NEGENDE HOOFDSTUK.

Vóor den aanvang van den slag[337] waren bij elke troepenafdeeling

gebeden uitgesproken en offers geslacht. Men had heilige godenbeelden

in feestbarken voorbij de gelederen gedragen, en aan de soldaten

wonderdoende reliquieën getoond. Herauten verkondigden, dat de

opperpriesters bij de groote offers des konings gunstige voorteekenen

had gevonden, en de Horoscopen hoop hadden gegeven op eene schitterende

overwinning.

[337] Bij onze schildering van het geheele beloop van den slag

hebben wij het epos van Pentaoer gevolgd.

Ieder Egyptisch legioen zag met bijzonder vertrouwen op naar de

standaarden met het beeld van een of ander heilig dier, of het symbool

van de provincie, waaruit het afkomstig was. Doch ook ieder soldaat

afzonderlijk voorzag zich van voorbehoedmiddelen en amuletten van

allerlei aard. Deze droeg eene spreuk, die hulp kon verleenen, in een

zakje verborgen om den hals of aan den arm, gene weder heilaanbrengende

mystische oogen, en de meesten scarabeën aan hunne vingerringen. Velen

achten zich het best beschermd door de haren of de vederen van een

heilig dier, en niet weinigen lieten zich vrijwaren voor alle onheil

door eene levende slang of kever, die zij zorgvuldig in het taschje van

hun schortkleed of in hun spijszak verborgen.

Toen de koning, voor wien de beelden van den godentrias van Thebe, Amon,

Mat en Choensoe, van den krijgsgod Menth en van de godin der overwinning

Necheb, werden gedragen, de troepen monsterde, was hij gezeten in

een draagstoel, die op de schouders van vier-en-twintig aanzienlijke

jongelingen rustte. Zoodra hij naderde viel het gansche leger op de

knieën en stond niet op voordat Ramses, na van den draagstoel te zijn

afgedaald, voor aller oogen aan de goden een rook- en drankoffer had

gebracht, en zijn zoon Chamoes, de opperpriester van Memphis, hem in

naam der hemelsche goden de symbolen van leven en macht had overhandigd.

Eindelijk zongen de priesterkoren lofliederen op den zonnegod Ra, en

zijn zoon en vertegenwoordiger op aarde, den koning.

Toen de troepen opbraken, werd de hemel, die weinige uren te voren door

zware wolken was bedekt, weder helder, en vertoonde zich het reeds

verbleekend licht der sterren. Dit verschijnsel aan het firmament werd

als een gunstig voorteeken beschouwd, en de priesters verkondigden het

leger, dat evenals de naderende Ra de wolken voor zich uitdreef, zoo ook

de koning zijne vijanden zou verstrooien.

De voetknechten trokken in de voorgeschrevene orde den vijand tegemoet,

zonder trommelslag of trompetgeschal, ten einde de Aziaten niet te

wekken. De wagenstrijders reden in lange rijen af, elk op een lichten

tweeradigen, met twee paarden bespannen wagen. Ramses stelde zich aan

het hoofd van dezen. Aan beide zijden van het vergulde voertuig dat hem

droeg, zag men een schitterend met edelgesteenten bezet foudraal voor

pijlen en bogen, Zijne schoone paarden waren rijk getuigd. Halzen en

ruggen waren gedekt door purperen, met turkooizen bestikte schrabrakken,

en op hunne hoofden was een sieraad geplaatst, dat veel op een kroon

geleek, en waarvan eene menigte witte struisvederen nederwaaiden. Aan

het einde van den ebbenhouten disselboom waren kleine, van kussens

voorziene jukken aangebracht, die op de nekken der paarden rustten. Als

spelend met hun lichten last, huppelden de glimmende slanke dieren voor

den wagen. Zij trappelden op den grond met hunne kleine stevige hoeven,

en bewogen hunne sierlijk gebogene zwanenhalzen met fierheid op en neer.

