TWAALFDE HOOFDSTUK.

Maan en sterren schitterden aan het onbewolkte hemelgewelf boven de

Pelusinische vlakte. De witte koppen der duizende tenten, waarin hier de

teruggekeerde krijgslieden sliepen, ginds de Egyptenaars, die herwaarts

waren gekomen om den koning mede te ontvangen, zagen er in de

nachtelijke schemering als zoovele sneeuwheuvels uit.

In de legerplaats der soldaten was het bijzonder vroolijk toegegaan.

Drie ontzaglijke, met kransen getooide wijnzakken, geplaatst op een

wagen, die door niet minder dan dertig ossen werd getrokken, waren door

de straten, die de tenten van elkander scheidden, onophoudelijk heen

en weder gereden. Bij elke beweging vloeide het druivennat, en toen

de duisternis begon te vallen, werden op vele plaatsen van het kamp

schenktafels opgeslagen, waarbij de dienaars van den stadhouder de

troepen met kwistige hand van rooden en witten wijn voorzagen.

De tenten van de Egyptische burgers, die den pharao kwamen begroeten,

waren van het prachtige gebouw, dat Ani liet optrekken, alleen

gescheiden door den in allerijl aangelegden tuin, in het midden van

welken het zich verhief. Dit terrein was rondom door rasterwerk

afgesloten. Het verblijf van den stadhouder zelven onderscheidde zich

van alle andere door grootte en pracht. Aan zijne rechterzijde waren de

lichte woningen opgeslagen van de afgevaardigden der priestercollegies,

aan de linkerzijde die van het personeel van zijn hofstaat. Onder

de laatsten waren ook de tenten van zijne vriendin Katoeti, eene

grootere voor haar eigen gebruik en verschillende kleinere voor haar

dienstpersoneel.

Achter Ani’s woning stond nog eene tent, die geheel omgeven was door

een hoogen loozen wand van lijnwaad. Daarin hield de oude Hekt haar

verblijf, die Ani heimelijk in zijne eigene boot had medegevoerd. Alleen

Katoeti en zijne meest vertrouwde dienaars wisten, wie achter de linnen

omheining van die geheimzinnige tent haar bijzonder leven leidde.

Terwijl de gasten in Ani’s feestzaal maaltijd hielden, zat Hekt

neergehurkt op den zandigen bodem van hare enge woning, die door

een kegelvormig linnen-dak was bedekt. Zij haalde zwaar adem. De

krampachtige aandoeningen van het hart, waaraan zij sedert lang had

geleden, herhaalden zich menigvuldiger en brachten haar leven ernstig in

gevaar. Vóór haar brandde een klein lampje uit roode gebakken aarde, en

in haar schoot zat een zieke sperwer. Het diertje dook telkens in zijne

veeren en sloot zijne witachtige oogleden, maar grimmig opende het de

oogen, zoo vaak Hekt het in hare dorre hand nam, om wat lucht te blazen

in zijn krommen snavel, die nog altijd lust gevoelde om van zich af te

bijten.

De kleine Scheraoe lag aan de voeten der tooveres op eene mat te slapen.

Zij gaf thans het kind een schop met den voet, en zeide, toen het zich

slaapdronken oprichtte: »Gij hebt jonge ooren. Het kwam mij voor dat er

in Ani’s tent eene vrouw schreeuwde. Hoort ge wat?”

»Waarlijk,” zeide de kleine. »Dat klinkt als gehuil. ― Maar nu was het

een gil. Het kwam van dáár, uit Nemoe’s tent.”

»Kruip hier door,” beval de oude, »en zie wat er gaande is?”

Het kind gehoorzaamde. De heks hield zich inmiddels weder met den vogel

bezig, die nu niet meer zat, maar op zij gevallen was, doch nog altijd

zijne klauwen trachtte te gebruiken, wanneer zij hem aanpakte.

»Hij sterft,” prevelde de oude, »en die ik Ramses noemde wordt steeds

glanziger. Dat is nu alles onzin, en toch.... toch! Het spel van den

stadhouder loopt op zijn eind en hij verliest het! Daar rekt het

gedierte zich nog eens uit, daar zinkt zijn kop op zij, daar kruipt het

ineen, daar bijt het nog eens in mijn kleed, en ― nu is het dood!”

