Maan en sterren schitterden aan het onbewolkte hemelgewelf boven de
Pelusinische vlakte. De witte koppen der duizende tenten, waarin hier de
teruggekeerde krijgslieden sliepen, ginds de Egyptenaars, die herwaarts
waren gekomen om den koning mede te ontvangen, zagen er in de
nachtelijke schemering als zoovele sneeuwheuvels uit.
In de legerplaats der soldaten was het bijzonder vroolijk toegegaan.
Drie ontzaglijke, met kransen getooide wijnzakken, geplaatst op een
wagen, die door niet minder dan dertig ossen werd getrokken, waren door
de straten, die de tenten van elkander scheidden, onophoudelijk heen
en weder gereden. Bij elke beweging vloeide het druivennat, en toen
de duisternis begon te vallen, werden op vele plaatsen van het kamp
schenktafels opgeslagen, waarbij de dienaars van den stadhouder de
troepen met kwistige hand van rooden en witten wijn voorzagen.
De tenten van de Egyptische burgers, die den pharao kwamen begroeten,
waren van het prachtige gebouw, dat Ani liet optrekken, alleen
gescheiden door den in allerijl aangelegden tuin, in het midden van
welken het zich verhief. Dit terrein was rondom door rasterwerk
afgesloten. Het verblijf van den stadhouder zelven onderscheidde zich
van alle andere door grootte en pracht. Aan zijne rechterzijde waren de
lichte woningen opgeslagen van de afgevaardigden der priestercollegies,
aan de linkerzijde die van het personeel van zijn hofstaat. Onder
de laatsten waren ook de tenten van zijne vriendin Katoeti, eene
grootere voor haar eigen gebruik en verschillende kleinere voor haar
dienstpersoneel.
Achter Ani’s woning stond nog eene tent, die geheel omgeven was door
een hoogen loozen wand van lijnwaad. Daarin hield de oude Hekt haar
verblijf, die Ani heimelijk in zijne eigene boot had medegevoerd. Alleen
Katoeti en zijne meest vertrouwde dienaars wisten, wie achter de linnen
omheining van die geheimzinnige tent haar bijzonder leven leidde.
Terwijl de gasten in Ani’s feestzaal maaltijd hielden, zat Hekt
neergehurkt op den zandigen bodem van hare enge woning, die door
een kegelvormig linnen-dak was bedekt. Zij haalde zwaar adem. De
krampachtige aandoeningen van het hart, waaraan zij sedert lang had
geleden, herhaalden zich menigvuldiger en brachten haar leven ernstig in
gevaar. Vóór haar brandde een klein lampje uit roode gebakken aarde, en
in haar schoot zat een zieke sperwer. Het diertje dook telkens in zijne
veeren en sloot zijne witachtige oogleden, maar grimmig opende het de
oogen, zoo vaak Hekt het in hare dorre hand nam, om wat lucht te blazen
in zijn krommen snavel, die nog altijd lust gevoelde om van zich af te
bijten.
De kleine Scheraoe lag aan de voeten der tooveres op eene mat te slapen.
Zij gaf thans het kind een schop met den voet, en zeide, toen het zich
slaapdronken oprichtte: »Gij hebt jonge ooren. Het kwam mij voor dat er
in Ani’s tent eene vrouw schreeuwde. Hoort ge wat?”
»Waarlijk,” zeide de kleine. »Dat klinkt als gehuil. ― Maar nu was het
een gil. Het kwam van dáár, uit Nemoe’s tent.”
»Kruip hier door,” beval de oude, »en zie wat er gaande is?”
Het kind gehoorzaamde. De heks hield zich inmiddels weder met den vogel
bezig, die nu niet meer zat, maar op zij gevallen was, doch nog altijd
zijne klauwen trachtte te gebruiken, wanneer zij hem aanpakte.
»Hij sterft,” prevelde de oude, »en die ik Ramses noemde wordt steeds
glanziger. Dat is nu alles onzin, en toch.... toch! Het spel van den
stadhouder loopt op zijn eind en hij verliest het! Daar rekt het
gedierte zich nog eens uit, daar zinkt zijn kop op zij, daar kruipt het
ineen, daar bijt het nog eens in mijn kleed, en ― nu is het dood!”