Achter zijn heer, die met de kroon van Opper- en Neder-Egypte was

getooid, en een pantserrok[338] droeg, waarover de breede purperkleurige

draagband rondom zijne lenden was geslagen, stond Mena. Hij hield met

de linkerhand de paarden strak in toom. Zijne rechterhand leunde op het

schild, waarmede hij in den strijd zijn gebieder moest beschutten.

Gelijk een door stormen nog vaster gewortelde eik, naast welken een

slanke esch opwascht, zoo stond de pharao daar naast zijn wagenmenner.

[338] De overblijfselen van zulk een pantser, dat afkomstig is

uit den tijd van den eersten Sheshenk (Sesonchis), die tot de

22e dynastie behoorde, worden in het Britsch museum bewaard. Het

bestaat uit leder, waarop bronzen schubben bevestigd zijn.

De oostelijke horizont begon zich te kleuren met roodachtige tinten,

toen zij de omheining van de legerplaats verlieten. Daar ter plaatse

reed de gids Paäker den koning te gemoet, wierp zich vóor hem neder en

kuste den bodem. Op de vraag van Ramses, waarom hij zonder zijn broeder

kwam, gaf hij ten antwoord, dat deze plotseling ziek was geworden. De

morgenschemering was oorzaak, dat de koning niet kon opmerken, hoe de

wangen van den verrader, die niet gewoon was te liegen, nu eens rood en

dan weder vaalbleek werden.

»Hoe staat het met den vijand?” vroeg Ramses.

»Hij weet,” antwoordde Paäker, »dat het weldra tot een slag zal komen,

en trekt zijne tallooze volken in de legerplaatsen ten zuiden en ten

oosten van de stad bijeen. Gelukt het u Kadesch van de noordzijde van

achter aan te vallen, terwijl het voetvolk het leger der Aziaten van de

zuidzijde aangrijpt, dan zal de vesting nog heden in uwe handen zijn. De

bergengte, die gij moet doortrekken, om niet ontdekt te worden, is niet

slecht.”

»Zijt gij ziek als uw broeder?” vroeg de koning, »Uw stem beeft.”

»Ik ben gezonder dan ooit,” antwoordde de Mohar.

»Wijs ons den weg!” beval Ramses.

Paäker gehoorzaamde. Zwijgend reden zij met een gevolg van tallooze

wagenstrijders in de frissche morgenkoelte over de bedauwde vlakte, en

zoo het gebergte in. Het met bogen en zwaarden gewapende korps van Ra

marcheerde in de voorhoede en opende den weg. Nadat zij de smalle en

drooge bedding van een stroom waren doorgetrokken, zagen zij voor zich

een breed dal, dat links en rechts door bergen was ingesloten.

»De weg is goed,” zeide Ramses, terwijl hij zich tot Mena richtte. »De

Mohar heeft van zijn vader geleerd zijn ambt goed te vervullen. Hij

heeft ook voortreffelijke paarden. Nu eens wijst hij de gidsen van onze

voorhoede den weg, dan weder is hij in onze nabijheid.”

»Het zijn geelvossen uit mijne stoeterij,” zeide Mena, en de aderen op

zijn voorhoofd zwollen. »De opzichter zeide, dat Katoeti ze hem voor

zijn vertrek heeft gezonden. Zij moeten voor Nefert’s wagen loopen, en

heden ment hij ze om mij te trotseeren.”

»De vrouw is de uwe, laat hem de paarden,” antwoordde de koning goedig.

Opeens werd de morgenstilte gestoord door het geluid van bazuinen. Men

zag niet uit welke richting het kwam, en toch klonk het niet uit de

verte.

Ramses richtte zich op in al zijne lengte, en haalde de strijdbijl uit

zijn gordel. De rossen staken de ooren op en Mena zeide: »Dat waren

trompetten der Cheta; ik ken den toon.”

