de oude Hekt midden op den weg dood had gevonden.

Het hart der weduwe klopte hevig en zij huiverde. Want terwijl zij

luisterde naar het geroep der soldaten, die kwamen blusschen, naar het

tromgeroffel en de trompetsignalen van anderen, die den koning ter hulp

ijlden, overvielen haar sombere vermoedens. Thans trof ook het dof

gedreun van instortende balken en wanden haar oor. Een boosaardig lachje

speelde er om hare lippen, terwijl zij dacht: »Dat trof misschien den

koning en mijn beminden schoonzoon, die het zeker niet helpen kon, dat

wij niet in schande zijn omgekomen, en die zich na alles wat voor

Kadesch is geschied, aan zijn geduldigen meester zal hechten gelijk een

kalf aan eene grazende koe.”

Wederom vervulde haar nieuwe moed. Zij hoorde in hare verbeelding de

kreten der Ethiopische troepen, die den stadhouder tot koning uitriepen.

Zij zag Ani, getooid met de kroon van Opper- en Neder-Egypte, op den

troon van Ramses, en zich zelve in een eenvoudig maar kostbaar gewaad

aan zijne zijde. Zij beschouwde zich als in het blijvend bezit van

Mena’s erfdeel, door den stadhouder vergroot en geheel van schulden

vrijgemaakt, waarmede zij benevens haar zoon en hare dochter nu naar

welgevallen konden handelen. Ja, een nieuw en schitterend plan vervulde

haar met verwachtingen, die haar van blijdschap bedwelmden. Misschien

was Nefert reeds in deze ure weduwe, en waarom zou het haar niet

gelukken Ani over te halen, haar kind, de schoonste vrouw uit Egypte,

tot zijne gemalin te kiezen? Dan werd zij als koningin-moeder

onschendbaar en almachtig. Sedert lang had zij zich gewend den gids

Paäker als een weggeworpen werktuig te beschouwen, dat weldra geheel

vernietigd moest worden. Zijne bezittingen konden misschien eens op haar

zoon worden overgebracht, die zich voor Kadesch zoo dapper had gedragen,

en die Ani zeker eerlang tot zijn wagenmenner of tot overste zijner

wagenstrijders verheffen zou. Terwijl zij zich, al sneller en sneller op

en neer wandelende, in zulke bespiegelingen vermeide, verliet haar alle

bezorgdheid.

Daar stormde de hofmeester, dien zij ditmaal naar het brandende gebouw

had gezonden, hare tent binnen, en bracht onder allerlei gebaren van

ontzetting de boodschap, dat de koning en zijn wagenmenner op eene

smalle borstwering midden tusschen de vlammen zweefden; dat zij verloren

waren, als er geen wonder geschiedde. Brandstichters, zoo heette het,

hadden het vuur aangelegd, en hij, de hofmeester, was weggevlogen om

haar bericht te brengen, toen men het verpletterde lijk van den gids

Paäker, dien men aan zijne zegelring had herkend, en ook dat van den

armen met een pijl doorboorden Nemoe hem voorbijgedragen had.

Katoeti zweeg; na eene diepe ademhaling vroeg zij: »En de zonen van

Ramses?”

»Den goden zij dank!” antwoordde de hofmeester. »Het gelukte hun zich

aan saamgeknoopte kleedingstukken af te laten. Eenigen waren reeds

gered, toen ik den brand verliet.”

Er kwam eene donkere wolk over Katoeti’s gelaat, en zij zond opnieuw

haar bode uit. De oogenblikken zijner afwezigheid schenen haar dagen. Nu

eens bewoog zich haar boezem onstuimig op en neder, dan hield zij haar

adem in en sloot de oogen, alsof de angst haar laatste levenskracht

uitbluschte.

Eindelijk, lang na zonsopgang, kwam de hofmeester terug. Bleek, bevende,

nauwelijks in staat een woord uit te brengen, wierp hij zich voor de

weduwe neder en riep klagend: »O, welk een nacht! ― Bereid u voor op

het ergste, meesteres! Moge Isis, die ook haar geliefden zoon zag

nederstorten in den strijd voor zijn vader en koning, u troosten, en

Amon, de groote god van Thebe u kracht verleenen! Onze trots, onze hoop,

uw zoon werd door instortende balken verpletterd.”

Katoeti vernam deze woorden strak en doodsbleek voor zich ziende, zonder

dat een traan hare oogen bevochtigde. Na eenige oogenblikken vroeg zij

dof: »En Ramses?”