Een tijdlang bleef zij met den dooden sperwer in haar schoot zitten,
eindelijk nam ze hem op, en wierp hem in een hoek van de tent, daarbij
roepende: »Goeden nacht, koning Ani, er komt niets van je kroon!”
De oude zag peinzend naar den grond en mompelde weder in zichzelve:
»Wat zouden ze nu nog in het schild voeren? Wel twintigmaal heeft hij
gevraagd, of het groote plan al of niet gelukken zou. Alsof ik dat beter
wist dan hij! Ook Nemoe zinspeelt op allerlei dingen, maar voor de
eerste maal wil hij niet spreken. Er wordt iets voorbereid, en ik, ik..?
Daar komt het weer.”
Hekt drukte de hand op haar hart, sloot hare oogen, en op haar
aangezicht vertoonde zich trekken van hevige smart. Zij merkte niet dat
Scheraoe terugkwam; zij hoorde niet dat hij haar bij den naam riep, en
haar weder verliet, toen zij geen antwoord gaf. Zoo bleef zij wel een
uur lang bewusteloos; toen ontwaakte de levensgeest weder, doch het
was haar als vloeiden, in plaats van warm bloed, koude druppels haar
langzaam door de aderen.
»Als ik voor mij een sperwer had bewaard,” zoo prevelde zij verbitterd
in zichzelve, »dan zou deze weldra den ander in den hoek volgen! ― of
Ani woord zal houden en mij zal laten balsemen? Hoe zal hij dat kunnen,
nu het ook met hem op het eind loopt! Zij zullen mij laten verrotten en
vergaan, en voor mij is er geen leven na dit leven, geen wederzien van
Assa.”
Lang zweeg de oude, ten laatste begon zij weder te mompelen, op den
grond starende: »De dood brengt toch verlossing, al ware het enkel van
de kwelling der herinnering. ― Maar er is toch een leven aan gene zijde
des grafs; ik laat de hoop daarop niet varen, ik wil het niet! Alle
afgestorvenen zullen daar gelijke rechten hebben en aan dezelfde wetten
onderworpen zijn. ― Waar zal ik hem dan vinden, bij de zaligen of bij
de verdoemden? En waar zal ik komen, ik? ― ’t Is mij onverschillig! Hoe
dieper de afgrond is, waarin zij mij neerstooten, des te beter! ― Kan
Assa, als hij zalig geworden is, zich zalig blijven gevoelen, als hij
ziet, tot hoever hij mij gebracht heeft? Ze moeten mij balsemen, ik mag
niet verderven en verwaaien, mij niet oplossen in niets!”
Terwijl zij deze woorden mompelde, trad Nemoe zacht hare tent binnen.
Toen Scheraoe de oude vrouw bewusteloos had gevonden, was hij naar Nemoe
geloopen, om hem mede te deelen, dat zijne moeder met geslotene oogen en
stervende op den grond lag.
Zoodra de oude den dwerg bemerkte, zeide zij: »Het is goed dat gij komt.
Ik zal wel dood zijn vóor de zon opgaat.”
»Moeder!” riep de kleine man verschrikt. »Gij zult leven, en een beter
leven leiden als gij tot hiertoe hebt gedaan, want groote gebeurtenissen
zijn er op til.”
»Ik weet het, ik weet het,” zeide de heks. ― »Naar buiten
Scheraoe! ― Fluister mij nu in het oor wat gij voornemens zijt te
doen.”
De dwerg kon zich niet onttrekken aan den blik harer oogen, waarmede zij
hem aan zich kluisterde! Hij naderde haar en zeide zacht: »Het gebouw,
waarin de koning met de zijnen slaapt, is van hout. Tusschen de wanden
en onder den vloer is stroo en pek aangebracht. Zoodra zij ter ruste
gegaan zullen zijn, steken wij de lont in brand. De wachters zijn
smoordronken en slapen.”
»Goed verzonnen,” prevelde Hekt. »Hebt gij dit plan uitgedacht?”
»Mijne meesteres en ik,” zeide Nemoe niet zonder trots.
»Gij verstaat de kunst om aanslagen te smeden,” zeide de oude, »maar in
de uitvoering zijt gij niet zoo sterk. Bleef het plan geheim? Hebt gij
degelijke helpers?”
