Katoeti had haar ongelukkigen neef Paäker verborgen gehouden in eene der
tenten van hare bedienden. De man had, na op het slagveld van Kadesch
zwaar verwond te zijn, onder onlijdelijke smarten langs hem alleen
bekende paden zich voortgesleept tot aan het hol, dat Kaschta aan
Pentaoer had gewezen. Met behulp van een ezel, dien hij van een
Syrischen boer had gekocht, kon hij het zoover brengen. Hier vond hij
zijn trouwen Ethiopischen slaaf, die hem verpleegde, tot hij zich sterk
genoeg gevoelde, om zijne reis naar Egypte te vervolgen.
Onder de grootste ontberingen kwam hij verkleed als een Ismaëlitisch
kameeldrijver, te Pelusium. Zijne dienaren, die hem zouden kunnen
verraden, had hij in het hol achtergelaten. Eer men hem de sterkten liet
passeeren, op bepaalden afstanden gebouwd, op de landengte, die de
Middellandsche- en Schelfzeeën aan elkander verbonden, ten einde Egypte
te verdedigen tegen de invallen der nomadische Schaoe-stammen[356], werd
hij aan een streng verhoor onderworpen. Men vroeg hem onder anderen,
of hij den Mohar, die den koning had verraden, en van wien men
eene beschrijving gaf, niet had ontmoet. Niemand dacht in dien
uitgeteerden, vuilen eenoogigen kameeldrijver den breedgeschouderden en
sterkgespierden wegverkenner van den pharao voor zich te zien. Om zich
nog meer onkenbaar te maken, kocht hij van een arts een in dien tijd
veelvuldig gebruikt middel om het haar te verven[357], en smeerde
daarmede zijn lichaam in.
[356] Ebers, =Aegypten und die Bücher Mose’s=. S. 78.
[357] In den papyrus-Ebers vind men vele recepten tot bereiding
van middelen om het haar te verven. Van een dier middelen zou
Schesch, de moeder van Teta, en gemalin van den eersten pharao
van Egypte, de uitvindster geweest zijn. Het oudste van alle
voorhandene recepten is dus een voorschrift, hoe men het haar
verft.
Katoeti was met den stadhouder Ani lang vóor hem te Pelusium
aangekomen, om toezicht te houden op den bouw van het paleis. Als een
bedelende neger, met een palmtak in de hand, waagde Paäker het haar te
naderen. Zij gaf hem een aalmoes en vroeg hem naar zijn vaderland; want
ook den geringste zocht zij hier voor zich te winnen. Maar ofschoon zij
zijn antwoord met schijnbare deelneming aanhoorde, zoo herkende zij hem
toch niet. Dit gaf hem moed. Hij kwam den volgenden dag opnieuw tot
haar, en noemde haar eindelijk zijn naam.
De weduwe bleef niet ongeroerd voor de vreeselijke verandering, die er
met haar neef was geschied. Hoewel zij wist dat Ani zelfs allen met den
dood had bedreigd, die gemeenschap mochten houden met den verrader, zoo
nam zij hem toch in haar dienst, want zij kon den tot wanhoop gebrachten
vijand van den koning en van haren schoonzoon nooit beter gebruiken dan
thans. De verminkte, de vervolgde en vogelvrij verklaarde gids, trok
zich geheel in zichzelven terug, en hield zich op een afstand van de
overige bedienden. Uit de minachting waarmede hij op geringe lieden
neerzag, bleek, dat zijn hoogmoed nog niet gebroken was. Aan Katoeti’s
dochter dacht hij maar zelden, en dan als in een droom, want de haat
had de liefde geheel uit zijne ziel gedrongen. Slechts éen ding was er
dat hem het leven nog waarde deed hebben, het was de hoop om te mogen
medewerken tot het verderf en getuige te kunnen zijn van den dood zijner
vijanden.
Zoo bood Paäker zich der weduwe als een welkom werktuig aan. De
eigenaardige glans, die zijn overgebleven oog deed schitteren, toen zij
hem deelgenoot maakte van het plan, om ’s konings vertrekken in brand te
steken en te beletten, dat zoowel Mena als de pharao ontkwam, gaf haar
te verstaan, dat zij in den gids den zekersten van alle helpers had
gevonden.