»Laat ons de goden prijzen!” antwoordde de hofmeester; »hij is gered

door uw schoonzoon Mena!”

»En Ani?”

»Verbrand. Zij vonden zijn lijk onkenbaar misvormd. Men herkende hem

alleen aan den diadeem, dien hij op het feest had gedragen.”

Katoeti staarde weder in de ruimte, en vol ontzetting ging de hofmeester

achteruit als voor eene waanzinnige, toen zij, in plaats van te weenen,

hare kleine, met ringen bedekte handen tot vuisten balde, ze hoog

ophief en in een luid hoonend gelach uitbarstte. Doch verschrikt over

den toon van hare eigene stem, zweeg zij plotseling, en richtte haar

blik strak op den grond. Zij hoorde en zag niet, dat de overste der

veiligheidsbeambten, die men »de oogen en de ooren des konings” noemde,

gevolgd door een aantal officieren en een schrijver, door de deur der

tent op haar toetrad, en haar bij name riep. Eerst toen de hofmeester

haar angstig aanstootte, ontwaakte zij als uit een diepen slaap.

»Wat hebt gij hier in mijne tent te doen?” vroeg zij de beambten,

terwijl zij zich trotsch oprichtte.

»In naam van den opperrechter van Thebe,” zeide de bevelhebber der

veiligheidsbeambten plechtig, »neem ik u gevangen en daag ik u voor het

gerecht, om u voor het hoogste gerechtshof te rechtvaardigen tegen

de zware aanklacht van hoogverraad, van poging tot koningsmoord en

brandstichting, waarop de doodstraf staat.”

»Ik ben bereid,” antwoordde de weduwe, en een spottende glimlach speelde

om hare lippen.

Daarop wees zij met de haar eigene waardigheid naar een stoel en zeide:

»Neem plaats, opdat ik mij kleede!” De beambte boog. Hij bleef echter

staan aan den ingang van de tent, terwijl zij hare zwarte haren

samenbond, den diadeem op het hoofd zette, haar zalfkastje opende en

daaruit haastig een fleschje nam met snelwerkende strychnine, dat zij

zich reeds voor eenige maanden door Nemoe van de oude Hekt had weten te

verschaffen.

»Mijn spiegel!” riep zij hare dienstmaagd toe, die in een hoek van de

tent zat neergehurkt.

Zij hield vervolgens de metalen schijf voor het aangezicht, zoodat de

beambten niet konden zien wat zij deed, bracht het fleschje aan hare

lippen, en ledigde het in één teug. De spiegel ontviel aan hare hand,

zij wankelde en eene doodelijke kramp deed haar het hoofd buigen. De

beambte snelde op haar toe, en terwijl zij stervende hem aanzag, zeide

zij duidelijk: »Mijn spel is verloren: maar ook Ameni, ook Ameni zal

niets winnen. Zeg hem dat!” Zij zeeg neer, prevelde Neferts naam, gaf

een gil, die door merg en been drong, en was een lijk.

* * * * *

Het mag zijn dat de drinkbeker van het geluk voor enkele menschen zoo

rein en helder wordt als kristal, maar zelden verzuimt toch het noodlot

er een druppel in te gieten, die den drank troebel maakt. Maar wij mogen

daarover niet ontevreden zijn, want juist deze druppel is het, die ons

vermaant de goede gave des levens matig en dankbaar te genieten.

Het zalig wederzien van Mena en Nefert was wel-is-waar beneveld door den

geweldadigen dood van Katoeti, maar beiden gevoelden nu eerst recht den

ernst der liefde. Mena moest zijne vrouw het gemis van moeder en broeder

vergoeden, en Nefert had veel goed te maken van hetgeen de gestorvenen

jegens haar echtgenoot hadden misdreven. Zij begrepen nu, dat zij

elkander hadden wedergevonden, niet enkel om van elkanders bijzijn te

genieten, maar ook om elkander wederkeerig te steunen en te dragen.