Achter het voertuig van Ramses reed een gesloten vierwielige wagen,

waarin de koninklijke leeuwen naar het tooneel van den strijd werden

gevoerd.

»De leeuwen los!” riep de koning, zoodra hij het krijgsgeschreeuw hoorde

aanheffen, en spoedig daarop zag hij zijne door vijandelijke wagens

doorbrokene voorhoede, het dal weder in en hem tegemoet vluchten. De

roofdieren schudden woest de manen en sprongen brullend naast den

wagen van hun meester. Mena zwaaide de zweep; de paarden steigerden en

galoppeerden nu moedig tegen de vluchtenden, die door geen woorden tot

stilstaan waren te brengen, en de hen vervolgende vijanden in.

»Waar is Paäker?” vroeg Ramses.

Doch de gids was verdwenen, als had de aarde hem plotseling met zijn

wagen verslonden.

De vluchtende Egyptenaars en de vijandelijke wagenstrijders, die dood

en verderf in hunne gelederen verspreiden, kwamen al nader en nader. De

grond dreunde; de hoefslag der paarden en het ratelen der wielen klonk

luider en luider, als het rollen van een snel opkomend onweder.

Nu verhief Ramses zijn stem en liet een oorlogskreet hooren, die als

bazuingeschal door de rotsen ter linker- en rechterzijde werd herhaald.

Zijne wagenstrijders stemden in met dien kreet. De vluchtenden kwamen nu

een oogenblik tot staan, maar om terstond daarop met verdubbele snelheid

een goed heenkomen te zoeken. Want onverwachts hoorde men ook het

krijgsgeschreeuw en de trompetten van den vijand achter den koning. Uit

een dwarsdal, waarop Ramses geen acht had geslagen, en waarin Paäker

verdwenen was, stormden onafzienbare drommen wagenstrijders te

voorschijn, die voordat de koning het beletten kon, de rijen der hem

volgende strijders doorbraken, en hem van zijne hoofdmacht afsneden.

Ramses hoorde achter zich het geweldig gedruisch van den aangevangen

strijd; vóor zich zag hij de zijnen vluchten en vallen, en den vijand,

die met klimmende woede en steeds talrijker op hem aanstormde. Hij

overzag het gansche gevaar en rekte zijne kolossale leden, als wilde

hij beproeven, of zij opgewassen waren tegen een niet minder sterken

tegenstander. Andermaal verhief hij zijne stem, doch nu zoo krachtig,

dat zij het geschreeuw en gesteun der soldaten, het commando der

aanvoerders, het gehinnik der paarden, het gekraak der wagens die

verbrijzeld werden, het dof geluid van de door lansen en zwaarden

getroffen schilden en helmen, kortom het oorverdoovend geraas van den

slag luide overstemde. Hij hief den boog op en doorboorde met zijn

eersten pijl een opperhoofd der Cheta.

Nu sprongen zijne leeuwen vooruit, en brachten verwarring onder de

vijandelijke scharen, die hem van voren bedreigden. Want vele paarden

der Cheta keerden zich op het gebrul der woedende roofdieren dadelijk

om, wierpen de wagens omver en verhinderden het voortdringen hunner

strijdgenooten.

Ramses schoot den eenen pijl na den anderen af, en Mena beschutte hem

met het schild, wanneer een vijandelijk schot op hem werd gericht.

Thans hadden de rossen van den pharao den vijand bereikt en had zijne

strijdbijl den eersten der Aziaten geveld. Rameri en drie andere zonen

des konings streden aan zijne zijde op hunne wagens, en vóor hen de

leeuwen. Wild was het gedrang, vreeselijk de woede der strijders;

zinverbijsterend het gejoel van den slag, gelijk het bulderen der

branding van den oceaan, die door een fellen orkaan tegen hooge

granietrotsen wordt opgezweept.