»Niemand weet er iets van,” antwoordde de dwerg, »behalve Katoeti,
Paäker en ik. Wij steken met ons drieën het gebouw op de afgesproken
plaatsen in brand. Ik ben bezig bij de vertrekken van Bent-Anat;
Katoeti, die men overal toelaat, begeeft zich binnen in het gebouw naar
de trap, die tot de hoogere verdieping leidt, en door een slag op een
veer in elkander stort. Paäker plaatst zich onder de vertrekken des
konings.”
»Goed, goed, dat kan gelukken,” zeide de oude, steunend. »Maar wat was
dat voor eene vrouwenstem, die schreeuwde in je tent?”
De dwerg draalde met zijn antwoord.
»Spreek zonder schroom,” zeide Hekt. »Doode vrouwen zwijgen!”
De dwerg, die beefde van innerlijke ontroering, onderdrukte de
bedenkingen die hij nog had, en zeide haastig: »Ik heb Warda, de
verdwenen kleindochter van den Paraschiet Pinem, teruggevonden en
hierheen gelokt, want zij en geene andere zal mijne vrouw worden, als
Ani koning is, en Katoeti groot wordt, en mij vrijlaat en rijk maakt.
Zij staat in dienst van de prinses Bent-Anat, slaapt in haar voorvertrek
en moet niet met hare meesteres verbranden. Zij wilde volstrekt naar het
paleis terug, en daar zij als eene mug in het vuur zou vliegen, en zij
daarin niet mag omkomen, zoo bond ik haar vast.”
»Heeft zij zich niet verweerd?” vroeg de oude.
»Als eene waanzinnige,” antwoordde de dwerg, »maar de stomme slaaf van
den stadhouder, die op bevel van zijn heer mij heden in alle dingen
moet gehoorzamen, heeft mij geholpen. Wij hebben haar ook den mond
dichtgebonden, opdat men haar schreien niet zou hooren.”
»Laat gij haar alleen, wanneer gij aan het werk gaat?” vroeg de
tooveres.
»Haar vader blijft bij haar.”
»De roodbaard Kaschta?” vroeg de tooveres verbaasd. »Maar heeft hij
ulieden dan niet in stukken geslagen als aarden potten?”
»Hij verroert zich niet,” zeide Nemoe lachend, »want toen ik hem vond,
maakte ik hem met Ani’s ouden wijn zoo smoordronken, dat hij neerligt
als een mummie. Door hem ben ik te weten gekomen, waar Warda zich
schuil hield. Ik ging naar haar toe en lokte haar mede, terwijl ik haar
vertelde, dat haar vader doodelijk ziek was geworden, en liet haar
bidden hem nog eens te bezoeken. Zij liep naast mij voort als een gazel,
en toen zij den roodbaard daar roerloos zag liggen, wierp zij zich naast
hem op den grond en verlangde water om zijn voorhoofd af te koelen. Want
hij redeneerde als in eene ijlende koorts van ratten en muizen, die hem
overvallen hadden. Toen het later werd, wilde zij tot hare meesteres
terug, en wij moesten wel geweld gebruiken. ― Wat is zij schoon
geworden, moeder! Gij zoudt het nauwelijks kunnen gelooven!”
»O, zeker kan ik het begrijpen,” zeide Hekt. »Gij zult wel op haar mogen
passen, wanneer zij eens de uwe is.”
»Ik zal haar behandelen als de vrouw van een aanzienlijke,” sprak Nemoe,
»en eigene vrouwen betalen om haar te bewaken! Maar Katoeti is zoo even
met de vrouw van Mena teruggekeerd, de sterren dalen en zoo straks....
Dat was reeds het eerste teeken! Als Katoeti ten derde male fluit, gaan
wij aan ’t werk. Leen mij uwe tonderdoos, moeder, ze is beter dan de
mijne.”
»Ziedaar,” zeide Hekt, »ik heb haar niet meer noodig. Gewis, het is met
mij gedaan! Hoe beven uwe handen! Houd de doos goed vast, anders valt
zij op den grond, vóor gij vuur gemaakt hebt.”
De dwerg zeide de oude vaarwel, en zonder zich te verroeren, liet zij
toe, dat hij haar bij het afscheid nemen kuste.