Vóor de aankomst van Ramses had Paäker het tooneel zijner werkzaamheid
nauwkeurig onderzocht. Onder de vensters van de koninklijke vertrekken,
die wel veertig voet boven den beganen grond verheven waren, liep eene
smalle borstwering. Deze bedekte de uiteinden der balken, waarop het met
pek verzadigde en met stroo gedekte roosterwerk rustte, dat de planken
van de verdieping droeg, in welke zich ’s konings vertrekken bevonden.
De openingen, waartusschen de brandende lont moest worden ingeschoven,
zou de gids teruggevonden hebben, ook al ware hij aan beide oogen blind
geweest.
Toen Katoeti voor de eerste maal haar fluitje deed hooren, sloop hij
naar zijn post. Geen schildwacht riep hem aan, want de weinige wachters,
die in de onmiddellijke nabijheid van het houten gebouw op post
waren gesteld, sliepen vast, door den zwaren wijn van den stadhouder
bevangen. In den vorm van versieringen waren in het hout van de
buitenzijde eenige insnijdingen aangebracht. Met behulp hiervan
klouterde Paäker naar boven tot op eene hoogte van twee manslengten.
Dáar was eene touwladder vastgemaakt, langs welke hij verder klom.
Weldra stond hij op de borstwering, waarboven zich de vensters der
koninklijke vertrekken bevonden, en waaronder het vuur moest worden
aangebracht.
Ramses’ slaapkamer was helder verlicht. Zonder gezien te worden, kon
Paäker er een blik in slaan, en elk woord verstaan, wat daar binnen werd
gesproken. De koning zat in een leuningstoel en zag naar den grond.
De stadhouder Ani stond voor hem en de wagenmenner Mena naast zijne
legerstede, met ’s konings slaaprok in de hand.
Thans hief Ramses het peinzend hoofd op, en zeide, terwijl hij den
stadhouder met oprechte hartelijkheid de hand reikte: »Laat mij, waarde
neef, dezen schoonen dag goed besluiten! Terwijl ik reeds op het punt
was geloof te slaan aan hetgeen tot uw nadeel werd verteld, door hen die
zich al te bezorgd over mij maken, heb ik u een trouw vriend bevonden.
Wantrouwen is mijn hart anders ten eenemale vreemd, maar hier werkten
velerlei dingen te zamen, die mijne ziel benevelden, en zoo kwam ik er
toe u onrecht te doen. Dat doet mij leed, oprecht leed, en ik schaam mij
niet u vergeving te vragen, dat ik aan uwe goede gezindheid heb kunnen
twijfelen. Gij zijt mijn vriend, en dat ik de uwe ben, dat zult gij
ondervinden! Ziedaar mijn hand! Geef mij de uwe, en geheel Egypte zal
weten, dat Ramses geen man zoo onvoorwaardelijk vertrouwt als zijn
stadhouder Ani. ― Ik draag aan u de eerewacht over mijn slaapvertrek
op. Wij deelen dezen nacht dit vertrek te zamen. Ik rust hier, neem gij,
wanneer ik mij ter ruste leg, plaats op het bed daartegenover!”
Ani had Ramses de hand gereikt, thans stond hij bleek tegen over hem.
Paäker zag hem vlak in het gezicht, en het kostte hem moeite niet in een
luiden schaterlach uit te barsten.
Ramses merkte niet op in welk een onrust de stadhouder verkeerde, want
hij had Mena reeds een wenk gegeven, om dichter bij hem te komen.
»Ook met u,” zeide hij, »wensch ik af te rekenen, voor ik mij heden ten
ruste begeef. Gij hebt het geloof van uwe trouwe gemalin op eene harde
proef gesteld, en daar zij u oprecht liefheeft, en zelve de ontrouw niet
kent, heeft zij vast op u gebouwd, met een kinderlijken eenvoud, die
dikwijls verstandiger is dan het overleg der wijzen. Ik beloofde u de
vervulling van een wensch, wanneer het blijken zou dat ik mij vergiste,
toen ik meende dat Nefert na het gebeurde aan u zou twijfelen. Zeg mij
nu, wat gij verlangt!”