Ramses verliet de rookende puinhoopen, vervuld van dank jegens de

hemelsche goden, die hem en de zijnen genadig hadden behouden. Hij beval

ontelbare stieren te slachten en door het gansche land vreugdefeesten te

vieren. Maar zijn hart was diep bedroefd, omdat hij het slachtoffer was

geweest van eene schandelijke misleiding. Evenals altijd, wanneer hij

gevoelde dat het evenwicht zijner ziel was verstoord, verlangde hij

naar eene eenzame ure, en liet zich in de legertent brengen, die men in

allerijl voor hem had opgeslagen. Want hij had geweigerd Ani’s prachtig

verblijf te betreden. Het was hem alsof dit, als de woning van een

melaatsche, door verraad en leugen was verpest.

Een uur lang bleef hij alleen. Hij woog het kwaad, dat hij van menschen

had ervaren, tegen het verblijdende en goede, en bevond, dat het laatste

het eerste verre overtrof. Als hij van oogenblik tot oogenblik zich

weder voor den geest riep, wat er dezen morgen met hem was gebeurd, werd

hij zich ten volle bewust van de dankbaarheid, die hij niet alleen

zijn hemelschen maar ook zijn aardschen vrienden verschuldigd was. Uwe

moeder, zoo sprak hij tot zichzelven, leerde u dankbaar te zijn, en den

plicht der dankbaarheid hebt gij ook uwen kinderen ingescherpt. Hij

is vroom, die zich jegens de goden dankbaar betoont, en goed, die niet

vergeet hoeveel dank hij aan menschen verschuldigd is.

Toen hij Bent-Anat en Pentaoer in zijne tent ontbood, was alle

bitterheid uit zijne ziel verdwenen. Hij liet zich door zijne dochter

verhalen, hoe haar hart zich voor den dichter geopend had, viel haar

daarbij telkens met een woord van berisping of lof in de rede, en

vaderlijke vreugde vervulde zijne ziel, toen hij de handen van zijn

veelgeliefd kind in die van den dichter legde.

Bent-Anat liet haar hoofd vol zalig gevoel tegen de borst van Assa’s

kleinzoon rusten, maar zij zou zich niet minder blijmoedig hebben

overgegeven aan Pentaoer, den zoon van den hovenier.

»Gij zijt nu een der onzen,” zeide Ramses en gebood den dichter bij hem

te blijven, toen hij de herauten, boden en tolken beval de Aziatische

vorsten, die aan genen oever van den Nijl in hunne tenten verwijlden,

tot hem te roepen, om deugdelijke verdragen met hem te sluiten, die lang

zouden duren.

Alvorens deze verschenen, betraden de zonen van den pharao de tent huns

vaders. Zij vernamen uit ’s konings eigen mond, tot welk aanzienlijk

huis Pentaoer behoorde, en hoe zij het aan hunne zuster te danken

hadden, dat zij in hem een nieuwen broeder hadden gewonnen. De prinsen

wenschten het schoone en edele paar met oprechte vreugde geluk, doch

niemand deed dit met meer warmte dan de jonge Rameri.

De koning liet deze laatsten uit de rij zijner broeders vooruit treden,

Ramses dankte Rameri voor zijne stoute daad van dezen morgen, waaraan

hij zijne redding te danken had. Reeds voor Kadesch had hij hem met

het gewaad van den man bekleed[359]. Thans benoemde hij hem tot

opperbevelhebber van het legioen zijner wagenstrijders, en schonk hem

het versiersel der leeuwenorde voor dappere daden, dat om den hals

gedragen werd[360].

[359] De scheepsgezagvoerder Ahmes vertelt in zijne

levensbeschrijving, die in den wand van zijn graf te el Kab

is uitgebeiteld (regel 6), dat hij met „het gewaad der jonge

mannen” bekleed is geworden, en dat hij „vervolgens een huis

genomen heeft,” of wel zijn eigen huis heeft gebouwd, m. a. w.

dat hij getrouwd is.

[360] Deze onderscheiding, die werkelijk „de leeuwenorde”

genoemd wordt, viel bijv. ten deel aan den veldoverste Amen

em Heb, die onder Thotmes III leefde. Zijn zeer belangrijk

grafschrift, door mij ontdekt, heb ik vertaald en uitvoerig

verklaard in =Zeitschrift der deutschen morgenländischen

Gesellschaft=, 1876.