Het was of Mena zich wist te verdubbelen, want terwijl hij in zijne

linkerhand de teugels hield geklemd, waarmede hij de rossen nu eens

vooruit deed snellen, dan achteruit trok, dan weder opzij wendde, al

naar het noodig was in den drang van het gevecht, ontging hem geen

enkele pijl, die op den koning werd gericht. Zijne oogen en zijn schild

waren overal. De jonge held vertrok geen wenkbrauw, terwijl Ramses

woedender nog dan zijne leeuwen onder steeds luider krijgsgeschreeuw en

met vlammende blikken, zich, links en rechts er op inhouwende, al dieper

en dieper waagde onder de drommen der vijanden.

In het schild van den wagenmenner staken reeds drie pijlen, die op Mena,

niet op den koning waren gericht, en op de schacht van den eenen zag hij

toevallig in Egyptisch schrift niet onduidelijk de woorden: »Dood aan

Mena.”

Daar snorde een vierde pijl!

Hij volgde met de oogen de richting, van waar het wapen kwam, en terwijl

een vijfde schot zijn schouder verwondde, riep hij den koning toe: »Wij

zijn verraden! Zie daar, aan de overzijde! Paäker strijdt met de Cheta!”

De gids spande juist opnieuw zijn boog en kwam den wagen van Ramses zoo

nabij, dat men hem verstaan kon, toen hij de pees aantrekkende, met

krijschende stem uitriep: »Thans rekenen wij af, gij dief en roover! Nog

is mijne bruid uwe vrouw, maar met dit schot maak ik Mena’s weduwe tot

de mijne!”

Met geweldige kracht doorkliefde de pijl de lucht en trof den helm van

den wagenmenner. Deze liet zijn schild zinken en bracht de hand aan

zijn hoofd, dat dreunde van den schok. Hij hoorde Paäkers woedenden

schaterlach, en voelde hoe een nieuwe pijl van zijn vijand hem door het

handgewricht sneed. Zichzelven niet meer meester, wierp hij de teugels

ver van zich weg, greep zijn strijdbijl, sprong, zijn plicht en

zichzelven vergetende, van den wagen en stormde op den gids los.

Paäker wachtte hem af met zijn opgeheven slagzwaard. Zijne lippen waren

doodsbleek, zijne oogen bloedrood, zijne wijduitstaande neusvleugels

bewogen zich als die van een snuivend paard, en met giftig schuim op

zijn schreeuwenden mond, wierp hij zich op zijn doodvijand.

De koning zag beiden met elkander worstelen, doch hij kon in dezen

strijd niet tusschen beiden komen, want de teugels, die Mena had

vastgehouden, sleepten langs den grond, en onbestuurd trokken zijne

paarden, de leeuwen volgende, hem met zich voort.

De meeste zijner strijdgenooten waren gevallen. Voor hem en achter hem

woedde het vreeselijk gevecht; doch Ramses stond vast als een rots,

dekte zich met Mena’s schild, en zwaaide zijne doodelijke strijdbijl.

Daar zag hij hoe Rameri zich met zijn tweespan dicht bij hem aansloot.

De jongeling streed heldhaftig, en Ramses riep hem toe: »Goed zoo, gij

kleinzoon van Seti!”

»Ik wil heden een nieuw zwaard verdienen!” antwoordde de kroeskop zijn

vader, en spleet een vijand den schedel.

Doch reeds waren zij van alle zijden door vijandelijke wagens omringd.

De vader zag, hoe Danaërs de paarden van den jongeling neerhieuwen, en

hoe al zijne metgezellen, en onder hen de beste strijders, hunne paarden

omwendden en op de vlucht sloegen.

Daar werd ook een zijner leeuwen met eene lans doorboord. Het edele

dier zonk neder, met een gehuil van woede en smart, dat boven alles uit

werd gehoord. Reeds was hij zelf door een pijl licht verwond, had een

zwaardhouw zijn schild gespleten, en was de laatste pijl afgeschoten.