Mena zonk op de knieën, kuste herhaaldelijk het gewaad van zijn vorst en
sprak: »Ik smeek om vergeving; niets anders verlang ik dan vergiffenis!
Ik heb zwaar misdreven, dat weet ik, maar hoonend werd ik uitgedaagd. Ik
zag de eerlooze hand van den nijdigen verrader, dien men thans, gelijk
ik weet, als eene pad verafschuwt, zich onbeschaamd uitstrekken naar
mijne reine vrouw.”
»Wat was dat?” zeide de koning. »Het kwam mij voor dat ik buiten gesteun
hoorde.”
Hij stond op, en ging naar het venster, zag naar buiten, maar kon den
gids niet opmerken, want deze had met zijn oog elke beweging des
konings gevolgd, en ging zoodra het klagend geluid aan zijne boezem
was ontsnapt, languit op de borstwering liggen.
Mena knielde nog altijd, toen Ramses hem weder naderde. »Vergeef mij!”
riep hij opnieuw, »Laat mij weder aan uwe zijde op den wagen staan en
uwe paarden mennen! Ik leef slechts en ben alleen iets waard door u en
uwe genade, mijn koning, mijn heer, mijn vader!”
Ramses gaf zijn vriend een teeken om op te staan, en zeide: »Uwe bede
was reeds vervuld, vóor zij door u werd uitgesproken. Ik acht mij toch
uw schuldenaar ter wille van uwe brave vrouw! Breng Nefert, niet mij,
uw dank. En wij allen, laat ons heden met buitengewone geestdrift de
hemelsche goden prijzen. Wat heeft deze dag mij niet al gegeven! Hij
deed mij u beiden, twee verloren gewaande vrienden, terugvinden, en
eindelijk schonk hij mij een nieuwen zoon!”
Een zacht gefluit drong door de nachtlucht. Het was het derde teeken van
Katoeti. Paäker blies den tonder aan, stak dien in de opening onder de
borstwering, en richtte zich daarna op om weder te luisteren, zonder te
denken aan het gevaar waarin hij zichzelven bracht.
»Ik bid u,” zeide de stadhouder, den pharao naderende, »mij te vergunnen
heen te gaan. Ik weet de eer die gij mij bewijst te waardeeren, maar de
inspanningen der laatste dagen hebben mijne krachten uitgeput. Ik kan
mij ter nauwernood op de been houden, en de eerewacht...”
»Zal aan Mena zijn toevertrouwd,” viel Ramses hem in de rede. »Slaap
hier gerust, waarde neef! De anderen zullen des te meer overtuigd
worden, dat ik alle mistrouwen jegens u verre van mij heb gezet! ― Geef
mij mijn nachtgewaad, Mena! ― Nog dit éene moet ik u zeggen: De jeugd
zoekt de jonkheid, Ani! Bent-Anat heeft zich een echtgenoot gekozen,
harer waardig, den redder van mijn leven, den dichter Pentaoer. Hij
ging door voor een man van geringe afkomst, voor een zoon van den
hovenier, die in dienst staat van het Seti-huis. En wat ben ik nu te
weten gekomen van den opperpriester Ameni? Hij is de echte zoon van den
edelen Mohar zaliger, en die eerlooze en boosaardige verrader Paäker is
het kind van den hovenier. Eene heks uit de Nekropolis heeft de kinderen
verwisseld! Dat is het beste geschenk van dezen dag, want reeds is de
weduwe van den Mohar, de edele vrouw Setchem, herwaarts gebracht, en ik
zou gedrongen zijn geweest tusschen twee vonnissen te kiezen: of haar
als moeder van den gevluchten booswicht naar de Ethiopische steengroeven
te zenden, óf haar voor de oogen van geheel het volk te laten
onthoofden. ― Om der goden wil, wat was dat?”
Door het open venster was de rauwe kreet uit de borst van een man naar
binnen gedrongen. Terstond daarop volgde een slag, als viel er eene
zware massa van een groote hoogte naar beneden.
Ramses en Mena vlogen naar het venster, maar verschrikt traden zij
terug, want een dikke rook kwam hen tegemoet.
»Roept de wachters!” beval Ramses.