De prins dankte zijn vader in geknielde houding. Deze nam Rameri’s

kroeskop tusschen zijne handen en zeide: »Door uwe voortreffelijke daden

hebt gij aanspraak op lof en belooning van uw vader, die thans gered,

reden heeft om over zulk een zoon tevreden te zijn. Maar als koning, die

waakt over de wet[361] en dit land bestuurt, moet ik toornig zijn, ja u

misschien bestraffen! Het is u moeielijk gevallen u te onderwerpen aan

den schooldwang, waardoor wij gehoorzaamheid moeten leeren, om later in

staat te zijn met billijkheid te bevelen. Vóor wij u riepen, hebt gij

Egypte verlaten en zijt gij naar het leger opgetrokken. Gij hebt getoond

in moed en kracht een man te zijn, maar een onbezonnen knaap wat

betreft verstandig overleg, hetwelk de zoon van een heldenstam minder

gemakkelijk leert dan flink er op in te slaan. Zonder eene leerschool

doorloopen te hebben, rekendet ge u reeds onder de meesters in den

krijg. En wat was het gevolg? Tweemaal geraaktet gij gevangen, en

tweemaal moest ik u uit de handen der vijanden loskoopen.

[361] Titel van de pharao’s, die zeer dikwijls voorkomt.

»De koning der Danaërs leverde u uit tegen zijne dochter, die Mena in

zijne tent bewaarde. Hij verheugt zich nu reeds lang, dat hij zijn kind

terug ontving. Maar met haar hebben wij het krachtigst middel uit de

hand moeten geven, om eene vaste en duurzame vredesgelofte te verkrijgen

van den vorst, die over de steeds machtiger en trotscher wordende mannen

op de eilanden en aan de noordelijke kusten van de groote zee[362]

gebied voert.

[362] De Middellandsche zee.

»Zoo wordt door de onvoorzichtige en onwillekeurige handelwijze van een

knaap het groote werk in gevaar gebracht, dat nu moet worden voltooid.

Het doet mij heden bijzonder leed, dat ik uw gemoed, hetwelk ik door

lof oprichtte, door berisping weder moet nederdrukken. Ik wil ook niet

straffen, maar enkel leeren en waarschuwen. Eene staatsinrichting is

gelijk aan de in elkander grijpende raderen, die eene schepmachine van

den Nijl in beweging brengen. Wanneer éen rad weigert, staat het geheel

stil, hoe krachtig de stieren ook zijn, die den balk ronddraaien. Ieder

uwer, vergeet dit niet, is een hoofdrad in de kunstmatige inrichting

van den staat, en kan dan alleen nut doen, wanneer hij zich zonder

wederstand te bieden onderwerpt aan de machten die hem leiden. Sta

nu op! Mogelijk zal het gelukken den koning der Danaërs, ook zonder

gijzelaars, deugdelijke waarborgen af te dwingen.”

Daar traden herauten de tent binnen met het bericht, dat de

vertegenwoordiger van den koning der Cheta en der vorsten, zijne

bondgenooten, in de raadzaal van den pharao wachtten. Ramses liet zich

de kroon van Opper- en Neder-Egypte opzetten en kleeden in zijn vol

ornaat. Zijne ceremoniemeesters, de dragers van de teekenen zijner

macht, en de met struisvederen getooide oversten zijner schrijvers

gingen hem vooruit, terwijl zijne zonen, de opperbevelhebbers van zijn

leger en de tolken hem volgden.

Ramses zette zich vol waardigheid op zijn troon. Uit zijne oogen

straalde ernst en strengheid, terwijl hij de hulde der door hem

overwonnen vorsten aannam. Alle Aziaten kusten den grond vóor zijne

voeten. De koning der Danaërs alleen stelde zich met eene buiging

tevreden.

De pharao zag hem met weerzin aan, en liet hem door de tolken vragen,

of hij zich al of niet voor verslagen hield? De vorst liet Ramses

antwoorden, dat hij niet als gevangene voor hem verschenen was, en dat

hetgeen de koning van hem verlangde hem zou onteeren naar de zeden van

zijn vaderland, een land van vrijgeboren mannen, die zich enkel voor de

goden ter aarde wierpen. Hij hoopte een bondgenoot te worden van den

gebieder over Egypte, en stelde hem de vraag, of hij een onteerde tot

vriend begeerde?

Ramses nam met zijne oogen de trotsche en edelgevormde gestalte op van

den vorst, die zulk eene taal voerde, en zeide streng: »Alleen met zulke

tegenstanders ben ik geneigd vrede te maken, die zich vrijwillig buigen

voor de dubbele kroon op mijn hoofd. Blijft gij in uwe weigering

volharden, dan zult gij met de uwen niet deelen in de milde verdragen,

die ik met deze uwe bondgenooten verlang te sluiten.”