Hoewel hij nog altijd links en rechts dooden deed vallen, zag Ramses

toch zijne laatste ure naderen. Zonder de worsteling te staken, verhief

hij zijne stem om luide te bidden en Amon’s hulp met hartstochtelijke

woorden in te roepen.

Terwijl hij alzoo in doodsgevaar den heer des hemels om bijstand

smeekte, ziet, daar vertoonde zich midden in het strijdgewoel naast

zijne paarden een Egyptenaar van hooge gestalte. Hij nam de teugels op,

en terwijl hij den koning eerbiedig groette, sprong hij achter hem op

den wagen.

Ramses beefde voor de eerste maal. Geschiedde hier een wonder? Had Amon

zijn gebed verhoord? Terwijl hij eenigszins schuw den blik richtte

op zijn nieuwen wagenmenner, en op zijn gelaat de trekken van den

afgestorven Mohar, den vader van den verrader Paäker, meende te

herkennen, geloofde hij werkelijk, dat Amon diens gedaante had

aangenomen, dat de god in eigen persoon tot hem was gekomen, om hem te

redden.

»Er is hulp nabij!” riep zijn nieuwe wagenstrijder. »Nog maar een

wijle stand gehouden, dan zijt gij gered, en voert gij de uwen ter

overwinning!”

Toen verhief Ramses opnieuw zijn krijgsgeschreeuw. De dichtst bij zijnde

Chetiet, die hem naderde, zonk ter aarde met verbrijzelden schedel,

terwijl de raadselachtige helper aan zijne zijde hem nu eens met

het schild, dat de koning hem had overgegeven, dekte, dan weder

verschrikkelijke slagen uitdeelde.

Zoo gingen er met deze nieuwe worsteling eenige oogenblikken voorbij.

Daar liet zich weder boven het luid gewoel van den strijd trompetgeschal

hooren. Ditmaal herkende Ramses zijne Egyptische hoornblazers, en van

den lagen bergwand aan zijne rechterzijde wierpen, zonder zich over weg

of steg te bekommeren, duizende lichtgewapende voetknechten van het

legioen van Ptah onder aanvoering van Horus, zich in de flank der

vijandelijke wagenstrijders.

De Egyptenaars zagen in welk gevaar de koning verkeerde. Met ware

doodsverachting stormden zij op den vijand los, de wagenstrijders

nederhouwende of op de vlucht jagende. Weldra stond de pharao gered

onder de zijnen.

Maar de raadselachtige persoon, die hem in den nood had geholpen, was

verdwenen. Hij was, door een pijl getroffen, ter aarde gezonken. Zoo is

het einde van een mensch; en toch meende de koning, dat Amon zelf zijn

redder was geweest.

Ramses gunde zichzelven, zijnen rossen en zijnen strijders maar een

oogenblik rust; toen wendde hij zijn strijdwagen, reed den weg terug

langs welken hij gekomen was, overviel de vijanden, die hem van zijne

hoofdmacht hadden afgesneden, greep hen in den rug aan, terwijl zij nog

worstelden met zijne reeds terugwijkende wagenstrijders, en voerde de

meeste Aziaten, die aan de Egyptische pijlen en zwaarden ontkomen waren,

als gevangenen mede.

Nadat hij zich wederom met zijne overige troepen vereenigd had, drong

hij dieper in de vlakte door, stiet hier op Aziatische voetknechten en

wagenstrijders, die met de zwaar gewapende Egyptenaars streden, en dreef

hen in de wateren van den Orontes of van het meer van Kadesch. Het

aanbreken van den nacht maakte een einde aan den strijd, die echter den

volgenden morgen vroeg weder aanving.

Groote moedeloosheid had zich van de Aziatische bondgenooten meester

gemaakt. Zich van de overwinning zeker wanende waren zij naar het

slagveld opgetrokken. De gids Paäker had hun immers zijn koning

verraden? Toen de pharao uittrok waren de beste wagenstrijders der Cheta

heimelijk achter de stad geschaard en tegen Ramses afgezonden door de

noordelijke opening van het dal, waardoor hij tegen Kadesch optrok.