»Vlieg naar beneden, Ani!” riep Mena. »Ik verlaat mijn heer niet weder
in het gevaar.”
De stadhouder ijlde de deur uit, als een veroordeelde uit zijn kerker.
Doch hij had nog maar weinige schreden voorwaarts gedaan, daar stortte
de eenige trap die naar de bovenverdieping voerde in elkaar, vóor hij
dien bereiken kon. Katoeti had deze door een enkelen hamerslag doen
vallen, toen zij het binnengedeelte van het paleis in brand had
gestoken. Ani zag nog het fladderen van haar kleed, terwijl zij de
vlucht nam. Hij balde de vuisten bij het uitroepen van haar naam,
en zonder te weten waar hij terecht zou komen, vloog hij het lange
voorportaal door waarop de kamers van den pharao uitkwamen.
Het vreeselijk geweld, veroorzaakt door het instorten van den trap,
drong den koning en zijn wagenmenner insgelijks het vertrek te verlaten.
»Daar ligt de trap! Dat wordt ernst!” zeide Ramses gelaten. Hij ging
in zijne kamer terug en plaatste zich voor het venster, om vandaar het
gevaar te overzien. Reeds sloegen de vlammen helder uit aan den
noordelijken vleugel van het paleis, zoodat de nacht, die reeds voor de
morgenschemering begon te wijken, daghelder werd. Alleen de zuidelijke
vleugel van het groote gebouw was nog ongedeerd.
Mena vestigde zijne aandacht op de borstwering, van welke Paäker
naar beneden was gestort. Hij klom het venster uit, onderzocht het
hout onder zijne voeten en bespeurde dat het stevig genoeg was om
onderscheidene personen te dragen. Hij zag overal rond en richtte zijn
oog met gespannen aandacht naar den vleugel, die nog niet door de
vlammen was aangetast.
»Het gebouw wordt met boosaardig opzet in brand gestoken,” schreeuwde
hij opeens uit. »Zie daarheen! Daar zit een man, die bezig is vuur
tusschen het hout te steken.”
In een oogwenk sprong hij weder in het vertrek, dat zich reeds met rook
begon te vullen, rukte ’s konings pijlkoker en boog, die hijzelf boven
zijn bed had opgehangen, van de wand, legde een pijl aan de pees, mikte
lang en met een gil viel de brandstichter neder.
Later vond men den dwerg Nemoe met den pijl van den wagenmenner midden
in het hart. Na den vloer onder Bent-Anat’s vertrekken in brand gestoken
te hebben, had hij den vleugel van het paleis, waarin Warda’s vriend
Rameri en de andere zonen des konings sliepen, insgelijks willen
aansteken.
Mena sprong opnieuw uit het venster en onderzocht het uitstek. Het
vertrek van den pharao vulde zich inmiddels meer en meer met rook. Reeds
drongen de vlammen hier en daar door de voegen der planken heen.
Zoowel buiten als binnen het paleis begon beweging te komen.
»Brand! Brand! Moord! Hulp! Redt den koning!” schreeuwde de roodbaard
uit al zijne macht, gevolgd door eenige lijfwachten, die hij ijlings had
gewekt.
Warda was in het paleis gevlogen, om Bent-Anat, welker vertrekken zij
kende, te roepen.
De koning was achter Mena het venster uitgeklommen en riep de soldaten
van de borstwering toe: »De helft van ulieden ga het gebouw binnen, en
trachtte allereerst de prinses te redden. De andere helft zorge, dat het
vuur den zuidelijken vleugel niet aantast. Ik zal beproeven daarheen te
komen!”
Maar Nemoe’s vuur had brand doen ontstaan en ook daar vertoonden zich
de vlammen, waartegen nu de soldaten worstelden met inspanning van alle
krachten. Hun luid geschreeuw werd gehoord te midden van het knetteren
en knappen van het droge hout, dat door de laaie vlammen werd verteerd,
van het geschetter der bazuinen en geroffel der trommen, waarmede de
troepen werden gewekt.