Een tijdlang bleef zij met den dooden sperwer in haar schoot zitten,

eindelijk nam ze hem op, en wierp hem in een hoek van de tent, daarbij

roepende: »Goeden nacht, koning Ani, er komt niets van je kroon!”

De oude zag peinzend naar den grond en mompelde weder in zichzelve:

»Wat zouden ze nu nog in het schild voeren? Wel twintigmaal heeft hij

gevraagd, of het groote plan al of niet gelukken zou. Alsof ik dat beter

wist dan hij! Ook Nemoe zinspeelt op allerlei dingen, maar voor de

eerste maal wil hij niet spreken. Er wordt iets voorbereid, en ik, ik..?

Daar komt het weer.”

Hekt drukte de hand op haar hart, sloot hare oogen, en op haar

aangezicht vertoonde zich trekken van hevige smart. Zij merkte niet dat

Scheraoe terugkwam; zij hoorde niet dat hij haar bij den naam riep, en

haar weder verliet, toen zij geen antwoord gaf. Zoo bleef zij wel een

uur lang bewusteloos; toen ontwaakte de levensgeest weder, doch het

was haar als vloeiden, in plaats van warm bloed, koude druppels haar

langzaam door de aderen.

»Als ik voor mij een sperwer had bewaard,” zoo prevelde zij verbitterd

in zichzelve, »dan zou deze weldra den ander in den hoek volgen! ― of

Ani woord zal houden en mij zal laten balsemen? Hoe zal hij dat kunnen,

nu het ook met hem op het eind loopt! Zij zullen mij laten verrotten en

vergaan, en voor mij is er geen leven na dit leven, geen wederzien van

Assa.”

Lang zweeg de oude, ten laatste begon zij weder te mompelen, op den

grond starende: »De dood brengt toch verlossing, al ware het enkel van

de kwelling der herinnering. ― Maar er is toch een leven aan gene zijde

des grafs; ik laat de hoop daarop niet varen, ik wil het niet! Alle

afgestorvenen zullen daar gelijke rechten hebben en aan dezelfde wetten

onderworpen zijn. ― Waar zal ik hem dan vinden, bij de zaligen of bij

de verdoemden? En waar zal ik komen, ik? ― ’t Is mij onverschillig! Hoe

dieper de afgrond is, waarin zij mij neerstooten, des te beter! ― Kan

Assa, als hij zalig geworden is, zich zalig blijven gevoelen, als hij

ziet, tot hoever hij mij gebracht heeft? Ze moeten mij balsemen, ik mag

niet verderven en verwaaien, mij niet oplossen in niets!”

Terwijl zij deze woorden mompelde, trad Nemoe zacht hare tent binnen.

Toen Scheraoe de oude vrouw bewusteloos had gevonden, was hij naar Nemoe

geloopen, om hem mede te deelen, dat zijne moeder met geslotene oogen en

stervende op den grond lag.

Zoodra de oude den dwerg bemerkte, zeide zij: »Het is goed dat gij komt.

Ik zal wel dood zijn vóor de zon opgaat.”

»Moeder!” riep de kleine man verschrikt. »Gij zult leven, en een beter

leven leiden als gij tot hiertoe hebt gedaan, want groote gebeurtenissen

zijn er op til.”

»Ik weet het, ik weet het,” zeide de heks. ― »Naar buiten

Scheraoe! ― Fluister mij nu in het oor wat gij voornemens zijt te

doen.”

De dwerg kon zich niet onttrekken aan den blik harer oogen, waarmede zij

hem aan zich kluisterde! Hij naderde haar en zeide zacht: »Het gebouw,

waarin de koning met de zijnen slaapt, is van hout. Tusschen de wanden

en onder den vloer is stroo en pek aangebracht. Zoodra zij ter ruste

gegaan zullen zijn, steken wij de lont in brand. De wachters zijn

smoordronken en slapen.”

»Goed verzonnen,” prevelde Hekt. »Hebt gij dit plan uitgedacht?”

»Mijne meesteres en ik,” zeide Nemoe niet zonder trots.

»Gij verstaat de kunst om aanslagen te smeden,” zeide de oude, »maar in

de uitvoering zijt gij niet zoo sterk. Bleef het plan geheim? Hebt gij

degelijke helpers?”