Gelijktijdig waren andere uitgelezen troepen, in het geheel twee duizend

vijfhonderd wagens, door een dwarsdal getrokken, dat zij in den nacht

bezet hadden, ten einde hem in de flank te vallen. Al deze plannen waren

uitgevoerd, en desniettemin hadden de Aziaten eene geduchte nederlaag

geleden en hunne voornaamste helden verloren, waaronder Titoere,

den kanselier, en Chiropasar, den boekenschrijver van den koning

der Cheta[339], die het zwaard zoo goed kon hanteeren als het

schrijfriet, en bestemd was de zege der Aziaten te schilderen en tot de

nakomelingschap over te brengen. Ramses had den een, en zijn onbekende

metgezel in den strijd, den ander met eigene handen verslagen, en

behalve deze nog vele andere aanvoerders der Cheta en hunner

bondgenooten.

[339] Op de afbeelding van den slag op de pylonen van het

Ramesseum te Thebe, is boven een der gevallen Cheta deze naam en

deze titel te lezen.

De koning werd als een god met gejuich en lofgezangen in het leger

begroet. Zelfs de tempelboeren en de in Opper-Egypte gelichte burgers,

die door Ani omgekocht en den langdurigen strijd moede waren, werden

door de algemeene geestdrift medegesleept. Zij prezen vroolijk den

grooten held en koning, den machtige, die den nek van elken weerspannige

wist te buigen. Zij brachten hulde aan den gelukkigen uitslag.

Nu werden de dooden en gewonden op het slagveld opgezocht. Onder de

laatsten had men ook Mena gevonden.

Rameri werd vermist; in de eerstvolgende dagen werd het bekend, dat hij

als gevangene in handen der vijanden was gevallen. Hij werd terstond

tegen de in Mena’s tent teruggehoudene dochter van den vorst der Danaërs

uitgewisseld.

Paäker was verdwenen, maar de geelvossen, die hem in den strijd hadden

gevoerd, werden ongedeerd vóor zijn verbrijzelden en met bloed bevlekten

wagen gevonden.

De Egyptenaars bezetten Kadesch. Chetasar, de vorst der Cheta, wendde

pogingen aan, in zijn eigen naam en dien zijner bondgenooten, om met den

pharao in vredesonderhandeling te treden. Doch het stond bij Ramses

vast, dat hij hen niet hier, maar aan de grenzen van Egypte zijne

vredesvoorwaarden zou voorschrijven. Er bleef voor de overwonnenen geene

keuze, en de plaatsvervanger van den koning der Cheta, ― hijzelf was

gewond, ― benevens twaalf vorsten van de aanzienlijkste volken, die

tegen den pharao in het veld waren getogen, moesten zich bij zijn

zegetocht aansluiten. Men bewees hun alle eer, en behandelde hen, alsof

zij de koning zelf waren. Maar zij waren toch niets meer en niets minder

dan zijne gevangenen.

De pharao wenschte geen tijd te verliezen, want zijn hart was vervuld

van zwaarmoedige voorgevoelens. Over zijn anders zoo zonnig gemoed had

zich een sluier uitgebreid van somberheid, die hem te voren geheel

vreemd was. Voor de eerste maal was hij aan den vijand verraden door een

Egyptenaar, die hem zoo na stond.

De daad van Paäker had het blijmoedig vertrouwen van den pharao

geschokt. Toen de vorst der Cheta om vrede smeekte, had hij niet

onduidelijk laten blijken, dat Ramses in zijn eigen huis veel met geweld

van wapenen zou moeten beslechten. De koning voelde zich tegen Ani, de

priesterschap en allen die hij in Egypte had achtergelaten meer dan

opgewassen, maar het smartte hem diep wantrouwen te moeten gevoelen,

en de onzekerheid viel hem zwaarder te dragen dan het ongeluk. Daarom

verlangde hij naar Egypte terug.