Thans verschenen ook de prinsen aan de vensters hunner vertrekken. Zij
hadden in allerijl hunne mantels tot eene lijn aan elkander geknoopt,
waarlangs zij zich een voor een aflieten. Ramses moedigde hen aan door
zijn woord, maar hijzelf zag zich in zijn voortgang belemmerd. De
tamelijk breede borstwering die hen droeg omgaf wel-is-waar het geheele
gebouw, doch was bij elke tien schreden afgebroken door afstanden van
eene manslengte. Daarbij woekerde het vuur steeds voort. De knetterende
vonken spatten over hem en Mena heen, als het kaf rondom den landman,
die met zijn schudgavel de graanhalmen op een hoop werpt[358].
[358] Men bedenke, dat het graan in Egypte niet gedorscht, maar
door ossen getreden werd. De halmen, die rechts en links uit
den cirkel werden gestooten, moesten door een arbeider met zijn
schudgavel of riek weder naar het midden worden geworpen,
waarbij het kaf en de graankorrels naar alle zijden heen vlogen.
Vert.
»Laat hieronder stroo op een hoop brengen,” beval Ramses met eene stem,
die boven het geweld van den brand uit werd gehoord. »Alleen een sprong
naar beneden kan ons redden!”
Reeds sloegen de laaie vlammen uit het koninklijk vertrek. Het was
onmogelijk daar weder binnen te gaan. Maar noch Ramses noch Mena
verloren hunne tegenwoordigheid van geest.
Toen de wagenmenner den laatsten der twaalf prinsen den grond zag
bereiken, bracht hij zijne handen aan den mond en riep uit al zijn
macht, als door een roeper, Rameri, den laatsten die de reddende lijn
zou gaan gebruiken, toe: »Haal de lijn in de hoogte, en pas op dat zij
niet beschadige, totdat ik kom!”
Rameri volgde het bevel, en eer Ramses het verhinderen kon, was Mena
over den afstand gesprongen, die het eene gedeelte der borstwering
van het andere scheidde. Den koning en den prinsen, die van beneden
toezagen, stolde het bloed in de aderen, toen Mena ten tweede male den
ontzettenden sprong waagde. Eene enkele misstap, en het zou hem gaan als
zijn doodvijand Paäker.
Terwijl zij die beneden waren hem met ingehouden adem volgden, en er
niet anders werd gehoord dan het sissen en knetteren der vlammen, het
knappen der berstende houtkwasten, het dof gedreun der neerstortende
binten, en in de verte het gezang van een priesterkoor, dat uit de
legerplaats het tooneel van den brand naderde, knielde Nefert, die door
den kleinen Scheraoe was gewekt, op den grond, en bad uit het diepst
harer ziel tot de reddende goden. Hare oogen volgden daarbij elken
sprong van haar echtgenoot, en zij beet zich de lippen aan bloed, om
toch geen kreet te slaken. Zij gevoelde dat hij grootmoedig en goed
handelde, en dat hij verloren zou zijn, wanneer zijne opmerkzaamheid ook
maar voor éen oogenblik werd afgetrokken van dien afgrijselijken weg.
Daar stond hij naast Rameri. Hij bond zich het eene einde van de uit
mantels en doeken saamgebondene lijn om het lichaam. Thans gaf hij
Rameri, die zich aan het vensterkozijn vasthield, het andere eind in
de hand, en maakte zich gereed om andermaal de gevaarlijke sprongen te
wagen. Nefert zag hoe hij een aanloop nam. Zij hield beide handen op
de saamgeklemde lippen, om toch niet te schreeuwen. Zij kneep de oogen
dicht, en toen zij ze weder opende was de eerste sprong gelukt. Ook bij
den tweeden bewaarden de hemelsche goden hem voor vallen. Bij den derden
sprong strekte Ramses nog intijds de handen uit, om hem te grijpen en
voor vallen te bewaren. Nadat hij het einde der lijn van zijne heupen
had losgemaakt, maakte hij haar stevig vast aan een uitstekenden balk,
waarbij de koning hem ondersteunde en hielp. Nu liet Rameri het andere
einde van den breeden en zwaren mantelketen los en volgde Mena. Ook den
prins, die in het Seti-huis niet te vergeefs zich bij de gymnastische
spelen geoefend had, gelukten de vreeselijke sprongen.