»Niemand weet er iets van,” antwoordde de dwerg, »behalve Katoeti,

Paäker en ik. Wij steken met ons drieën het gebouw op de afgesproken

plaatsen in brand. Ik ben bezig bij de vertrekken van Bent-Anat;

Katoeti, die men overal toelaat, begeeft zich binnen in het gebouw naar

de trap, die tot de hoogere verdieping leidt, en door een slag op een

veer in elkander stort. Paäker plaatst zich onder de vertrekken des

konings.”

»Goed, goed, dat kan gelukken,” zeide de oude, steunend. »Maar wat was

dat voor eene vrouwenstem, die schreeuwde in je tent?”

De dwerg draalde met zijn antwoord.

»Spreek zonder schroom,” zeide Hekt. »Doode vrouwen zwijgen!”

De dwerg, die beefde van innerlijke ontroering, onderdrukte de

bedenkingen die hij nog had, en zeide haastig: »Ik heb Warda, de

verdwenen kleindochter van den Paraschiet Pinem, teruggevonden en

hierheen gelokt, want zij en geene andere zal mijne vrouw worden, als

Ani koning is, en Katoeti groot wordt, en mij vrijlaat en rijk maakt.

Zij staat in dienst van de prinses Bent-Anat, slaapt in haar voorvertrek

en moet niet met hare meesteres verbranden. Zij wilde volstrekt naar het

paleis terug, en daar zij als eene mug in het vuur zou vliegen, en zij

daarin niet mag omkomen, zoo bond ik haar vast.”

»Heeft zij zich niet verweerd?” vroeg de oude.

»Als eene waanzinnige,” antwoordde de dwerg, »maar de stomme slaaf van

den stadhouder, die op bevel van zijn heer mij heden in alle dingen

moet gehoorzamen, heeft mij geholpen. Wij hebben haar ook den mond

dichtgebonden, opdat men haar schreien niet zou hooren.”

»Laat gij haar alleen, wanneer gij aan het werk gaat?” vroeg de

tooveres.

»Haar vader blijft bij haar.”

»De roodbaard Kaschta?” vroeg de tooveres verbaasd. »Maar heeft hij

ulieden dan niet in stukken geslagen als aarden potten?”

»Hij verroert zich niet,” zeide Nemoe lachend, »want toen ik hem vond,

maakte ik hem met Ani’s ouden wijn zoo smoordronken, dat hij neerligt

als een mummie. Door hem ben ik te weten gekomen, waar Warda zich

schuil hield. Ik ging naar haar toe en lokte haar mede, terwijl ik haar

vertelde, dat haar vader doodelijk ziek was geworden, en liet haar

bidden hem nog eens te bezoeken. Zij liep naast mij voort als een gazel,

en toen zij den roodbaard daar roerloos zag liggen, wierp zij zich naast

hem op den grond en verlangde water om zijn voorhoofd af te koelen. Want

hij redeneerde als in eene ijlende koorts van ratten en muizen, die hem

overvallen hadden. Toen het later werd, wilde zij tot hare meesteres

terug, en wij moesten wel geweld gebruiken. ― Wat is zij schoon

geworden, moeder! Gij zoudt het nauwelijks kunnen gelooven!”

»O, zeker kan ik het begrijpen,” zeide Hekt. »Gij zult wel op haar mogen

passen, wanneer zij eens de uwe is.”

»Ik zal haar behandelen als de vrouw van een aanzienlijke,” sprak Nemoe,

»en eigene vrouwen betalen om haar te bewaken! Maar Katoeti is zoo even

met de vrouw van Mena teruggekeerd, de sterren dalen en zoo straks....

Dat was reeds het eerste teeken! Als Katoeti ten derde male fluit, gaan

wij aan ’t werk. Leen mij uwe tonderdoos, moeder, ze is beter dan de

mijne.”

»Ziedaar,” zeide Hekt, »ik heb haar niet meer noodig. Gewis, het is met

mij gedaan! Hoe beven uwe handen! Houd de doos goed vast, anders valt

zij op den grond, vóor gij vuur gemaakt hebt.”

De dwerg zeide de oude vaarwel, en zonder zich te verroeren, liet zij

toe, dat hij haar bij het afscheid nemen kuste.