Ook om nog iets anders gevoelde hij tegenzin den krijg voort te zetten.

Mena, dien hij liefhad als zijn eigen zoon, die zijne minste wenken

begreep, die, zoodra hij den wagen betrad aan hem behoorde, als ware hij

een deel van zijn lichaam, bestuurde zijne rossen niet meer. Hij was

door eene uitspraak van de legeraanvoerders van zijn ambt ontzet

geworden. Hijzelf had dit oordeel moeten bevestigen als rechtvaardig en

zacht, want door zijn gebieder prijs te geven om eigen wraak uit te

oefenen had de wagenmenner een daad gepleegd, die eigenlijk met den dood

gestraft moest worden. Sedert zijne worsteling met Paäker had de koning

Mena niet wedergezien, maar met deelneming luisterde hij naar allen, die

hem gedurig kwamen berichten, dat de zwaar gewonde in beterschap toenam.

Het opgewekt, beslist en wakker karakter van den pharao was wars

van alle droomerij. Niemand had hem, zelfs in uren van de zwaarste

vermoeienis, ooit aangetroffen in sombere en nevelachtige mijmeringen.

Thans kon hij bijwijle strak voor zich staren, als ware zijn geest

omfloersd, en schrikte hij dikwijls wakker, als iemand die plotseling

uit den slaap wordt gewekt, wanneer de buitenwereld hare eischen aan hem

deed gelden. Ontelbare malen had hij den dood in het aangezicht gezien

en zijne dreigende blikken getrotseerd als die van elk anderen vijand,

doch ditmaal was het hem geweest, als had hij reeds de kille hand van

den overmachtigen tegenstander aan zijn hart gevoeld.

Ook het gevoel van machteloosheid, dat zich van hem had meester

gemaakt, toen hij aan de willekeur van zijne onbeteugelde paarden was

prijsgegeven, gelijk een blad dat door den wind wordt medegevoerd,

en door een wonder gered werd, wilde hem maar niet verlaten. ― Een

wonder! ― Was Amon werkelijk in menschelijke gedaante op zijn geroep

verschenen; was hij inderdaad een zoon der goden en vloeide er goddelijk

bloed in zijne aderen?

De hemelsche goden hadden hem buitengewone gunst bewezen, maar hij was

toch niet meer dan een mensch; dat leerden hem de smarten zijner wonden,

en de misleidingen, waarvan hij bijna het slachtoffer was geworden. Ja,

hij moest zichzelven wel beschouwen als een veroordeelde, die genade had

ontvangen in het oogenblik, waarop het vonnis zou worden voltrokken. Hij

was een mensch als alle andere menschen, en hij wilde een mensch zijn.

Hij verblijdde zich er over, dat ook voor hem de toekomst in nevelen was

gehuld; dat hij tallooze zwakheden had, die hij deelde met hen die hij

liefhad, vooral dat hij het bewustzijn in zich omdroeg, onder gelijke

omstandigheden toch meer te vermogen dan al zijne tijdgenooten.

Spoedig na zijne overwinning brak Ramses met de vorsten der overwonnen

volken in zijn gevolg naar Egypte op, nadat alle belangrijke bergpassen

en vaste plaatsen in Syrië door zijne krijgslieden waren bezet. Hij zond

twee zijner zonen naar Bent-Anat te Megiddo, om haar over zee naar

Pelusium te brengen. Hij wist dat de bevelhebbers, die de havens

der verste grondvesting in het oostelijkste gedeelte van zijn rijk

bewaakten, hem trouw waren toegedaan. Tevens gaf hij zijne dochter bevel

het schip niet te verlaten, tot hij zou aangekomen zijn, ten einde haar

voor elken aanslag van den stadhouder te vrijwaren. Ook een groot deel

van het oorlogsmaterieel en de meeste gekwetsten werden over zee naar

Egypte gezonden.

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 48 / 58 题