Weldra stond nu de pharao gered op den grond. Rameri volgde hem en ten
laatste ook Mena. Zoodra zijn voet den vasten bodem betrad, kwam zijne
teergeliefde vrouw hem het zweet van de kloppende slapen wisschen.
Ramses vloog terstond naar den noordelijken vleugel van het paleis,
waarin Bent-Anat had vertoefd. Hij vond haar behouden terug, maar
handenwringende, want haar jeugdige lieveling Warda was in de vlammen
verdwenen, nadat het meisje zelve haar gewekt en met de hulp haars
vaders gered had.
Kaschta liep langs den brandenden buitenwand van het paleis heen en
weer, en rukte wanhopig zich de borstelige haren uit het hoofd. Nu eens
riep hij met luider stem zijn kind bij den naam, dan weder stond hij te
luisteren met ingehouden adem. Het zou waanzin zijn geweest, op goed
geluk in het ontzaglijk groote brandende gebouw te gaan zoeken.
De koning had den beklagenswaardigen vader nauwelijks opgemerkt of hij
stelde hem aan het hoofd der soldaten, wien hij bevolen had den wand van
het gewezen verblijf van Bent-Anat in te slaan, om te beproeven of het
nog mogelijk was het verloren kind te redden. Kaschta liet zich eene
bijl geven, en hief dien reeds op om het hout te verbrijzelen. Daar
meende hij bij een luik van de onderste verdieping, dat op Katoeti’s
bevel stevig gesloten was, geklop te hooren, dat van binnen uit het
gebouw kwam. Hij volgde het geluid aandachtig. Er was geen twijfel aan,
er werd geklopt.
Met inspanning van al zijne krachten wrong Kaschta den bijl tusschen den
wand en het luik, dat eindelijk open sprong. Dichte zwarte rookgolven
drongen door deze nieuwe opening naar buiten. Daar zag hij, te midden
van dichte nevelen een man op het punt van te bezwijken, terwijl hij
Warda in zijne armen hield. Op hetzelfde oogenblik sprong Kaschta naar
binnen, en rukte, te midden van rook en vonkenregen, zijne dochter
uit de armen van haren redder, die reeds half gestikt ineen zeeg. Hij
sprong met zijn dierbaren lichten last weder naar buiten, en toen hij,
op veiligen bodem gekomen, zijne lippen zacht op hare geslotene oogleden
drukte, werden zijne oogen vochtig. In zijne verbeelding zag hij weder
het beeld der vrouw, die haar ter wereld bracht, die als eene eenzame
palmboom de dorre woestijn zijns levens had opgeluisterd.
Doch maar enkele oogenblikken liet hij aan zijne gewaarwordingen den
vrijen loop, Bent-Anat zelve nam Warda uit zijne armen over, en hij
ijlde naar het brandende gebouw terug. Hij had den redder van zijn
kind maar al te goed herkend; het was de priester Nebsecht, die sedert
het gebeurde bij den Sinaï de prinses niet had verlaten, en als
haar lijfarts, met haar gevolg in hare vertrekken een onderkomen had
gevonden. Nu het luik weg was, kwam er een sterke luchtstroom door de
opening het vertrek binnen. De heldere vlammen sloegen reeds het venster
uit. Toch leefde Nebsecht nog, want zijn gekerm drong door rook en
vuurgloed naar buiten.
Kaschta drong andermaal door het venster binnen. Die achter hem stonden
zagen, dat de zolderbalken van het vertrek reeds begonnen te buigen,
en waarschuwden hem. Ja, de koning zelf gebood hem terug te keeren. De
roodbaard zat echter reeds op het kozijn, en terwijl hij naar beneden
riep: »Ik heb mij met mijn bloed tot zijn schuldenaar verklaard.
Tweemalen heeft hij mijn kind gered, thans betaal ik hem mijne
schulden!” verdween hij in het brandend vertrek.
Een oogenblik later vertoonde hij zich weder met Nebsecht, wiens wit
gewaad reeds door de vlammen gezengd was, op de armen. Men zag nog
hoe hij met zijn last meer en meer het venster naderde. Een menigte
soldaten, en onder hen ook Pentaoer, drongen naar voren om te helpen,
en vingen den bewusteloozen arts dien Kaschta het venster uittilde, in
hunne armen op.