De Danaër bewaarde zijn zelfbewuste houding, die echter vrij was van

alle aanmatiging, toen deze woorden van Ramses hem werden vertolkt. Hij

deed den pharao antwoorden, dat ook hij gekomen was met het plan, om

tegen een hoogen prijs vrede te sluiten, maar dat hij zich noch voor

eene kroon noch voor een mensch in het stof werpen kon of wilde. Hij was

voornemens den volgenden dag te vertrekken, hij bad dus om eene gunst,

mede in naam zijner dochter; want hij had gehoord, dat de Egyptenaars

de vrouw in hooge eere hielden. De koning wist dat zijn wagenmenner

Mena zijne dochter niet als eene gevangene maar als eene zuster had

behandeld, daarom koesterde Praxilla evenals hij den wensch, den edelen

wagenmenner vaarwel te zeggen, en hem benevens zijne gemalin voor zulk

eene groote edelmoedigheid te danken. Hij hoopte dat Ramses hem zou

toestaan vóor zijn vertrek den stroom nog eens te overschrijden en met

zijne dochter, Mena op te zoeken in zijne tent.

De pharao willigde deze bede in. De vorst der Danaërs verliet daarop de

tent, waarna de onderhandelingen een aanvang namen. In weinige uren was

men hiermede gereed, want de Egyptische en Aziatische schrijvers waren

het gedurende den langen marsch reeds eens geworden over het verdrag,

dat thans geteekend zou worden. Het vredesprotokol zou in Ramses-stad

Tanis, door de vele daar gevestigde Semieten Zoan genoemd, in

bewoordingen, die men zorgvuldig moest wikken en wegen, geschreven en

onderteekend worden. De Aziatische vorsten mochten nu als gasten aan den

koninklijken maaltijd deelnemen. Zij zaten echter aan eene bijzondere

tafel, want een Egyptenaar zou zich verontreinigd hebben, wanneer hij

met vreemdelingen aan denzelfden disch at.

Ramses was echter niet volkomen tevreden. Wanneer de Danaër heenging,

zonder zich met hem verbonden te hebben, dan was het te verwachten, dat

de vrede, dien hij zoo ernstig begeerde, wederom van korten duur zou

zijn. Toch gevoelde hij dat de vorst der Danaërs, al ware het alleen met

het oog op de andere overwonnen vorsten, niet mocht vrijgesteld worden

van de deemoediging, die hij gedwongen en, zoo hij meende, gerechtigd

was hem op te leggen, al trok die mannelijke houding hem ook aan, en al

moest hij erkennen dat de dapperheid der door dezen ten strijde gevoerde

volken hem achting afdwong.

De zon neigde reeds ten avond, toen Mena, wien de koning verlof had

gegeven, buiten zich zelven van blijdschap aan de tafel der vergaderde

vorsten verscheen, en den koning liet verzoeken, of hij hem iets

gewichtigs mocht mededeelen. Ramses gaf hem een wenk, de wagenmenner

naderde hem en beiden voerden eenige oogenblikken een zacht maar

levendig gesprek.

Ten laatste stond de pharao van zijn troon op, en riep Bent-Anat toe:

»Deze dag, die zoo schrikkelijk is begonnen, zal blijde eindigen. Het

lieftallig meisje, dat u heden gered heeft en bijna eene prooi der

vlammen was geworden, is van hooge afkomst.”

»Zij is van vorstelijk bloed,” riep Rameri, zijn vader oneerbiedig in de

reden vallende.

Ramses zag hem berispend aan en zeide: »Mijne zonen zwijgen tot ik hen

vraag.”

De prins kreeg eene kleur en zag voor zich. De koning stond op, wenkte

Bent-Anat en Pentaoer, verzocht zijne gasten hem voor een korten tijd

te verontschuldigen, en maakte zich gereed de tent te verlaten. Daar

naderde Bent-Anat. Zij zag haar vader vragend aan en fluisterde hem

eenige woorden in het oor, die op haar broeder betrekking hadden. En

niet te vergeefs, want Ramses bleef staan, zag eenige oogenblikken

nadenkend naar den grond, en wendde toen zijn blikken naar den kroeskop,

dien hij beschaamd en als aan zijn plaats genageld zag staan. Hij riep

Rameri bij zijn naam, en gaf hem een wenk om te volgen.

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 53 / 58 题