Toen hij haar verlaten had, luisterde zij, diep ademhalend, in de stilte
van den nacht. Hare verstandige oogen vonkelden en allerlei gedachten
schoten pijlsnel door haar rusteloos brein. Toen zij het tweede teeken
uit het zilveren fluitje der weduwe vernam, richtte zij zich hoog op en
prevelde: »De ongeluksvogel Paäker, zijne ijdele tante en die dreumes
zijn ook tegen Ramses niet opgewassen. Ani’s sperwer is dood; hij heeft
niets van de toekomst te wachten, en ik niets van hem. Maar als Ramses
wilde, als de ware koning verplichting aan mij had, dan, ja dan kon mijn
oud lijk.... Juist, dat is het! Ja waarlijk, zoo moet het zijn!”
Zoo sprekende richtte zij zich met moeite op, hinkte, krom gebogen
en bevende, op haar stok naar het midden van de tent, stak daar een
fleschje en een mes bij zich, en sleepte zich met inspanning harer
laatste krachten naar Nemoe’s tent, op het oogenblik dat het laatste
gefluit werd gehoord. Hier vond zij Warda aan handen en voeten gebonden,
en Kaschta in diepen dronkemans-slaap op den grond liggende. Het meisje
rilde van schrik, toen zij de heks zag, en de naast haar knielende
kleine Scheraoe stak zijne handen smeekend en afwerend naar de oude
uit.
»Daar, neem dit mes, jongen,” zeide de heks, »snijd de banden door,
waarmede ze dat arme ding gebonden hebben. De papyrus-touwen[355] zijn
stevig, gebruik het lemmet als zaag!”
[355] Uit de papyrus-plant werden niet enkel bladen om te
schrijven, maar ook touwen vervaardigd. Met papyrus-strikken
waren ook de schipbruggen saamgekoppeld, die Xerxes over den
Hellespont liet slaan.
Terwijl de kleine blijmoedig zijne krachten inspande, om haar bevel te
gehoorzamen, wreef zij met het geestrijke vocht uit het fleschje dat zij
medenam Kaschta’s slapen, en druppelde een weinig op zijne lippen. De
roodbaard kwam langzaam bij, rekte zich uit en nam met verbazing wat hem
omringde op. Zij reikte hem water en beval hem te drinken.
Toen Warda, van hare banden bevrijd, voor haar stond, zeide zij: »De
goden hebben u, blank meisje, tot gewichtige dingen uitverkoren. Luister
goed naar hetgeen de oude Hekt u zegt. Het leven van den koning en zijne
kinderen is in groot gevaar. Ik wil u en de zijnen redden, en verlang
daarvoor geen ander loon, dan dat hij mijn lijk laat balsemen en in
Thebe begraven. Zweer mij, dat gij dat aan hem zult overbrengen, wanneer
gij hem gered hebt.”
»Om der goden wil, wat zal er dan gebeuren?” riep Warda, buiten
zichzelve van angst.
»Zweer, dat gij voor mijne begrafenis zult zorgen,” herhaalde de
tooveres.
»Ik zweer!” schreeuwde Warda. »Maar bij uw leven....”
»Katoeti, Paäker en Nemoe zijn uitgegaan, om het paleis, waarin Ramses
slaapt, aan drie zijden in brand te steken. Hoort ge het, Kaschta? ―
IJlt nu beiden de brandstichters achterna! Wekt de bedienden! Tracht den
koning te redden!”
»Voort, vader, voort!” riep het meisje, en beiden vlogen in de
duisternis weg.
»Zij is braaf en zal woord houden,” prevelde de oude, en beproefde of
zij zich naar haar tent terug kon slepen. Maar halverwege begaven haar
de krachten. De kleine Scheraoe wilde haar ondersteunen, maar hij was te
zwak om haar te helpen. Zij strekte zich uit in het zand op den weg en
tuurde in de verte. Daar zag zij, hoe uit het feestpaleis, dat als eene
donkere massa voor haar lag, eerst eene al lichter en lichter wordende
wolk te voorschijn kwam, en vervolgens zwarte rook, hoe daarna eene
heldere vlam hoog uitsloeg en een dichte regen van vonken opsteeg.
»Loop naar de legerplaats, jongen!” riep zij. »Roep ‚brand!’ en wek
allen die slapen!”
Scheraoe holde luid schreeuwende weg.
Hekt greep op eens naar haar hart en prevelde: »Daar is het weer!” ―
»Aan de andere zijde, Assa!” ― En weder: »Assa!” Nog eens vertrok zij
de lippen om ze voor altijd te sluiten.