De roodbaard maakte zich gereed hem te volgen, maar eer hij den sprong
had gedaan, stortten de balken der zoldering boven hem in elkaar, en
begroeven den rechtschapen zoon van den Paraschiet.
Pentaoer liet zijn bewusteloozen vriend Nebsecht in een tent dragen, en
hielp de artsen, die zijne brandwonden verbonden.
De dichter was in een ernstig gesprek met den opperpriester verdiept,
toen het brandalarm werd vernomen. Ameni had hem medegedeeld, dat hij
niet de zoon was van een hovenier, maar dat hij uit een der edelste
huizen van het land was gesproten. De grondvesten van zijn uitwendig
leven werden als onder zijne voeten weggerukt. Ameni’s verhaal
verplaatste hem als uit een hut in een paleis, en toch toonde Pentaoer
zich noch buitengewoon verrast, noch uitermate verheugd. Zoo zeer was
hij gewoon lief en leed niet van buiten, maar van binnen te ervaren.
Zoodra hij het geroep van brand had gehoord, was hij naar het toneel
van het onheil gevlogen, en had zich, toen hij het gevaar overzag waarin
Ramses verkeerde, aan het hoofd gesteld van de vele soldaten, die uit
de legerplaats kwamen toeschieten, ten einde te beproeven of het ook
mogelijk was den pharao van binnen uit het gebouw ter hulp te komen.
Onder de wagenstrijders die hem volgden, was ook Katoeti’s lichtzinnige
zoon, die zich voor Kadesch gunstig had onderscheiden en deze nieuwe
gelegenheid aangreep om zijn moed te toonen. Het instorten der wanden
belemmerde deze schare, die met ware doodsverachting trachtte voort te
dringen, ten laatste verder te gaan. Zij trok zich echter eerst terug,
nadat velen uit hun midden gestikt en onder brandende balken verpletterd
waren. De eerste die hier om het leven kwam, was Nefert’s broeder,
Katoeti’s zoon.
Warda was naar de naastbijzijnde tent gebracht. Haar schoon hoofdje
rustte in Bent-Anat’s schoot, en Nefert trachtte haar in het leven terug
te roepen, terwijl zij hare slapen wreef met een geestrijk vocht. De
lippen der jonkvrouw bewogen zich zacht. Voor het oog harer verbeelding
vertoonde zich nog eenmaal alles, wat zij in het laatste uur doorleefd
en geleden heeft. Zij zag hoe zij met haar vader door de legerplaats
voortijlde, en met hem, langs den bekenden weg, in de vertrekken der
prinses doordrong, terwijl hij de deuren insloeg, die door Katoeti
gesloten waren. Zij zag hoe Bent-Anat, door haar gewekt, haar achterna
kwam met haar gevolg. Zij herinnerde zich droomerig haar schrik, toen
zij, dicht bij de deur, waardoor zij gered zouden zijn, bespeurde, dat
zij haar kleinood, het eenige erfdeel harer gestorvene moeder, in haar
koffer had achtergelaten, en hoe zij haastig was omgekeerd, alleen door
den arts Nebsecht opgemerkt. Nog eenmaal doorleefde zij den angst,
die zij had uitgestaan, toen zij het kleinood weder op haar boezem had
geborgen, en den schrik die haar overmeesterde, toen op den terugweg
rook en vlammen haar tegensloegen. Wederom gevoelde zij zich de krachten
ontzinken, en was het haar, als nam de zonderlinge priester met zijn wit
gewaad haar opnieuw in zijne armen. Zij zag als in den droom andermaal
hoe zijne oogen met innige teederheid op haar gericht waren, en lachte
half dankbaar, half onwillig, als zij dacht aan het zachte kusje, dat
hij, eer de sterkere armen haars vaders haar aangrepen, op hare lippen
had gedrukt.
»Wat is zij toch schoon!” zeide Bent-Anat. »Ik geloof dat de arme
Nebsecht niet dwaalde, toen hij vertelde, dat hare moeder eene
aanzienlijke vrouw uit het buitenland is geweest. Zaagt gij ooit
sierlijker handen en voeten? En hare huid is zoo doorzichtig als
Phoenicisch vloeispaath.”