Toen hij haar verlaten had, luisterde zij, diep ademhalend, in de stilte

van den nacht. Hare verstandige oogen vonkelden en allerlei gedachten

schoten pijlsnel door haar rusteloos brein. Toen zij het tweede teeken

uit het zilveren fluitje der weduwe vernam, richtte zij zich hoog op en

prevelde: »De ongeluksvogel Paäker, zijne ijdele tante en die dreumes

zijn ook tegen Ramses niet opgewassen. Ani’s sperwer is dood; hij heeft

niets van de toekomst te wachten, en ik niets van hem. Maar als Ramses

wilde, als de ware koning verplichting aan mij had, dan, ja dan kon mijn

oud lijk.... Juist, dat is het! Ja waarlijk, zoo moet het zijn!”

Zoo sprekende richtte zij zich met moeite op, hinkte, krom gebogen

en bevende, op haar stok naar het midden van de tent, stak daar een

fleschje en een mes bij zich, en sleepte zich met inspanning harer

laatste krachten naar Nemoe’s tent, op het oogenblik dat het laatste

gefluit werd gehoord. Hier vond zij Warda aan handen en voeten gebonden,

en Kaschta in diepen dronkemans-slaap op den grond liggende. Het meisje

rilde van schrik, toen zij de heks zag, en de naast haar knielende

kleine Scheraoe stak zijne handen smeekend en afwerend naar de oude

uit.

»Daar, neem dit mes, jongen,” zeide de heks, »snijd de banden door,

waarmede ze dat arme ding gebonden hebben. De papyrus-touwen[355] zijn

stevig, gebruik het lemmet als zaag!”

[355] Uit de papyrus-plant werden niet enkel bladen om te

schrijven, maar ook touwen vervaardigd. Met papyrus-strikken

waren ook de schipbruggen saamgekoppeld, die Xerxes over den

Hellespont liet slaan.

Terwijl de kleine blijmoedig zijne krachten inspande, om haar bevel te

gehoorzamen, wreef zij met het geestrijke vocht uit het fleschje dat zij

medenam Kaschta’s slapen, en druppelde een weinig op zijne lippen. De

roodbaard kwam langzaam bij, rekte zich uit en nam met verbazing wat hem

omringde op. Zij reikte hem water en beval hem te drinken.

Toen Warda, van hare banden bevrijd, voor haar stond, zeide zij: »De

goden hebben u, blank meisje, tot gewichtige dingen uitverkoren. Luister

goed naar hetgeen de oude Hekt u zegt. Het leven van den koning en zijne

kinderen is in groot gevaar. Ik wil u en de zijnen redden, en verlang

daarvoor geen ander loon, dan dat hij mijn lijk laat balsemen en in

Thebe begraven. Zweer mij, dat gij dat aan hem zult overbrengen, wanneer

gij hem gered hebt.”

»Om der goden wil, wat zal er dan gebeuren?” riep Warda, buiten

zichzelve van angst.

»Zweer, dat gij voor mijne begrafenis zult zorgen,” herhaalde de

tooveres.

»Ik zweer!” schreeuwde Warda. »Maar bij uw leven....”

»Katoeti, Paäker en Nemoe zijn uitgegaan, om het paleis, waarin Ramses

slaapt, aan drie zijden in brand te steken. Hoort ge het, Kaschta? ―

IJlt nu beiden de brandstichters achterna! Wekt de bedienden! Tracht den

koning te redden!”

»Voort, vader, voort!” riep het meisje, en beiden vlogen in de

duisternis weg.

»Zij is braaf en zal woord houden,” prevelde de oude, en beproefde of

zij zich naar haar tent terug kon slepen. Maar halverwege begaven haar

de krachten. De kleine Scheraoe wilde haar ondersteunen, maar hij was te

zwak om haar te helpen. Zij strekte zich uit in het zand op den weg en

tuurde in de verte. Daar zag zij, hoe uit het feestpaleis, dat als eene

donkere massa voor haar lag, eerst eene al lichter en lichter wordende

wolk te voorschijn kwam, en vervolgens zwarte rook, hoe daarna eene

heldere vlam hoog uitsloeg en een dichte regen van vonken opsteeg.

»Loop naar de legerplaats, jongen!” riep zij. »Roep ‚brand!’ en wek

allen die slapen!”

Scheraoe holde luid schreeuwende weg.

Hekt greep op eens naar haar hart en prevelde: »Daar is het weer!” ―

»Aan de andere zijde, Assa!” ― En weder: »Assa!” Nog eens vertrok zij

de lippen om ze voor altijd te sluiten.

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 51 / 58 题